• De tijdloze Kloksteeg

    De tijdloze Kloksteeg

    Wie een lofzang op een land zoekt, doet er goed aan A small place van Jamaica Kincaid over Antigua te lezen. Met La Superba bemint Ilja Leonard Pfeijffer de stad Genua. Dunner gezaaid in het proza zijn straten als aanjagers der nostalgie. Die leegte kan Steeg. Kroniek van een zere plek van Arnold Schalks opvullen. De auteur voert vijf mannelijke hoofdpersonen ten tonele die rond 1900 daar leefden waar zijn eigen wieg ooit stond: de Kloksteeg in Leiden. In opvallend korte, toegankelijk geschreven hoofdstukken treedt Schalks op als chroniqueur én liefhebber van zijn geboortegrond. In het naschrift ervaart hij deze dubbelrol als een spagaat: ‘De verhouding feit-staat-tot-duim bedraagt in procenten 21:79.’ De ondertitel is toepasselijk, want een hommage zonder pijn en vergankelijkheid is zo lichtzinnig als een ansichtkaart. Steeg is geen perfecte momentopname. Het wemelt van romantische weemoed, kraakt van het realisme en houdt de adem in voor de naderende Holocaust.    

    Schalkse stijl 

    De plot is ondergeschikt aan het vertelplezier van Arnold Schalks, wiens achternaam hem als gegoten zit. ‘Schalks’ laat zich omschrijven als ‘kwajongensachtig, schelms, ondeugend’ en dikwijls laat de schrijver zijn lezers gniffelen om kolderieke passages. De humor is  zwartgalliger dan bij Dik Trom en de personages zijn klunziger dan in Pietje Bell. Zo zet de moeder van Jopie Koutstael haar kaal geboren zuigeling op advies van de huisarts in de brandende zon, opdat Joops lokken zullen groeien. Het loopt anders: ‘Wat van een afstand leek op haargroei, bleken bij nader inzien opgekrulde schilfers die zich van Joops hoofdhuid hadden losgemaakt. Er had zich een onsmakelijke tonsuur van fijne vochtblaasjes op het krijtwitte kinderhoofd gevormd.’ Uiteraard ambieert de jongen een eigen kapperszaak. Toch is het niet alleen meligheid wat de klok slaat. Schalks’ treffende alliteraties en klinkerrijm zijn talrijk, zoals deze over de Joodse Micha, die liever advocaat dan bakker is: ‘…het vooruitzicht (…) boven de boeken maakte (…) de broeierige biotoop van boter, bloem en gist draaglijk.’ Over Micha’s schoolgang met broer Daniil klinkt het: ‘Op leren schoenen en in korte broeken mengden de broertjes zich onder de veelal in lompen gestoken en op klompen rondklossende kinderschaar.’ Naarmate de hoofdpersonen hun volwassenheid naderen, verruilt Schalks de luchtige toon voor een zwaardere, die hij verbindt aan de thematiek van stuurloosheid en volgzaamheid: ‘Uiterlijk volgzaam, innerlijk dolend.’

    Bij vlagen lijkt de auteur de ontwikkeling en geloofwaardigheid van zijn figuren niet helemaal te vertrouwen. Neem Franz Joseph, de strenge agent die in zijn jeugd door vader Ben mentaal en fysiek wordt mishandeld. Na een noodlottig voorval brokkelt zijn harde buitenkant af en betrapt hij een huilende vrouw die vuile lakens op het Rapenburg uitspreidt. Tegen zijn principes in bekeurt hij haar niet, maar laat haar begaan. Dit beeld is krachtig, ware het niet dat de schrijver de scène ten overvloede afsluit: ‘De haarscheurtjes in zijn vernislaag hadden zich tot barsten verbreed.’ Over Floris Battaerd, een brallerige, met het fascisme flirtende student, merkt de verteller smalend op dat hij een zachte g heeft; de knul is namelijk Limburger. Hier staat dan wel weer doeltreffende beeldspraak tegenover, bijvoorbeeld wanneer hij lezen de landwinning voor de geest noemt en het achterstallige onderhoud aan de Kloksteeg aldus typeert: ‘…de rijbaan van kinderkopjes rammelde fietsers het glazuur van de kiezen.’ 

    Romantiek en realisme

    Steeg bulkt van de couleur locale uit de laat-negentiende eeuw en het interbellum. Behalve de voor de hand liggende betekenis drukt de titel de verleden tijd van ‘stijgen’ uit. En stijgen, in dit geval op de maatschappelijke ladder, lukt het vijftal niet: advocaat Micha Kan bakt er als bakker weinig van; Joop Koutstael, barbier nota bene, kan zijn eigen vrouw geen haargroeimiddel toedienen; Franz Joseph Kasseler wordt door het politiekorps uitgekotst, omdat hij een protocolfetisjist is; Onno Brooshooft verwaarloost zijn studie geneeskunde, waarna de drank zijn schuld verdooft; radencommunist Roel van der Beijl wordt opgepakt wegens een valse beschuldiging vanuit fascistische hoek.

    Opvallend in het door Schalks gekozen perspectief is dat we met Onno en Franz Joseph kennismaken in de hoofdstukken die hun vaders naam dragen. Roel komt in de problemen in het hoofdstuk dat Floris heet. Met andere woorden: zij hebben niet de regie over hun leven. Onno poogt te voldoen aan de verwachtingen van zijn ouders om arts te worden, in vader Jaaps voetsporen. Ben Kasseler kneedt zijn zoon Franz Joseph tot een vechtersbaas. Roel wordt ten onrechte een brand in het stadhuis in de schoenen geschoven. Ze ondergaan hun lot op karakteristieke wijze. De eerste als een romantische, Byroniaanse held in beschonken toestand, de tweede als een verwarde zwakzinnige, doelloos ronddwalend en de derde als onschuldige wereldverbeteraar die door zijn analfabetisme volstrekt kansloos is. Een titaantje, een dichtertje en een uitvreter die het onderspit delven.

    Hoewel het escapisme van de Romantiek tot uiting komt in het drankgebruik van Jaap en zoon Onno, vertolkt Jaaps nieuwe passie de Weltschmerz van Steeg pas echt. Als ornitholoog vereenzelvigt hij zich met vogels en zo wil hij reïncarneren. ‘Hij kon zich niet voorstellen dat hij, als schepsel dat zich door het allerzuiverste element mocht voortbewegen, ooit nog behoefte zou hebben aan een potsierlijke dribbel op onreine bagger.’

    Heet van de naald

    Los van het 19e-eeuwse sentiment bevat Steeg genoeg actualiteitswaarde. Haast achteloos, maar niet redeloos, appelleert Schalks aan de ontwrichtende kracht van zelfgenoegzaamheid en dikdoenerij in de politiek, die een heropleving kennen, zo zij überhaupt al weggeweest zijn. Via Floris Battaerd, die zich bedient van bedenkelijke pseudowetenschappelijke theorieën, kraakt de auteur het gedweep met het fascisme, hetgeen de goede verstaander ergens aan doet denken: ‘Hij vond De Rochemonts, op Mussolini’s fascisme geïnspireerde antidemocratische gedachtegoed verfrissend. (…) Als het aan zijn Verbond van Actualisten lag, ging er een bezem door de parlementaire poppenkast van rode en roze beroepsdemocraten, zeteljagers, moraalacrobaten, begrotingsgoochelaars, schetterprofeten en statistiekwichelaars teneinde de weg vrij te maken voor een nationale eenheidsbeweging met een krachtig leider die het landsbelang onvoorwaardelijk vooropstelde.’

    Het slotwoord is aan Micha. Hij komt thuis op de sabbat, zojuist aangewezen als advocaat van de communist Roel. De bakkerszaak is dicht en de gaskachel loeit op volle toeren. Hij snelt naar de huiskamer, waar Anton Mussert vanuit de radio zijn ideologie de ether in tettert. Ten slotte ontvouwt zich een bedwelmende vooruitwijzing naar de Holocaust: ‘…het achteloze gemak waarmee lelijkheid schoonheid aflost, nooit andersom.’ 

     

  • Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    In het jaar 2000 wordt ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman verkozen tot Gedicht van de twintigste eeuw. Het vers definieert het Nederland van toen ten voeten uit: weemoedig, gematigd, eensgezind en heldhaftig in de strijd tegen het water. Zou een dergelijke verkiezing worden gehouden in het Caraïbisch gebied, dan was Un champ d’îles van de in Martinique geboren dichter en literatuurdocent Édouard Glissant – vertaald als Een veld van eilanden door Jan H. Mysjkin – een grote kanshebber. De man die de term ‘Antillanité’ introduceerde, thematiseert de ongrijpbare identiteit, die op de Antillen, een smeltkroes van allerlei culturen, talen, religies en geschiedenissen, opgeld doet. Het werk geeft de Antillianen, die zich in hun eigen creoolse taal niet mochten uitdrukken, een stem. In het Frans nota bene, waardoor de Europese taal niet langer verdeelt en heerst, maar verbindt en schept. Het resultaat is een bundel met prachtige, raadselachtige poëzie en een iconisch motto: ‘Ik maak mezelf tot zee waarin het kind zal dromen.’

    Identiteit en verbondenheid

    In de proloog van Een veld van eilanden geeft Jan H. Mysjkin een heldere omschrijving van Édouard Glissants (1928 -2011) streven: ‘(…) de quasi-utopische vereniging van het Afrikaanse en het Europese erfgoed.’ Het is hem niet te doen om een kille afrekening met de koloniale mogendheden. Voordat Glissant in Parijs sterft, ziet Mysjkin kans hem persoonlijk te spreken over Un champ d’îles. De dichter drukt hem op het hart de bundel niet normaliserend te vertalen; Mysjkin dient grammaticale en semantische aanpassingen te vermijden, opdat de Nederlandse vertaling net zo meerduidig en rijk aan betekenis zal zijn als het Franse origineel. Hoewel het boek een compilatie is van vier hoofdstukken die elk op zich uit andere werken van Glissant afkomstig zijn, vertonen de verzen opmerkelijk veel samenhang. Telkens voelt, denkt en spreekt de Stem vanuit een Godperspectief, zij het eerder matriarchaal dan patriarchaal.

    De inhoudelijke verbinding komt terug in de opbouw; de componenten gaan in een schier onoverbrugbare kloof toch de dialoog met elkaar aan. Aldus wordt de mythe van oorspronkelijkheid, mogelijk van mono-etnische afkomst, ontkracht: waar een stem ook vandaan komt, hij heeft de potentie in harmonie voort te leven te midden van steeds meer sprekers zonder continu terug te kijken naar zijn geboortegrond en ontstaansgeschiedenis. Hierover dicht Glissant: ‘Elk woord is een aarde waarvan de ondergrond moet worden doorwoeld waar een losse ruimte warm wordt gehouden voor het woord van de boom’
    Identiteit ligt niet zozeer besloten in het isolement van de wortels, als wel in de open dialoog met de ander. Bovendien staat zij nooit vast, maar is zij altijd onderhevig aan verandering en ontwikkeling. Waar het verleden eenieder op zijn nostalgische Zelf terug werpt, behoort de toekomst iedereen toe. 

    Postkoloniaal

    Hoewel Glissants poëzie bij vlagen enigmatisch aandoet, is zijn werk doorspekt met maatschappelijk engagement. Hij pleegt weliswaar geen vergelding op de westerse kolonialen, maar hij benoemt de pijnlijke geschiedenis van zijn volk, die door thuisloosheid, onderdrukking en moord getekend is. Hij bezingt het noodlot van de negroïde bevolking die van de ene oceaanoever naar de andere werd verscheept, overgeleverd aan de genade van zee en zeeman: ‘Bloedige schoonheid van golven / O het is een wond een wond  / Waarin de hemel danst, plechtig en traag / Bij het zien van zulke naakte mannen’

    Wat dikwijls op de loer ligt bij maatschappijkritische literatuur, is een belerende strekking die de affectieve werking van het geschrevene tenietdoet. Op virtuoze wijze omzeilt Glissant dit mankement door de natuur en de ontknevelde stem van de Antilliaan tot mondstuk van de kritiek te maken: ‘Oh je bent Stem, en hun hoogmoed zal verdrogen.’ Moraliserende vingerwijzingen zijn overbodig om de lezer te laten luisteren naar de boodschap van de zee, de wind, de geradbraakte akkers en de geroofde grondstoffen, die alle getuigen zijn van een bloedige geschiedenis. Zo zegt het hoofdstuk Een veld van eilanden, dat de gelijknamige boektitel draagt, over de ecocide: Het hele eiland is medelijden dat op het eigen lijf zelfmoord pleegt. 

    Het vers Afrika (origineel: Afrique) koppelt deze uitbuiting van de natuur aan de genocide van hen die de exploitatie ten uitvoer moesten brengen: een slordige twaalf miljoen tot slaaf gemaakten. De Stem roept de natuur aan, als ware zij Vrouwe Justitia:’ ‘Neem de zee als weegschaal / en als gewicht het zwarte zout / ingezaaid door het bloed der volken / die allen omkwamen.’
    Gerechtigheid geschiedde. De Stem neemt het voortouw en vertelt het verhaal dat nooit verteld mocht worden. Is dat een revanche? Nee. Het is een herstelde, zij het broze balans, waarna de vruchtdragende aarde hopelijk leven geeft aan iedereen en niet slechts aan de agressors: ‘mooie vrucht, en wie weet plukken we haar tot slot allemaal, wie weet.’ 

    Nomadische aard van de poëzie

    De meerduidigheid in het werk van Glissant verdient extra aandacht. Voor de fervente poëzielezer, die een gezonde dosis ambiguïteit weet te waarderen, is deze bundel een genot. Het hoofdstuk ‘De ogen de stem’ (les yeux la voix) neemt de lezer mee naar een muze die last heeft van haar geheugen. Daarna heffen de kapittels ‘Een veld van eilanden’ en ‘Afrika’ een liefdevolle klaagzang aan ter ere van hun volkeren en tot slot herstelt ‘Het ontvreemde oog’ (‘l’oeil dérobé’) de chaos. Glissant is wars van geijkte, westerse poëtische conventies: vaste rijmschema’s en strakke metrums ontbreken, de verhaalontwikkeling is eerder cyclisch dan lineair en een duidelijk afgebakende structuur is afwezig. Bovendien belichaamt de natuur geen idyllisch ideaal uit de herderspoëzie, waarin lieflijkheid en vrede de boventoon voeren. Daarnaast is zijn woordgebruik dermate associatief, dat iedere poging tot een dieper begrip leidt tot betekenisverruiming. Zo merkt Glissant op: ‘Welke onbuigzame gedachte loopt door / de vezels de sappen de spieren / werd uit pijn een woord gemaakt / een nieuw woord dat zich vermenigvuldigt’

    Het is bijkans onmogelijk de gedichten sluitend te interpreteren, het verwordt al snel tot definiëren. Een definitie staat nauwelijks verandering toe, want zij stelt vast, schept orde en loopt dood. Glissant lijkt dit procedé ten koste van alles te willen voorkomen. Daar spreekt eerbied uit voor de literatuur, die volgens hem evenals de creoolse identiteit uit meerstemmigheid en chaos bestaat. Wie de poëtische kluwen van Glissant probeert te ontwarren, zoekt het geheim tevergeefs. Ondoorgrondelijk is misschien wel de beste typering voor Glissants poëzie; de dichter trekt de grond onder de voeten van de lezer vandaan door te verhalen over de tot slaaf gemaakten die hun grond daadwerkelijk verloren. Zo maakt hij de reislustige lezer deelgenoot van de ontworteling die zo velen hebben moeten doorstaan. De bestemming voor de nomadische mens is ongewis: ‘Wie bemint is rondtrekkend onkruid.’ Een veld van eilanden heeft de mens lief en verloochent grenzen. Hoe vaak in de koloniale geschiedenis was dat niet andersom?

     

  • Laveren tussen strijdvaardigheid en acceptatie

    Laveren tussen strijdvaardigheid en acceptatie

    Zelden is er in de Verenigde Staten een boek over eten geschreven, dat enerzijds moeilijk te verteren is en anderzijds uitermate geschikt is voor het grote publiek. Het klimaat zijn wij – de wereld redden begint bij het ontbijtvan Jonathan Safran Foer biedt een inkijkje in zijn leven. Persoonlijke anekdotes over zijn grootouders en kinderen wisselt hij af met bespiegelingen over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Deze dingen koppelt hij naadloos aan uitweidingen over de aarde die wij als ons enige thuis in bruikleen hebben en de vleesconsumptie die ons verblijf daarop bedreigt. Want onze ecologische voetafdruk, die het kleinst is in de gebieden die cynisch genoeg het zwaarst lijden onder klimaatverandering, dankt zijn omvang goeddeels aan de bio-industrie. Eigenlijk vraagt Foer de welvarendste burgers op hun ecologische tenen te lopen, opdat het leed van volkeren die sinds mensenheugenis worden geteisterd door natuurgeweld, verzacht wordt.

    De waarheid is elitair

    Copernicus ontdekte dat de aarde om de zon heen draait. Darwin kwam er na bestudering van vogels achter dat soorten langzamerhand evolueren; zij werden voor gek versleten. Tot meer wetenschappers hen bijvielen. Wie aanvankelijk werd uitgelachen of verketterd, stelt de wetenschap regelmatig in het gelijk, desnoods postuum. De meerderheid zit er nu eenmaal vaker naast dan haar lief is. Hoe anders is dat bij de theorievorming rond klimaatopwarming sinds de industriële revolutie. Een slordige 97% van alle klimatologen is het erover eens dat de mens een cruciale rol vervult in klimaatverandering. Hoewel deze overtuiging gemeengoed is in het Westen – enkele klimaatsceptici daargelaten – betreurt Jonathan Safran Foer het dat de mensheid onvoldoende offers brengt om het tij te keren. Te vaak hoort hij dat er ‘iets’ moet gebeuren, maar dat een structurele verandering vanuit onszelf uitblijft. In de woorden van onze minister-president: ‘We moeten wel gewoon kunnen blijven barbecueën!’

    Klimaat is niet sexy

    Foer is zich ervan bewust dat het onderwerp klimaat geen goed verhaal is. Is eindelijk het kerkelijke juk van ons afgenomen, staat er een Greenpeace-leger klaar om ons te vertellen hoe we moeten leven. De schrijver onderwerpt zichzelf en de lezer aan een kritische introspectie met even tendentieuze als terechte vragen: ‘Hoe zou u reageren als uw buurman heel zijn leven rookte en dronk, hiermee weigerde te stoppen, maar dat u de kanker moest dragen?’ In zijn optiek zijn maagstoten nodig om mensen te mobiliseren. In het begin van Het klimaat zijn wij verwijst Foer naar The book of Endings, waar beroemdheden als Vergilius en Houdini hun levensmoeheid en defaitisme ventileren. Daarmee laveert hij tussen strijdvaardigheid en acceptatie, hetgeen de eenduidigheid in zijn opvattingen weliswaar geweld aandoet, maar eveneens de tweestrijd illustreert waarin de auteur verkeert; hij wil veranderen en weet ook best hoe dat zou kunnen. Het ontbreekt hem alleen aan motivatie dit vol te houden.

    Indutten in plaats van activeren

    Woorden als ‘uitstervingsgolf’ en ‘methaan-emissie’ klinken zo abstract, dat de urgentie niet voelbaar is. Daar hebben de komende generaties helaas niets aan, wanneer zij door hitte, overstromingen of ander natuurgeweld huis en haard moeten verlaten. Voor de komende generatie zijn mensen die wel geloven in het menselijke aandeel van aardopwarming, net zo kwaadaardig als populistische klimaatontkenners. Beide groepen hebben namelijk niets ondernomen. De ‘believers’ verschansen zich liever achter hun erkenning van de klimaatproblematiek, in tegenstelling tot hun rechtse medemens. En dat voelt zo goed, dat de zelfgenoegzaamheid doet indutten in plaats van activeren. In het hoofdstuk Discussie met de ziel roept Foers geweten geërgerd: ‘Stop nu eens met me te vertellen hoe je je voelt.’ Waar wetenschap eerst geen voet aan de grond kreeg, omdat ze morrelde aan de fundamenten van het geloof, wordt deze nu genegeerd omdat de waarheid niet lekker smaakt. Foer vergelijkt zijn onvermogen om de omvang van het probleem te beseffen met een citaat van Claude Lanzmann, die over het getto van Warschau verzuchtte:

    ‘Wat kan informatie over (…) een letterlijk ongehoorde gruwel betekenen voor de menselijke hersenen, die er niet op ingesteld zijn om zoiets te verwerken, want het gaat om een misdaad die zonder precedent is in de geschiedenis van de mensheid? (…) Ik wist het wel, maar ik geloofde het niet, en omdat ik het niet geloofde, wist ik het niet.’
    Credo quia absurdum (‘Ik geloof het, omdat het onvoorstelbaar is’) gaat blijkbaar alleen op, zolang er een hemelse beloning tegenover staat. Wanneer een ongemakkelijke absurditeit op het punt staat werkelijkheid te worden, kijkt de mens weg.

    Poëtische afsluiting van de hoofdstukken

    Foer is romancier en dat is merkbaar. In de degelijke vertaling van Patty Adelaar schemert zijn aforistische stijl door. Zelfs het meest prozaïsche stuk informatie, de wetenschappelijke feiten van klimaatverandering en het menselijke aandeel hierin, doet hij aantrekkelijk en toegankelijk uit de doeken. Tegelijk licht hij de lezer in door middel van een uitvoerig notenapparaat en een heldere bijlage over de industriële veehouderij. Wel benadrukt hij vaker dan noodzakelijk waar hij zit als hij schrijft: meestal naast het bed waar zijn grootmoeder in ligt. Soms lijkt hij te gretig op zoek naar een alomvattende, poëtische afsluiting van de hoofdstukken, waardoor zijn filmische toon als een stijlbreuk aanvoelt: ‘Ik hoop dat we hun (…) hebben geleerd wat het onderscheid is tussen de dood tegemoet rennen, van de dood wegrennen, en het leven tegemoet rennen. (…) Door allemaal met onszelf in discussie te blijven zullen we samen een thuis maken.’
    Of wat te denken van zijn opmerking over de regenboog, die God aan Noach en zijn volk gaf als teken van belofte: ‘Een regenboog is ook een touw: je kunt het naar iemand toegooien die aan het verdrinken is of je kunt er een strop van knopen.’ Met metaforen als deze maakt hij morele afwegingen tastbaar: wat doe jij om een steentje bij te dragen?
    De vertaler is in stilistisch opzicht dicht bij de brontekst gebleven.

    Leefgewoontes dierbaarder dan nakomelingen

    Net als bij Greta Thunberg kan men zich verschuilen achter het feit dat de toon niet bevalt, het doet evenwel niets af aan de mate waarin iemand gelijk heeft. Het is een van de hardnekkigste drogredenen in het recente maatschappelijke debat: je hebt een punt, maar omdat je het zo irritant en hysterisch brengt, weigeren we te luisteren. Het klimaat zijn wij is een verzameling beeldende verhandelingen, die appelleert aan ons schuldgevoel en het alarmisme niet schuwt. Volgens Foer is de mens namelijk niet in beweging te krijgen zonder emotionele vervoering. Hij maakt van aardopwarming geen ver-van-mijn-bedshow, maar een onafwendbaar lijkende crisis. De verleiding te paaien met een happy end, zoals je bij apocalyptische kaskrakers als The Day after tomorrow of The Flood ziet, weerstaat hij. Foer schudt het publiek wakker met bikkelharde feiten en realistische toekomstvoorspellingen. Onheilspellend is zijn profetie dat de mens eens een archeologische vondst zal zijn. Hij kon niet gered worden, omdat zijn eetgewoontes hem dierbaarder waren dan zijn nakomelingen: ‘Hun behoeften waren te groot. Niets doen om hun soort te redden vereiste de deelname van iedereen.’