• Oogst week 9 – 2022

    Visjes – Een avontuur op Salina

    Hoe sociale media onze culturele vorming ook domineren, televisie blijft een effectieve springplank naar nationale bekendheid. Joost Oomen genoot weliswaar al aanzien vanwege zijn dichtbundels Vliegenierswonden (2011) en De stort (2013), maar De Slimste Mens maakte hem vorig jaar prompt een BN’er. In 2010-11 was hij huisdichter aan de Rijksuniversiteit Groningen, drie jaar later stadsdichter van de studentenstad. Momenteel verzorgt hij bovendien columns voor het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant. Ook zijn debuutroman Het Perenlied werd goed ontvangen en De Volkskrant betitelde hem als literair talent van 2021. Visjes – Een avontuur op Salina is zijn nieuwste bundel.

    Salina is een eiland boven Sicilië, met rechts uitzicht op de Etna- en links op de Stromboli-vulkaan. Maar net als in de rest van Italië is er nu niemand om dit natuurschoon te aanschouwen: de coronacrisis houdt de toeristen op afstand. Oomen wil het toerisme een boost(er) geven door te experimenteren met het poëziegevoel van vissen. Want, redeneert hij, voor vissen die reageren op gedichten, nemen reizigers vast wel twee weken quarantaine voor lief. Met foto’s van Mirka Farabegoli en José Witteveen geeft Visjes een indruk van het leven op Salina. En Oomen? Die voert de vissen met versjes.

    Visjes - Een avontuur op Salina
    Auteur: Joost Oomen
    Uitgeverij: Querido

    Van de kansel

    Ook schrijvers sterven soms te vroeg. Grofweg dringen zich de namen op van Hafid Bouazza, Joost Zwagerman, Naima el Bezaz en – langer geleden – Jacques Perk, het prototype van de jonggestorven dichter. Over jonggestorven auteurs uit de Veenkoloniën hoor je weinig, maar van hen is Nanne Tepper wel de opvallendste en – mogelijk – de begaafdste. Hoewel zijn romans De eeuwige jachtvelden en De vaders van de gedachte alom gewaardeerd werden, bleef het ultieme meesterwerk uit. Tepper stierf in 2012 op vijftigjarige leeftijd. Tien jaar nadien compileren Louis van Kelckhoven en Herman Sandman alle 37 columns die Tepper voor het Nieuwsblad van het Noorden schreef: Van de kansel.

    Waarom zijn columns in Nederland zo populair? De titel Van de kansel suggereert dat wij een volk vol dominees zijn. Columns stillen onze behoefte naar veroordeling. Als braafste jongetje van de klas alles en iedereen de maat nemend, liefst de personen en instanties met macht en aanzien. Zo maakt Tepper gehakt van de zelfgenoegzame kunstwereld met vlijmscherpe pen, zelfspot en polemiek. Vooral de dikdoenerij rondom het Boekenbal in Amsterdam pakt hij aan. Niet toevallig was de Groninger een penvriend van Geerten Meijsing, die in De Grachtengordel het literaire circuit van Nederland ook al eens bekritiseerde.

    Van de kansel
    Auteur: Nanne Tepper
    Uitgeverij: Kleine Uil

    Ongelijkheid en ons stemgedrag – een studie naar vijftig democratieën van 1948 tot 2020

    Thomas Piketty, beroemd vanwege zijn manifest Kapitaal in de 21ste eeuw, beweerde onlangs dat ongelijkheid een politieke keuze is. De Franse econoom bundelt nu zijn krachten met Amory Gethin en Clara Martínez-Toledano, respectievelijk promovendus en professor in de Economie, om deze uitspraak hard te maken. In Ongelijkheid en ons stemgedrag passeren vijftig verschillende democratieën van 1948 tot 2020 de revue, waarin gelijk stemrecht tot economische ongelijkheid leidde. Feitelijk benadert het drietal stemgedrag intersectioneel: het wordt namelijk gekoppeld aan inkomen, opleidingsniveau, vermogen, beroep, religie, etniciteit, leeftijd en sekse. Alleen seksuele voorkeur ontbreekt.

    In De kloof laat Sander Schimmelpenninck zien dat Piketty’s nieuwste boek ook in ons land aandacht verdient. Als adept van Marx bond Piketty in 2021 de strijd aan met het kapitalisme door Leve het socialisme! te schrijven. Het is dan ook geen verrassing dat Piketty ‘zakelijk rechts’ als grootste boosdoener ziet in Ongelijkheid en ons stemgedrag. Deze stroming wordt gedomineerd door vermogenden als Trump en Bolsonaro, maar ook door partijen die vooral de financiële dimensie van allerlei vraagstukken van belang achten, zoals de VVD in Nederland. ‘Toute nation a le gouvernement qu’elle mérite’, luidt het Franse gezegde. Wat verdienen wij?

    Ongelijkheid en ons stemgedrag - een studie naar vijftig democratieën van 1948 tot 2020
    Auteur: Amory Gethin, Clara Martínez-Toledano, Thomas Piketty
    Uitgeverij: De Geus
  • In het schaduwland

    In het schaduwland

    Er zijn boeken die je een leven lang bijblijven, er zijn er ook die bij een bepaalde levensfase horen. Dat is logisch: niet alles wat je op je twintigste kon boeien, houdt tien of twintig jaar later nog je aandacht vast. Alleen al die vaststelling maakt een ‘objectief’ oordeel (voor zover dat al zou kunnen bestaan) over Het glazen hotel van Emily St. John Mandel (1979) moeilijk: de Canadese schrijfster heeft namelijk een trouwe aanhang van vaak jongvolwassen lezers. Zij herkennen zich in de personages die min of meer aan het begin van hun volwassen leven staan en zoekend, tastend hun weg proberen te vinden. ‘Er is een verschil tussen intelligent zijn en weten wat je met je leven moet doen,’ klinkt het op een bepaald moment.

    Schuld

    Zo maken we kennis met Paul, die eind 1999 bedrijfseconomie gaat studeren aan de universiteit van Toronto. Niet omdat het hem werkelijk interesseert, maar om voor een ‘praktische, indrukwekkend volwassen voorwaartse koers’ te kiezen na een gemiste start – Paul heeft er enkele duistere jaren op zitten als heroïneverslaafde. Het plan valt al snel in het water als iemand aan wie hij per ongeluk een slechte xtc-pil had gegeven, overlijdt, en Paul in allerijl terugvliegt naar de Canadese westkust.

    St. John Mandel werkt niet met een rechtlijnige tijdsstructuur, maar springt voortdurend heen en weer in tijd en ruimte en introduceert een reeks personages en verhaallijnen die aanvankelijk los van elkaar lijken te staan, maar al snel naar elkaar toe blijken te groeien. Niets is toevallig in dit boek, zodat je als lezer vrij snel in de gaten krijgt dat wanneer Paul in 2005 nachtconciërge is geworden in een afgelegen hotel op Vancouver Island, zijn halfzus Vincent daar niet zomaar achter de bar staat en scheepvaartdirecteur Leon Prevant geen willekeurige hotelgast kan zijn.

    En inderdaad, langzaam maar zeker wordt er een verhaal geconstrueerd met veel pieken en dalen, een roman waarin we Vincent bijvoorbeeld terugzien als verveelde echtgenote van de steenrijke effectenhandelaar Jonathan Alkantis, die dan enkele jaren later weer in de gevangenis belandt. Het personage Alkantis is immers losjes gebaseerd op Bernie Madoff, die een levenslange gevangenisstraf uitzit nadat zijn ponzifraudesysteem – waarbij fictieve winsten voor beleggers in feite worden uitbetaald met de inleg van andere beleggers  – in 2008 in elkaar stortte. Aan de andere kant staat het ‘schaduwland’ van de Amerikaanse ‘working poor’, een immens leger van vakkenvullers, pizzabezorgers, restaurantpersoneel en andere onderbetaalde mensen die verschrikkelijk hard moeten werken zonder zelfs maar rond te kunnen komen:

    ‘Leon wist dat Marie en hij het beter getroffen hadden dan de meeste bewoners van het schaduwland, ze hadden elkaar en de camper en (net) genoeg geld om te overleven, maar het wezenlijke merkteken van het schaduwburgerschap was voor iedereen gelijk: ze waren allemaal afgesneden geraakt, ze waren onder het oppervlak van de Verenigde Staten beland, ze waren op drift.’

    Televisie

    De plot is goed opgebouwd, de puzzelstukjes passen allemaal netjes in elkaar en er zitten genoeg verrassende wendingen in dit boek om het spannend te houden, maar Het glazen hotel leunt op die manier wel erg dicht aan bij wat tegenwoordig waarschijnlijk de meest populaire vorm van fictie is, namelijk de televisiereeks. Bij het lezen van dit boek ontstaat toch sterk de indruk dat je in feite een scenario onder ogen hebt, temeer omdat alles ten dienste staat van de plot.

    En zo komen we bij de belangrijkste tekortkoming van Het glazen hotel. Als er iets is waarin literatuur zich kan onderscheiden van andere vormen van fictie – handige marketingjongens zouden het over de unique selling proposition hebben –  is het toch wel taal en stijl. Daarom is het jammer dat net die taal een bijrol krijgt. Niet dat je over de kromme zinnen struikelt, verre van, maar echt sprankelen doet Het glazen hotel niet. Wie op zoek is naar verbaal vuurwerk, komt bedrogen uit, en dat heeft St. John Mandel gemeen met veel Engelstalige generatiegenoten. Zou de wildgroei van schrijfopleidingen en cursussen creative writing daar voor een deel mee te maken hebben? Het is moeilijk om je van de indruk te ontdoen dat de vaak zeer functionele kijk op literatuur die daar wordt gepropageerd – less is more, show don’t tell enzovoort – wel erg dominant begint te worden. Dat is jammer voor lezers die de plot grotendeels bijkomstig vinden en vooral uit zijn op esthetisch taalgenot. Maar liefhebbers van plotgericht proza zullen wel plezier beleven aan Het glazen hotel, en dat is hun goed recht.

     

     

  • In het land van de wind

    In het land van de wind

    De Haute Provence is nog altijd een wat ruige, ongerepte streek, met diepe dalen en een eigenzinnige bevolking, mensen die met lede ogen moeten aanzien hoe steeds meer huizen in hun pittoreske dorpen als buitenverblijf worden gekocht door gefortuneerde buitenlanders of – nog erger – Parijzenaars. Jean Giono (1895-1970), geboren en getogen in het stadje Manosque, bracht er zijn hele leven door, met uitzondering van de Eerste Wereldoorlog, toen hij onder meer de hel van Verdun moest doorstaan en gewond werd aan het front. Hij keerde terug naar huis als overtuigd pacifist en wijdde zich aan de literatuur.

    Heuvel was zijn debuut. Het idee voor het boek, dat in 1928 werd gepubliceerd, ontstond tijdens een reis met zijn zwangere vrouw van Manosque naar de Drôme, door een bergachtige streek met bij wielerliefhebbers bekende cols als de Montagne de Lure of de Mont Ventoux. De plaats van handeling is Bastides Blanches, een gehucht met niet meer dan een twaalftal inwoners ‘halverwege tussen de vlakte waar de stoomdorsmachines ronken en de uitgestrekte lavendelwoestenij, het land van de wind, in de koele schaduw van het Montagne de Lure’.

    Een tijloos verhaal

    Een lieflijke plek? Nee, want de bewoners spelen eigenlijk een bijrol in het woeste landschap, waar ze hoogstens worden gedoogd, al zoeken ze de afzondering ook bewust op: ‘Wat van de stad komt, is slecht: de wind, die regen brengt, en de postbode.’ Ze voeren een dagelijks gevecht tegen een bezielde natuur: de personificaties in dit boek zijn niet op de vingers van één hand te tellen. Een heuvel ligt bijvoorbeeld ‘als een os in het gras te slapen’, of ‘het vel van de aarde plooit zich in dikke vetrollen’. Het verhaal is in zekere zin tijdloos en had zich op enkele details na net zo goed duizend jaar geleden kunnen afspelen. De beproevingen houden niet op: zo valt de plaatselijke bron droog of moeten alle mannen lijf en leden wagen om een bosbrand – een ‘soepel vuurdier’ – die het dorp bedreigt, af te wenden. Op een bepaald moment formuleert Giono de vijandigheid van het landschap vrij expliciet:

    ‘Deze aarde die zich breed uitstrekt naar beide kanten, vet en zwaar met haar lading van bomen en water, zijn rivieren, zijn beken, zijn bossen, bergen en heuvels, en zijn ronde steden die midden tussen de bliksems ronddraaien, zijn hordes mannen die zich vastklampen aan zijn vacht: en als dat nu een levend wezen was, een lichaam? Met kracht en kwade intenties?’

    Giono’s unieke stijl zal geen enkele lezer onberoerd laten. Die is hoogst persoonlijk, zeer poëtisch en tegelijkertijd aards, ongekunsteld, trouw aan Giono’s eenvoudige komaf. De beelden die hij gebruikt, zijn origineel, maar niet vergezocht: ze leunen dicht aan bij de leefwereld van de lokale bevolking en de natuur. Neem bijvoorbeeld deze beschrijving van een van de mannen van het dorp: ‘Janet ziet er vanavond grimmig uit: zijn huid blauw als graniet, een scherpe neusrug en doorschijnende neusvleugels, als de rand van vuursteen. Eén geopend oog fonkelt in de schaduw als een glinsterende steen, zo’n scherf van een rots die diep in de aarde verborgen ligt en waarop de grote gladde ploegschaar die gewoontegetrouw rechtdoor gaat, plotseling breekt en omvalt.’

    Streven naar uitgepuurde taal

    Vertaalster Kiki Coumans verwijst onder meer naar Walt Whitmans Leaves of Grass in haar nawoord, een boek waar Giono sterk van onder de indruk was. Het doet de vraag rijzen of hij misschien ook vertrouwd was met Walden, het pleidooi voor een eenvoudig leven dicht bij de natuur van Whitmans land- en tijdgenoot Henry David Thoreau. Of zelfs met het onlangs door Rokus Hofstede in het Nederlands vertaalde De grote angst in de bergen van de Franstalige Zwitser Charles-Ferdinand Ramuz, uit 1926 (dus vlak voor Heuvel uitkwam). Giono en Ramuz delen alleszins het streven naar een ongekunstelde, uitgepuurde, aardse taal en hebben ook hun thematiek gemeen: het gevecht van de mens tegen een bezielde natuur. Toch zijn ze elk op hun manier volstrekt uniek.

    Wat er ook van zij, Heuvel is een prachtig boek van een groot schrijver. Laten we hopen dat er nog meer vertalingen volgen, want een groot deel van Giono’s oeuvre is nog niet voor ons taalgebied ontsloten of alleen nog tweedehands te verkrijgen in het Nederlands.

     

     

  • OK boomer

    OK boomer

    ‘ROMAN’ staat er in drukletters op de kaft van Alfred Birneys In de wacht, en het is niet zo gek om je na het omslaan van de laatste bladzijde af te vragen waarom. De namen van de personages zijn veranderd en hier en daar zal wellicht nog wel iets zijn gefictionaliseerd, maar in grote lijnen gaat het toch om een egodocument van een hoofdpersonage dat vrijwel geheel samenvalt met Birney zelf, zowel wat zijn achtergrond betreft als wat hij meemaakt. Alan Noland, zoals Birneys alter ego heet, ligt immers in het ziekenhuis te wachten op een hartoperatie waar zijn geestelijke vader zelf van is hersteld in 2019, had ook een getraumatiseerde militair als vader die zijn gezin mishandelde, was eveneens gitaarleraar enzovoort.

    Ondertussen houdt hij een lange innerlijke monoloog over zowat alles wat hem bezighoudt, en dat is nogal wat. In de wacht gaat over van alles en nog wat. En dat is meteen ook het probleem: Birney kan er moeilijk een onderwerp uit kiezen om zich op te focussen zodat het boek alle richtingen uitwaaiert.

    Kijk op multiculturele samenleving

    Maar laten we beginnen met de positieve punten, want die zijn er wel degelijk. Zo is het vertelstandpunt alleszins origineel. Noland (of Birney dus) is een man van middelbare leeftijd van gemengde afkomst (Chinees, Indisch, Schots en Brabants om precies te zijn) en heeft in die hoedanigheid wel een originele kijk op de netelige kwestie van de multiculturele samenleving en de identiteit van de mens die zich daarin beweegt. Dat maakt hem op zich al bijzonder, want er is veel eenheidsworst in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur, die wel erg vaak draait om de first world problems die de gemiddelde witte middenklasser uit de randstad bezighouden.

    Noland noemt zichzelf een ‘Brindo’, een verzonnen woord dat hij verkiest boven ‘allochtoon’: ‘Wat een bespottelijke term hebben die Batavieren toch verzonnen: allochtoon. In Amerika ben je immigrant, je directe nakomelingen zijn immigrantenkinderen en die daarna komen zijn Amerikanen. Punt. Maakt ze nog geen lieverdjes, dat tuig, ze doen alleen wat minder nodeloos ingewikkeld. Ik was hier een Indische jongen, vanaf de Molukse treinkapingen was ik een Indo en toen de allochtonenwet werd ingevoerd – ik denk in 1994 – was ik opeens een allochtoon. Waarom? Omdat mijn vader uit het buitenland kwam. Het buitenland was een gekoloniseerde eilandenreeks met de door Multatuli bedachte term Gordel van Smaragd.’

    Het komt opvallend vaak terug, die afkeer van betutteling onder het mom van antiracisme, en ook de affiniteit van Birney met het gewone volk komt goed uit de verf. Liever heeft Noland nog het gewone, eerlijke volksracisme van bijvoorbeeld de Haagse kastelein met wie hij een ziekenhuiskamer deelt, dan het omfloerste, in bedekte termen geformuleerde superioriteitsgevoel van de witte middenklasse: ‘Andersom stel ik me voor dat mensen die voortaan over witten spreken niet per definitie een gedekoloniseerd brein hebben. Ze volgen braaf de dynamische terminologie zonder zich te verdiepen in de inzichten die daartoe hebben geleid.’

    Gruwelen van het ziekenhuisleven

    Birneys onvrede met de huidige samenleving, gekenmerkt door materialisme en consumptiedrang, vervuiling, hufterigheid (‘scheldkanonnades van halve analfabeten over en weer op socialemediaplatforms’) en andere ellende, zit erg diep. Het boek vormt ook aanleiding om het steriele, anonieme, onmenselijke ziekenhuissysteem aan te kaarten, met zijn overwerkte verplegers, arrogante dokters die op vijf minuten het lot bezegelen van patiënten die al weken liggen te wachten, en liefdeloos neergekwakt, smakeloos voedsel. ‘Het moet werkelijk een gruwel zijn iemand op te zoeken in een ziekenhuis,’ verzucht Noland, en geef hem eens ongelijk. Wie wil er nu zijn laatste dagen doorbrengen zoals de oudjes die je daar soms door de gangen ziet schuifelen, ‘Bijkans verschrompeld tot wandelende takken lopen ze achter hun rollators aan, vastbesloten om hun zonen of dochters nog eenmaal te bezoeken eer zijzelf als stofhopen achter die rare karretjes blijven liggen, gereed om opgeveegd te worden’?

    In de wacht is een boek met pieken en dalen. Het is alsof je in het café naar een man van middelbare leeftijd zit te luisteren die heldere momenten vol puntig geformuleerde inzichten afwisselt met troebel gedram en gezeur. ‘OK boomer,’ denkt de brutale lezer, die aan de drang moet weerstaan om een paar bladzijden over te slaan, op zo’n moment. Een strengere selectie ware dus beter geweest, en ook dat fictiesausje hoeft eigenlijk niet. Als In de wacht dan toch niet echt een roman, maar een egodocument is, zoals het in de reeks Privé-Domein verschenen Niemand bleef, heeft het geen zin om de schijn op te houden.

     

     

  • Ieder op zijn manier

    Ieder op zijn manier

    In het Nederlandse taalgebied zijn de naoorlogse schrijvers bij wie de Tweede Wereldoorlog de rode draad door hun werk was – herinner u Harry Mulisch’ uitspraak ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog – vrijwel uitgestorven. Maar elders in Europa lopen er nog steeds auteurs rond die nooit klaar zullen zijn met die vijf verschrikkelijke jaren. Zo verscheen bij Literair Nederland in 2018 een recensie van Die nacht zag ik haar, een roman van de Sloveen Drago Jančar (1948), een liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van een gruwelijke oorlog waarin de auteur zich toespitste op de morele dubbelzinnigheid van die tijd en de flinterdunne grens tussen goed en kwaad.

    Sinds eind 2019 is er nieuw werk van Jančar beschikbaar in het Nederlands: En ook de liefde heet zijn jongste telg. Het boek haalde de longlist van de Europese Literatuurprijs en zal voor wie Die nacht zag ik haar las, geen grote verrassing zijn. Ook nu weer speelt het boek zich af tijdens de oorlog in Slovenië en opnieuw is morele dubbelzinnigheid een belangrijk thema.

    In de openingsscène van En ook de liefde loopt Sonja, een jonge studente medicijnen uit het Sloveense Maribor, in het oorlogsjaar 1944 de SS-vrijwilliger Ludek – of Ludwig, zoals hij zich als zelfverklaarde Volksduitser en aanhanger van de Groot-Duitse gedachte liever laat noemen – achterna om te informeren naar het lot van haar geliefde Valentin, die per vergissing is gearresteerd door de Gestapo nadat hij werd gearresteerd in een afgelegen herberg waar hij helemaal niet hoefde te zijn.

    Tenminste, dat is de versie van het verhaal die Sonja aan Ludwig voorlegt, want in werkelijkheid is er wel degelijk iets aan de hand. En ook Ludwig ruikt onraad, maar is bereid om een oogje dicht te knijpen en Valentin te laten gaan. Maar voor wat hoort wat, en Ludwig ontpopt zich tot een seksueel roofdier, een Weinstein avant la lettre die van de omstandigheden profiteert om de bevallige Sonja te verkrachten. De seksuele uitbuiting zal voor haar trouwens niet ophouden, want als ze later naar Ravensbrück wordt gedeporteerd, wordt deze niet-joodse gedwongen om als ‘troostmeisje’ te werken. Het is een onderbelicht aspect van elk gewapend conflict, maar in oorlogstijd neemt seksueel geweld altijd toe en zijn vrouwen vaak loslopend wild voor bezetters. Sonja komt getraumatiseerd uit de oorlog en gaat gebukt onder de schaamte over haar verleden als gedwongen prostituee. Tot op het einde blijft het afwachten of er nog een weerzien kan volgen met Valentin en of de liefde overeind kan blijven.

    De nazi’s probeerden tevergeefs etnische orde te scheppen in de multiculturele Balkan. Later zou tijdens de oorlog van ex-Joegoslavië trouwens nogmaals blijken dat ‘etnische zuiverheid’ een waanidee is dat altijd in een bloedbad eindigt. Ze verloren aan het einde van de oorlog steeds meer terrein, maar hielden tot het bittere einde vast aan hun ideologie. In hun optiek waren ze immers idealisten, mensen die oprecht aan een betere wereld werkten:

    En nu de bommen vielen en het schijnsel van enkele branden zichtbaar werd, hield Ludwig Mischkolnig zichzelf met al zijn wilskracht voor dat hij slechts een onderdeel was van een groot volk dat zich tegen deze barbarij verdedigde, dat zijn wil deel uitmaakte van de totale wil van een gigantische macht die niet onder deze slagen zou bezwijken en te midden van het geloei van de sirenes die het noodlot aankondigde, stand zou houden.

    Anderzijds liepen er onder de partizanen ook sadisten rond, types die er plezier in hadden om te moorden of te martelen, ongeacht aan welke kant ze vochten, en na het vertrek van de bezetter ook onschuldige mensen te grazen namen. Maar ook rechtschapen mensen worden in een oorlog soms gedwongen tot misdaden, vaak om zichzelf of hun geliefden te beschermen. ‘Het was oorlog. Iedereen moest op zijn manier proberen te overleven,’ zegt een van zijn personages daarover. Het is heus niet zo eenvoudig om te zeggen wie ‘goed’ of ‘fout’ was tijdens de oorlog.

    Jančar verwoordt de absurde willekeur van het kwaad zeer treffend:

    Het kwaad is als een onzichtbare wolk die boven het aardoppervlak drijft en aftast waar hij de juiste bodem en het geschikte punt kan vinden om te groeien. Daar daalt hij neer en komen volken en landen met elkaar in conflict. Uiteindelijk breekt er oorlog uit en is niemand meer wie hij was of zou willen zijn. Er worden onschuldige mensen doodgeschoten, huizen vliegen in brand en hele steden veranderen in ronkende puinhopen.’

    Deze auteur beheerst zijn vak en schreef met En ook de liefde een meeslepende, strak gecomponeerde roman. Toch is de psychologie van het kwaad al overtuigender neergezet dan met het ietwat vlakke personage Ludwig Mischkolnig.
    Neem bijvoorbeeld de Fransman Jonathan Littell, die met De welwillenden een monumentale roman schreef en zijn lezers dwong om in het hoofd van SS’er Max Aue te kruipen. Of waarom niet De zaak 40/61, het non-fictieverslag over het proces tegen Eichmann waarin Harry Mulisch de banaliteit van het kwaad onderzocht. Keus te over voor wie zich in dit thema wil verdiepen.

     

  • Een mysterieuze Schotse lerares

    Een mysterieuze Schotse lerares

    Is het geoorloofd een literair werk te beoordelen op de sympathie of juist antipathie die de personages oproepen? Vraag een doorsnee lezer naar zijn oordeel over een boek, en vaak zal die als argument aanvoeren dat hij of zij zich zo goed kon inleven in de personages, of er net een hekel aan had. Toch zijn de meest beklijvende personages uit de wereldliteratuur geen onkreukbare helden of doortrapte slechteriken, maar moreel dubbelzinnige mensen van vlees en bloed die juist opvallen door hun kwetsbaarheid en hoegenaamd niet onfeilbaar zijn.

    Zo ook juffrouw Brodie, de protagoniste uit De beste jaren van juffrouw Brodie uit 1961, dat vaak wordt genoemd als het beste boek van Muriel Spark (1918-2006). De licht excentrieke Schotse schrijfster bracht de Tweede Wereldoorlog door in Zimbabwe en keerde na een mislukt huwelijk terug naar Groot-Brittannië, waar ze debuteerde. Eind jaren 60 zou ze naar Italië verhuizen om daar te blijven tot haar overlijden.

    Vreemde lerares

    Met die juffrouw Brodie, een lerares aan de Marcia Blaine School in Edinburgh die op handen wordt gedragen door haar leerlingen, de ‘Brodie-meisjes’, is iets vreemds aan de hand. Nu eens roept ze sympathie op met haar non-comformistische levenshouding en onderkoelde tongue-in-cheekhumor, dan weer stelt ze het humeur van de lezer danig op de proef met haar bij momenten onuitstaanbare gedrag en dubieuze standpunten en uitspraken. Zo kan Jean Brodie af en toe charmerend overkomen, bijvoorbeeld door haar reactie op een poster met de slogan ‘Veiligheid voor alles’: Maar veiligheid komt helemaal niet voor alles. Het Goede, de Waarheid en Schoonheid komen voor alles.’

    Twijfelachterig wordt het wanneer ze haar manipulatieve aard laat zien (‘Geef mij een meisje op een leeftijd waarop ze nog gevormd kan worden en ze is de mijne voor het leven!’), maar ze verspeelt vooral veel goodwill met haar onomwonden fascistische sympathieën. Het boek speelt in de jaren dertig, en Brodie noemt bijvoorbeeld Mussolini ‘een van de grootste leiders ter wereld’, kiest de kant van Franco in de Spaanse burgeroorlog en bestaat het zelfs om na de Tweede Wereldoorlog aan een oud-leerlinge te zeggen dat ‘Hitler wel wat ondeugend was geweest’, alsof het om een belhamel ging. In het conflict met schooldirectrice Mackay zouden die fascistische ideeën haar uiteindelijk haar baan kosten, al bleef juffrouw Brodie ervan overtuigd dat dat maar een voorwendsel was en dat vooral haar onconventionele opvoedingsmethoden het lerarenkorps een doorn in het oog was.

    Volwassen worden tijdens interbellum

    Kortom, Jean Brodie is een mysterieus personage dat de lezer in opperste verwarring kan achterlaten, nu eens inspirerend, dan weer irritant aanmatigend (‘Wanneer jullie kindertjes maar eens naar me wilden luisteren, zou ik de crème de la crème van je maken’). Toch gaat dit boek niet alleen over haar. De Brodie-meisjes spelen een even belangrijke rol en illustreren eigenlijk in welk klimaat meisjes volwassen werden tijdens het interbellum. De beste jaren van juffrouw Brodie dateert van 1961, dus in feite van vlak voor de opkomst van de jeugdcultuur, de popmuziek en de seksuele bevrijding. Voor de Brodie-meisjes was die tijd nog ver weg, zij groeien in deze coming-of-ageroman nog op met zeer dominante rolpatronen en krampachtige ideeën over seksualiteit, wat aan leiding geeft tot veel zenuwachtig gegiechel over ‘geslachtelijke gemeenschap’ in dit boek, of aandoenlijke scènes waarin twee jongedames het hebben over een beeld van een Griekse god ‘met niks aan’ of enkele schoolmeisjes op onkuise gedachten worden gebracht door de op en neer bewegende naald van een naaimachine.

    Met het eindoordeel over dit grillige en raadselachtige boek kun je alle kanten op. Gelukkig is er ook nog Sparks lichtvoetige humor, die de roman op smaak brengt: Het scheikundelokaal rook afwisselend naar de Kanonspoort van de winterse wandeling met juffrouw Brodie, naar de bunsenbranders en naar de zoete herfstrook die van de eerste verbrande bladeren naar binnen dreef. Hier, in het scheikundelokaal – dat nadrukkelijk niet laboratorium mocht worden genoemd – heetten de lessen ‘proeven’, wat iedereen het gevoel gaf dat zelfs juffrouw Lockhart niet wist wat eruit zou komen en dat tussen hun aankomst en hun vertrek in het lokaal alles zou kunnen gebeuren en dat de school in de lucht zou kunnen vliegen.’

     

     

  • Libanese galgenhumor

    Libanese galgenhumor

    Mazen Maarouf (1978) werd in de Libanese hoofdstad Beiroet geboren. Zijn ouders waren Palestijnse vluchtelingen die van de regen in de drop terechtkwamen: Maaroufs jeugd speelde zich af tegen de achtergrond van de Libanese burgeroorlog (1975-1990), die naar schatting een kwart miljoen mensenlevens kostte. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat oorlogsgeweld altijd aanwezig is in dit boek, zij het op een ongebruikelijke manier. Het wordt namelijk op een haast achteloze manier vermeld, in de woorden van een kind dat er letterlijk mee is opgegroeid en blijkbaar nooit iets anders heeft gekend: ‘We hoorden van tijd tot tijd geweerschoten buiten, maar daar waren we net zo aan gewend als aan het toeteren van voorbijkomende auto’s.’

    De ik-figuur in het verhaal waar deze bundel naar werd genoemd en meteen ook het langste in dit boek – loopt elke dag met zijn tweelingbroertje naar school in een Beiroet dat vergeven is van rivaliserende milities. Zijn vader heeft een wasserij en wordt regelmatig in elkaar geslagen en vernederd door militieleden. Om de gewelddadige realiteit op afstand te houden, vlucht hij in zijn kinderlijke fantasiewereld. Poëzie en diepe ellende liggen in dit boek dan ook zeer dicht bij elkaar. Het verhaal is stevig gekruid met morbide galgenhumor. Zo is er een passage waarin het hoofdpersonage overweegt om zijn broertje te verkopen:
    Ik had er mijn hoop op gevestigd dat de schutters liefhebbers van orgaanvlees waren, want ik zag mijn dove broertje als profijtelijke handelswaar.’

    Humor is een geducht verdedigingswapen in dit boek: wie erin slaagt om een militielid te amuseren met een goede grap, hoeft zich even geen zorgen te maken. Al neemt dat niet weg dat totale willekeur ook een einde aan je leven kan maken: wie op het verkeerde moment op de verkeerde plaats is, kan zomaar worden getroffen door een verdwaalde mortiergranaat.

    De andere verhalen die na ‘Grappen voor de schutters‘ volgen, zijn veel korter en van wisselende kwaliteit. Zo blijkt hier weer dat het korte verhaal een zeer veeleisend literair genre is, want terwijl een vuistdikke roman niet meteen ten onder gaat aan een minder geslaagde passage, kan een schrijver het zich echt niet permitteren om steken te laten vallen als hij voor de korte baan kiest en zich op een stuk of vijf bladzijden moet bewijzen. Sommige verhalen in deze bundel komen dan ook niet helemaal van de grond of zijn eigenlijk maar probeersels.

    Een uitschieter is ‘De grammofoon, waarin de vader van de ik-figuur aan de kost komt door in een ondergronds café een mechanische grammofoon aan te zwengelen. Beiroet wordt immers voortdurend geplaagd door elektriciteitspannes. Plichtsbewust volbrengt de vader zijn taak: ‘Soms draaide mijn vader wat langzamer omdat hij moe werd, en soms verloor hij zijn concentratie, omdat er dicht in de buurt een granaat viel, en draaide hij sneller, waardoor het lied werd vervormd.’
    Als de bar door een bom wordt getroffen, wordt de vader levend vanonder het puin gehaald. De armen waarmee hij de grammofoon bediende, moeten geamputeerd worden. Het weinige wat gewone mensen nog hebben in de oorlog, de kleine dingen waar ze zich aan vastklampen, verliezen ze vaak nog.

    Soms gaat Maarouf volledig de absurde toer op, zoals in ‘Biscuit’, een verhaal waarin een oude man auto’s ‘in biscuit verandert’. Dat is even amusant, maar volstaat niet om een verhaal te redden dat verder niet veel om het lijf heeft. Zo merk je dat deze schrijver eigenlijk nog wat aan het zoeken is en deze bundel misschien te vroeg heeft gepubliceerd: hij heeft veel in zijn mars, maar zijn beste werk moet duidelijk nog komen. Naar verluidt is Maarouf aan een roman aan het werken. Misschien kunnen we deze weliswaar niet helemaal geslaagde, maar toch veelbelovende verhalenbundel met een paar sterke momenten als een voorproefje beschouwen.

     

     

  • Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Het was voorwaar niet zomaar een uitgemaakte zaak dat Peter Handke (1942) in 2019 de Nobelprijs voor de Literatuur zou krijgen. De eigengereide Oostenrijker heeft in zijn eigen land niet alleen bewonderaars, maar ook felle tegenstanders, en zijn opmerkelijke houding ten aanzien van de Joegoslavische burgeroorlog is omstreden. Vooral zijn beslissing om het in dat conflict op te nemen voor Servië en een toespraak te houden op de begrafenis van Slobodan Milošević wordt hem begrijpelijkerwijs nog steeds kwalijk genomen. Overlevenden van de genocide in Srebrenica eisten tevergeefs dat de prijs werd ingetrokken.

    Het veelgeplaagde nobelprijscomité – als gevolg van een onverkwikkelijke affaire kon er in 2018 aanvankelijk zelfs geen prijs worden uitgereikt – wees erop dat het om een literaire onderscheiding ging, waarbij de politieke overtuiging of daden van de winnaar irrelevant zijn. Daar valt wel iets voor te zeggen, want als we geen onderscheid meer maken tussen het persoonlijke gedrag of de opvattingen van een auteur en zijn werk, kunnen we Louis-Ferdinand Céline, Knut Hamsun en zovele andere schrijvers met bedenkelijke sympathieën eenvoudigweg niet meer lezen.

    Herziene uitgave van experimenteel werk

    Die Angst des Tormanns beim Elfmeter verscheen in 1970. In 1972 kwam er een Nederlandse vertaling uit, getiteld De angst van de doelman voor de strafschop. Die was jaren niet meer verkrijgbaar, tot uitgeverij Koppernik vorig jaar besliste om de vertaling door Gerrit Bussink te laten herzien en opnieuw op de markt te brengen. Het verschijningsjaar spreekt boekdelen. In de vroege jaren zeventig ging de literatuur overal in Europa door een sterk experimentele fase. In Frankrijk had je de nouveau roman, met figuren als Alain Robbe-Grillet, wiens indrukwekkende Een regicide overigens ook bij Koppernik verscheen. Kort gezegd ging het om een poging om de traditionele conventies van de verhalende roman te doorbreken, ‘verouderde’ concepten als plot of intrige te negeren en de lezer doelbewust vervreemdende, zelfs weerzin oproepende literatuur voor te schotelen.

    Peter Handke, die als bewonderaar van onder meer Marguerite Duras ongetwijfeld bekend was met de nouveau roman, laat zijn afkeer van ‘beschrijvingsdrang’ en ‘verhalen’ tot uiting komen in De angst van de doelman voor de strafschop. In dat korte boek – ‘roman’ is wellicht niet de juiste omschrijving – volgen we Josef Bloch, een monteur die om volstrekt irrationele redenen aanneemt dat hij ontslagen is: ‘Toen hij zich ’s morgens op zijn werk meldde, werd monteur Josef Bloch, die vroeger een bekende doelman was geweest, meegedeeld dat hij ontslagen was. Tenminste, als zodanig legde Bloch het feit uit dat toen hij in de deur van de bouwkeet verscheen waar zich juist de arbeiders bevonden, alleen de voorman van zijn tienuurtje opkeek, en hij verliet het bouwterrein.’

    Objectiviteit op losse schroeven

    De schijnbaar objectief beschreven werkelijkheid van de openingszin wordt dus onmiddellijk daarna op losse schroeven gezet. We volgen Bloch op een schijnbaar zinloze dwaaltocht door de stad waarbij banale gebeurtenissen emotieloos worden beschreven: de hoofdpersoon neemt een hotelkamer, belt vrienden, gaat naar de bioscoop of neemt de tram. Zoals een doelman een willekeurige hoek kiest als hij een strafschop wil tegenhouden, laat Bloch zich onverschillig door het toeval leiden. De werkelijkheid interpreteren lijkt een onmogelijke opgave voor hem: ‘Tegen de vrouw die hem in de bus – door haar tasje open te maken en daarin met verschillende voorwerpen te spelen – al had aangeduid dat ze zich onwel voelde, zei hij: “Ik ben vergeten een briefje achter te laten”, zonder te weten wat hij met de woorden ‘briefje’ en ‘achterlaten’ eigenlijk bedoelde.’

    Dit soort onwezenlijke uitspraken en andere vervreemdingseffecten zijn schering en inslag. Het is alsof een cameraman de ik-figuur op afstand volgt zonder door te dringen tot zijn innerlijke gevoelens of gedachtenwereld. Er lijkt haast een glazen wand tussen Bloch en de werkelijkheid te staan die het hem onmogelijk maakt om werkelijk contact te leggen met zijn omgeving: ‘Hij ging voor het raam van een restaurant staan; de mensen binnen zaten voor een televisie. Hij keek een tijdlang toe; iemand draaide zich naar hem om en hij liep verder.’

    Doelbewust nergens naar toe

    En dan, plots, pleegt Bloch en verschrikkelijke misdaad, die op dezelfde emotieloze manier wordt beschreven als wanneer hij een kop koffie drinkt of geld opneemt bij de bank. Volstrekt onverstoorbaar zet hij daarna zijn willekeurige dwaaltocht voort en strandt in een grensplaats. Kortom, er ‘gebeurt’ weliswaar van alles, maar er is geen plot. Dit boek, deze antiroman gaat doelbewust nergens naartoe. Als het leven geen samenhangend verhaal is, zo lijkt Handke ons voor te houden, met een duidelijk afgebakend begin, midden en einde, waarom zou een boek dan wel op die manier gecomponeerd moeten zijn?
    Ook de relatie tussen taal en werkelijkheid wordt geproblematiseerd. Nu eens ondermijnt Handke zijn eigen beschrijvingen: ‘Bloch deed de briefkaarten op de bus. Er klonk een hol geluid toen ze in de lege bus vielen. Maar de brievenbus was zo klein dat het helemaal niet hol kon klinken. Bovendien was Bloch meteen doorgelopen.’

    Dan weer is het de taal zelf die niet bij de werkelijkheid schijnt te passen, of die vervormt: ‘De kasten, de wasbak, de reistas, de deur; pas nu viel het hem op dat het leek of hij gedwongen werd bij ieder voorwerp ook het woord erbij te denken. Iedere waarneming van een voorwerp werd onmiddellijk gevolgd door het woord. De stoel, de kleerhanger, de sleutel.’
    Handke gaat zo ver in dat experiment dat hij aan het einde van zijn boek zelfs woorden begint te vervangen door herkenbare, maar ook moeilijker te interpreteren symbolen. Bevorderlijk voor het leesplezier is dat niet, maar het laatste wat Handke dan ook wilde met dit boek, is zijn lezers een paar uurtjes zorgeloos achterover laten leunen in een gemakkelijke stoel om ze vervolgens met een voldaan gevoel naar bed te sturen.

     

  • Hommeles in de Zweedse Academie

    Hommeles in de Zweedse Academie

    Even recapituleren. U herinnert zich misschien nog dat de Nobelprijs voor Literatuur in 2018 niet werd toegekend als gevolg van een intern schandaal bij de Zweedse Academie, die elk jaar een winnende schrijver moet selecteren. Achteraf ging hij alsnog naar Olga Tokarczuk, maar het leed was geschied en de reputatie van het Nobelprijscomité kreeg een lelijke knauw. In feite ging het om de nasleep van een MeToo-schandaal dat aan het licht werd gebracht door de jonge Zweedse journaliste Matilda Gustavsson (1987). Zij schreef een boek over de hele affaire: Het bolwerk.

    Terug naar het begin. We schrijven 2017, de affaire Weinstein is aan het licht gekomen en ook komiek Bill Cosby wordt beschuldigd van ernstig misbruik. Journaliste Matilda Gustavsson werkt bij de Zweedse krant Dagens Nyheter en beseft dat er iets aan het veranderen is: ‘Zolang ik me kan heugen werden de ervaringen die nu onder de noemer “seksuele intimidatie en seksueel misbruik” worden samengevat, behandeld als een vrouwenaangelegenheid. Of als een weerbarstige en taaie arbeidsomstandighedenkwestie. Of als iets wat eigenlijk in de privésfeer thuishoort.’ Met andere woorden: MeToo betekent voor haar dat klachten over seksueel wangedrag verschuiven van de privésfeer naar het openbare terrein.

    Spin in het web

    Dat besef brengt Gustavsson op het spoor van een zaak waarover ze al langer hardnekkige geruchten opvangt. De spin in het web is ene Jean-Claude Arnault, een Fransman die al sinds de jaren zestig in Zweden woont, met de vooraanstaande dichteres Katarina Frostenson is getrouwd en uitbater is van Forum, een bekend kunstencentrum in Stockholm waar tentoonstellingen, voordrachten, concerten enzovoort plaatsvinden. In het culturele milieu van de Zweedse hoofdstad was het een publiek geheim dat Arnault zijn handen niet kon thuishouden. Wanneer Gustavsson de geruchten natrekt, komt ze via via in contact met een aantal vrouwen die haar weifelend beginnen te vertellen over schokkend misbruik. Nu is MeToo een zeer ruime parapluterm geworden voor allerlei vormen van grensoverschrijdend gedrag die kunnen variëren van ongewenste aanrakingen of stalking tot nog veel erger, maar in het geval van Arnault was er maar een geschikt woord om de feiten te beschrijven: verkrachting.

    Hoe komt het dat hij in een progressief land als Zweden, met een aangepaste wetgeving voor seksuele misdrijven, zo lang ongestraft zijn zin kon doen? Gustavsson haalt daarvoor meerdere redenen aan in haar heldere analyse. Ten eerste was Arnault een spilfiguur in het Zweedse culturele milieu. Hij had contacten tot op het hoogste niveau en de macht om iemands carrière te maken of te kraken. Daar maakte hij gretig gebruik van om zijn slachtoffers te intimideren: een jonge schrijfster of kunstenares kon haar carrière wel op haar buik schrijven als ze durfde te klagen. Het is helaas een terugkerend fenomeen: MeToo gaat eigenlijk veeleer over machtsmisbruik dan over seks.

    Slachtoffers en wraak

    Een tweede oorzaak van het probleem is veeleer psychologisch van aard en verklaart ook waarom seksueel misbruik zo vaak onder de radar blijft. Veel slachtoffers voelen immers schaamte en vinden het te pijnlijk om aangifte te doen van de feiten, laat staan om ze voor een volle rechtbank te herhalen: ‘Die ideeën maken van een verkrachting een aanval op de essentie van de vrouw. Ze raakt tot in het diepst van haar wezen bezoedeld en de dominante emotie achteraf is in de meeste culturen dan ook schaamte. In fictie zint het slachtoffer soms op bloedige wraak. Maar meestal staat ze onder de douche en probeert ze zich vergeefs schoon te schrobben.’ Gustavsson komt zo ook in contact met vrouwen die met hun traumatische ervaring leerden leven door de feiten voor zichzelf te minimaliseren (‘Ik had gewoon een slechte onenightstand meegemaakt’).

    Daar komt nog bij dat slachtoffers vaak met onbegrip worden geconfronteerd en vernederende, irrelevante vragen krijgen over de kleren die ze op het moment van de feiten droegen, de drugs of alcohol die ze hadden gebruikt en hun eigen seksuele voorgeschiedenis of vermeende promiscuïteit. Sommige slachtoffers van Arnault zochten bijvoorbeeld aanvankelijk zelf toenadering, of stemden zelfs in met seks – tot hij gewelddadig werd. Nog steeds worden MeToo-zaken geminimaliseerd, terwijl er echt geen enkel geval is dat alleen maar over vervelende knipoogjes of enigszins misplaatst geflirt gaat.

    In het verlengde hiervan ligt ook een juridisch probleem waar de slachtoffers in dit boek zich maar al te goed bewust van waren. In westerse rechtssystemen ben je onschuldig tot het tegendeel is bewezen, en de moeilijkheid met verkrachtingszaken is dat die schuld vaak erg moeilijk hard te maken is. Meestal zijn er namelijk geen onafhankelijke getuigen en ontbreken er materiële, forensische bewijzen. Zelfs een lichamelijk onderzoek biedt lang niet altijd uitsluitsel, omdat slachtoffers zich in een paniekreactie vaak passief, zelfs afwezig opstellen tijdens een verkrachting en niet actief weerstand bieden. Kortom, het is jouw woord tegen het zijne, zoals blijkt uit de vele anonieme getuigenissen in dit boek.

    Meerdere keren buiten zijn boekje gegaan

    Maar Gustavsson zette door en verzamelde genoeg getuigenissen om Arnaults positie aan het wankelen te brengen. Na een zeer spraakmakend artikel kwam de hele zaak in een stroomversnelling, waardoor zelfs de nobele Zweedse Academie op haar grondvesten ging daveren. Omdat zijn echtgenote, die hem tot de laatste snik bleef verdedigen, lid was en bovendien bleek dat Arnault ook in andere opzichten zijn boekje te buiten was gegaan – bijvoorbeeld door de naam van de Nobelprijswinnaar meermaals op voorhand te lekken – verzeilde het onaantastbare instituut in een diepe crisis en namen meerdere leden ontslag. Het probleem werd zo groot de Nobelprijs voor de Literatuur in 2018 niet kon worden uitgereikt.

    Of dat laatste nou zo erg was, valt misschien nog te betwisten. De prijs gaat doorgaans toch naar oudere successchrijvers die hun schaapjes allang op het droge hebben en vaak zelfs al wat op hun retour zijn. Daar komt nog bij dat de selectie op zich toch eigenlijk een farce is. Hoe kan zo’n comité een objectieve winnaar kiezen uit de hele wereldliteratuur, zelfs als het zich laat adviseren? Eigenlijk is het jammer dat dit schandaal niet meteen de gelegenheid was voor een verstrekkende hervorming. Zou het bijvoorbeeld niet beter zijn om het prijzengeld elk jaar te verdelen onder een aantal veelbelovende auteurs die het geld hard nodig hebben, en de selectie daarvan toe te vertrouwen aan regionale subcomités die tenminste de kandidaten gelezen hebben?

    Arnault zit ondertussen een gevangenisstraf van twee jaar uit omdat een aantal slachtoffers dankzij het moedige doorzettingsvermogen van Gustavsson, die nooit is gezwicht voor de pogingen tot intimidatie van Arnault en diens omgeving, alsnog aangifte deden. Wel rijst er na het lezen van dit boek nog een prangende vraag: hoe kan je in de toekomst verhinderen dat machtige mannen hun positie misbruiken om hun seksueel misbruik toe te dekken? Op dat gebied is er duidelijk nog veel werk aan de winkel.

  • De dromende dichter

    De dromende dichter

    In het ene oog de maan, in het andere de zon, de nieuwe bloemlezing van het werk van Paul Éluard (1895-1952), roept associaties op met – als u die ooit hebt gezien – de surrealistische schandaalfilm Un chien andalou van Luis Buñuel en Salvador Dalí . Ogen, manen, zonnen: het zijn stuk voor stuk vaak terugkerende beelden bij surrealisten. En warempel: toeval of niet, maar in de inleiding van de bloemlezing lezen we zowaar dat Dalí’s muze Gala voorheen getrouwd was met… Paul Éluard. Altijd handig, zo’n inleiding, want ook al maakt de opvatting dat poëzie voor zich moet spreken nog steeds opgang, een minimum aan duiding is niet overbodig. Niet dat je dwangmatig alles moet proberen te begrijpen – dan loop je in mijn ervaring vaak onherroepelijk vast – maar een beetje houvast is aangenaam. Natuurlijk kan je meteen op hoop van zege in het diepe duiken, maar een paar zwemlessen voordat je het water in duikt, kunnen geen kwaad.

    Zoals we in de inleiding kunnen lezen, trachtte Éluard het leven op te roepen zoals het zich ‘ongefilterd door de rede’ voordoet. Daarvoor deed hij veelvuldig een beroep op ‘droomachtige situaties en beelden’. Vandaar dus die ogen, zonnen en manen. Bij dat laatste substantief zullen lezers die bekend zijn met het werk van de Spaanse dichter Federico García Lorca een aha-erlebnis krijgen. Overigens was Lorca op zijn beurt weer een aanbidder van… Dalí. Le monde est petit! En toch ging Éluard na verloop zijn eigen weg: zijn opvatting dat de taal een doel op zich kan zijn, leidde tot een breuk met de surrealistische gangmaker André Breton.

    Opvallend is ook dat – nog steeds volgens de inleiding – Éluard in Frankrijk bekend zou staan als facile. Zijn vocabulaire is in vergelijking met het vaak vrij vergezochte woordgebruik van de symbolisten weliswaar vrij eenvoudig, maar die eenvoud doet zich enkel voor op woordniveau. Met vrij eenvoudige termen – zon, maan, hand, wolk – construeert hij behoorlijk complexe beelden en associaties die veel verbeelding en inlevingsvermogen vergen van de lezer.

    Variatie

    Voor deze bloemlezing werden gedichten gekozen uit drie belangrijke bundels van Éluard: Capitale de la douleur (1926), La vie immédiate (1932) en Le livre ouvert (1938-1944). Al bij de selectie gedichten uit de eerstgenoemde bundel valt de variatie in de vorm en de prosodie op: Éluard werkt nu eens met vrije verzen of prozagedichten, kiest dan weer voor vormvaste gedichten, wisselt korte verzen af met lange, schakelt heel vlot van een jachtig, naar een traag en slepend ritme. Het zou ondoenbaar zijn om die rijke variatie in kort bestek te behandelen, dus kiezen we er maar het evocatieve gedicht De verliefde uit. Het begint vrij toegankelijk, maar gaandeweg wordt de lezer steeds verder in Éluards surrealistische droomwereld getrokken.

    ‘De verliefde

    Ze staat recht op mijn oogleden
    En haar haar ligt door het mijne,
    Ze heeft de vorm van mijn handen,
    Ze heeft de kleur van mijn ogen,
    Ze verdwijnt in mijn schaduw
    Als een steen tegen de lucht.

    Ze heeft haar ogen altijd open
    En laat me niet slapen.
    Haar dromen op klaarlichte dag
    Laten de zonnen verdampen,
    Laten mij lachen, huilen en lachen,
    Praten zonder ook maar iets te zeggen.’

    Éluard liet zich uitgebreid inspireren door de beeldende kunsten. Niet onlogisch, want hij was bevriend met heel wat schilders, beeldhouwers enzovoort. Zo passeren Ernst, Dalí, Picasso, Man Ray, Picabia en Joan Miró de revue. Wie bekend is met het werk van die laatste schilder – overigens een veel lichtvoetigere surrealist dan Dalí, die nogal zwaar op de hand en dikdoenerig kon zijn – zal misschien spontaan aan de libellen van zijn schilderijen denken bij het lezen van deze regels:

    ‘Prooizon gevangene van mijn hoofd,
    Haal de heuvel weg, haal het bos weg.
    De lucht is mooier dan ooit.
    De libellen op de druiven
    Geven hem welomlijnde vormen
    Die ik in één gebaar verjaag.’

     Sagan

    En soms is er plots de schok van de herkenning. Neem bijvoorbeeld de openingszinnen van Amper gehavend, uit de bundel La vie immédiate:

    ‘Vaarwel droefenis
    Gegroet droefenis
    Ik lees je in de lijnen van het plafond
    Ik lees je in de ogen die ik bemin’

    ‘Gegroet droefenis’, dat is toch… Jawel, Françoise Sagan heeft voor de titel van haar debuutroman Bonjour tristesse leentjebuur gespeeld bij Éluard. Met schaamrood op de wangen moet ondergetekende ruim twintig jaar na een eerste lezing ontdekken dat Sagan die titel niet zelf heeft bedacht. Enfin, zeg van de Fransen wat u wilt, maar ze eren wél hun dichters, nu eens met een staatsbegrafenis, dan weer in de populaire cultuur of een of ander chanson.

    Asile de Saint-Alban

    Tot slot moeten we het onvermijdelijk over de laatste bundel hebben die in deze bloemlezing aan bod komt: Le livre ouvert. Dat boek stamt uit de woelige oorlogsjaren, een tijd van verzet en onderduiken voor Éluard. Dwongen de omstandigheden een dromerige surrealist om toenadering te zoeken tot de concrete werkelijkheid? Op het eerste gezicht niet, al wordt de toon wel grimmiger. Een van de hoogtepunten is Het gekkenkerkhof, dat Éluard in 1943 schreef. Het handelt over de begraafplaats bij het Asile de Saint-Alban, een ziekenhuis voor geesteszieken in het Zuid-Franse Lozère waar hij tijdelijk onderdook.

    ‘Het gekkenkerkhof

    Dit kerkhof gebaard door de maan
    Tussen twee golven zwarte hemel
    Dit kerkhof archipel van het geheugen
    Leeft van verdwaasde winden en geesten in puin

    Driehonderd graven op rijen in de barre grond
    Voor driehonderd doden gemaskeerd met aarde
    Naamloze kruisen zonder naam mysterievolle lijken
    De aarde geblust en de mens verdwenen

    De onbekenden zijn uit de gevangenis gekomen
    Getooid met afwezigheid en zonder schoenen
    Niets te hopen over
    De onbekenden zijn in de gevangenis gestorven
    Hun kerkhof is een redeloze plek’

    Opvallende afwezige in deze bloemlezing is het gedicht Liberté, dat bijvoorbeeld wel als enige gedicht van Éluard is opgenomen in de bloemlezing De tuin van de Franse poëzie – een canon in 100 gedichten (Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2011). Het is door zijn lengte en vorm echter wat atypisch voor deze grote dichter en is waarschijnlijk vooral bekend door zijn historische belang: tijdens de oorlog werd het door Engelse vliegtuigen uitgestrooid boven het bezette Frankrijk. Al is dat op zich natuurlijk wel een prachtig, poëtisch beeld. Ziet u nu nog een oorlogvoerende natie die tactiek gebruiken?

  • De donkerte onder het genot

    De donkerte onder het genot

    Op een zeldzame uitzondering na zijn Nederlandse auteurs doorgaans geen krullendraaiers. De literatuur van de lage landen moet het niet echt hebben van mooischrijvers. Die nuchterheid zal misschien aan de volksaard liggen, maar anderzijds is het wel opvallend dat de schrijvers van dit land heel wat gedenkwaardige personages hebben voortgebracht. Van Frits van Egters tot pakweg Alfred Issendorf of Jörgen Hofmeester: als de Nederlandse literatuur ergens in uitblinkt, is het wel in het neerzetten van sterke, geloofwaardige romanfiguren. Aan dat lijstje mag ook Maris Coppoolse toegevoegd worden, protagonist van Oek de Jongs roman Zwarte schuur.

    Pijnlijke herinneringen

    Maris is een kunstschilder die zijn leven op het eerste gezicht aardig voor elkaar heeft. Zeker, de relatie met zijn vrouw Fran vertoont ernstige barsten, maar er wordt een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum aan hem gewijd en zijn werk wordt internationaal gewaardeerd. Toch sluimert er een diepgeworteld, onderhuids ongenoegen in de kunstenaar: ‘Het gevoel van wachten werd elke dag sterker. Onder de mensen deed hij wat hij moest doen, professioneel, vol energie, met een lach, maar zodra hij alleen was zakte hij in. De catalogus van zijn tentoonstelling wilde hij niet meer zien – het leek hem een grafzerk. Hij kon zich er niet toe zetten ook maar één artikel over zijn werk te lezen. Het weerzien met zijn schilderijen riep herinneringen aan zijn jonge jaren in hem op, vooral de pijnlijke herinneringen, de pijnlijke momenten.’

    Een van die pijnlijke momenten is Maris altijd blijven achtervolgen in zijn leven. Het gaat om wat zich ooit afspeelde in de zwarte schuur uit de titel, een bouwsel in het Zeeuwse boerendorp waar Maris zijn jeugd doorbracht. Het hele boek, zeg maar Maris’ hele leven draait daarom, en tegelijkertijd is de concrete informatie over wat daar werkelijk is gebeurd beperkt. Wat weten we uiteindelijk over die schuur? Maris belandt er op zijn veertiende met Matty, een meisje uit de buurt. Het is een zondagmiddag, er hangt elektriciteit in de lucht, de twee klimmen op een hooizolder, binden elkaar beurtelings vast. De licht erotische sfeer slaat om als ze aan zijn prille mannelijkheid durft te twijfelen, ‘Jij bent geen echte jongen,’ zei ze. ‘Meer een soort meisje.’ Maris geeft Matty een duw, het meisje valt van de hooizolder en overleeft de klap niet.

    Twijfel over de waarheid

    Een ongeluk, zegt Maris. De verteller lijkt daar ook van overtuigd te zijn. Maar zijn zij betrouwbaar?  Zou het kunnen dat de informatie over het voorval niet alleen met mondjesmaat wordt vrijgegeven om de spanning op te bouwen, maar ook om twijfel te zaaien? Zo zijn er nog wel een aantal zaken in dit boek die vragen doen rijzen. Er lijkt bijvoorbeeld een confrontatie op til te zijn met Corné Tramper, de broer van Matty en Maris’ zwarte beest, een man van wie hij werkelijk bang is. Maar uiteindelijk blijkt Corné toch niet zo’n geweldenaar te zijn. Wat als Corné’s overtuiging dat zijn zus werd vermoord, klopt? Hoe moet het dan op hem overkomen als Maris een schilderij maakt over de schuur waar Matty stierf? De twijfel over Maris’ oprechtheid wordt nog groter als er nog een incident met een heroïnehoertje volgt waaruit blijkt dat hij soms zijn zelfcontrole verliest en opeens gewelddadig kan worden.

    We weten echter niet hoe de vork precies in de steel zit, en die spanning maakt Maris zo interessant: hij is niet zwart of wit. Er is alleen zekerheid over de onmogelijkheid om te ontsnappen aan zijn achtergrond, over de Zeeuwse klei die hij niet van zich af krijgt geschud. Maris gelooft niet in ‘opnieuw beginnen’. Er is een schaduw die hem altijd volgt, ‘Maar onder het genot lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’
    Hij weet dat hij niet aan zichzelf kan ontkomen, ook al rijdt hij in een opwelling naar Frankrijk, op de vlucht voor zijn demonen en op zoek naar loutering bij het door hem bewonderde werk van de vijftiende-eeuwse schilder Grünewald: ‘Met de punt van zijn schoen hakte hij een gat in het ijs. Hij boog zich voorover om met zijn hand het water op te scheppen en er zijn gezicht mee te wassen. Een paar seconden was de onrust er niet, een paar seconden was er alleen de zon die hem verwarmde, de schittering van het ijs en zijn hand die water schepte op een plek waar hij nog nooit eerder was geweest.’

    Zoals het leven zelf

    De lezer krijgt dus geen netjes afgerond verhaaltje, geen eind goed al goed en ze leefden nog lang en gelukkig, want zo zit het leven niet in elkaar. Evenmin pretendeert De Jong met dit boek volledige duidelijkheid te scheppen over de mens en zijn drijfveren, over wat er zich werkelijk afspeelt in het bovenkamertje en onder de motorkap, als alle beschermlagen weg zijn en de schone schijn wordt doorgeprikt. Met Maris heeft hij een personage gecreëerd dat je af en toe in staat stelt om misschien een glimp op te vangen van die waarheid, of daar op zijn minst over laat nadenken. De fragiliteit van Maris’ bestaan, het besef dat het onheil altijd om de hoek loert en het einde nooit ver weg is, komt bijvoorbeeld tot uiting in de passage, waarin Oek de Jong zijn hoofdpersonage confronteert met het plotse sterfelijkheidsbesef dat een mens opeens kan overvallen:

    ‘Maris reed rustig, zorgvuldig, met soepele bewegingen, en vaker dan nodig was keek hij in zijn spiegels. Bij het verlaten van de tunnel wierp hij een snelle blik op de plek waar hij had kunnen verongelukken. Hij had de vangrail van de tunnel op een haar na gemist. Een autowrak met een volledig in elkaar geperste voorkant had daar nu kunnen staan, de snijbranders hadden hun werk gedaan, de ambulance was weg, er was een kraanwagen gearriveerd, politiewagens met blauwe zwaailichten waren nog ter plaatse, een agent was bezig het versplinterde glas bij elkaar te vegen.’

    Great Dutch Novel

    De stijl van Oek de Jong is essentieel voor de mistige sfeer die hij schept. Je zou hem kunnen omschrijven als een schrijver van de bedrieglijke eenvoud, van een misleidend less is more. Want terwijl de openingszin, ‘Zwijgend zaten ze in de trein.’ nog niet meteen argwaan wekt, volstaat iets eenvoudigs als, ‘Maris wendde zijn blik af’, verderop in dit boek al om de lezer zijn oren te laten spitsen. Kortom, je krijgt nooit echt hoogte van die ongrijpbare man, maar hij laat wel een diepe indruk na. Mocht de term Great Dutch Novel niet zo potsierlijk en on-Hollands klinken, je zou haast zeggen dat Zwarte schuur voor die titel in aanmerking komt.