• Deze bundel barst van de ironische knipoogjes tussen schrijver en lezer

    Deze bundel barst van de ironische knipoogjes tussen schrijver en lezer

    In zijn verhalenbundel We vertrekken voordat het licht is brengt Wim Hofman een eerbetoon aan zijn geboortegrond Zeeland. Daarnaast legt hij een meesterlijke veelzijdigheid aan de dag: vele genres komen langs en nog op een aansprekende manier ook. Bovendien verklaart hij de natuur zijn onbegrensde liefde zonder klef te worden. Altijd ligt de ironie op de loer om de lezer alert te houden en tranentrekkerij te voorkomen. Als kers op de taart heeft Hofman zijn boek ouderwets kundig verluchtigd met prachtige, speelse illustraties. Zeeuwse kunst.

    Het branievolle ‘Niets gaat boven Groningen!’ kende tot 2020 een calvinistische tegenhanger: ‘Niet iedereen houdt van Zeeland.’ Na de economische misère van afgelopen jaar revancheerde de lokale toerismesector zich met de slogan ‘Zeeland, niet normaal mooi.’ Wil dit gebied opnieuw bij toeristen in de smaak vallen, is het niet geholpen bij de mierzoete, gewild complexe versjes van Bløf. Nuchter, nauwkeurig proza redt de provincie pas echt van een financiële verdrinkingsdood. Dit heeft Wim Hofman begrepen. ‘Hoe en waar zijn de juiste en andere onvergelijkelijke onvergetelijke woorden te vinden?’ 

    Eén stijl is geen stijl

    We vertrekken voordat het licht is blijkt een bonte verzameling van uiteenlopende thema’s en tekstsoorten te zijn. Het is ondoenlijk één moraal van het verhaal te destilleren uit deze bundel. Diversiteit en verrassing houden de vaart erin. Hofman verhaalt bijvoorbeeld over een lichtautistische curator in een Natuurhistorisch Museum die niet met zijn stagiaire kan omgaan. Hij schetst de cultuur van het eiland Enland, waar men elkaar groet met ‘En?’ en kritiek pareert met een smalend ‘En wat dan nog?’. Nu eens doet Hofman uitgebreide observaties van de nabije natuur, dan weer sombert hij hoe Zeeland door de grillen der elementen én mensheid verwoest is. Hij doet verslag van een Zeeuwse kapelaan die in Zuid-Frankrijk een preek in een bergdorpje verzorgt. Daarbij vat hij een rivier in woorden door simpelweg alle hoofdletters en leestekens te verwijderen en laat hij de lezer verdrinken in een woordenwirwar, in een onvervalste stream-of-consciousness. En dit is nog maar een fractie van het brede scala dat Hofman bestrijkt.

    Vanwege de genoemde veelzijdigheid experimenteert Hofman flink met stijlregisters. De schrijver zweeft van ambtelijk naar kinderlijk, van zwaarmoedig naar nonchalant, van poëtisch naar aards. Zijn grootste blijk van meesterschap geeft Hofman in een kort hoofdstuk over de schelp: ‘Alleen wat keihard is, blijft over.’ Geen enkel ander hoofdstuk schrijft Hofman zo bondig, zo hoogstnoodzakelijk op als dat over schelpen. ‘De lijven verdwijnen, alles wat zacht en teer is, verdwijnt. De wat taaiere delen ook, de sluitspier, de tentakels, de kop, ….’ Daarnaast strooit Hofman gul met assonanties, zoals in deze passage over bedompte sneeuwgeluiden: ‘Sneeuw die vastklontert onder je klompen zodat het lopen strompelen wordt en je ten slotte omvalt in de sneeuw.’ En telkens wanneer de lezer zich afvraagt of Hofman niet te veel literaire kunstgrepen in één werk wil persen, haalt de schrijver zijn eigen gezag onderuit. Zo beslaat een hoofdstuk over het Natuurhistorisch Museum en de stagiaire slechts één zin, een open einde bovendien: ‘Slot, omdat wij niet weten hoe het verderging.’ Daaronder tekende Hofman een touw met twee losse eindjes en dan snapt de lezer: dit is een stijloefening in de breedste zin van het woord. Willekeurig is het echter absoluut niet.

    Attenborough van de Lage Landen

    Zoals gezegd is Hofman een groot liefhebber en kenner van het natuurschoon in Zeeland. Normaliter krijgen lezers jeuk van verkleinwoorden (een dingetje, een stukje vertrouwen, een vleesje), maar in Hofmans breekbare beschrijvingen van dieren zijn ze een blijvertje. Freek Vonk is een zwetende, schreeuwende puber vergeleken met deze schrijver, wiens vertedering lijkt op die van Jan Wolkers: ‘De spinnetjes steken hun achterlijfjes met de spintepeltjes naar boven, maken vlug een paar draadjes, gaan op hun voorpoten staan en hopen dat de wind hen meeneemt, omhoog, zo hoog mogelijk.’ Hofman verzoent zich met de chaotische schoonheid die de natuur voortbrengt, hetgeen blijkt uit verzuchtingen als ‘Wonderlijk zijn ze wel, die wetmatigheden.’ Voortdurend vermenselijkt hij de beesten, die in hun weerloosheid van waarde zijn. Zo zegt hij over een gevangen vlokreeftje: ‘Met zijn zielige oogjes kijkt hij je aan: laat me gaan, laat me gaan, alstublieft, u heeft alle macht.’ Het enige diertje waaraan (of aan wie) de verteller zich ergert, heeft niet toevallig een geelgroene kleur: de buxusmot. 

    De bundel barst van ironische knipoogjes tussen schrijver en lezer. Zo merkt Hofman in Het weeshuis of De verdwijning op: ‘In het weeshuis – de lezer had het al geraden – wonen wezen.’ Uiteraard krijgt het geloof een veeg onder uit de pan, zij het subtiel, ‘Ik moest naar school (…) om de catechismus te leren. De eerste vraag was meteen al een moeilijke: Waartoe zijn wij op aarde? Gelukkig stond het antwoord erbij.’ Hier is een ik-figuur aan het woord die geen enkele behoefte heeft zijn gelijk te halen bij wie of wat dan ook, zijn vuisten stoer te ballen richting de blauwe lucht of  manmoedig sterk over te komen. Deze verteller is kwetsbaar, ronduit lief, volledig in harmonie met de natuur. Bij een salamander die zojuist een rups verorberde, schrijft hij, ‘komt uit de bek (…) een luchtbelletje. Het is niet erg groot. Zoiets: o’. Verheugd stelt hij vast dat een vrouwtjesvlieg wel 6,5 biljoen eitjes per etmaal legt, om vervolgens droogjes op te merken: ‘Ik heb gelukkig ook al spinnen gezien.’ De natuur moet natuurlijk wel in balans blijven, net als dit schitterende boek.

    Neem ik Zeeland als besluit

    In Hofmans vertellingen is geen ruimte voor grabbeltongezwets over een zilte, zoute lucht, een draaiend levenswiel of een mannenhart dat gebroken wil worden. Waar de bekende Zeeuwse band zich met lukrake teksten door liedjes heen bluft, schrijft Hofman geen woord te veel op. Verkijkt u zich echter niet op de ogenschijnlijke eenvoud: hij put uit een indrukwekkend arsenaal aan disciplines die wonderwel alle tot hun recht komen in deze verhalenbundel. Hofman beheerst satire, imaginaire reisverhalen, jeugdliteratuur, poëzie, reclameteksten, het korte verhaal, een pastorale, horror én vergadernotulen. Zelfs de illustraties van Hofman, die ook kunstschilder is, voegen iets wezenlijks toe. Zijn stijl is direct, lieflijk en aandachtig. En waar kustaanbidders zich ware romantici wanen als ze een sentimenteel gedicht of lied aan de zee of de maan wijden, begrijpt Hofman dat échte melancholie ook spot nodig heeft. Neem het allemaal niet te serieus. Na de laatste bladzijde van dit boek ervaart de lezer ademruimte en weten toeristen niet hoe snel ze zich zuidwaarts moeten spoeden. Zeeland krijgt weer kleur op de wangen. Niet normaal mooi.

     

     

  • En de stad verzwolg hen

    En de stad verzwolg hen

    In Paravion vertelt Hafid Bouazza over drie generaties Baba Baloek. Zij wonen in Morea, waar Marokko in herkend kan worden, en ze zijn ontevreden. Elke dag verleidt een luchtspiegeling van een rijk land in het noorden hen ertoe hun spullen te pakken en van de overvloed te genieten. Vooral een groen lustoord middenin die stad vol verlustiging en zonde, het Vondelpark gelijkend, doet hen watertanden. De mannen wagen het erop en verlaten hun vaderland. Ze komen bedrogen uit. Eenmaal verschanst in hun theehuis, komen zij er niet meer uit en missen ze de restricties die vroeger duidelijkheid verschaften. In vrijheid zijn ze reddeloos verloren.

    Eenzelfde desillusie verwoordt Kira Wuck in haar debuutroman Knikkerkoning. In dit eerbetoon aan haar ouders dompelen de Finse Anne en de Indonesische Otto zich onder in het Amsterdam van de jaren ’60 en ’70: de een zoekend naar een groots, meeslepend leven zonder bedilzuchtige moeder, de ander vluchtend voor zijn gewelddadige vader. Verreweg het sterkste element van Knikkerkoning is het onvermogen van de hoofdpersonen om de negatieve patronen uit hun jeugd te doorbreken. Hoewel het geweeklaag nergens Freudiaans wordt, is de schrijver niet wars van stilistisch melodrama. Vanuit de leeftijd van de beide hoofdpersonen valt dit te begrijpen. Als jonge twintigers raken zij in verwachting van Jane en de moeder ‘is bezig met verdwijnen’, zo ontdekt het dochtertje nog voordat zij haar kleutertijd ontgroeid is.

    Kauwtjes en ijskoude sisu

    Op de mooi geïllustreerde omslag van Knikkerkoning staat een kauw. Dit vogeltje, Kay geheten, is de enige bij wie Otto zich in zijn jonge jaren veilig voelt als zoon van een verwoed om zich heen slaande Indonesië-veteraan. Zijn moeder sterft jong, vader hertrouwt met de vrome Albertina. Voor terugkijken en gevoelens is geen plaats; stiefbroertjes en -zusjes krijgen het eerstgeboorterecht. Eén bedrukte gelaatstrek, één traan om zijn moeder is voor vader voldoende aanleiding om Otto een eetlepel sambal zijn huig in te schuiven, hem een zomervakantie lang huisarrest te geven of hem verrot te slaan. Uit zulke blinde razernij valt slechts één conclusie te trekken: het gezin lijdt onder de oorlogstrauma’s van vader Herman. Het mag een wonder heten dat Otto het er levend vanaf brengt, evenals het gegeven dat de kauw hem verhalen vertelt. Tot vader de vogel het erf af jaagt met een luchtbuks, en dit sterkt Otto in zijn beslissing: hij vlucht naar Amsterdam.

    Waar Otto de toorn van zijn vader probeert te ontwijken, verlangt Anne naar meer contact met de hare. Hij is een goedgemutste drinkebroer die zijn ex-vrouw, Annes moeder, zo gek krijgt steeds weer de slaapbank voor hem gereed te maken, na de zoveelste nacht doorzakken. Hij ruikt dan wel sterk naar alcohol en tabak, Anne houdt ervan. Later zal menig man met eenzelfde aroma haar gebruiken, verwaarlozen en vergeten. Desondanks houdt Anne van haar vader, wat haar moeder steekt. Zij voedt hun dochter op en hoeft niets te verwachten van haar ex-man. Zij brengt Anne sisu bij, de Finse onverzettelijkheid waar de Engelse stiff upper lip bij verbleekt. Deze hardheid heeft een prijs: Anne worstelt met depressies en kent louter destructieve manieren hiermee om te gaan. Voordat ze van Helsinki naar Amsterdam vliegt, merkt de verteller op ‘dat er iets in haar kapot gaat, een klein onderdeel dat niemand kan zien maar zich langzaam steeds verder uitspreidt.’

    Dolende adolescenten

    Het tweetal leidt een nomadisch bestaan in Amsterdam, waardoor het bohemiencliché opdoemt. Zo waant Otto zich een onontdekte zielsverwant van Bob Dylan en Jimi Hendrix na drie seconden op zijn gitaar te tokkelen bij het Rijksmuseum. En wie spreekt onze troubadour aan, wanneer hij vrijuit musiceert in Montmartre? Brigitte Bardot, die hem uitnodigt bij haar thuis. De acteerambities van Anne blijven onvervuld: ze raakt verslaafd aan alcohol, zoals haar vader, en wordt geronseld door Ron voor prostitutie. De verwijzingen naar Flauberts meesterwerk Madame Bovary stapelen zich in dit gedeelte van het boek op. Maar waar de Fransman naarstig zocht naar wat hij ‘le mot juste’ (het juiste woord) noemde, legt Wuck meer uit dan nodig.

    Met haar poëziebundels Finse meisjes en De zee heeft honger geeft ze blijk van scherpte, bondigheid en lichtvoetigheid. In deze roman lijkt voor de toeschouwers te zijn bepaald wat ze van Anne en Otto moeten vinden. Ze zijn namelijk te zeer verweven met Wucks echte ouders, waardoor je hun twijfelachtige acties en opmerkingen met de mantel der liefde móét bedekken. Je zou haast de inhoudelijke en stilistische opvallendheden door de vingers zien die nu eens de wispelturigheid van de adolescentie vertolken, dan weer doorslaan in karikaturaal pubergedrag.

    Het koppel wordt neergezet als vrijgevochten, verfrissend onconventioneel bovendien. Ze weigeren in de rij te staan bij het Louvre, sluipen zonder te betalen naar binnen en de Mona Lisa vinden ze maar weinig aan. Daarnaast moeten doodgewone mensen in pak met aktetas – o gruwelijk symbool van burgerlijkheid! – het ontgelden, omdat deze kleingeestige mensjes ‘meewarig’ kijken naar seksende stellen in het Vondelpark. En zo zijn er meer overtollige bijwoorden die de fantasie niet prikkelen, maar lamleggen. Er wordt ‘stilletjes’ geslopen, ‘brutaal’ gescholden, ‘streng’ toegesproken, ‘verlegen’ gebloosd, ‘geërgerd’ gefronst en ‘sarcastisch’ opgemerkt dat het lekker gaat met de drankinname van Anne. Daarbij spreken personages zinnen uit, die hen niet passen. Zo oreert de reeds genoemde pooier én drugsbaas Ron tegen Anne, voordat hij haar de straat op schopt: ‘Een tijdlang woonde je in mijn pels, als een vlo, als een parasiet.’ Over de als-vergelijking gesproken: omdat elke bladzijde drie van zulke kunstgrepen herbergt, is het net alsof de dichteres Wuck de kundige, personale verteller naar de achtergrond verdrijft. 

    Eerlijke onmacht

    Los van de passages waarin de schrijver te aanwezig is, blijft Knikkerkoning een liefdevol, integer portret. De krachttoer culmineert in het derde deel, waarin dochter Jane vanuit een ik-perspectief over de ondergang van haar ouders vertelt. Wuck laat zien dat mensen liever vertrouwen op het slechte dat ze kennen, dan op het onbekende waarvan de gevolgen ongewis zijn. Daarin schuilt een onmetelijke wijsheid en pijn. Hoe vaak de personages er ook van wegrennen, hun psychische problemen verdampen niet in de ether na een vliegreis. Anne, de labielste van het jonge gezin, beseft dit. In een discussie over zelfdoding beweert Otto dat optimisme een keuze is en neerslachtigheid dus ook. Zijn vrouw antwoordt: ‘Niet iedereen is in staat dat te zien en daarin te geloven. (…) Doodgaan betekent vrijheid en dit was de enige manier om dat te bereiken.’ Het onvermogen van Anne om vol te houden en van Otto om haar te redden, maakt hen menselijk en beminnelijk. Door hun sterfelijkheid wekt Wuck haar ouders tot leven. Zwakte is wat deze vertelling kracht verleent.

     

     

  • Zet het even op de mail!

    Zet het even op de mail!

    Is een boek dat vooral aanstuurt op spanning, wel echte literatuur? Die vraag domineert de altijd voortjakkerende discussie over het genre literaire thriller. Volgens gearriveerde schrijvers Connie Palmen, Arie Storm en Gerrit Komrij is die benaming een innerlijke tegenspraak: thrillers kúnnen geen literatuur zijn. Met oordelen als ‘De thriller leeft bij de gratie van het cliché’, ‘Pulp is het en de pulpigste pulp blijft het’ en ‘De literatuur heeft te lijden onder de ‘‘vrolijke lectuur’’ van thrillerauteurs’ weren zij dit boektype uit de canon. Het moet worden gelezen aan een zwembadrand in Marbella of op een badhanddoek in Marmaris, niet aan de salontafel van de Rode Hoed. 

    De druppel van Frederik Baas, beter bekend als Jan van Mersbergen, lost zijn verwachtingen wat spanning betreft, ruimschoots in. In deze thriller volgen we de gescheiden Tom, die rust, reinheid en regelmaat nastreeft in alle facetten van zijn leven; hij schrijft er zelfs zelfhulpboeken over. Zijn zoon David logeert beurtelings bij vader en naamloze moeder en hij gamet veel op zijn PlayStation. Dat Tom zijn gehorige bovenbuurman Gerard de trap af duwt en zijn lijk opruimt, geeft de kaft prijs. Blijkbaar is het Van Mersbergen dus niet om de moord zelf te doen. Geen sprake van clichés, vrolijkheid of pulp. Met een staccato schrijfstijl maakt de auteur de lezer deelgenoot van de waanzin van de hoofdpersoon. De schrijver geeft daarnaast een aanzet tot een nieuw genre. En de schoonheidsfoutjes die een boek normaliter tot lectuur maken, hebben zowaar een functie… Dat is de druppel. Dit is literatuur.

    Slow, don’t rush

    Zelden las ik een boek dat zo veel bijzinnen vermijdt, als De druppel. De verteller trapt voortdurend op de rem. Omdat de plot hierdoor voortkruipt, is de boektitel niet alleen vanwege de bekende martelmethode uitstekend gekozen. De schrijver brengt droog verslag uit, de lezer wordt dorstig en krijgt druppelsgewijs informatie toegediend. Van Mersbergen lijkt totaal geen haast te maken om de vele vragen die zich opdringen, te beantwoorden. Waarom is bovenbuurman Gerard verlaten door zijn vrouw Sonja? Waarom is Gerard opgepakt voor stalking? Waarom weet zoon David altijd precies welke film zijn vader kijkt om half negen ’s avonds, zelfs als hij bij zijn moeder is? Hoe komt het dat Gerard exact dezelfde handelingen verricht als Tom? Waarom blijft Gerard ene JM bestoken met mails over schrijfopdrachten, nota bene na zijn overlijden? 

    Hoofdpersoon Tom, die autistische karaktertrekken vertoont, bepaalt ogenschijnlijk de regie, zowel in zijn leefwijze als in zijn mededelingen: ‘Zes uur eten, duidelijk vooruitzicht. Het is zo fijn te weten wat er gaat gebeuren. Ik eet.’ Dat stramien wordt zijn zoon te veel. Altijd weer chicken jambalaya op vrijdag, elke avond die lompe actiefilms die zijn vader al drie keer gezien heeft, steeds Toms doodsangst als David zijn schooltas niet precies op de goede plek opbergt. En dan de sneer dat zijn zoon op zijn slonzige moeder lijkt: ‘ze heeft nog geen grip op het koken van een ei’. Juist in deze ziekelijke hang naar controle verliest Tom het overzicht. David gaat weg, hij komt alleen te staan. Alle rumoer die Gerard veroorzaakt, ziet hij nu als een provocatie: ‘Is de man die de hele dag geluidjes van een ander nadoet gek of is de man die zich daar iets van aantrekt gek?’  

    Briefroman nieuwe stijl

    Om de waanzin in zijn hoofd enigszins te beteugelen heeft Tom zijn woning minimalistisch ingericht. Rommel is momenteel erger dan ooit, want binnenkort komt het tv-programma Ons Leven langs voor een portret van de mens achter de schrijver. Dat móét een succes worden, wil zijn zelfhulpboek tegen chaos een top 10-plek in de nationale boekenlijst heroveren! Van Mersbergen besteedt verder geen aandacht aan de schrijfkunsten van de zenuwpees, maar reserveert wel ruimte voor mailcorrespondentie tussen Gerard (GDV) en diens ontvanger én schrijfdocent JM (die niet toevallig dezelfde initialen heeft als Jan van Mersbergen). Waar de door JM opgegeven opdrachten aanvankelijk eenvoudig zijn, wenst GDV iets te schrijven wat mensen dingen laat doen die ze niet achter zichzelf zochten. Het moet hen en hun perceptie van realiteit veranderen. De druppel creëert via het schrijfproces van de nieuweling een nieuw genre: dat van de mailroman.

    Langzamerhand ontsluit zich een diepgaand online contact, zij het niet tussen twee mensen die allebei iets persoonlijks delen. Eigenlijk komt de lezer over JM niets te weten; GDV zendt. Hij zegt iets kwijt te willen. In een lange mail die één lang hoofdstuk beslaat, biecht hij op zijn bovenbuurman van de trap te hebben geduwd. Het lijk heeft hij in een kist gepropt en ergens een kanaal in gegooid. Na gedane arbeid bestelt hij in de polder een biertje en blikt terug: ‘Mensen moeten elkaar vaker helpen, denk ik. Dat doen mensen die normaal zijn. Die pesten niet hun medemens, die schuiven de gevolgen niet af op de buurman.’ Wie pest nu wie? Welke buurman geeft nu welke buurman wáárvan de schuld? De lezer blijft verward achter, al duurt het niet lang voor duidelijk wordt wat er nu echt aan de hand is. Het laatste woord in de mailroman binnen De druppel is voor JM. Zijn antwoord op de nagelaten bekentenis luidt: ‘Ik kan wel zeggen: je laat zien hoe sterk fictie kan zijn.’ 

    Hup, de canon in!

    De druppel is geen boek voor de gevoelige taalliefhebber die snakt naar poëtische liflafjes. Door de gapende afwezigheid van bijzinnen kraakt het, piept het en schokt het voort in een weinig ritmische, soms zelfs irritant uitleggerige stijl. Toch valt dit stilistisch te verdedigen: de hoofdpersoon is eenkennig, een rigide denker, bijna een eenentwintigste-eeuwse adept van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar dan een weinig originele, die niets aan het toeval overlaat. Van Mersbergen schrijft zonder opsmuk, ontneemt de lezer zijn denksnelheid door te vertragen en laat hem aan alles twijfelen. Hij belooft niets, hij houdt de aandacht vast, hij vertelt. Bovendien introduceert hij een nieuw soort vertelling, de mailroman, gebruikmakend van het Droste-effect: een verhaal over een burenmoord dat datzelfde misdaadverhaal in zich draagt. Maar dan nog: is dit literatuur?

    Voordat briefromans voor vol werden aangezien, hadden ze een slechte reputatie. Ze stonden bekend als ‘verbasterde literatuur’, ondanks (of ingegeven door) hun enorme verkoopsucces. Zie echter hoe de eeuwenoude werken Sara Burgerhart, Les liaisons dangereuses en Die Leiden des jungen Werthers inmiddels tot de canon gerekend worden. Misschien is De druppel van Jan van Mersbergen een wegbereider voor een moderne variant van het epistolaire proza. Heb ik al gezegd dat ook de Whatsapp-gesprekken tussen vader Tom en zoon David zeer lezenswaardig zijn, evenals de andersoortige online correspondentie waar het boek mee doorspekt is? Van Mersbergen verheft het vertellen tot kunst. De druppel is literatuur.

     

     

  • Grillige thriller

    Grillige thriller

    De beste thrillers komen uit Scandinavië. In Stieg Larssons bloedstollende Millennium-trilogie bestrijdt journalist Michael Blomkvist de misdaad: hij rolt een machtig concern met nazisympathieën op en onthult de betrokkenheid van Zweedse gezagsdragers bij vrouwenhandel. Een glansrol is weggelegd voor één van de sterkste vrouwen over wie ooit geschreven is: Lisbeth Salander, de rechterhand van Blomkvist. Zij is als kind ernstig beschadigd, omdat menig curator en psycholoog zich seksueel aan haar vergreep. De discussie over het literaire gehalte van dit tot op heden zeer actuele drieluik duurt weliswaar voort, tijdens het lezen blijft geen nagelbedje onaangetast. 

    In Het licht is hier veel feller kiest de Oostenrijkse schrijver Mareike Fallwickl een andere, vaker bewandelde weg. Niet een geëngageerde journalist, maar verzuurde vrijgezel met een writer’s block is de hoofdpersoon, Maximilian Wenger. Ook dochter Zoey en een mysterieuze brievenschrijfster die Wengers schrijfdrift reanimeert, krijgen een stem. Het licht is hier veel feller is tweeslachtig, voor een roman te eendimensionaal en hashtaggerig, voor een thriller is er te weinig spanning en daarbij wil het boek literair zijn. Met de nadruk op ‘willen’. De opbouw voelt plichtmatig en voorspelbaar aan. In een poging haar mannelijke hoofdpersoon te sparen bagatelliseert ze de #metoo-discussie. En dat Zoey’s broertje Spin het aardigste personage is – een jongen die brandsticht in de zomerse villa van zijn ouders – helpt ook niet bepaald mee.

    Achtbaan blijkt draaimolen 

    Fallwickls hoofdstukken lopen af van tien naar nul. Toch verloopt het verhaal in chronologische volgorde, op wat flashbacks na. Het boek anticipeert op een waanzinnig slotakkoord, waarin Wengers dubieuze verleden, de verkrachting van Zoey en de onmogelijke romance van brievenschrijfster Marlen, tot uitbarsting komen. Die climax blijft uit. Fallwickl verdeelt ieder hoofdstuk keurig in drieën en weigert dit stramien te doorbreken. Eerst mag Wenger zijn frustraties uitwasemen over zijn vergane glorie, ‘Niemand kreeg nog een halve pagina in de kranten, tenzij hij een donkere huid had en over rassenstrijd schreef.’ Vervolgens leest hij een brief van de beter schrijvende Marlen en dan sluit Zoey het hoofdstuk af met hashtags, klef als een apfelstrudel, #newhorizons, #nevermind, #loveofmylife. 

    De boeiende perspectiefwisseling geeft stof tot nadenken. Fallwickl schrijft over Wenger vanuit een hij-perspectief, terwijl Zoey en Marlen hun ervaringen vanuit de ik-vorm meedelen. Hiermee schept Fallwickl enerzijds afstand tussen het lezerspubliek en de man, anderzijds wekt ze medeleven op voor de vrouwen, beiden slachtoffers van seksueel geweld. Het boek stuurt aan op ‘female empowerment’ en uitgerekend de vrouw met de minste spreektijd, Marlen, vindt de juiste woorden: ‘Ik zou mijn tong willen afsnijden en hem boven je willen uitdrukken, zodat alles op je druppelt wat ik niet zeggen kan.’ Het is een gemis dat Fallwickl Marlen niet meer pagina’s geeft, al legt Zoey ook de vinger op de zere plek: ‘Je mag echt helemaal niets meer’, schrijven veel kerels, ‘je wordt al veroordeeld als je gewoon de deur openhoudt voor een vrouw,’ en altijd als ik zoiets lees, hoor ik (…) de stem van papa.’ En diezelfde papa krijgt de meeste spreektijd.

    Boys will be boys

    Aanvankelijk treffen we Wenger aan in een roemloze toestand: in zijn meubelloze woning, pornokijkend met de erectie van een castraat. Meer vernedering verdient een voorheen gevierde auteur niet. Als echter duidelijk wordt hoe hij met het andere geslacht omgaat, mag hij van geluk spreken er zo genadig vanaf te komen. Zijn ex-vrouw Patrizia, de moeder van beide kinderen, bezwangert hij, zodat haar carrière minder glansrijk dan de zijne blijft. Bij een etentje met zoon en dochter noemt hij een lachende vrouw aan de aangrenzende tafel een slet, hij heeft tijdens zijn huwelijk vele affaires en sneert op de Frankfurter Buchmesse dat vrouwen berekenende hoeren zijn. De reactie van zijn literair agent? ‘Geen spat veranderd, die Maximilian. Dezelfde grote bek als altijd.’ Bovendien krijgt hij bij een Tinder-afspraak de neiging zijn 27-jarige date te bespringen terwijl zij dat niet wil en drukt hij de oproep van Zoey weg, die net verkracht is. Zijn excuus is dat hij zijn inspiratie heeft hervonden, nota bene dankzij de prachtig beschreven briefvellen van Marlen. Wanneer zijn kinderen hem confronteren met zijn gedrag, schiet Wenger in de verdediging: ‘”Waar zie je me voor aan, een beest?” Spin laat de vraag onbeantwoord, en dat is erger dan welk antwoord dan ook.’ 

    Met zulke passages geeft Fallwickl haar hoofdpersoon een corrigerende tik, waar hij een flink pak slaag, zo niet een trap voor zijn kloten verdient. Ze moet halverwege het boek hebben gedacht dat een expliciete karaktermoord of afrekening met Wenger te moraliserend zou zijn. Te feministisch, te zuur. Nu is het vooral te lief. Hij maakt namelijk geheel tegen verwachting in een stormachtige comeback met een verhaal over misbruik en steelt de harten van het overwegend vrouwelijke lezerspubliek, hetgeen zijn status als sekssymbool in ere herstelt, ‘In bed schrijft hij de vrouwen.’ Hugo Claus deed dat met Ik schrijf je neer een stuk beter. Tot overmaat van ramp vindt Wenger het nodig dé grootmeester uit de Germaanse literatuur te citeren, wanneer hij in discussie is met een Vice-journaliste die hij te links vindt: ‘‘Dat is de mentaliteit van het gedogen, zoals Robert Musil al heeft beschreven.’ / ‘Wie?’ / ‘Dat was een Oostenrijkse schr… ach, weet je wat, googel hem gewoon.’’ Zo genadeloos als Robert Musil in De man zonder eigenschappen afrekent met de zelfgenoegzaamheid van de Weense jetset, zo kritiekloos portretteert Fallwickl een arrogante vrouwenhater als miskend genie. Ik betwijfel of Musil vereerd is te worden geciteerd in een vertelling die de chicklit maar nauwelijks ontstijgt.

    Achtergelaten kinderen

    In de scènes van Spin en Zoey schittert de roman. Spin haalt Zoey weg uit het bos waar zij is verkracht. Vader was bezig zijn schrijverschap te redden en moeder moest op Instagram een vegan smoothie posten in Los Angeles. Haar broer is de enige die haar begrijpt. En zij alleen begrijpt hem. Als ze bij elkaar in bed liggen, zoals vroeger, staat geschreven, ‘We zijn nog steeds dezelfde, en de pijn is dat ook. (…) ‘‘Mario,’’ zegt hij zacht, ‘‘Mario heeft gezegd dat hij van me houdt.’’ Pas nu voel ik dat mijn broer trilt.’ Even presteert Fallwickl wat Niccolò Ammaniti met Ik en jij presteerde: de eenzaamheid van achtergelaten kinderen verwoorden. 

    Zij die gebruikt en verlaten worden, zijn de ware helden van deze vertelling. Het is dan ook een hard gelag dat haar meest dominante personage, Wenger, diezelfde verlatenheid bij meerdere mensen veroorzaakt én de gebrokenheid afdoet als aanstellerij. Fallwickl had meer tekst kunnen reserveren voor de vrouwelijke stemmen, maar ze laat liever de misstappen van de machoman onderbelicht. ‘Het licht is hier veel feller’, jammer dat het licht de verkeerde kant op schijnt.

     

     

  • Elke anderstalige cursist krijgt een stem

    Elke anderstalige cursist krijgt een stem

    Het leven als docent is veelvuldig op schrift gesteld en verfilmd. Om op te vallen binnen het genre moeten onderwijsverhalen dus origineel zijn. Theo Thijssen bezingt op lichtvoetige wijze een welwillende groep en schuwt daarbij het zoetsappig sentiment niet: De gelukkige klas. Ferdinand Bordewijk doet droog en kaal verslag van een fascistoïde regime, uitgeoefend door een bullebak van een rector en zijn knokploeg uit de bovenbouw: Bint. Meester Bart compileerde in het soundbite-achtige ik hoef niet op te letten ik weet alles al grappige opmerkingen van zijn pubers uit de Bijlmer. Een leuk project, maar vergeleken met Said El Haji’s nieuwe boek ietwat karikaturaal. 

    In Gemeente zegt ik Nederlands leren volgen we schrijver en NT2-docent Said El Haji, die nieuwkomers doceert in door de gemeente gesubsidieerde taallessen. Het is een eerlijk, kwetsbaar boek dat fijntjes balanceert op de grens tussen teleurstelling en verwachting. Daarnaast werpt het een nieuw licht op respect, dat een cliché dreigt te worden. Incidentele uitglijders doen nauwelijks afbreuk aan de charme van zijn docentschap: hij begint voortvarend, faalt, baalt en behaalt succesjes. Een ontwikkeling waar je ‘u’ tegen zegt. 

    Bedompte lokalen 

    Leraar zijn is niet zoals in Dead Poets Society. Tranentrekkende taferelen waar leerlingen ineens op een tafel gaan staan en ‘Captain, oh my captain’ salueren, bedwelmd door het ‘Carpe diem!’ van een bevlogen literatuurdocent, zijn zelfs een utopie te rooskleurig. Dit begrijpt Said El Haji: ‘Lesgeven is opvoeden, je probeert van alles en je ziet wel wat ervan komt.’ De cursisten móéten Saids lessen bijwonen, want anders worden ze op hun uitkering gekort; een hardvochtige erfenis van Klaas Dijkhoff en consorten. Bovendien geeft hij geen les op een Angelsaksische jongensschool voor gegoede kringen. Een rijke verzameling immigranten uit allerlei windstreken leert Nederlands in bedompte lokalen met een systeemplafond. 

    Hoewel de schrijver zijn kwaliteiten als docent schromelijk onderschat, ‘Ik ben een onbekwame NT2-docent’, laat hij verrassend veel pedagogisch en didactisch inzicht zien. Met het engelengeduld van een ervaren rot ondersteunt hij Malika, een analfabete die de letter ‘k’ als ‘w’ opschrijft. Wat te denken van Casimir uit Slowakije, aan wie de auteur maar niet uitgelegd krijgt dat een veertigjarige geen opa kan hebben van drieënveertig jaar. De oprechte verbazing die op zo’n ogenblik Said in bezit neemt, zal menig docent herkennen. De doelen die hij zichzelf en zijn cursisten stelt, zijn realistisch. En als ze in uitzonderlijke gevallen onhaalbaar blijken, stelt hij die bij, waardoor hij teleurstelling en verbittering – vaak spelbedervers voor beginnende docenten – afwendt. 

    Hollandse humor en botheid

    Droogkomische passages, gecombineerd met een ongepolijste, enigszins verbeten schrijfstijl, plaatsen El Haji in een traditie van Hollandse humor. Het fragment met de hierboven genoemde Casimir sluit hij af met een opmerking die bij De luizenmoeder niet zou misstaan: ‘Misschien is hij zwakbegaafd. Maar wat doet het ertoe? Zwakbegaafden moeten ook Nederlands leren.’ Zelfs Jiskefet komt bovendrijven, ten eerste wanneer een man die weinig praat, voor de luttele woorden die hij wél spreekt, enorm veel volume produceert: ‘Het stomme geval wil dat ik, zonder dat ik dat van mezelf door heb, heel hard terugpraat. (…) , dat ik het pas merk als het al te laat is en ik mijn stem zo goed als kwijt ben.’ Ten tweede doet de auteur het cultlied van de Lullo’s, Er zit een haar in mijn glas, dunnetjes over. Over een drukke, explosieve leerling uit Iran merkt hij op: ‘Er zit een vulkaan in mijn klas.’

    Niet iedere grap of beschimping is even geslaagd. Said trekt fel van leer tegen de Turkse Nermin, die weliswaar lijdt aan een depressie, maar er daarom nog niet als een zombie – het staat er echt – bij hoeft te lopen. Hier en daar lijkt de schrijver zijn lezers te onderschatten, bijvoorbeeld wanneer hij de weldaad van het lesgeven verwoordt: ‘Week word ik ervan. En ik hoef de cursist niet eens aan te raken of in de ogen te kijken om door zo’n weldadig gevoel overmand te worden. En ik haast me erbij te zeggen dat het geen seksuele of erotische sensatie is.’ Nogal wiedes, hoop ik? Totdat hij zich even later laat ontvallen: ‘…de cursist moet lekker ruiken. Als een cursist niet lekker ruikt, werkt dat averechts. Zo iemand mijd ik tegen wil en dank.’ Bij de komst van één nieuweling blijkt dat zijn ontzenuwing van zo-even inderdaad betekenisloos is: ‘Nu ben ik weer in de ban van een cursist uit Burundi. Een aantrekkelijke vrouw.’ Het zal menigeen vrijpostig in de oren klinken. Professioneel is het hoe dan ook niet.

    Respect: behagen of uitdagen?

    Om zijn leerlingen optimaal te laten renderen houdt Said rekening met hun gevoelens – ook met die van de Iraanse wervelwind Nassim. Helaas is zijn taalniveau erbarmelijk. Hier legt hij zich niet bij neer. Elke kritiek beantwoordt hij met een woede-uitbarsting: ‘Bij zo’n overweldigende, instinctieve kracht kun je niet anders dan buigen en ja en amen roepen. (…) Toevallig een werkwoord correct vervoegd? Een verdwaald leesteken per ongeluk op de juiste plaats gezet? Ik aai hem over zijn rug,(…), ik noem hem kampioen. De vulkaan moet bezworen worden.’ Met name de mannelijke cursisten zijn faalangstig. Ze willen gezichtsverlies voorkomen. Hun trots maakt hen gevoelig voor schaamte, wat het leerproces dwarsboomt. Over de Somalische Hamdi schrijft El Haji: ‘Wat als nou blijkt dat hij, de enige man in de klas, (…) de enige is die het persoonlijk voornaamwoord niet snapt?’ 

    Nu eens gaat El Haji er met gestrekt been in en confronteert hij de heren met hun passiviteit, dan weer ontziet hij hen. Het begrip ‘respect’, dat tegenwoordig weinig inhoud heeft, is van belang in Gemeente zegt ik Nederlands leren. Is respect hebben leven en laten leven, elkaar ontzien? Of is het juist tegen elkaar in durven gaan? Welke vorm van respect stuwt ons voort, welke vorm brengt ons juist tot stilstand? Het is een uiterst relevante kwestie in een tijd waarin bepaalde lieden zich bij het minste tegengas persoonlijk aangevallen voelen. Said El Haji toont aan dat dat niet nodig is: ‘Niet alleen mijn (…) cursisten moeten leren hun eigen kwetsbaarheid te verdragen, zelf moet ik ook aan de slag.’

    Onderwijzen is verbinden

    Omdat El Haji elke anderstalige cursist een stem geeft, blijft zijn werk voortdurend boeien. Hartverwarmende gesprekken en onderonsjes vergroten de menselijkheid die de schrijver tot lesgeven inspireert: ‘Interactie is het toverwoord. (…) wie de verspreiding van het Nederlands een koud hart toedraagt, moet lekker blijven hameren op die schitterende grammatica. Dat is net zoiets als gemakkelijk de weg weten in het programmeren en hacken van computers, maar niet eens open durven doen als de bel gaat.’ Gelukkig weerstaat El Haji de verleiding om zijn boek suikerzoet te maken. Lesgeven behoeft namelijk geen romantisering: het is gewoon een verrukkelijk beroep.

     

     

  • Een lied van hoger honing

    Een lied van hoger honing

    In één van zijn beroemdste verzen dicht Martinus Nijhoff over een geur van hoger honing. Deze geur verleidt bijen ertoe tuinen en rozen te verlaten en hun geluk in het ijskoude azuurblauw te beproeven. Daar valt niets te bevruchten, waarna ze onverrichter zake door de vallende sneeuw terugkeren en uitgeput neerdwarrelen. Ze sterven tussen de bevroren korven. Waar Nijhoff met Het lied der dwaze bijen het vluchtgedrag van de moderne mens verwoordt, is onlangs het boek der wijze bijen verschenen. Winterbijen van Norbert Scheuer (door Anne Folkertsma vertaald vanuit het Duitse origineel Winterbienen) vertelt het verhaal van underdog én bijenimker Egidius Arimond. Deze ex-docent Klassieke Talen verdient de kost door Joden de Belgische grens over te smokkelen in grote bijenkasten. 

    Winterbijen past in de traditie van de naoorlogse literatuur. De hoofdpersoon is een antiheld, het onderscheid tussen goed en fout is troebel en de afloop is ijzingwekkend. Daar voegt de schrijver nieuwe elementen aan toe. Zo hanteert Scheuer een rijkelijk variërende, opzettelijk ontspoorde schrijfstijl. Daarnaast oppert hij een revolutionair mensbeeld in een prachtige ode aan misschien wel het nuttigste insect van ons ecosysteem.

    Lucht, lust en lafheid

    Het is het jaar 1944 en de Geallieerden teisteren de Eifel voortdurend met bommenwerpers. Aken en Keulen zijn al in de as gelegd. Terwijl Russische krijgsgevangenen het dorp onder de brokstukken vandaan bevrijden, bekommert Egidius zich vooral om zijn epileptische aanvallen. Hij smokkelt weliswaar Joodse vluchtelingen langs de Belgische grens, van edelmoedigheid is echter geen sprake. Hij heeft geld nodig voor zijn medicijnen tegen epilepsie: ‘Het geld komt altijd op de eerste plaats, de moraal pas daarna.’ De instructies voor de vluchtpogingen vindt hij in de dorpsbibliotheek, tussen de folianten van bestofte, nooit geraadpleegde boeken. Hij is maar wat blij dat hij niemand van de verzetsgroep kent, want ‘Als ik verhoord of gemarteld zou worden, zou ik de pijn niet kunnen verdragen en beslist alles verraden’. 

    Zo eerlijk als hij is over zijn opportunisme, zo open is hij eveneens over zijn liefdesleven, dat hij een spel van lust en begeerte noemt. Daar denken zijn aanbidsters anders over. Vooral met ene Maria onderhoudt hij een jojorelatie. Voor nageslacht zijn de vrouwen bij Egidius helaas aan het verkeerde adres. Als epilepticus is hij gesteriliseerd, omdat de nazi’s geen ‘Volksschädlinge’ kunnen gebruiken bij de verwezenlijking van het Duizendjarig Rijk. De enige reden dat hij überhaupt nog leeft, is zijn broer Alfons. Wegens zijn verdiensten als vliegenier hoeft de gewezen classicus geen euthanasie te ondergaan. Hij stort zich op het schrijven van zijn memoires.

    De eclips van de epilepsie

    In eerste instantie lijkt de schrijfstijl eenvoudig. Het boek bestaat uit korte, twee pagina’s tellende dagboekaantekeningen. Egidius houdt bijen, neemt zijn medicijnen op tijd in, slaapt nu eens met Maria, dan weer met Anna of Charlotte en drinkt Ersatzkaffee met een worteltaartje. Slechts éénmaal dreigt het verkeerd met hem af te lopen, wanneer de Gestapo hem afvoert naar het door bommen verwoeste Keulen. Vanuit zijn cel merkt de gevangene op: ‘De gehangenen deinen door de explosies op en neer als vogelverschrikkers in de wind.’ Wat te denken van de volgende observatie: ‘Gisteren is de begraafplaats door verschillende bommen getroffen; de doden werden uit hun graven geslingerd en in net opengereten kraters voor de tweede keer begraven.’ Naast macabere vaststellingen als deze omschrijft Scheuer herhaaldelijk hoe de bijenhouder zijn epilepsie ervaart, een ‘wirwar van flitsen’, een ‘elektrische vonkenregen’, ‘schimmige beelden, grimmige dromen’ en op het laatst alleen ‘vergetelheid’. 

    Toch schuilt het meesterschap van Scheuer niet zozeer in de woordkeuze, als wel in de pagina-indeling en inhoudelijke versnippering van de dagboekaantekeningen. Op zeker moment is Egidius’ medicijn – luminal – op en verliezen zijn notities alle samenhang, eenheid en logica. Bovendien vergeet hij naarmate het boek vordert, de teksten te dateren. Regelmatig doen op één pagina drie of vier onderwerpen aan een soort stoelendans en verdwijnen ze weer naar de achtergrond. Met deze gedachteflarden en extatische uitstapjes maakt de auteur de attaques van Egidius invoelbaar. In Hersenschimmen, waar Maarten Klein wegkwijnt door dementie, maakte Bernlef al eens gebruik van dit virtuoze foefje. In Winterbijen betekent de hersenaandoening van de hoofdpersoon niet het einde. Het gezoem van de bijen brengt Egidius weer terug naar zijn Ik, hoe ver ze ook bij hem vandaan zijn.

    De bij zonder mens is een bijzonder mens

    Menig bijenhouder gelooft dat de mens zich meer zou moeten modelleren naar de bij. Ze zijn namelijk een symbool van puurheid, onbedorvenheid. Egidius onderschrijft deze overtuiging, want ‘bijen zijn niet agressief. Ze zouden nooit andere volken veroveren en onderwerpen; zolang ze zich niet aangevallen voelen, zijn ze vredelievend.’ Zijn voorliefde voor deze dieren komt niet uit de lucht vallen. De geestelijke Ambrosius, voorvader van Egidius, was via de Alpen naar de Eifel getrokken en had daar als bijenhouder gewerkt. In één tekstfragment dat Egidius over zijn voorouder leest, staat geschreven: ‘Ze gold als het enige levende schepsel dat geheel onveranderd, zonder het stigma van de erfzonde, vanuit het paradijs naar onze wereld was gekomen. (…) De Heilige Geest en de natuur werkten samen in het bijenvolk.’ 

    Niet alleen de insecten brengen gezoem voort in Winterbijen. Het boek bevat dertien schematische tekeningen van Amerikaanse en Engelse gevechtsvliegtuigen – een cynische knipoog naar een entomoloog die wel wat beters te doen heeft dan moordmachines in een tekening te vereeuwigen: de werkbijen van de oorlogsindustrie. Zo rustgevend als het geluid van de bijen is, zo wreed klinkt het gebrul van de stalen monsters. Er is nóg een opvallend detail ten opzichte van de mens: bij de bijen speelt de man een ondergeschikte, om niet te zeggen onderdanige rol. Het enige waartoe de darren  (mannetjesbijen) dienen, is de bevruchting van de koninginnenbij. Daarna worden ze in koelen bloede vermoord, omdat hun haantjesgedrag de kolonie alleen maar in gevaar brengt. Voor ego’s is geen plek, iedereen draagt bij aan het algemeen belang en ziet om naar elk lid in de kolonie. En dat is nodig ook: Egidius heeft in de bijenkast 120.000 stuks nodig om één vluchteling aan het oog van de nazi’s te onttrekken! Iedere ongehoorzaamheid is dus fataal.

    Venijn in de staart

    Is er dan helemaal geen balorigheid te bespeuren onder zijn bijen? Jawel! Wanneer Hitler het dorp binnenrijdt, moet hij zijn nazi-groet onderbreken, omdat meerdere bijen pesterig om hem heen zwermen. De toorn van Egidius’ bijenkolonie treft alleen de despoot die een verzwakt, haatdragend volk een geur van hoger honing beloofde. Met zijn mythe van het Germanendom uit het Teutoburger Wald stortte hij Europa in het verderf en degradeerde hij Duitsland andermaal tot een stel dwaze bijen. Norbert Scheuer schreef het boek Winterbijen, opdat zij de mens tot voorbeeld strekken.

     

     

  • De Jules Deelder van het proza

    De Jules Deelder van het proza

    ‘Oh wat fijn, oh wat fijn, om een bille-balle-bakker te zijn!’ aldus een iconisch filmduo dat onder de rook van Rotterdam het levenslicht zag. In Bassie & Adriaan en de Plaaggeest zijn de clown en acrobaat hun circus kwijt en moeten ze allerlei baantjes uitproberen om toch de kost te verdienen. Telkens gooit de plaaggeest roet in het eten en met zijn sardonische lach verkneukelt hij zich om de rampspoed van het tweetal. Wat zij ook ondernemen, bij de bakker, op een school, in de haven of als vrachtwagenchauffeur, ze worden ontslagen. Eenzelfde lot is Rinus Volbeda, hoofdpersoon in Keukendrinkers, beschoren. In deze lofzang van Rein Hannik op het Rotterdam van de jaren ‘70 vallen met name drie dingen op: de schoonheid van mislukking, het verschil tussen ‘statussmaak’ en ‘hartesmaak’ en ten slotte de beperking die in vrijheid schuilt. En andersom.

    Rinus Volbeda, de eeuwige student en hoofdpersoon in Keukendrinkers, ambieert een zo hersenloos mogelijk baantje. Hij streeft naar een Zero Profile Career, waarin hij lekker kan mijmeren zonder dat de werkzaamheden hem uit zijn overpeinzingen halen. De zoektocht naar zulke baantjes verloopt stroef. Als bakker heeft hij onvoldoende eelt op zijn handen om de hitte te weerstaan; als flesdopjesaandraaier mist hij de fijne motoriek; als postbeambte ziet hij het verschil niet tussen 80 gulden en 80 cent. En in de houtzagerij gebruiken ze veiligheidsvoorschriften noch gehoorbescherming. ‘De cirkelzaag mist een beschermkap’, sombert Rinus slechts.

    Virtuoos falen

    Gortdroge constateringen als deze refereren aan Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans, dat het fiasco in de allereerste zin reeds aankondigt: ‘De portier is een invalide.’ Toch omarmt Rinus het gegeven van de mislukking. Zijn geliefde stad Rotterdam ziet hij als een mismaakt allegaartje dat slechts op marktochtenden zijn schoonheid toont: ‘Op de markt laat de stad haar gezicht zonder make-up zien.’ Maar liever dan die schoonheid bemint hij het vergeefse, het onvolmaakte en slacht hij de westerse doctrine van genieten, succes en progressie. Zo laat hij kastanjebomen treuren om de kraters die de stadsvernieuwingen in de Rotterdamse straten slaan en betreurt hij het lot van een Rotterdamse grijsaard, wiens verleden weggevinext is: ‘In het Grote Plaatje der Vooruitgang passen geen uitgedoofde shagjes.’ In Elise, de jongedame die uitzendwerk voor hem regelt, vindt de nietsnut een zielsverwant; ook zij heeft een hekel aan genotzucht: ‘Dood aan de euforanten! GIJ ZULT GENIETEN!’ Maar zullen zij ook samen genieten? Haastig is de protagonist in elk geval niet; hij leidt een aartslui, langzaam leven. En er gloort hoop. Eén element van de stedelijke renovatie lijkt namelijk met zijn lethargie in te stemmen: de voor snelheid bedoelde roltrap: ‘Wat moeten de ingenieurs geschrokken zijn, toen bleek dat de mens op zo’n trap juist bevriest.’

    Snobisme vs. guilty pleasures

    Rinus maakt in Keukendrinkers onderscheid tussen ‘statussmaak’ en ‘hartesmaak’. De eerste soort smaak stimuleert individuen om in gewichtige gesprekken over muziek een voorkeur te noemen die hen tot kenner promoveert. Liever Johann Sebastian Bach dan Wibi Soerjadi, liever Janis Joplin dan Willeke Alberti. De andere smaakvariant is volgens Rinus de eerlijke, echte voorkeur die mensen zonder waardeoordeel van hun omgeving koesteren – guilty pleasures: ‘Dat guilty wijst op sociale druk. We mógen het niet mooi vinden.’ Zo vindt Rinus het vaak meesterlijk genoemde Bebop aanstellerig, onsamenhangend en snobistisch: ‘…schuurt al snel aan drukdoenerij.’ Hij laat bovendien geen kans onbenut om elke coltruidragende ijdeltuit de maat te nemen, vooral als diezelfde persoon een feminist is.

    De discussie die Hannik aanzwengelt over ‘hoge’ Cultuur en ‘lage’ cultuur is kenmerkend voor de postmoderne tijd waarin het verhaal plaatsheeft. Niet voor niets doet het denken aan Bassie & Adriaan en de plaaggeest enerzijds, en aan De Avonden van Gerard Reve of Nooit meer slapen van W.F. Hermans anderzijds. De vraag waar het boek echter geen antwoord op geeft, is waarom het één geen status heeft en het ander wel. Deze complexe, allesbehalve willekeurige materie versimpelt Rinus bij een bezoek aan de bibliotheek als volgt: ‘…de bibliotheek [doet] teveel zijn best om intellectueel gezag uit te stralen. (…) Bejaarden die zich komen laven aan andermans bestaan omdat ze nooit zelf hebben durven leven.’ Los van het feit dat Hannik dit met een taalfout moet bekopen – bibliotheek is een vrouwelijk woord, waarnaar met “haar” verwezen moet worden – had het boek beter gebruik kunnen maken van het spanningsveld tussen cultuur en Cultuur en wat er zinnig of onzinnig is aan die scheidslijn. Keukendrinkers verzandt bij vlagen in karikaturale typeringen van lelijke, horkerige collega’s van Rinus die om alles schaterlachen: ‘HAHAHAHA!’ Komt toch die vermaledijde Plaaggeest weer de boel saboteren… Hier is niet zozeer sprake van een guilty pleasure, als wel van een innocent torture.

    De prijs van vrijheid

    Ten diepste gaat Keukendrinkers over mensen die op feestjes geen zin hebben in small talk of sociaal wenselijke gesprekjes over werk, voetbalwedstrijden en politieke kwesties. Deze lieden verschansen zich liefst in de keuken met een select groepje om in samenzweerderige broederschap de door de maatschappij afgezworen peuk te roken, de fles wodka soldaat te maken of eindelijk te zoenen met die persoon met wie ze al de hele tijd stonden te flirten. Ze willen de tijd bevriezen, zichzelf er desnoods buiten plaatsen en zich niet conformeren aan de maatschappij. Als het bedrijfsfeestje van de papierdrukkerij, Rinus’ twaalfde en laatste werkgever, te jolig en carnavalesk wordt, loopt Rinus naar buiten. Bij gebrek aan een keuken heeft de timide jongeman immers geen bastion van stilte te midden van het feestgedruis. In  nachtelijke wandelingen door Rotterdam ontdekt hij waarom de vrijheid altijd uitmondt in een inperking ervan. Mijmeren tijdens het werk lukt hem niet, want alle banen vergen te veel taakgerichte concentratie ter plekke. Wegdromen is geen mogelijkheid. Maar omdat zijn vader, een gerespecteerd arts, hem na ontslag blijft financieren en Rinus zelf helemaal niks wil studeren of bereiken, drijven de vrijblijvendheid en besluiteloosheid hem tot waanzin. Dé Rotterdamse dichter bij uitstek, Jules Deelder, gaf hier vlak voor zijn overlijden al het tegengif voor: ‘Als je de beperkingen kent, kun je daarbinnen onbeperkt te werk gaan.’ 

    Sterfbedspijt als besluit

    Bij monde van Rinus trakteert de schrijver de lezers op een prachtig woord, waarin de motieven falen, smaak en vrijheid perfect samenkomen. Na de zoveelste vruchteloze werkdag verzucht de luilak: ‘Ja, dat wordt een flinke portie sterfbedspijt.’ Rinus kiest er namelijk voor zijn falen te vieren in plaats van het te voorkomen en die vrijheid leidt tot smaakvolle observaties. Zo zijn de gedachtegangen die Rinus zichzelf vergunt bij het aanschouwen van het mooi lelijke Rotterdam, ongekend vindingrijk: ‘Aan de overkant staan hijskranen als gedomesticeerde, O-benige dinosauriërs uit de Maas te drinken.’ Wie vindt dat paradijselijke jungles niet van beton gebouwd kunnen zijn, leze Keukendrinkers!

     

     

  • ‘Ik ben er weer’

    ‘Ik ben er weer’

    ‘Je moet niet zo veel piekeren!’, ‘Kom nou gewoon vanavond, wij peppen je wel op,’ ‘Probeer er toch maar van te genieten,’ en ‘Als je eens ging sporten?’. In zijn boek Knecht, alleen (het vervolg op Jasper en zijn knecht) van Gerbrand Bakker zijn het stuk voor stuk goedbedoelde adviezen. De gedeprimeerde schrijver voelt zich het eenzaamst op de momenten dat zijn omgeving hem met deze opmerkingen uit het slop wil trekken. De depressie moet opgelost worden.

    Zijn favoriete auteur J.J. Voskuil indachtig tracht Bakker zo kaal mogelijk het fenomeen depressie te omschrijven. Geen metaforen, geen poespas, geen mooischrijverij. Het resultaat is een kwetsbaar, eerlijk en soms drammerig egodocument dat naast de eigen psyche eveneens de seksualiteit, populaire beeldcultuur en liefde voor taal, flora en fauna een ruime plaats biedt. Bakker staat er alleen voor, zowel in de Eifel, waar hij gedeeltelijk woont, als in Amsterdam, want zijn hond Jasper is overleden.

    (T)issues

    In Knecht, alleen fileert Bakker hardnekkige misverstanden omtrent depressie. Exemplarisch is Romana Vrede, die bij tv-programma DWDD als tafeldame het gedicht November van J.C. Bloem voordraagt. Het vers haalt haar naar eigen zeggen uit haar winterdepressie en de tranen biggelen over haar wangen. ‘Toen werd ik kwaad,’ schrijft Bakker. ‘Je bent gewoon een beetje somber, Romana. Gaat weer over, al is het maar in februari, als je de eerste sneeuwklokjes ziet. Maar hoe durf je dat een depressie te noemen? Je schiet vol als je een gedicht voorleest!’ Later in de uitzending schaart Trijntje Oosterhuis liefdesverdriet onder dezelfde noemer. ‘Of tafelheer Tim Hofman – die zoals gebruikelijk vreemd uit zijn ogen keek – het kende? ‘‘Hou op!’’ riep Tim. En Matthijs zelf? ‘‘Hou op!’’ riep Matthijs. Eelco Bosch van Rosenthal zat op de gastenbank. Eelco? ‘‘Hou op!’’ zei Eelco.’ Depressie is volgens Gerbrand een groot Niets. Je voelt niets, je ervaart niets, je bent niets. Het is onzegbaar, zelfs, of misschien wel juist voor een schrijver. Die eerbiedigt de taal en snapt als geen ander dat een depressie niet te bezweren valt met typeringen als ‘hels’ of ‘vervelend’, laat staan verdwijnt na een potje janken met Van Nieuwkerk. Zoals de schrijver droogjes opmerkt bij het zoveelste bezoek aan de psycholoog: ‘Altijd die doos met tissues op die tafels. Je ziet hem meteen en je vraagt je af: ‘‘Gaat er gehuild worden?’’’

    Schriftsteller, Naturschützer, Kritiker

    Gerbrands boeken zijn ook in Duitsland ongekend populair – om niet te zeggen lesenswert. In het gelijknamige tv-programma wordt hij geïnterviewd over zijn oeuvre. Het interview vindt plaats in zijn woning in de Eifel. Bij de aftiteling van Lesenswert blijkt een functie aan zijn schrijverschap toegevoegd: natuurbeschermer. Als een Hollandse Cesar Millán windt hij namelijk iedere hond om zijn vinger, hij voedert allerlei gevogelte in zijn tuin en ook de botanici onder de lezers halen hun hart op aan Knecht, alleen. Verwacht echter geen monologen à la David Attenborough. Gerbrand Bakker walgt van de Britse borstklopperij. Op een schrijvers- annex yogaretraite waar veelal Engelsen aanwezig zijn, verpulvert hij de Engelse dweepzucht: ‘Dat het wellicht raadzaam is een volgende keer niet uitsluitend Dickens of Shakespeare of Keats als voorbeelden aan te halen tijdens hoog intellectuele gesprekken. (…) Lees eens buitenlands! riep ik. (…) Of ze (…) wel doorhadden dat er elders op de wereld ook boeken geschreven werden? Dat je ook een Thomas Mann kon aanhalen als voorbeeld van het eenofander [sic], of Fernando Pessoa of Arto Paasilinna?’ Ook klaagzangen richting commercials, zoals die van ABN-AMRO, treffen doel: ‘Heeft die de opdracht gekregen zo’n akelig arrogante lul te spelen? (…) ‘‘Hoe ik het doe?’’ En dan die schalkse blik in de camera. Gatverdamme.’

    Machismo

    Toch is de auteur het hardst voor zichzelf. Na een droom waarin Bakker als een Gustav von Aschenbach om erkenning smeekt bij een 15-jarige jongeman die lijkt op de beeldschone Tadzio uit Der Tod in Venedig, schrijft hij: ‘Als dit een verhaal van iemand anders zou zijn, zou ik denken: ja, leuk en aardig allemaal, poëtisch ook, maar die schrijver moet eigenlijk een schop onder zijn reet hebben.’ Zijn latent aanwezige geaardheid speelt volgens hemzelf amper een rol in zijn werk, omdat zij een gegeven is. Het is er gewoon. Tegelijkertijd vindt Bakker het opvallend vaak nodig om films als Moonlight en Call me by your name af te kraken vanwege hun homo-gehalte: ‘Mijn grootste bezwaar was dat als je de homoseksuele component uit de film weg zou laten, (…) er niets van de film over zou blijven.’ Het is een kortzichtige opvatting in dit overwegend zelfbewuste boek; hij had er nooit last van, omdát hij er geen probleem van maakte, ‘zonder enig activisme.’ Oftewel, als je er een thema van maakt, vergroot je het probleem. Die interpretatie is even subtiel als tendentieus. Dat zou namelijk betekenen dat iets pas een probleem wordt als mensen onrecht aankaarten en dat te fanatiek doen. Bakkers poging het beslist níét over homoseksuele geaardheid te hebben doet denken aan mensen die voor anderen bepalen waar “we” het niet over mogen hebben.

    Waarom?

    Gaandeweg wordt duidelijk dat de auteur zich voortaan toelegt op het schrijven van dagboeken en de romans laat voor wat ze zijn. ‘Maar waarom?’ vragen meerdere Duitse toehoorders bij zijn lezingen. ‘Een woord dat port en zuigt, onbekende diepten in wil, een antwoord verlangt dat niemand geven kan. Of een antwoord oproept dat bedacht is, een onecht antwoord, om die priemende vraag tevreden te stellen.’ Een voorlopige reden die hij zelf oppert, klinkt evenwel logisch. Zijn romans oogstten veel roem, maar gaven een verkeerd beeld van wie hij is. Hijzelf werd niet begrepen, hetgeen tot eenzaamheid leidde. Zelfs zijn ouders konden weinig met een depressieve zoon. Uiteindelijk komt het allemaal neer op verbinding. ‘Je veux de l’amour! (…) nee: gewoon keihard de rauwe waarheid uitschreeuwen.’ Tot zijn verbazing concludeert hij dat zijn overleden hond Jasper zijn ware liefde is. ‘Wat schreef ik daar nou? Hij bleek niet de fijne kameraad die ik me gewenst had en toch heb ik erg van hem gehouden. Dat kan dus, met een hond. Waarom kan ik dat dan niet met een mens?’ 

    Daarom

    ‘Waarschijnlijk moddert iedereen maar wat aan, en zijn er goede, middelmatige en slechte acteurs,’ besluit Bakker. Deze wijsheid moge platgetreden klinken, de schrijver heeft simpelweg niet de pretentie iets nieuws mee te geven. Als antwoord op een negatieve recensie in de Neue Rheinzeitung smaalt de auteur: ‘“Hat er der Welt etwas mitzuteilen?” Nou: nee. En: is dat niet heerlijk?’ Impliciet is Knecht, alleen wel degelijk betekenisvol, krachtig in zijn eenvoud. Na elke periode van depressie doet Bakker de simpele, sterke mededeling ‘Ik ben er weer’. Na het lezen van Knecht, alleen kunnen we concluderen: inderdaad, hij is er weer!

     

  • Het verdriet van Vlaanderen

    Het verdriet van Vlaanderen

    In de maatschappijbrede discussie omtrent racisme staan nogal wat concepten onder druk. Nationalisme wordt met argwaan bekeken, het verleden moet onbenoemd blijven en de trots op afkomst kent een hoop mitsen en maren. Je zou kunnen verdedigen dat de Nederlandse geschiedenis niet eerder zo kritisch bevraagd is als de afgelopen maanden. Met zijn besluit om geen excuses aan te bieden voor het Hollandse aandeel in de slavernij zal premier Rutte de kritiek nauwelijks verstommen. Ook in het door de NPO uitgezonden racismedebat kreeg het zelfbewustzijn geen millimeter ruimte om tot wasdom te komen, laat staan een betekenisvol besef voort te brengen. 

    Erwin Mortier toont in zijn huzarenstuk De onbevlekte hoe het anders kan. De 55-jarige Marcel duikt in het verleden van zijn oudoom, eveneens Marcel geheten, een rabiate SS-er: ‘Waarom trekt een boerenzoon met een melksnor naar een front in het Oosten om zich in de strijd tegen het communisme op te offeren en schijnbaar terloops zijn lot te verbinden aan een bende roofdieren? Zou ik hetzelfde hebben gedaan, in die tijd? Of vandaag? Ben ik even vatbaar voor de lokroep van de wolven?’ Waar onze minister-president langs het verleden lijkt te fietsen over het asfalt van de nonchalance, sleurt Mortier zijn verleden als een veldrijder door de Vlaamse modder. 

    Zwijgcultuur 

    Tijdens de reconstructie van zijn familieverleden verblijft Marcel bij grootmoeder Andrea Ornelis, hoogbejaarde zuster van SS-er Marcel Ornelis. Haar leven was één bron van misère: ze onderging miskramen, verloor haar ouders én broer op vroege leeftijd en begroef haar dochter Lieve, Marcels moeder. Normaliter doen woorden zelden recht aan het onuitsprekelijke verdriet een kind te overleven, maar dat is buiten Mortier gerekend: ‘Zevenenvijftig jaar later zoende ik voor het laatst haar koude voorhoofd. Mijn wervels krompen. (…) Ik heb haar kin in mijn handen genomen, haar mond dichtgeduwd en haar een zoen gegeven terwijl mijn hartkamers in hun voegen kraakten.’ Deze ontboezemingen deelt Andrea niet met haar kleinzoon. Ze zijn opgetekend in aparte hoofdstukken en onthullen de pijn die zij voor haar nazaat halsstarrig verbergt:

    ‘Moe’, zei ik.
    -‘Begin niet, ik weet het ook niet.’
    ‘(…) Ik wil weten hoe het gaat.’
    -‘De rest moogt ge laten staan,’ zei ze en ze liep de woonkamer in.

    Oma Andrea bezit een rijk arsenaal aan gebaren die haar gevoelsleven barricaderen. Ze kruist haar armen, haalt haar schouders op, deelt een sneer uit en laat de televisie brullen; een eerbetoon aan haar overleden echtgenoot die aan het eind van zijn leven stokdoof was: ‘’’Vijf kinders, uit zo’n fijngebouwd meiske, daar staat mijn verstand bij stil’’, zei Va soms. Zijn verstand stond bij veel dingen stil, eerlijk gezegd.’ Kleinzoon Marcel verbaast zich erover dat hij met zijn grootmoeder haast alleen maar via pesterige kwinkslagen converseert. De pijn is te groot, het verleden te beladen, het trauma te vers. 

    De zoon als idool

    Mortier laat onbeantwoord wie nu werkelijk de onbevlekte is. De moeder van Andrea Ornelis wilde haar eerstgeborene Maria, de Onbevlekte, noemen. Vader dacht daar anders over en vond Andrea – ‘sterk als een vent’ – een passender naam: ‘Ik was de vergissing, de gemiste kans. De dochter die een zoon had moeten zijn.’ Het godsgeschenk komt alsnog in de gedaante van Marcel, de zoon die geenszins een onbevlekte levenswandel zal kennen. Hij kan zich alles veroorloven, wordt voortdurend uit de wind gehouden en de vrouwen in het huishouden behandelen hem als prinsje. Onheilspellend als in een donderpreek vervloekt de verteller het verhulde seksisme, dat op zowel zoon als dochter een verlammende uitwerking heeft: ‘Zonen worden met verwachtingen beladen, dochters met erfzonde.’ Wanneer de jongen ‘speels’ zijn kruis tegen de billen van zijn zus duwt, krijgt Andrea een vermaning, terwijl Marcel wordt opgedragen zijn klompen niet te vergeten. Zijn hele leven is een voorbereiding op de strijd voor Volk & Vaderland. Eén van de eerste zinnen die Andrea aan haar thuiskomende broer wijdt, klinkt als een oorlogsmars: ‘het gestamp van een kalf dat de kracht in zijn poten beproeft.’ 

    In De Onbevlekte strooit Mortier met meer van zulke literaire vondsten. Waar menig auteur scheutig omspringt met tierelantijnen, gebruikt hij ze doeltreffend en vervelen zijn kunstgrepen geen moment. Dat maakt zijn stijl van een verbluffend niveau. Bovendien wisselt hij liederlijke zinsneden af met voldongen feiten, droge afkondigingen die evenveel zeggen als verzwijgen: ‘Moeder zei dat hij zich moest vermannen. Hij heeft zich vermand.’ Dit zichzelf verharden kent een hoge prijs; Marcel sterft als SS-soldaat aan het Oostfront. 

    Tegengif voor onwetendheid

    Bij de rouwplechtigheid in het dorp hemelt de dienstdoende kapelaan de gestorvene flink op, als een heldhaftige Dietsche strijder, een sterke kameraad, een groots, tuchtvol soldaat. De verdiensten van de behulpzame zuster worden volkomen genegeerd:
    ‘…, elke zin knauwt naar mijn enkels. Wie zou er die laarzen hebben opgeblonken, wie het metaal van zijn gesp hebben gepoetst, wie zijn woorden voorgekauwd voor hij ze glimmend met een bek vol ijzer in mijn aangezicht spuwde? (…) Levenslustige kameraad. Ik beet op mijn tong. Hij was een knaap die over sloten sprong. Zijn klompen bleven liggen in het gras.’

    Uit Marcel Ornelis’ correspondentie vanaf het slagveld valt op te maken dat zijn wederwaardigheden alles behalve heroïsch waren: één van zijn hoogtepunten is een voetbalwedstrijd van de ene tegen de andere compagnie. 0-0. Bijna achteloos vertelt Andrea het echte verhaal achter Marcels toetreding tot de nazi’s: ‘We waren melkmuilen, zonder vader of moeder. En als ge die gasten zag marcheren, met hun vaandels en hun uniformen, ik vond dat schoon. (…) Nog niet recht kunnen piesen en peinzen dat ge met uw blote handen de wereld op zijn kop kunt zetten…’

    Acceptatie als besluit

    Andrea blijft ondanks deze zuinige onthullingen zo gesloten als een oester. Wel ziet ze schoorvoetend in dat de generatie na haar anders met trauma omgaat; het is tijd dat ze haar kleinzoon alle brieven nalaat die ze van haar broer, zijn oudoom bewaarde. Ze voelt haar einde naderen en geeft haar kleinzoon alle ruimte door het verleden te grasduinen. Hoe immers kan de pijn worden opgelost, de geschiedenis ooit worden onthouden, als de zwijgcultuur voortduurt? Zelfs Andrea’s woning gaat gebukt onder het juk van ondraaglijk zwijgen: ‘Ik draai me om. Het kromgetrokken huis, de ruggengraat van pannen tussen de dronken schoorstenen van de haarden. Alles zakt in, verlangt naar kruk of stok.’

    Zonder oordeel, zonder zelfhaat vraagt de kleinzoon zich af in hoeverre het verleden voortleeft in hemzelf. Vragen die zo weinig mensen zich durven te stellen, maar die – mits onbeantwoord – de fundamenten van het bestaan aantasten. De onbevlekte, dat is niemand. En dat besef slaat in als een mortiergranaat.

     

     

  • Gellings parafraseert de stem van de boze burger

    Gellings parafraseert de stem van de boze burger

    Waarom zouden alleen mooie plekken troost bieden? Dit vraagstuk onderzoekt Mark van Wonderen in zijn boek Treurtrips. Het is een op schrift gestelde reis door Nederland langs vergaderzalen met muren van golfplaat, spuuglelijke snackbars en bowlingcentra. Bitter garniture symphony! Met evenveel verve verwondert Paul Gellings zich over de Enschedese wijk Roombeek, die genadeloos werd weggevaagd door de vuurwerkramp anno 2000. Magnifiek verwoordt de schrijver hoe dit ongeluk tot op heden een open zenuw is in ons collectieve geheugen: ‘Op deze vlakte geen Colosseum of ruïnes als in Knossos. Er wordt een bladzijde omgeslagen, een pagina van beton in een geschiedenisboek.’ In zijn drieluik Steden van Pandora nemen Gellings’ personages nogal wat maatschappelijke verschijnselen de maat, nu eens geslaagd, dan weer misplaatst. En hoewel de verhalen Manchester, Helen en Een vlakte in de stad  los van elkaar lijken te staan, hebben ze alle drie een passieve ik-figuur gemeen. Niet voor niets citeert de auteur in zijn motto Philip Larkin: ‘So. Let me accept the role, and call / myself the circumstances tennis-ball’.

    RTL4-gehalte

    Ofschoon de titel anders doet vermoeden, gaat Manchester vooral over een omzwerving als de Odyssee. Deze tocht van Tim Nolte duurt echter slechts een paar weken en gaat geenszins over een listig genie. Ene Priscilla is vermoord in de Vechtstreek, vlakbij Tim. Om duistere redenen weigert de man die inmiddels in De Telegraaf ‘hoofdverdachte Tim N.’ wordt genoemd, zijn DNA af te staan bij de lokale politie. Hij heeft namelijk last van spookbeelden over een oneerlijke rechtsstaat, die koortsachtig op zoek is naar een zondebok: ‘Dat was geen rechter meer. Dat was een televisiedominee. (…) Dat onze rechtsstaat zichzelf niets heeft te verwijten. Dat er een onderzoek zal worden ingesteld. (…) En inderdaad, er wordt alles aan gedaan. Op papier.’ Volkomen overtuigd van de verrotting van het Nederlandse rechtssysteem vlucht Tim naar Rotterdam. 

    In een armoedige hostel treft hij hospita Dorothee aan, een excentriekeling: ‘Een vrouw die ooit een man was geweest of misschien nog wel.’ Hilariteit alom. Bij vlagen trekt de auteur het repertoire van Carlo Boszhard en Irene Moors leeg om bijpersonen te typeren. Zo zegt Dorothee over haar leven als prostituee: ‘Ja, lekker verwennerijtje. Maar een mens wordt oud en van dit bloody hotte weertje krijgt Dorothee migrainetje.’ Zoals de Bijbelse Rachab ooit Israëls spionnen uit Jericho hielp ontsnappen, zwijgt ze over haar verstekeling en zijn nautische vluchtpoging naar Liverpool. In Engeland gaat het geflirt met de commerciële omroep door. Een op sensatie beluste misdaadverslaggever treedt op als hulpsheriff, die met bravoure alle kreuken van justitie moeiteloos gladstrijkt. Oftewel: hij biedt Tim met zijn programma Argus eerherstel. Zijn optreden doet denken aan Peter R. de Vries, die wel vaker populaire dingen roept ten koste van de integriteit van het politieorgaan. In dit verhaal valt daar echter niets tegenin te brengen; een smerige hoofdagent blijkt de dader. Komt dat even goed uit.

    Onschuld en omgekeerd seksisme

    De ironie waarmee Gellings werkt, is ijzersterk. Tim zwerft door Liverpool, profiteert van de Britse spilzucht op straat en ergert zich aan de ‘illegale buitenlanders’ die de stoepen afstruinen. Net als hij. Zelf besteelt hij een Amerikaans gezin dat aan de Mersey dineert, want zij hebben toch geld zat. ‘Pas toen ik geschreeuw hoorde, besefte ik wat ik gedaan had,’ zegt hij nadien. Een prachtig voorbeeld van hoe een schijnheilig persoon zijn criminele gedrag rationaliseert. Als hij geweten had dat hij het ging doen, had hij zichzelf tegengehouden. Aanbeland in Manchester redt de Nederlander zijn nieuwe liefde Lynn van twee kerels, die wederom een soort manwijven zijn. Na een etentje op haar kosten blijkt Lynn ooit verkracht te zijn en daarom gaat ze niet in op de fysieke avances van Tim. Tot de vrouwelijke wispelturigheid de overhand krijgt: ‘Dan, onder het huilen, verandert er ineens iets. (…) van het ene ogenblik op het andere is bij mij alle beschaving en omzichtigheid verdwenen, bij haar alle terughoudendheid en angst.’ Naar de reden van deze ongeloofwaardige omslag blijft het gissen.

    Eenzelfde veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid legt Helen aan de dag. Zij is de onbereikbare vrouw in de tweede, gelijknamige vertelling. Haar naam is perfect; de naamloze hoofdpersoon is nog steeds herstellende, aan het ‘helen’, van de verliefdheid op zijn studiegenote. Gellings waagt zich vaker aan woordspelerij, zoals bij de benaming van het café De Gloepe, een klanknabootsing van een stevige slok speciaalbier. De ik-figuur plaatst deze femme fatale aanvankelijk op een voetstuk, als nooit beantwoorde liefde van zijn leven. Naarmate zij zich ‘in trieste avontuurtjes’ verliest ‘met een potente maar foute Congolees’ en met een pizzabakker, stoot de dertiger zijn muze onbarmhartig van haar sokkel. ‘Er was tenslotte altijd iemand met wie ze heimelijk het bed deelde. (…) Ik had het bevrijdende gevoel dat er een gifbeker aan me voorbij was gegaan.’ De bedilzucht tart elke beschrijving, temeer daar de hoofdpersoon stiekem hoopt op een vrijpartij met haar. Die komt er, nadat de wijn rijkelijk vloeide. Hij feliciteert zichzelf met zijn bovenmenselijke bedprestaties: “‘Wat kan jij schreeuwen,’ zei ik. / ‘O, ik heb geen klachten.’ / ‘Mooi.’ / ‘En jij, secretaris?’ \ ‘Slechte vrouwen zijn altijd het beste. Vooral met een slok op.’” 

    Cafépraat versus vat der wijsheid

    Gellings parafraseert in Steden van Pandora de stem van de boze burger. De rechtstaat stapelt blunder op blunder en deugt van geen kant, vrouwen zonder steady echtgenoot zijn eigenlijk een beetje triest en de Randstad is een bolwerk van arrogantie: ‘…in de weer met peperdure lunches in gezelschap van buitenlandse auteurs en toegangskaarten voor het boekenbal, (…) ze konden zich niet voorstellen dat iemand ergens anders op deze aarde kon wonen dan aan een Amsterdamse gracht of achter het Concertgebouw,’ aldus een bijna-pensionado die ’s winters de Chinese Muur, Guatemala of Paaseiland bezoekt en de zomers barbecueënd en wijndrinkend in zijn grote tuin verpoost. 

    Gellings’ derde vertelling, Een vlakte in de stad, tapt uit een ander vaatje. Dit hoofdstuk betreurt de ‘vervinexisering’ van de Enschedese wijk Roombeek. De verteller vindt dat de panische regelzucht van de Nederlandse planologie doorslaat en ontaardt in kleurloze betonblokken. Liever zou hij zien dat dit stukje Twente zijn karakter behoudt. Hij haalt Willem Wilmink aan om deze overtuiging te bekrachtigen: ‘In de oorlog stond een stad in brand / Op Pathmos, Zwik en Hoogeland: / meer dan een halve eeuw nadien / kun je daarvan nog sporen zien.’

    Zo wint deze verteller de sympathie van de lezer. Met zijn onvoorwaardelijke liefde voor een gebutste en daardoor volmaakte plek bewijst Gellings dat Roombeek zélf een boek waard is: ‘Welke sprookjesverteller heeft hier rondgewaard? Luister naar de klank van de namen en de stad gaat open als een oud verhalenboek.’

     

  • Gewichtige motieven in meer dan goed boek

    Gewichtige motieven in meer dan goed boek

    Elke examenkandidaat moet eraan geloven: de mondelinge toets over de literatuurlijst. De ervaring leert dat Het Gouden Ei van Tim Krabbé op minstens de helft van de boekenlijsten prijkt. Onder adolescenten is het boek nog altijd razend populair, want toegankelijk geschreven, raadselachtig, eigentijds en precies spannend genoeg. Andere boeken bezorgen de examenkandidaat vooral angstzweet of, bij gebrek aan pen en papier, aangevreten nagelbedden. Hulde aan Gerwin van der Werf! Wie zijn roadnovel Strovuur gelezen heeft, kan in plaats van een mondelinge martelgang een geanimeerd gesprek verwachten.

    In deze vermakelijke roman rijdt de zeventienjarige Fay met haar neef, de twintigjarige Elvin spontaan naar Parijs. Die reis duurt zes dagen in een nu al legendarische gele Mitsubishi Sapporo. Michael Knight springt met zijn zwarte KITT van de ene naar de andere wolkenkrabber; mr. Bean scheurt in zijn Mini blauwe driewielers van de weg; Bassie & Adriaans Honda Prelude trakteert de kijkers elke aflevering op een vette knipoog. Niet dat Fays neef zwaar tilt aan de cultstatus van zijn vierwieler: ‘Elvin noemt zijn auto ‘De Sapporno’, dan heb je meteen een idee van zijn humor. Ik noem het een verroeste pauperbak.’ 

    Taboedoorbrekende coming-of-(r)age

    Strovuur wordt verteld vanuit het perspectief van Fay, die haar neef eigenlijk amper kent. Beiden kennen een nare geschiedenis, getekend door echtbreuk, verwaarlozing en depressie. Alle clichés vermijdend ontvouwt de schrijver deze thema’s even lichtvoetig als oprecht, even komisch als aardedonker. Zo verkondigt Fay een controversiële opvatting over suïcide: ‘Ik denk dat er voor zelfmoord veel moed nodig is’. Ze begrijpt haar vaders beslissing, hoe slecht haar moeder er ook mee omgaat. Grote Gijs, de asgrauwe mist van neerslachtigheid die haar vaders leven omsloot, beschouwt ze als een vriend die er niets aan kan doen dat hij is wie hij is. Daardoor maakt Fay een kwetsbare, veerkrachtige indruk en voorziet Van der Werf haar van de gespletenheid die de adolescentie eigen is: te oud om kind te blijven, te jong om volwassen te zijn. 

    De bij vlagen cartooneske Elvin is minstens even breekbaar. Wanneer het tweetal midden in Wallonië op een trage tractor stuit, ontploft de heethoofd: ‘‘Dat hebben wij weer, dat hebben wij weer,’ zei Elvin eerst nog grijnzend, maar ik zag zijn boosheid alweer de overhand krijgen, soms is Elvin echt een stripfiguur.’ Was Elvin de hoofdpersoon van het verhaal, dan zou het een coming-of-rage genoemd kunnen worden. Zijn woedeaanvallen brengen hen regelmatig in de problemen, waardoor Fay zich slimmer voelt dan haar neef. Dit mag cognitief zo zijn, maar dan pareert Elvin: ‘Weet je wat jouw probleem is? Jij bent zo slim dat je er zelf last van hebt. (…) Het is geen potje dammen met woorden hè? Van het echte leven begrijp jij geen ene ruk!’ Over het echte leven gesproken: de auteur speelt voortdurend met het spanningsveld tussen waarheid, verzinsel en echtheid. Zo houdt hij de lezer scherp. Fays binnenwereld blijven doorgronden is wel degelijk een potje dammen met woorden.

    Ironie en hipsters als ziektes van deze tijd

    Fay ontpopt zich als maatschappijkritische powervrouw in spe. Zij heeft lak aan prestige of uiterlijk en is klimaatbewust: ‘De auto blies een enorme wolk grijze rook uit, ik schaamde me, niet voor de andere automobilisten in die dure auto’s, maar voor de bomen langs de weg waar de wolk heen trok. Ik vertelde de bomen dat ik nog nooit in een vliegtuig had gezeten.’ Bovendien weigert Fay te buigen voor de dictatuur van het vrije woord, die in haar gegoede, witte milieu alles gedoogt en niks bevraagt: ‘Straattaal wordt bij mij op school ironisch gebruikt, zoals ze bij ons ironisch naar André Hazes luisteren en op ironische wijze racistische opmerkingen maken. (…) Ik haat het.’ Je begint langzaamaan te snappen waarom Fay naar Parijs vlucht. 

    Ook de Hollanders die Fay en Elvin op een Waalse camping aantreffen, zijn verrukkelijk irritant. Het hipsterstel Sven en Florine raadt hen aan te blijven, omdat ‘het hier minstens zo leuk was als in Parijs, (…) je kon kanoën, mountainbiken, abseilen en andere ‘vette dingen’’. Daarbij heeft Sven een tribe op zijn arm laten tatoeëren, uiteraard ook weer als ironische culturele toe-eigening. Over Fays altvioolkist weet de nep-Viking niets beters te gniffelen dan dat ze wel moet uitkijken met het machinegeweer. Tijdens een gesprek over Karel de Grote, die volgens Sven Frankrijk bestuurde rond 1500, vergaapt Fay zich aan de domheid van de veertiger: ‘Het was Karel de Vijfde, niet de Grote, en Frankrijk was nu juist het enige land waar hij niet over regeerde, maar goed. Het was gênant hoe weinig iedereen wist, nog gênanter was (…) vooral Sven, de gemakzucht waarmee hij zich indekte voor vergissingen, met zo’n achteloos uitgesproken ‘volgens mij…’, waarop de grootste onzin volgde.’ Wie meer van zulke smeuïge tirades tegen geraaskal zoekt, zit bij Van der Werf geramd. Toch biedt het boek meer dan aan onnozelaars gerichte scheldkanonnades en smakelijke ergernissen à la Jan Mulder.

    Lijdensfiguur

    Strovuur is verfrissend no-nonsense. Daarnaast bevat het voldoende gewichtige motieven om meer te zijn dan een goed boek. Eén intertekstuele verwijzing geschiedt zo talrijk als zandkorrels op het strand en sterren aan het firmament. Alleen al het feit dat het eerste dorpje waar het tweetal tankt, de naam Kruishoutem torst. In het gebedenboek, door Fay in een opwelling gestolen uit een klooster dat ze ooit met haar vader bezocht, zingt de Messias: ‘Ik ben opgestaan en ik ben met je.’ De schrijver brengt een nieuwe gelaagdheid aan in een gegeven dat vaker in literatuur vervat is: Jezus Christus als symbool voor het lijden.

    Volgens Tachtiger Willem Kloos is de dichter een gekweld genie dat lijdt zoals de Verlosser. Van der Werf gooit het over een andere boeg: de depressieve mens weet pas echt wat lijden is. Voor de met somberheid worstelende Fay is dit echter geen excuus zichzelf als lijdensfiguur te zien. Haar zelfbewustzijn is ontzagwekkend groot zonder aan geloofwaardigheid in te boeten: ‘Ik weet best hoe dit klinkt. Ik heb nooit beweerd ongevoelig te zijn voor puberaal melodrama van het type ‘oh-my-god-ik-ben-zó-anders!’’ De lezer weet wel beter. De suïcidale mens als symbool kiezen voor het lijden, is niet slechts dapper, het is bovenal volkomen logisch. Dit menstype erkent de onderwerping aan zijn doodsverlangen: ‘Het ultieme wilsbesluit: jezelf willoos maken. Je bent de baas over jezelf en je draagt de macht over.’ In een wereld waarin maakbaarheid, optimisme en Instagrammability domineren, zegt Strovuur: leven is geen heilige plicht. Maar eigenlijk zegt het zoveel meer. Als dit waanzinnige boek op de lijst staat, hoeft geen literatuurtentamen meer hetzelfde te zijn.

     

     

  • Een meester in het gebruik van typografisch wit

    Een meester in het gebruik van typografisch wit

    Niets zo onbetrouwbaar als het geheugen. Toch is dat voor velen het enige waarop zij zich kunnen verlaten wanneer ze hun geboortegrond bezoeken om hun jeugd te herbeleven. Een herinnering is vaak het enige wat er nog over is als mensen van vroeger gestorven zijn, gebouwen afgebroken en de natuur zich onbarmhartig weinig aantrekt van wat in de herinnering leeft. ‘Ik was een kind en wist niet beter dan dat het nooit voorbij zou gaan,’ zong Wim Sonneveld ooit. Een vrije vertaling van wat Jean Ferrat in La Montagne verzucht: ‘que l’automne vient d’arriver’.

    In deze autobiografische roman Het eiland van Koos Terpstra, gelauwerd toneelschrijver uit Texel, bevindt een man zich in de herfst van zijn leven. Dat leven begon weliswaar op Texel maar bleek spannender in Amsterdam. Een doodzonde, volgens de eilanders: ‘Hoe kunnen jullie ooit pijn voelen in een stad waar je nooit rust hebt. En dan kom je hier met je ellende en laat het hier achter als je vertrekt.’ Het echte verraad pleegt de hoofdpersoon, volgens hemzelf, op zijn basisschoolreünie. In zijn roman zijn feit en fabel nauwelijks van elkaar te onderscheiden: ‘Ik sta mijn jeugd bij elkaar te liegen.’ 

    Meester in typografisch wit

    Terpstra is een meester in het gebruik van het typografisch wit. De rijkdom aan betekenis schuilt niet zozeer in de van zelftwijfel barstende zinnen, als wel in de strategisch geplaatste witregels. Zelfs de geheel witte pagina’s staan er niet willekeurig. Zoals het aardoppervlak uit zeventig procent water bestaat, beslaat het wit van het papier in Het eiland eveneens zoveel. De overige dertig procent vormt de voedingsbodem van Terpstra’s nuchtere, aardse taal.

    De thematiek van isolatie – zijn wij niet allemaal een eiland? – wordt op de pagina’s zichtbaar, wanneer de schrijver vanuit het heden terugblikt op het verleden. Aforismen als deze geven de verteller een alwetend, ontheemd karakter: ‘Wat waren we naïef’, ‘Het leven levert streken’, ‘We kunnen gisteren niet eens terugpakken’. Bij voorkeur plaatst de auteur zulke zinnen tussen alinea’s in. Sporadisch refereert Het eiland aan de levenskrachtige poëzie van Marsman, bijvoorbeeld als Terpstra zijn geliefde Bethlehem staccato bezingt: ‘De Dennen / Het Westerslag / De Hollewal / Het Achterom / De Hoge Berg / Gerritsland / De Ruigendijk / Oosterend, ook zo’n fijne. / Hoe mooi kan het zijn. Texel is een gedicht.’

    De leegtes belichamen vanwege die vitaliteit niet alleen afzondering, maar ook de scheppingskracht van herinneringen. De mentale hiaten drijven Koos, de hoofdpersoon in deze roman, aanvankelijk tot wanhoop: waarom waren zijn ouders niet gelukkig. Waarom werd hij behandeld zoals hij werd behandeld. Wanneer behoor je tot het eiland, wanneer niet. Wat is nuttig gebleken van wat je als kind leerde. Naarmate de ik-verteller zijn verleden reconstrueert, raken de pagina’s voller, worden de teksten prozaïscher en geeft dit verzonnen verleden hem zijn grond onder de voeten terug. ‘Het eiland was niet het eiland, de rest van de wereld was het eiland.’

    Parlando manier van schrijven

    Het eiland valt op door zijn alledaagsheid. Terpstra’s haast parlando manier van beschrijven promoveert het onbenullige tot het bijzondere en andersom, wat tot humoristische vondsten leidt. Beladen verwikkelingen ontnuchtert Terpstra met zinsneden als ‘Wisten wij veel’, ‘En het gewone was al zo mooi’, ‘Niet overdrijven’ en ‘Dus’. Wat te denken van het verplichte fotomoment bij de klassenreünie: ‘Toen we kinderen waren wilden we allemaal oud worden. En kijk ons daar eens staan. Gelukt.’ Hier en daar waagt de schrijver zich aan een woordspeling: ‘…zal (…) de aarde (…) ook weg zijn. Alles weg. Er zit een vorm van logica in die (…) bevalt. Opgelost.’ Zelfs de tekst op de begrafenispoort bij Oudeschild biedt de ik-figuur troost; de dood verwelkomt elke rouwstoet met de woorden ‘Ook u wacht ik’. Dapper biedt Terpstra het nihilisme het hoofd door te accepteren dat alles een einde kent.

    Deze stijl, die alle bombast en hoogdravendheid ontbeert, draagt bij aan de zelfrelativering van de verteller. De passages over zijn ongelukkige, Haagse moeder, die zich niet thuis voelde op Texel, zijn liefdevol en oprecht. ‘Dit boek zal mijn moeder en de plek waar ze nooit thuishoorde voor eeuwig verbinden en in het voorbijgaan mijn jeugd gelukkig maken.’ 

    Poëtische uitweidingen en muzikale analyses

    Al met al is in Het eiland voor ieder wat te vinden, er zijn prachtige poëtische uitweidingen over herinnering, leugen, waarheid en schoonheid, muzikale analyses in een dorpscafé, nostalgische reisjes over het lieflijke Waddeneiland, en lijstjes van wat er nu allemaal is in tegenstelling tot vroeger. Terpstra beseft bovendien dat onzekerheid geen ondeugd hoeft te zijn en ziet zich geconfronteerd met het kleine jongetje dat hij vroeger was. Hij is bij vlagen sprakeloos, als hij terugkijkt naar welke weg hij als gerenommeerd toneelschrijver heeft afgelegd. Soms is dan de enige passende reactie een diep gedragen zwijgen, hetgeen zo goed past bij Terpstra’s magnifieke gebruik van de witregel. Datgene wat gezegd wordt, is eenvoudig, maar krachtig.

    Misschien wel het mooist is de oproep van Terpstra aan zijn dierbaren, mocht hij er ooit niet meer zijn: ‘Dat is wat je moet zeggen: doorleven is mij verraden. En dat dat goed is. Dat je me belt en je mijn voicemail hoort. Mijn bureau leegruimt. Mijn rekeningen opzegt. Verraad me maar.’ Het echte verraad is dus niet de leugen, waarmee Terpstra zijn jeugd reconstrueerde. Het echte verraad is dat hij doorleefde in Amsterdam, waardoor hij opnieuw verliefd werd op zijn Texel. En dat is goed.