• Kunstmatig of matige kunst?

    Kunstmatig of matige kunst?

    De voetbalwereld en de autobranche kennen al jaren een geduchte concurrent wat de oververtegenwoordiging van mannen betreft: de informaticawereld. Met haar essaybundel Twaalf Bytes bindt Jeanette Winterson de strijd aan met seksisme en misogynie in haar werkveld. Klinkende cijfers, harde statistieken en inspirerende verhalen bewijzen dat genderongelijkheid zelfs in de hoogste regionen van de computerwetenschappen voortwoekert. Winterson heeft echter meer willen schrijven dan een activistisch pamflet, getuige de ondertitel Heden en toekomst van kunstmatige intelligentie. Dat maakt van Twaalf Bytes een boek met twee gezichten.  

    Waar Winterson de stand van zaken rond AI beschrijft en feminisme propageert, overtuigt haar werk. Maar regelmatig waagt ze zich aan filmische speculaties zonder onderbouwing, met veel misschien-zinnetjes. Ten slotte probeert ze te bewijzen wat er deugdelijk zou zijn aan kunstmatige intelligentie, maar verslikt ze zich in haar ambitie naar alomvattendheid. Religie, mythologie, literatuur, ras, sociologie, genderpolitiek, geschiedenis, film, liefde en Big Tech. Al deze thema’s propt ze in amper 300 pagina’s; de rode draad wordt algauw een onontwarbare knoop.

    Vrijheid, gelijkheid, zusterschap

    Voor progressievelingen is Twaalf Bytes een feest van herkenning. In haar pleidooi voor emancipatie binnen de informatica houdt Winterson zich bij de feiten. Zo had het Duitse ENIGMA-systeem in de Tweede Wereldoorlog nooit gekraakt kunnen worden zonder vrouwelijke, zwaar onderbetaalde rekenaars. Ada Lovelace, Lord Byrons dochter, is dé grondlegger van de hedendaagse pc en Spotify, maar waar haar mannelijke tijdgenoten de credits voor krijgen. Over deze vrouw die nota bene Alan Turing inspireerde, wordt gezegd ‘dat ze meeliftte op andermans succes, dat haar berekeningen niet klopten, dat ze de aantekeningen waarin ze de werking van de analytische machine uitlegt niet zelf heeft geschreven. Dat ze zichzelf overschatte, ijdel was en dat Babbage haar alleen maar tolereerde.’ 

    De revanche voor de vrouw gaat gestaag, maar niet snel genoeg. Winterson haalt John Stuart Mill aan die in 1869 zegt: ‘‘‘Geen slaaf is in dezelfde mate – en in de volle betekenis van het woord – slaaf als een getrouwde vrouw.’’’ Tot ver in de 20ste eeuw blijft de vrouw wilsonbekwaam en financieel afhankelijk van haar man in het ‘beschaafde’ Westen. En tegenwoordig verergert kunstmatige intelligentie dit probleem slechts. Banken maken bij kredietverstrekkingen gebruik van algoritmes die discrimineren op geslacht. Oftewel, vrouwen hebben een lagere bestedingslimiet dan (witte) mannen. Drie keer raden welke soort mensen de algoritmes vormgeeft? Juist. Bovendien is deze doelgroep fervent liefhebber van een wel heel specifieke vorm van kunstmatige intelligentie.

    Eigenlijk keurt Winterson maar één kunstmatige levensvorm af: de sekspop. Sekspoppen zeggen nooit ‘nee’, zijn in 99 van de 100 gevallen veredelde pornopitspoezen en hebben soms zelfs een verkrachtingssimulatie als nieuwste gadget. Daarnaast hebben ze geen eigen wil. Winterson weet dr. Kathleen Richardson van De Montfort University aan haar zijde: ‘Als hoogleraar Ethiek en AI is ze bang dat seksrobots stereotypes zullen versterken, objectificatie en commercialisering van het vrouwenlichaam zullen bevorderen en tot meer geweld tegen vrouwen zullen leiden.’ Als consument kan de man zichzelf wijsmaken dat hij echt wel weet dat seks met een vrouw van vlees en bloed niet zo werkt, maar corruptie van de geest gaat sluipenderwijs: ‘Als ze het niet zo doet, zich niet zo kleedt en zich niet zo gedraagt, is ze gewoon frigide. En als ze het wel zo doet, is ze een slet.’
    Waarvoor dient kunstmatige intelligentie dan wel? Daarin is Winterson niet altijd even duidelijk.

    Confucian confusion

    In de inleiding stelt Winterson haar bescheiden doel voor Twaalf Bytes vast: ‘Ik wil lezers die denken dat ze geen belangstelling hebben voor AI, biotech, Big Tech of datatech laten ontdekken dat deze verhalen boeiend (…) angstaanjagend zijn en allemaal met elkaar samenhangen.’ Vooral dat laatste punt, de onderlinge samenhang van haar subonderwerpen, nekt de schrijfster. Omdat haar bundel essays bevat, en geen wetenschappelijke artikelen, neemt Winterson alle ruimte om uit te weiden over talloze niet-wetenschappelijke kwesties. Aangezien het wetenschappelijke kader ontbreekt waaraan ze haar onderwerpen toetst, bezigt ze het holistische cliché dat alles uiteindelijk allemaal naar hetzelfde wijst. 

    Theoretisch vormt de vermenging van allerlei mythes met de Verlichting en de evolutiebiologie het grootste bezwaar. Het Gilgamesj-epos, het Thomasevangelie, het taoïsme, Jezus Christus, Frankenstein; al deze literaire en religieuze fenomenen koppelt ze aan theorieën van de verlichters John Maynard Keynes, René Descartes en Charles Darwin. Onwillekeurig roept Twaalf Bytes herinneringen op aan het omstreden 12 Rules for Life van pseudo-intellectueel Jordan Peterson, die ook niet vies is van een psychoanalysetje hier en een Oedipuscomplexje daar. Bovendien noemt Winterson de Industriële Revolutie de zwartste dag voor de mensheid, terwijl volgens haar het kapitalisme – dé aanjager van massaconsumptie, klimaatproblemen en inkomensongelijkheid – de oplossing is waarmee kunstmatige intelligentie de mens op aarde redt. Om de verwarring compleet te maken bombardeert Winterson even later de venture capitalists Elon Musk, Richard Branson en Peter Thiel dan wel weer tot volksvijand nummer één. Volgt u het nog?

    De filmcultuur komt in Twaalf Bytes eveneens rijkelijk aan bod. Het geeft te denken dat Wintersons toekomstverwachtingen meer op kaskrakers dan op wetenschap gebaseerd zijn. De bundel barst van de aannames, eventuele mogelijkheden en plompverloren filmfantasieën: ‘In het komende decennium zal het internet van dingen de gedwongen evolutie en de geleidelijke verdwijning van Homo sapiens zoals we die kennen in gang zetten.’ Het majesteitelijk wij tiert welig: ‘We stellen ons God altijd voor als een niet-belichaamd netwerksysteem.’ Dit soort verkondigingen doen mij smachten naar de roman Mogelijkheid van een eiland, waarin Michel Houellebecq op overtuigende wijze een wereld van gekloonde, via fotosynthese levende post-mensen creëert. Waarom overtuigt dat wel? Omdat de Fransman zijn boek niet over álles wil laten gaan, zoals Winterson dat wel tevergeefs probeert. Ook in het vrije genre van de essayistiek geldt blijkbaar het devies: vrijheid schuilt ‘m in de beperking.

    SkAI Radio

    Kunstmatige intelligentie wordt binnen de muziekwereld gebruikt om klassieke composities te simuleren. Zo bestaan er machines die stukken componeren met de complexiteit van Bach, om maar iemand te noemen. Sceptici zeggen dat op deze wijze gecomponeerde muziek onvolwaardig is, want de mens heeft haar niet zelf gemaakt. Voor velen is het onderscheid tussen AI en de mens dus: het een is gemaakt door machines, het andere is ontstaan. Winterson noemt een ander verschil, waar zij meer in gelooft: ‘We hebben de technologie. We hebben de wetenschap. We hebben de kennis. We hebben de gereedschappen. We hebben de universiteiten, de instellingen, de structuren, het geld. Where is the love?’ Met liefde is alles mogelijk. Zo springt Twaalf Bytes van Bach naar de Black Eyed Peas, van #MeToo naar #Doeslief. Door verwarring en open deuren boet Twaalf Bytes in aan relevantie, hoe krachtig Winterson de maatschappijkritiek op het patriarchaat ook optuigt.

     

     

  • Meer dan een oorlogsverhaal

    Meer dan een oorlogsverhaal

    Het achterhuis is het best verkochte Nederlandstalige boek aller tijden. Hoewel de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog bekend zijn, geeft de Holocaust nog altijd stof tot nadenken. In de verhalenbundel Wat ons raakt vertelt Niek Bremen het verhaal van een Sittardse Jodin. Waar Anne Frank in ’s lands beroemdste oorlogsdagboek de verteller is, kruipt Bremen in de huid van ik-figuur Dini Wolff. Een zware klus, waar stilistische uitglijders dreigen. Want hoe drukt een adolescent uit de jaren ’40 zich precies uit? Gelukkig krijgt de lezer niet eenmaal het idee dat hier eigenlijk Bremen spreekt, op een paar uitstekend getimede Bijbelse toespelingen na. Bovendien wil Wat ons raakt  niet alleen de open deur intrappen ‘dat de oorlog zo heftig was’. De vraag is namelijk niet of we dat wel weten, maar wie er destijds voor kozen zo weinig mogelijk te weten. 

    Naast, of feitelijk via de lotgevallen van Dini Wolff introduceert Bremen enkele dieptepunten van menselijke waardigheid. Oftewel: hoe klein kan een mens zijn? In tien andere kronieken portretteert de bundel even interessante als alledaagse personages die in Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon hadden kunnen figureren. De een is alcoholist, ‘studeert’ filosofie op kosten van zijn succesvolle zus en vergooit zijn carrière in de Limburgse mijnen; de ander koopt een schilderij van drieduizend euro om een boorgat in zijn muur te bedekken en maakt zich belachelijk tussen een stel Utrechtse snobisten; de grootste schlemiel is de vadsige zoon van een NSB’er, die geen meisje kan krijgen: ‘Jij bent een moffenjong. (…) Ze hadden jullie allemaal op moeten hangen.’

    De vloek

    Tijdens zijn werk als stadsgids in Sittard stuitte Bremen op Dini Wolffs gedenkteken, een gouden Stolperstein. Zoals Willem Wilmink zijn legendarische Ben Ali Libi wijdde aan Michel Velleman, de vermoorde goochelaar, zo reconstrueert Bremen Dini’s leven in een eervol saluut. Haar overdenkingen springen van een bijtende ironie naar koelbloedig realisme, waar de wanhoop met flitsen doorheen schiet. Max Wolff, haar vader, is voor de invasie veekoopman en kan dan nog niet bevroeden dat zijn familie als vee naar Polen zal worden gedeporteerd: ‘Er waren zoveel mensen in gepropt dat bijna iedereen moest staan. Verschillende mensen hadden een pan bij zich, waaruit water werd gedronken. Die pan werd ook voor andere dingen gebruikt.’ Op de vlucht bij familie Fleischeuer in Oirsbeek geeft Dini de uniciteit van het Joodse volk een grimmige lading: ‘Ik voel me vreemd en uitverkoren.’ Verkozen door God of Göring, dat blijft ongewis: ‘Toen ik geboren werd, was ik zeker al schuldig.’

    Aanvankelijk wordt slechts mondjesmaat gezinspeeld op de Nederlandse nalatigheid bij de razzia’s. Des te confronterender is de vraag die in Het Achterhuis achterwege blijft: ‘‘‘Waarom laat iedereen toe dat wij gedeporteerd worden?’’ –‘‘Mensen proberen te overleven door niet op te vallen, Dini. Zou jij je leven voor een ander riskeren?’’ ‘‘Wij zijn toch ook Nederlanders?’’ hield ik vol. ‘‘Joodse Nederlanders (…), en dat is toch een verschil. Onze regering in ballingschap stelt zich laks op.’’’ Daarmee moet de joodse bevolking het doen. Als een door God verlaten martelaar ondergaat ze de haat van nazi-Duitsland. In Auschwitz wordt het lot van voorvader Simson andermaal voltrokken bij Dini: ‘Hij pakte een tondeuse en maaide een baan dwars over mijn hoofd. Een koudegolf trok door mijn hals toen het kille ijzer over mijn slapen schuurde. (…) In het gebarsten glas zag ik mijn hoofd terug, zo wit als van een dode.’ Deze keer schiet God niet te hulp voor een laatste krachtsinspanning.

    Niet de hemel- maar de grondbestormer

    De ultieme verpersoonlijking van onbeduidende mensen moet Calimero zijn. ‘Ik is klein en zij zijn groot.’ In het verhaal ‘Herinnering’ volgen we Philip: uitvreter, flets dichtertje, maar allerminst een titaan. Eerder een grondbestormer. Na zijn HBS-diploma te hebben behaald gaat hij niet in de Limburgse mijnen werken, zoals vader wil, maar op kosten van zus Anne in Nijmegen studeren. Zijn alcoholinname stijgt, zijn toch al lage zelfbeeld verschrompelt: ‘Ik verliet de kamer alleen om drank en eten te kopen van het geld dat Anne stuurde.’ Laat Anne nu net degene zijn die hem weer uit zijn misère sleurt; hij wordt mijnwerker voor negenhonderd gulden per maand. Philip is niet de enige slapjanus. Ook Zuid-Limburgers, door de diknekken boven de rivieren geregeld ‘calimero’s’ genoemd, wordt een spiegel voorgehouden: ‘Zijn we te bescheiden? Durven we niet met de vuist op tafel te slaan? (…), zodra ze merken dat hun baas een Hollander is, spreken ze met de dolste keelverdraaiingen.’

    In zijn voorwoord merkt Bremen op dat hij de mens op zijn kwetsbaarste momenten wil vatten. Die belofte overtreft hij: de mens zinkt diep, heel diep weg in lelijkheid. Of het nu gaat om een Maastrichtenaar die al of niet zijn vriendin van de trap af duwt, een eigenheimer die vriendschap wil kopen of een kustbewoner die als zoon van een NSB’er iedereen kwetst: het bestaan trekt alle façades van wellevendheid weg, zeker zodra er alcohol in het spel is: ‘Naast haar stond een meisje met kort zwart haar en zo plat als een dubbeltje. Het was zo’n meisje dat overal commentaar op heeft, omdat mannen haar niet aantrekkelijk vinden,’ aldus een seksueel gefrustreerde Karel. De mooiste metafoor die de kleinheid illustreert, is de beschrijving van het aftandse complex waar Marie Claire woont, de door Karel begeerde dame: ‘Een rotte kies in de straat.’ Tegenover al die verrotting is een fris briesje meer dan welkom. Ook dat biedt Wat ons raakt.

    De Stolperstein van Bremen

    In oorlogsverhalen is goedkoop sentiment misschien wel de grootste afknapper. Films met aanzwellende vioolmuziek, kolderiek camping-Duits en theatraal met het hoofd schuddende verzetsstrijders overspoelen de bioscopen. Wat ons raakt weerstaat die verleiding: Bremen raakt ons ontegenzeggelijk, maar richt zijn pijlen niet op de onderbuik. Liever schotelt hij ons een wonderlijke combinatie voor van gitzwarte nationale historie, niet waargemaakte dromen en een lachwekkende nietszeggendheid. Over dit laatste zei Hendrik Marsman niet voor niets dat de waarachtige kunstenaar juist in het zeer alledaagse het bijzondere ontdekken kan. 

    Zelfs de sluiting van de plaatselijke Aldi weet Bremen te verdichten tot een lezenswaardige gebeurtenis, zij het met een onmetelijke lulligheid: ‘De medewerkers van de Aldi zijn breed inzetbaar. Als de caissière niet hoeft af te rekenen, vult ze de voorraad aan of eet een boterham. Het maakt haar niet uit wat ze doet, als het maar zes uur wordt.’ Op zijn vraag waarom de buurtsuper sluit, klinkt het verslagen: ‘‘‘Ons wordt niets gevraagd’’, (…) en ze verwijderde een fles azijn die tussen de sportsokken lag.’ Wat ons raakt is geen fles azijn tussen de sportsokken. Het is een prachtige Stolperstein tussen de soms logge bakstenen van bestsellers.

     

     

  • Doodsverlangen in een dorp

    Doodsverlangen in een dorp

    Klachten over de jeugd zijn ouder dan Methusalem. Voor onze jaartelling verafschuwden Socrates en Aristoteles al haar spilzucht, betweterigheid en arrogantie. Ook in China deugt de aanstormende generatie nergens voor. Confucius predikt: ‘Je weet niet hoe ze zich ontwikkelen zal.’ Koen Caris heeft een boek geschreven dat die jeugdige wispelturigheid ten volle belichaamt. In de Bildungsroman Stenen eten volgen we de zeventienjarige eindexamenkandidaat Ben, wiens zus Kim zich drie jaar eerder voor de trein heeft geworpen, ze was net achttien geworden. Om duistere redenen verspreidt zich op school een doodscultus, waarin ongegeneerd gedweept wordt met depressie, suïcidale neigingen en destructief gedrag. En bleef het daar maar bij, denken de machteloos toekijkende Ben en zijn vrienden Hettie en Tom.

    Koen Caris trekt alle registers open om de extreme facetten van de adolescentie voelbaar te maken. Zijn geloofwaardige stijl is afwisselend grappig, hoogdravend, soms ronduit lomp. Ook het gevaar van de plattelands verveling krijgt een schrikwekkend gelaat: steeds draagt de landelijke sfeer bij aan een broeierige hysterie in de gemeenschap. Ten slotte verdicht Stenen eten Bens ontluikende verlangen naar Tom, dat wel wat meer is dan kalverliefde. De zelfbewustheid die pubers eigen is, maakt het er niet makkelijker op: ‘… als ik leerlingen hoorde lachen, wist ik zeker dat het over mij ging.’ 

    Puberen in stijl

    Tijdens de puberteit en adolescentie ervaren mensen de grootste hormonale verandering in hun leven. Daarmee zijn aardedonkere en hemelsblauwe gevoelens gemoeid. Caris verwoordt ze origineel en doeltreffend. Aan de vooravond van zijn eindexamen denkt Ben terug aan de gelukkige momenten met zijn zus. Lees hoe deze zoete omschrijving van de omgeving, door subliem binnenrijm, onheilspellend nasmeult: ‘Vanaf de top keken we in de ondergaande zon uit over de voortuinen met het zomerdorre gras, de grijze cirkels as onder de barbecues.’ Een beetje puber vindt zichzelf bovendien spuuglelijk. Ben kijkt in een fotoalbum en smaalt chagrijnig: ‘ik met een gebit van Stonehenge, dan een paar jaar met de dichtgeknepen glimlach van een beugeldrager en ten slotte onwennig grijzend met tanden die te knap zijn voor de rest van mij.’

    Een kniesoor zal de talloze stijlbreuken niet ontgaan. Iemand kijkt ‘ostentatief’ de andere kant op, er klinkt een ‘liturgie der kwetsbaren’ en buurtbewoners voeren een ‘empathisch offensief’ dat Bens moeder ‘reduceerde’ tot Kims daad. Toegegeven, zeventienjarigen drukken zich doorgaans simpeler uit. Maar laten we wel wezen: soms zeggen ze dingen die niet bij hun leeftijd passen. Is de jongvolwassenheid niet dé vleesgeworden stijlbreuk van het leven? Een periode vol ingrijpende momenten, voor wie nog niet de bagage en de ervaring heeft het tijdelijke van heftige emoties in te zien? Ben fantaseert over een nog levende Kim, die met meer levenservaring zou hebben beseft dat ze in haar jeugd ‘dacht dat emoties voor eeuwig waren.’ Adolescenten zijn te oud voor het kindzijn, voor volwassenheid te jong. Daartussen gaapt een kloof van onzekerheid die iedereen naar eigen inzicht overbrugt: ‘vormloze maanden die naar onze enkels happen’. Deze vormloosheid drijft de gemeenschap tot waanzin.

    Ontspoord dorp

    Ben denkt tot gekwordens toe terug aan de zelfmoord van zijn zus en wil geen aansteller zijn, rouwend om Kim. Had hij haar namelijk niet kunnen redden? Hierin speelt zijn schoolomgeving een kwalijke rol: ‘Ik kreeg hun niet uitgelegd dat ik niet zat te wachten op hun verdriet. Dat het al verrot genoeg was zonder dat mensen me bleven vertellen hoe erg ze Kim misten.’ Bens verdriet wordt continu geclaimd en daarmee gesmoord: door Kims vriendinnengroepje of overbezorgde ouders die het voorval op henzelf projecteren. Zelfs leerlingen uit lagere jaren die van toeten noch blazen weten, meten zich een gênant fake levenservaring aan. Bij de herdenking van twee meisjes die zich evenals Kim van het leven beroofden, kotst Ben van hun opgeklopte plichtstatigheid: ‘‘‘Zo waren zij’’, zegt het meisje. De rest knikt ernstig. ‘‘Zo waren zij.’’’ Voor velen vormt de obsessie voor zelfdoding een welkome afwisseling, een interessant verzetje waaraan ze zich kunnen laven en vergapen.

    In de Nederlandse literatuur was verveling op het platteland al eerder de aanjager van boeiende verhalen. Tommy Wieringa situeert Joe Speedboot in het fictieve slaapstadje Lomark, met De Heilige Rita bezingt hij Twente en in beide vertellingen drukt de verveling zwaar op de inhoud. Stenen eten verbeeldt dit niet alleen in bacchanalen, half afgebrande tuinen en het krijsende remmen van een locomotief, maar ook in een ‘bucket list’: mijlpalen die leerlingen afvinken, voor zij zichzelf ombrengen. Hieraan onttrekt Ben zich volkomen en hij zoekt zijn toevlucht tot de bar van Dina, een transgender die doet denken aan Wieringa’s Heilige Rita: ‘Het zijn vooral de dagelijkse drinkers die een onverwachte thuishaven hebben gevonden in het lage barretje naast de velden; de half verdampte mannen die worden weggekeken (…). Dina veroordeelt hen niet.’ Ook Ben voelt zich verstoten door de bekrompen gemeenschap, zij het niet vanwege zijn drankzucht.

    Liefhebben is loslaten

    ‘Het ergste wat ik kan hebben, is hoop,’ aldus Ben over zijn verliefdheid voor Tom. Gedurende zijn bovenbouwjaren cijfert hij zichzelf en zijn gevoelens vakkundig weg. Dat moet ook wel in dat boerengehucht: ‘Er zit iets in het water hier wat ons een zesde zintuig heeft gegeven voor alles wat te ver afwijkt van de norm.’ Toch is dit niet een standaard liefdeslijntje, dat ternauwernood een noodlottig einde afwendt. Caris kiest voor die eeuwig knagende onzekerheid waarmee Ben zichzelf kwelt, maar waardoor de erotiek ironischerwijs opflakkert. Zelfs op het summum van geluk pijnigt hij zichzelf met doemscenario’s en trekt een absurde parallel: ‘als wat nu in het dorp gebeurt stopt, dan stoppen Tom en ik ook. Als iedereen straks wakker schrikt, zal ook hij op de afgelopen weken terugkijken als een koortsdroom, een delier; iets waar je niet te lang bij stil wil staan.’ Als een dolleman klampt hij zich vast aan Tom en leert een levensles uit onverwachte hoek.

    Kims ex-vriendje Jack is persona non grata in het dorp: hij zou haar er wel toe hebben aangezet haar leven te beëindigen. Met één rake zin verklaart Jack waarom de goegemeente hem tot zondebok brandmerkt: ‘… even niet erkennen dat sommige dingen gewoon gebeuren.’ En zo heeft hij Kim tot op de dag van vandaag lief. Hij accepteert dat ze dit nu eenmaal gedaan heeft. De volgende taalkundige uitweiding zegt eigenlijk alles: Caris fileert namens Ben het woord ‘suïcide’ en doet dit als een echte hoorspelschrijver: ‘zo’n formeel woord, met twee chique s-klanken die voor in je mond samen helemaal het heertje zijn. Een woord dat in niets lijkt op zijn betekenis, het tegenovergestelde van een onomatopee.’ Inderdaad. Die benaming is geen klanknabootsing, maar een klankverzwijging. Gelukkig zwijgt Koen Caris niet in zijn taboedoorbrekende Stenen eten.

     

     

  • Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Goede columnisten en dichters hebben met name één talent gemeen: bondigheid. Waar de columnist met een handvol rake zinnen de maatschappij in haar hemd zet, roept de poëet met een enkel woord een nieuwe wereld op. Als deze twee schrijverstypen een intensieve briefwisseling onderhouden, mag het een doodzonde heten die brieven te laten vergelen in archiefkasten. Bertram Mourits, werkzaam in het Haagse Literatuurmuseum, en Trudy van Wijk, gepromoveerd op het werk van Ellen Warmond (1930-2011), brengen Lief Museum uit: een prikkelende correspondentie tussen Simon Carmiggelt (1913-1987) en Ellen Warmond, (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen). De briefwisseling omvat grofweg vijftien jaar.

    In de inleiding vermelden Mourits en Van Wijk dat Carmiggelt als eerste columnist van Nederland de P.C. Hooftprijs won, maar ook Warmond werd gelauwerd: voor haar gehele oeuvre ontving ze de Anna Bijns Prijs. Niettemin is deze compilatie gespeend van alle gewichtigheid. Lief Museum is lichtvoetig, parlando en cynisch als het werk van de Vijftigers uit de naoorlogse literatuur, ongegeneerd twistziek over het literaire circuit – wie houdt niet van roddelen? – en de brieven bevatten een hoge mate van zelfkritiek, wat stijl aangaat. Dit is echter een karige greep uit al het moois dat dit boek te bieden heeft.

    Verrukkelijke schrijfsels

    Wie inspiratie wil opdoen, hoeft slechts ergens te gaan zitten, luisteren en observeren. Voor zijn Kronkels en kroeganekdotes doet Carmiggelt niet anders: het absurde van alledag komt dan vanzelf zijn pen uitgevloeid. Soms achterhalen zelfbenoemde literaire talenten zijn adres en overstelpen zij hem met hun penoefeningen. Hierover uit Carmiggelt zijn ergernis bij Warmond, zij het met een lichte toets: ‘De naam van het werkje was Hoeperdepoep – geen titel om watertandend op af te vliegen dus. Na het lezen van tien bladzijden bleek de inhoud aan de gewettigde vrees te beantwoorden.’ Als dit flutstuk een jeugdzonde van Warmond zou zijn, zo vervolgt Carmiggelt, ‘(…) dan spring ik in de Stadhouderskade die ’s avonds vlak voor mijn deur ligt te flonkeren als een Gardameer van minvermogenden.’

    Zelfs in zijn teksten die geen literair doel dienen, schrijft Carmiggelt verrukkelijk. Steeds bewaart hij de balans tussen zwarte humor, zelfspot en frivoliteit. Wanneer Warmond hem namens het Museum uitnodigt de Heijermans-tentoonstelling met een praatje te openen, weigert Carmiggelt: ‘Los van het feit dat ik dan in Parijs hoop te zijn, hou ik in mijn leven nog maar één redevoering, namelijk mijn dankwoord voor de Nobelprijs. Ik zie er nu al tegenop, omdat het in het Scandinavisch zal moeten.’ Mulisch doet het hem niet na… Bij wijze van revanche geeft Warmond hem twee ‘sick jokes’ om te verwerken in zijn column voor het Parool, en zo stapelen de brieven zich in rap tempo op.

    Gekronkel wordt gekonkel

    Van oudsher worden pseudoniemen gekozen om de eigen naam te behoeden voor schande. Dat werkt uiteraard averechts, als de schuilnaam je duistere kant eerder typeert dan verdoezelt. Ellen ontpopt zich binnen de schrijverswereld tot gevreesde spraakwaterval: Warmond, met de warrige mond, hoeft maar een slokje wijn te slurpen of ze schoffeert het zoveelste groepje omhooggevallen schrijvers op het Boekenbal. Carmiggelt verkneukelt zich om haar onhandigheid en noemt de uitglijders ‘een punaise venijn.’ Warmond ziet dit heel anders, maar weigert in te binden, ook in haar columnreeks die ze afwisselt met Carmiggelt: ‘Als ik mag schrijven op dezelfde egocentrische restrictieloze geen-teen-ontziende manier waarop ik brieven schrijf, dan dolgraag.’ En er zijn nogal wat tenen die ze tot moes trapt.

    Bij een bedrijfsborrel van uitgeverij Querido botst Warmond op tegen Hendrik Marsmans voorganger, Herman van den Bergh. Hij vindt dat zij te weinig publiceert, waarna Warmond opmerkt hem voor het laatst bij een Maatstaf-avond ontmoet te hebben: ‘aangezien de goede man in dat tijdschrift de laatste maanden steeds wegens plagiaat aan de kaak gesteld wordt, ging hij wat stijfjes doen.’ De kruiperige recensent Willem Brandt moet het eveneens ontgelden: ‘een uit Gods moede hand gegleden blindganger.’ Bevuilen de penvrienden niet een beetje het eigen nest? Nee. Vooral schrijvers die niet twijfelen over eigen kunnen, bekritiseren zij. Wie zichzelf afbrandt, blijft buiten schot. Warmond is toch al uit de gratie geraakt, zo blijkt uit een slotgroet aan Carmiggelt: ‘Na al deze oeverloze roddel en prietpraat de geruststellende mededeling dat ik geen griep heb. Het is lepra.’

    Ken uzelve

    Warmond en Carmiggelt leren ons het volgende: wie expliciet zegt over zelfspot te beschikken, oogst argwaan. Een zelfkritische natuur blijkt namelijk uit terloopse, spontaan uitgebrachte terzijdes. Ellen Warmond leest met de precisie van een ‘sniper’ haar schrijfsels aan Carmiggelt na en komt tot de gruwelijke ontdekking dat ze haar penvriend met eindeloze bijzinnen en komma’s ademnood verschaft: ‘(komma, ik schrijf met een snorkel blijkbaar)’. Als ze in haar rol van medewerker voor het Letterkundig Museum Carmiggelt om een gunst moet vragen, ridiculiseert én continueert ze haar eigen opdringerigheid: ‘Horen we eens wat? Heeft geen haast. (Tenminste: …een klein beetje haast maar) (Ruimte voor het doen van verwensingen)’. Al lonkt natuurlijk altijd een effectief middel om de eigen scrupules te overwinnen.

    De drankconsumptie van enerzijds de dichteres en anderzijds de columnist ontwikkelt zich omgekeerd evenredig. Zelfbenoemd papierfetisjist Carmiggelt was vast verbaasd over de rode verkleuringen op Warmonds brieven: ‘Al die vlekken zijn niet van tranen, maar van sherry.’ Waar Warmond beter schrijft naarmate ze meer drinkt, remt Carmiggelts onthouding zijn spontaniteit – funest voor de Vijftiger, die gedijt bij kinderlijke invallen. In een poging zijn gedachten te verwoorden, wanneer hij wederom de verleiding van alcohol weerstaat, walgt hij van zijn wijdlopigheid: ‘Verkeerd. Zulke lange zinnen denk je niet.’ Zoals het auteurs met writer’s block betaamt, toont de Vijftiger zich andermaal zijn eigen strengste recensent: ‘Die geheelonthouders zitten toch ook maar lelijk uit hun nek te zwetsen.’ Wie blijk geeft van zo veel zelfkennis, heeft geen critici nodig.

    ‘Platoniese’ P.S.

    Hoe langer de correspondentie aanhoudt, hoe vertrouwelijker ze elkaar groeten. Waar eerst ‘hart. gr.’ volstaat, wordt het algauw ‘liefs’. In de aanhef maakt ‘Beste’ plaats voor ‘Lieve’ en Warmond beëindigt haar brieven zowaar met ‘je Ellen’. Toch is de onderlinge band te speels, te luchtig voor een daadwerkelijke liefdesgeschiedenis. Verder dan de humoristische oneliner over een echtpaar in de trein komt het niet: ‘Ze hield van haar man, dat kon je zien aan de pull-over die ze voor hem gebreid had. En hij hield van haar, dat kon je zien aan het feit dat hij hem droeg.’ 

    Zoveel zoetheid vraagt om een grove tegenhanger. Carmiggelt roemt het op-en-top Britse informatiebordje in Madame Tussauds over de vrouwenmoordenaar Dr. Crippen en schrijft Ellen: ‘‘‘Dr. Crippen. Hij vermoordde zijn vrouw. Zij dacht dat zij zingen kon.’’ Dat niveau bereiken wij nooit – geloof me.’ Dat is waar. Lief Museum overtreft het niveau.

     

  • Paradepaardje van Polanen

    Paradepaardje van Polanen

    Het beroemdste paard uit de wereldliteratuur moet dat van Don Quichot zijn. Rocinante, vrij vertaald ‘gammele knol’, is al te oud om te worden verwerkt in een stukje paardenvlees, laat staan het Iberisch schiereiland te doorkruisen. Toch drukt de Don zijn plan door en in zijn drieste waan een ridder te zijn, peigert hij het arme beest af. In Centaur galoppeert een soortgelijk nobel ros de Nederlandstalige canon binnen: Chris Polanen vertelt in dit nieuwe boek over de Surinaamse Gili (Guillaume) en zijn Hollandse, stokoude springpaard Norbert. Ze kunnen elkaars gevoel overnemen en begrijpen.

    In een verzengend Paramaribo traint het duo voor het wereldkampioenschap springconcours, waarin het geldt als één van de outsiders; een echte dark horse. De winnaar strijkt drieduizend euro op en daarmee wil Gili dierengeneeskunde in Nederland studeren. Hiervoor moet hij eerst wat hindernissen trotseren op het vlak van liefde, vriendschap en familie. En hoe belegen deze drie motieven ook klinken, Polanen ontstijgt moeiteloos het niveau van een blasé streekromannetje.

    Uit Centaur spreekt liefde voor Suriname, die zich in tegenstrijdige gevoelens uit. Het boek walmt van machismo, dat menig man parten speelt. Polanen geeft de pijn van Suriname weer via drie zeer interessante bijfiguren, van wie Gili eveneens zielsveel houdt. Tot slot hanteert Polanen een even nuchtere als verleidelijke schrijfstijl, waar hij het sentimentele repertoire niet schuwt. En hoewel dit soms ergernis oproept, vallen zijn vergalopperingen te verdedigen: ik-verteller Gili is namelijk adolescent en adolescenten blinken niet uit in nuance.

    ‘En nu begrijp ik het: waarom mannen vrouwen slaan’

    Gili heeft een probleem. Hij valt op twee vrouwen tegelijk: Maaike uit Nederland, ‘een elfachtig sprookjeswezen’ en Louise uit Frans-Guyana, ‘een Caraïbische Sophia Loren’, bovendien zijn concurrente tijdens het WK. Tot overmaat van ramp is Gili maagd, maar aan de sterke seksverhalen van zijn Surinaamse leeftijdgenoten heeft hij niets: ‘Vervolgens liepen de bordeelverhalen uiteen. (…) Het bleek plotseling heel moeilijk het condoom om te krijgen. Waar. Door de spanning werd de toli slap. Waar. (…) Behalve parfum waren er andere, vreemde geuren. Waar. (…) Hij hield het tien, twintig, dertig minuten vol. Bullshit. Hij deed het twee, drie keer achter elkaar. Bullshit. De vrouw kwam klaar. Bullshit. Bullshit. Bullshit.’ 

    Gili trekt fel van leer tegen zijn mannelijke landgenoten die continu het cliché van de Surinaamse, afwezige vader bevestigen. Hoewel Gili zich hoffelijk, als volleerd ridder, opstelt richting dames, zit het machismo eveneens in hemzelf. Zo plaatst hij Louise als volgt op een voetstuk: ‘barstend van sensualiteit, zich nog niet bewust van de onvoorstelbare ravage die ze zal aanrichten in al die nog onwetende, dommige mannenharten.’ Kortom: een aantrekkelijke vrouw is gevaarlijk en brengt niets dan pijn. Die pijn raak je overigens nooit meer kwijt, want huilen maakt je zwak. Om nog maar te zwijgen van de grootste doodzonde voor mannen: praten over je gevoel. ‘In Suriname kan je nog beter vertellen dat je door de duivel bezeten bent dan toegeven dat je een psycholoog bezoekt.’

    Suriname hurts

    ‘Was sich liebt, das neckt sich’, luidt het Duitse gezegde. Oftewel: waar je van houdt, dat doet zeer. Gili houdt van Suriname, hoezeer het zijn inwoners ook kwetst. Vooral vrienden Shane en Hugo en vader Pieter ervaren de keerzijde van het land. 

    Shane, ooit ’s lands grootste springtalent, is inmiddels staljongen op Norberts manege. Na een tegenvallende carrière bekommert niemand zich om hem en hij glijdt af naar de rand van de maatschappij: ‘Nu is hij een junkie. In Suriname kun je beter een hond zijn dan een verslaafde.’ Hugo, voormalig zwemkampioen, kan fluiten naar zijn zwemloopbaan als hij in de Verenigde Staten met een republikeins vriendinnetje wordt opgepakt: ‘Hoe dan ook kwam het neer op seks of een relatie tussen een zwarte jongen zonder geld en een wit meisje met geld. Dan maakte het niet meer uit hoe hard de zwarte jongen kon zwemmen.’ In de knop gebroken bezwijkt Hugo aan lymfekanker door de gebrekkige gezondheidszorg in Paramaribo. 

    De grootste schlemiel is Gili’s vader. Pieter ambieert namelijk een politieke opmars waarin hij de Baas, vermoedelijk Bouterse, wil afzetten. Plotseling wordt hij verdacht van een bomaanslag op de president. Waar Gili zich in eerste instantie afzijdig houdt van zijn vader, begrijpt de zoon hem in gevangenschap steeds beter: ‘Na Nederland heeft onze eigen elite een puinhoop van het land gemaakt en (…) het laatste restje waardigheid dat we hadden, aan flarden geschoten en samen met al het bloed weggespoeld.’ Van Gili’s aanvankelijke afkeer van zijn vader om diens veelwijverij, ijdeltuiterij en uitsloverij blijft weinig over, zeker als zijn ouweheer de duurste prijs betaalt voor rebellie…

    Centaur: man en paard noemen

    Stilistisch toont Polanen zich een enfant terrible. Doorgaans etaleert de schrijver een verfijnde soberheid, als springruiter die snel én doelgericht naar het eindpunt raast. Bij het herkennen van racisme noemt hij man en paard, zonder ook maar een moment te prediken. Op bezoek bij zijn vader in de gevangenis merkt Gili op: ‘Voor me staat een jonge Javaanse vrouw met een klein meisje op de arm. (…) Ik doe mijn best niet te analyseren of ze een creoolse vader heeft, maar dat gebeurt binnen een seconde. Donkere huid en dik, krullend haar. Ja dus.’ Zonder expliciet te vertellen of te oordelen over racisme dat in individuen rondwaart, beseft de lezer: zelfs wie zich als kleurenblind of onbevooroordeeld beschouwt, is door een koloniaal systeem volgepropt met raciale overtuigingen. 

    Sporadisch zoekt Polanen te veel naar rauwe emotie in een scène die op zich al genoeg ontroert. Uitgerekend als Louise op Norbert rijdt, een hoogtepunt uit Centaur, poogt Polanen een extatische lichaamuittreding bij haar te verwoorden. Zo krijgt de Cervanteske distantie tot de inhoud ineens een mierzoete, Sturm-und-Drangachtige bijsmaak à la Julia van romanticus Rhijnvis Feith. Na de eerste vrijpartij met Louise wil Gili meer over die uittreding weten: ‘Ze sluit haar ogen en haalt diep adem. ‘Ik ging van het leven naar… iets anders. Een soort niets. Vol mogelijkheden. Er zat alles in wat er gebeurd was en nog moest gebeuren. Mijn moeder, mijn vader, hun ouders en voorouders. Verdriet. Vreugde. Geboorte. Dood. Ontelbare keren. Te veel om te weten.’’ Ter verdediging: de jongvolwassenheid van de twintigers leent zich dan wel weer uitstekend voor Sturm und Drang.

    Suriname: niet over het paard getild

    Eén passage verwoordt de trots van Suriname in het bijzonder. Als Franse ruiters tijdens de springwedstrijd van hun paard vallen, beperken ze zo snel mogelijk hun gezichtsverlies. Hoe anders is dat bij Surinamers: ‘Ze slagen erin lachend op te krabbelen en naar het publiek te zwaaien (…). Generaties Surinamers voor ons zijn met deze aanpak blijven lachen, hoe uitzichtloos het leven ook was. Het is onze zwakte en onze kracht.’

     

     

  • Oogst week 39 – 2021

    In de voetsporen van mijn grootvader

    In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.  

    Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt. 

    Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’

     

    In de voetsporen van mijn grootvader
    Auteur: Margot Dijkgraaf
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Poezie als alternatief

    Ontlezing is een groot probleem in Nederland, als we alle onderwijsrapporten moeten geloven. Literatuur, en vooral poëzie, geldt al decennialang als een bastion van de elite: zij is onbereikbaar voor het grote publiek en klaagt tegelijkertijd dat niemand haar consumeert. En áls een jonge stem zich aandient een nieuw geluid te vertolken, staan de poortwachters van de literaire elite klaar om deze te weren uit de canon. Zo blijft letterkunde een stoffiger dan stoffig studieobject, waaraan menig scholier zijn vingers niet durft te branden. 

    Jeroen Dera, universitair docent letterkunde in Nijmegen, toont met zijn boek Poëzie als alternatief aan dat de dichtkunst niet slechts voorbehouden is aan grijze heren die in een literair café Baudelaire reciteren. Nee, ook millennials (van wie de oudere generaties beweren dat ze geen ruggengraat hebben) kunnen poëzie leren waarderen. Met de juiste begeleiding, leestips en – het belangrijkste – een geduldige zoektocht ontdekken zij de schoonheid en de kracht van verzen. 

    Om het imago van poëzie onder jongeren af te stoffen gebruikt Jeroen Dera een beproefde tactiek: hij zet vol in op engagement, opdat de aanstormende generatie bij de dichtkunst betrokken raakt. Geen snobistisch gewauwel over het grote Niets, gefilosofeer in de leegte of mooischrijverij in deze bundel. Hij haalt gedichten aan over diversiteit, maatschappijkritiek, klimaatproblemen, neokapitalisme en hij geeft onderdrukte stemmen het woord. Dit boek is een absolute must have voor docenten Nederlands, mits zij hun passie voor gedichten ook maar enigszins willen doorgeven aan hun leerlingen. Dera zei het zelf al zo treffend in de Volkskrant van 4 juli jl.: ‘Gun ook VMBO-leerlingen de verbazing van een poëzieles.’ Dera keert met dit boek het tij tegen de ontlezing. Daarvoor verdient hij alle lof.

     

    Poezie als alternatief
    Auteur: Jeroen Dera
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Aardwrijvingen

    Charlotte van den Broeck, schrijfster van het alom geprezen Waagstukken, merkt tijdens een interview in De Morgen op: ‘We behandelen de natuur alsof ze een decor voor de mens is.’ Dit zegt zij in het kader van haar nieuwste poëziebundel Aarduitwrijvingen, tot stand gekomen in Death Valley. De grillen der natuur zijn op weinig plekken ter wereld zo voelbaar als daar, en door die grillen heeft Van de Broeck zich laten meevoeren. Op haar gevoel heeft zij inmiddels meer durven vertrouwen; haar begaafdheid bewees zij reeds met de bundels Kameleon (2015, Herman de Coninckprijs) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs).

    De titel verraadt al een hoop over haar stilistische werkwijze. Aarduitwrijvingen zijn namelijk kunstwerken van Herman de Vries, waarin aardhoopjes uit alle windstreken van de wereld worden platgedrukt en uitgestreken over papier. Het resultaat? Zuivere aarde, waaraan niets is toegevoegd. De kracht van haar poëzie schuilt dan ook met name in taalzuiverheid en precisie. Op zoek naar de volle zeggingskracht van ieder afzonderlijk woord behandelt de dichteres de taal zoals de natuur eigenlijk behandeld zou moeten worden: zuinig, liefdevol, aandachtig en eerbiedig. 

    Aarduitwrijvingen doet qua spontaniteit en vitaliteit bij vlagen denken aan Hendrik Marsman. Vergis u echter niet in de inhoudelijke relevantie van Van den Broecks poëzie, het engagement van Dera zogezegd. Zij laat impliciet haar licht schijnen over vrouwelijkheid, feminisme en natuurbehoud zónder haar speelsheid en zintuiglijke verwondering te verliezen. Met deze prachtige bundel laat zij zien dat ook de mens slechts een aarduitwrijving is.

    Aardwrijvingen
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: Arbeiderspers
  • Literatuur als eerste levensbehoefte

    Literatuur als eerste levensbehoefte

    Allah kent in de Koran vele aanprijzingen. Om in de hemel te komen moeten moslims al Zijn negenennegentig kwaliteiten op kunnen dreunen. Dit lijkt zwaar, maar is in feite een peulenschil: orthodoxe moslims geloven dat ze de Koran van kop tot staart uit het hoofd moeten leren én reciteren. Het prachtige Allah 99, geschreven door Hassan Blasim, verdient eveneens negenennegentig loftuitingen. In dit werk spreekt de in Finland wonende Irakees Hassan met talloze vluchtelingen die in Europa verblijven. Het is niet overal ‘Wir schaffen das!’ wat de klok slaat: ‘We doen onderzoek in de ruimte en op de bodem van oceanen, maar zijn niet bereid te zoeken naar een medicijn tegen de haat die tussen onze oren zit.’

    Het is een ongekend boek, dat – door meerdere critici al beweerd – de westerse literatuurconventies doorbreekt. Maar hoe doet Blasim dat? Ten eerste laat hij personages aan het woord die het beschavingsideaal van de westerse Verlichting verpulveren. Ten tweede experimenteert de schrijver met de dialectiek uit het oude Griekenland, die tot op heden in kerken wordt onderwezen, om vervolgens tot een nieuwe religie te komen. Ten derde frustreert hij elke genrebepaling zodanig, dat de lezer wel mee moet in de versplinterde literatuur, die door oorlog en geweld verscheurde personen nu eenmaal produceren. Literatuur is voor hem bittere noodzaak en het enige geloof dat de mens nog rest.

    Bemoeienis is nog geen verbondenheid

    ‘Ladies and gentlemen, we got ‘em!’ Deze iconische woorden van republikein Paul Bremer brachten het Amerikaans chauvinisme tot uitbarsting. Ze betekenden een glansrijke overwinning van het wederom superieure Westen op de terreur: Saddam Hoessein was overmeesterd. Alleen even een democratie instellen in Irak, en je krijgt een verlicht land. Toch? Schrijfster Alia, grand dame uit de Iraakse literatuur, met wie Hassan in elk hoofdstuk vriendschappelijk correspondeert, sombert: ‘Ik raak er van overtuigd dat Irak een doodlopende weg is ingeslagen. De arrogantie van de Amerikaanse supermacht …[maakt]… het aantal messen in het land steeds groter.’ Een socialist die zijn zoon aan een autobomaanval verloor, zegt over de westerse inmenging in het Midden-Oosten: ‘Ze zaaiden chaos, waardoor ze, onder hun supervisie, een voedingsbodem voor het islamitisch terrorisme in ons land creëerden. (…) Ooit zal het Westen de prijs moeten betalen voor de ravages die het op meerdere continenten heeft aangericht.’ 

    In het ‘beschaafde’ Noord-Europa verloopt ondertussen de acceptatie van asielzoekers uiterst moeizaam: ‘Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat ik in Finland iemand zou tegenkomen die filosofie doceert en tegelijk een racist is.’ Een van Hassans kennissen in Helsinki, Heidi, werkt voor vluchtelingenwerk en blijft de simplificatie ‘islamitische wereld’ gebruiken. Mikko, een mislukte acteur, stelt de onnozelste vragen, ondanks hun jarenlange contact. Zo ook in het café met de ironische naam De Smeltkroes: ‘Luisteren jullie naar dit soort muziek in jullie land?’ Op echte hulp en bijstand van Europeanen hoeven vluchtelingen niet te rekenen; ze zijn tijdelijke ballast en moeten snel maar weer terug naar hun land van herkomst.

    Apostel Palomar

    ‘Wat is uw enige troost in leven en sterven?’ is de eerste vraag die de Heidelbergse Catechismus stelt aan christelijke leerlingen. Door 129 vragen en antwoorden ontdekken zij de rode draad in de multi-interpretabele Bijbel en in Gods geboden. Hassan Blasim heeft zijn eigen Bijbel: Palomar van Italo Calvino. Deze dikke, besnorde goedzak vergezelt hem tijdens zijn vlucht van Bagdad naar Helsinki en fungeert als vraagbaak bij Hassans literaire project: ‘Wat vind je ervan als we de personages, zonder onze tussenkomst, laten praten?’ 

    En zo krijgt Allah 99 dus vorm. Wanneer Hassan in een impasse geraakt, zijn writer’s block opspeelt of zijn emoties hem de baas zijn, sleept Palomar hem erdoorheen. 

    Er ontspint zich een dialectisch vraag- en antwoordgesprek tussen de Irakees en zijn imaginaire vriend Palomar. Zij komen tot een meesterlijk besef: ‘Palomar hoopt altijd dat stilte meer inhoudt dan taal kan uitdrukken. Maar wat als woorden het doel zijn waar alles in het bestaan naar streeft?’ Oftewel: het woord is niet God. Het woord is tot Alles in staat. Hoe anders konden islamitische, communistische, nazistische, kapitalistische en katholieke regimes zo veel volgelingen met taal betoveren en hen overhalen tot gruweldaden? Of het nu gaat om ‘Allah is groot’, ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’, ‘Deutschland über alles!’, ‘The sky is the limit’ of ‘Ik ben het Licht, de Waarheid en het Leven’, woorden kunnen uitsluiten, met alle gevolgen van dien. Wellicht kan taal de mens nu eens een keer tot eer strekken. Die hoop is Hassans enige troost in leven en sterven. Literatuur is zijn geloof, de taal zijn Kerk. Iedereen is er welkom.

    Splinterliteratuur: eensgezind in ontbinding

    Hassans taalgebruik doet de mens recht door de gevolgen van diepgewortelde overtuigingen te tonen: aan stukken gereten levens. Niet alleen de personages zijn verscheurd door hun gewelddadige verleden én hun ballingschap in Europa, het boek zelf hangt bovendien van talige gruzelementen aan elkaar. Allah 99 wijst elke vernauwing tot een bepaald genre af om zo de versplintering van vluchtelingen invoelbaar te maken: eenheid ontbreekt. 

    Wanneer vriendin Alia het manuscript van Allah 99 voor het eerst leest, citeert ze de Poolse schrijver Gombrowicz om Hassan in zijn onderneming te stimuleren: ‘Schrijf twintig pagina’s zonder pauze, zet alles op papier wat er uit je pen komt, ook al is het gebazel. Laat het daarna een tijdje liggen, zodat het geheel zijn logica kan hervinden.’ En zo wordt het gebrek aan eenheid de enige logica. 

    Het werk heeft iets weg van een reportage, interview, dichtbundel, autobiografie, briefwisseling en roman. Ook wisselt Blasim geregeld van vertelperspectief én is hij vaag over de plaats van handeling, waardoor vaak onduidelijk is wie er spreekt en waar ‘we’ ons überhaupt bevinden. Met deze stilistische keuzes verbeeldt Blasim de identiteitsworsteling en desoriëntatie van dolende aardbewoners sterker dan welk ander woord ook maar had kunnen doen. De lezer krijgt geen kans het verhaal te begrijpen: hij kan slechts volgen aan de hand van verhalensmokkelaar Hassan Blasim, de profeet van de splinterliteratuur. 

    Afrekening

    ‘Zet mij maar neer in een jungle, dan red ik me prima.’ Je hoort het vaak genoeg als bevoorrechte mensen mijmeren over een nomadisch bestaan. Na het lezen van Hassan Blasims boek piepen ze wel anders. Een luidruchtige Australiër in een Finse bar debiteert soortgelijke quasi filosofische praatjes over de mens als zoekend, zwervend wezen. Blasim countert: ‘Zou een Nigeriaan, een Pakistaan of Irakees zich die luxe ook kunnen permitteren? Je vrouw bedriegt of verlaat je en dan besluit je in Finland te gaan wonen. De Nigeriaan zou oceanen moeten oversteken, en als hij al door de haaien werd gespaard en uiteindelijk heelhuids op zijn bestemming aankwam, zou hij alsnog een smakelijk hapje voor de haaien van het racisme worden.’ Was de wereld maar écht van iedereen.

     

  • Sciencef(r)iction

    Sciencef(r)iction

    De economische ratrace op aarde kent veel verliezers en weinig winnaars. De grootste winnaars van deze tijd, Jeff Bezos, Elon Musk en Richard Branson, tillen de ratrace naar een hoger niveau. Zij ontstijgen onze planeet voor een nieuwe krachtmeting: de ruimte koloniseren in hun geavanceerde ruimtemobiel. Marjolijn van Heemstra merkte in het NRC op dat de ruimte geen plek is om over te laten aan interplanetaire adel; er zouden regels moeten komen. Een eerste aanzet daartoe biedt Hanna Bervoets met Een modern verlangen. In deze veertien verhalen tellende bundel reserveert Bervoets er drie voor buitenaardse migratie. In groepen van vier dient de mens de onbewoonbaar geworden aarde te verlaten. Maar met wie wil je in zo’n pit reizen, gedurende veertien maanden? 

    Wraakgevoelens, voorkeursposities en frustratie: ze spelen een rol in de selectieprocedure. In dit drieluik komt Bervoets’ fascinatie voor ‘Expeditie Robinson’ het sterkst naar voren en tilt ze de term ‘passief-agressief’ naar een nieuwe dimensie. Abigail schrijft haar ex Betty, die boos is omdat ze niet door haar als reisgenoot is gekozen: ‘Waar het om gaat, Betty, is dat Cory iets heeft opgegeven om met mij en twee wildvreemden een pit te kunnen delen. Van jou, daarentegen, heb ik nog helemaal niets gehoord sinds de laatste persconferentie. (…) Of ben je vooral verdrietig omdat je deze kerst wat minder cadeautjes uit te pakken hebt?’ En Bervoets kan meer: ze tovert met perspectiefwisselingen en verwoordt op unieke wijze waarom vooruitgang het verlangen niet zozeer stilt, als wel verergert.

    Heeft het al likes?

    Bervoets’ tweede verhaal in de bundel, Een van ons, gaat over een online community voor cavia-eigenaren. De ergste veroordeling die een lid kan krijgen, luidt: ‘Ongeschikt om cavia’s te houden.’ Langzamerhand neemt de sociale druk in de community DDR-proporties aan. Vooral nieuwkomers, die natuurlijk fouten maken, krijgen bakken kritiek: sla is te vochtig en veroorzaakt waterige ontlasting, met aardbeitjes maak je je beestjes dood en zo’n gloednieuw dak boven het verblijf mag mooi zijn, het zou de cavia’s ook kunnen verstikken. Daarbij blijft het niet: ‘Happy Home Kruidenhooi is erg lekker, mijn dametjes willen niet meer zonder, schreef Arletta, maar Nico greep in: dat spul zit vol rotzooi, stukjes biet en zo, dat hebben cavia’s helemaal niet nodig, dat eten ze in het wild ook niet. De wilde cavia bestaat niet Nico – daar was Donja alweer.’ De vertelster houdt bij hoeveel hartjes, duimpjes en ‘sympathiek’-buttons de berichtjes oogsten. Zo ook die van Meryam.

    Meryams zoontje pakt cavia Fowler op en laat haar vallen, geschrokken van een grasmaaier. Terwijl zij ontroostbaar bij de dierenarts zit, speculeren de forumleden erop los: ‘Wat veel van ons wisten maar niet zeiden: dit beestje was ten dode opgeschreven. (…) nu konden we er, omwille van het beestje, niet meer omheen draaien: een cavia die niet kan lopen, rennen, vluchten of spelen, heeft geen leven. Je moet het beestje laten gaan, Meryam, dat is echt het beste nu, en de dagen daarna plaatsten we stickers onder het bericht, van kleine vlindertjes en bloemen, hartjes en beertjes, zo betoonden we ons medeleven.’ Meryam doet wat haar gezegd wordt. De community-leden zijn tevreden over hun cavialievendheid: ‘die avond zullen velen van ons hun beestje uit de kooi hebben getild om onze neus te begraven in de zachte vacht van het warmbloedige wezentje, ons voornemend dat we haar altíjd zo stevig zouden vasthouden, haar nooit, maar dan ook nooit zouden laten vallen.’

    Hysteria Lane

    In ‘Koffiebar met een Duitse naam’ staat de verdwijning van een Poolse baby in een rijke buurt centraal. Wie let op het tempo, gemak en de souplesse waarmee Bervoets langs de wijkbewoners rondom het Poolse gezin scheert, krijgt de indruk dat ze een drone-perspectief hanteert. Bovendien diept ze alle personages met slechts een paar zinnen uit en geeft ze hun een gezicht, waar ze – helaas – na driekwart bladzijde alweer afstand van neemt. Hier verlegt ze de focus van de neurotische Teddy naar haar buurtgenoot Ruben, een oud-cadet: ‘Ja, ze was getuige van misschien wel iets vreselijks en nu moet ze lief voor zichzelf zijn, nu moet ze het loslaten, ze hoeft niet altijd de problemen van anderen op haar schouders te dragen, klaar nu – ze hoort de agenten bij haar benedenbuurman aanbellen. Stipt op tijd, constateert Ruben. Zij zijn op tijd en hij is op tijd, zo heeft hij het graag.’ 

    Het maakt haar verhaal tot een stilistische parel die doet denken aan De Geruchten van Hugo Claus: een roman over de terugkerende Congo-veteraan Catrijsse, over wie heel Waregem roddelt, iedere bewoner in zijn of haar eigen kenmerkende stijl. Toch herhaalt Bervoets niet slechts het kunstje van de Vlaamse romancier, die een deugdzaam lijkend dorp laat bezwijken onder zijn eigen oorlogsverleden. Bervoets laat zien hoe ontzield de ooit zo mooie wijk is: ‘Kadirs Lunchroom had plaatsgemaakt voor een koffiebar met een Duitse naam, en waar ooit Café Raap zat keek hij nu door de ruit van een winkel die kandelaars maar ook heel dure truien verkocht. De nachtwinkel waar hij ooit snoep en later sigaretten haalde was er niet meer, wel ontdekte hij een wijnwinkel, zo stond het op het krijtbord buiten: De Wijnwinkel – en daarnaast nóg een koffiebar en daarnaast nog een…’ Gentrificatie voorziet wellicht in een behoefte aan vooruitgang, de vooruitgang is gewoon niet het antwoord op onze vragen.

    Verslaafd aan verlangen

    Toch is het te gemakkelijk om Bervoets’ thematiek te versimpelen tot ‘Vroeger was alles beter’. De titel, Een modern verlangen, zegt het eigenlijk al: hoe vergevorderd de technologische ontwikkelingen ook zullen zijn, de mens blijft verlangen naar wat hij niet heeft. Een verlangen is een zucht, een zucht is een verslaving. En van een verslaving kom je niet zomaar af. Of dat verlangen nu een genetisch perfect kind belichaamt, een hond die een aanrijding met een aandenderende intercity wél overleeft of een knopje met de tekst ‘anderen uitschakelen’, zodat je de hele wereld alleen voor jezelf hebt. 

    De techniek reikt in het futuristische verhaal ‘Dag 1851′ zelfs zo ver dat de diepste wens van mevrouw De Clou niet begrepen wordt. De oude vrouw in de rolstoel wordt volledig bestuurd door een zakelijke robot-Ik van ggz en zegt met haar lichaam op zee gericht: ‘Rijden.’ Ik start de kar: ‘De rit naar het terrein duurt één uur en vijftien minuten.’ ‘- Nee, niet omdraaien. Ik wil dóórrijden, rechtdoor rijden.’ Dan treedt ‘het protocol’ in werking, wordt de patiënte gemuilkorfd en dompelt de goedbedoelende robot haar nog dieper onder in haar misère. Met Een modern verlangen logenstraft Hanna Bervoets de maakbaarheid van het leven. Het verfrissende is: dit ligt niet per se aan het leven, maar aan de mensen die naar maakbaarheid smachten.

     

  • Hier past slechts stille bewondering

    Hier past slechts stille bewondering

    Elke dag verstoort een vliegtuigje de training van het Nederlands elftal. Met name de bondscoach wordt geïnstrueerd door zijn zeventien miljoen collega’s: ‘Frank, speel geen 5-3-2, maar 4-3-3!’ Deze cijfercombinatie mag voor Nederland een obsessie zijn, in de muziekwereld zorgde ze eveneens voor opschudding. De compositie 4’33 van John Cage is niets meer en niets minder dan stilte. Toch houdt het stuk meer in dan vier-en-een-halve minuut de piano niet aanraken; de onbedoelde omgevingsgeluiden vormen hun eigen symfonie, elk hart bonst op zijn eigen cadans en ieder kuchje vliegt als een kogel door de concertzaal. Dat verdient een literaire geestverwant!

    In Stilte is mijn moedertaal vertelt schrijver Sulaiman Addonia het verhaal van het Eritrees-Ethiopische meisje Saba en haar stille broer Hagos. Door een terreurgroep uit hun vaderland verdreven, zitten zij met hun moeder in een vluchtelingenkamp. Het is een prachtig boek, waarin Addonia de balans weet te bewaren tussen tranentrekkerij en behaaglijk optimisme. Bovendien krijgt de – immer goedbedoelde – bemoeienis vanuit het Westen jegens ontwikkelingslanden een kritische beschouwing, evenals de islamitische cultuur jegens vrouwen. Ten derde behandelt de schrijver liefde zoals zij zelden in de literatuur wordt omschreven – omzichtig, subtiel en stil. ‘Het was door deze stilte dat er liefde kon ontstaan op deze plek, in de harten van mensen kon wortelen alsof hun borst een vruchtbare akker was.’

    Stilte is: geen huilende violen of schallende trompetten

    Bij verhalen over vluchtelingen ligt het voor de hand om hartverscheurende levens onbarmhartig in beeld te brengen. Denk aan de foto van het aangespoelde Syrische jongetje voor de kust van Turkije, of de film Wit Licht, waarin Marco Borsato zich in de huid van een reddingswerker wurmde. Addonia laat dit effectbejag achterwege en doet kaal verslag van de nooddruft in een vluchtelingenkamp. Het is er kurkdroog en heet, er is alleen melkpoeder en suiker voorhanden en de bewoners poepen in het achterveld. Voorlopig is er geen hoop op verbetering, want de Engelse hulporganisatie smijt weliswaar met enorme zakken droge rijst, maar het naburige water is te vervuild om er eten mee te bereiden. Ook de door de Britten beloofde school komt er maar niet, al dringt Saba voortdurend aan. ‘Eerst eten, gezond zijn, daarna komt de school,’ aldus de hulpcoördinator. 

    Hoewel Saba zich ontpopt als buitengewoon krachtige dame, zit alles tegen: het barst van de oversekste mannen in het kamp en haar moeder en vroedvrouw gunnen haar geen millimeter ruimte of zelfbeschikking. De enige uitweg naar een beter leven is een pas aangelegde weg naar de Soedanese hoofdstad, die ze alleen via de nomade Hajj Ali kan afleggen: een getrouwde man die eerst met haar én haar broer Hagos naar bed wil, alvorens haar te vervoeren. Ze zit, kortom, muurvast in een leven dat net genoeg biedt om niet dood te gaan. Of zoals Jamal, bioscoophouder in het kamp, zegt: ‘Alles in ons kamp wordt gerecycled, zowel geluk als wanhoop.’

    Stilte is: luisteren naar de onderdrukte

    Addonia reserveert veel spreektijd voor de vrouwen in deze roman, waar elke man, behalve homoseksuelen, er verbaal van langs krijgt. Zo reageert een oude wijze dame op de opmerking van een grijsaard dat vrouwen godinnen zijn, als volgt: ‘Behandel ons gewoon als mensen, dat zou alle problemen in de wereld oplossen.’ Saba ergert zich aan de dubbele seksuele standaard. Bij een strafexecutie op het centrale plein in het kamp wordt een meisje gestraft dat aan zelfbevrediging deed. De islamitische rechter, overigens een groot voorstander van vrouwenbesnijdenis en maagdelijkheidstesten, preekt over dolende meisjes die…, waarna Saba in zichzelf zegt: ‘die ontdekten hoe ze hetzelfde genot als jongens konden beleven zonder hun huwelijkskansen te verpesten.’ Op steun van haar thuisfront hoeft ze niet te rekenen, vooral niet als ze te veel haar eigen gang gaat: ‘Saba vroeg zich af hoe vaak ze in de ogen van haar moeder en de vroedvrouw was doodgegaan op exact hetzelfde moment dat zijzelf voelde dat ze leefde.’

    Dit boek laat zien hoe volstrekt logisch feminisme als emancipatiebeweging is. Stilte is mijn moedertaal snijdt hiertoe andere tijdloze, universele motieven aan: de onderlinge ideeënstrijd tussen generaties, de worsteling met een religieuze achtergrond en de seksuele ontwikkeling van individuen. Addonia maakt van feminisme, zonder het woord ook maar één keer op te voeren, niet slechts een vrouwen-, maar een mensenkwestie. De band tussen Saba en haar broer illustreert dit nog het mooist.

    Stilte is: koesteren

    Saba heeft weliswaar niet de bovenmenselijke spierkracht van Pippi Langkous, al kan ze wel met haar stomme broer via oogcontact communiceren. Beter gezegd, ze ontcijfert zijn subtielste gelaatsuitdrukkingen en leert hem wat hij op school nooit zou leren: schrijven. Hagos, die het huishouden moest doen, zodat Saba een schoolloopbaan kon volgen, gunt zijn zus het best denkbare leven. Hij wil zich voor haar opofferen bij de nomade Hajj Ali, opdat zij kan floreren. Saba verbiedt het hem, waarop Hagos schrijft: ‘maar saba zeg jij niet altijd wij zelfde zijn dat onze lichamen zelfde zijn voel jouw pijn als voel ik pijn wij een zijn een wij zijn.’ In die symbiose bevrijdt Hagos Saba van haar plicht om een traditionele vrouw te zijn, en ontneemt Saba haar broer het juk van mannelijkheid. 

    Er zijn meer personages die als underdog de show stelen in deze vertelling. Zo herbergt de prostituee Nasnet zo’n beetje de meest ontwikkelde geest in heel het vluchtelingenkamp. Over de hypocriete veroordeling van hoererij zegt zij: ‘De maatschappij heeft het zo bepaald, en vervolgens proberen ze je te verdrijven en te verbannen vanwege het taboe dat ze er zelf van hebben gemaakt en jou hebben opgelegd.’ Daarnaast wast ze Saba’s voeten met haar tranen: een verwijzing naar Christus die de voeten van zijn discipelen waste, om hen te dienen. 

    Een veilige Drie-eenheid

    Ook de lieve, zachtaardige zakenman Eyob, die als de Bijbelse Job al zijn vermogen is kwijtgeraakt door het schrikbewind, heeft zowel Saba als Hagos lief. Hij neemt beiden in huis door met Saba te trouwen en heft de bemoeienis van de gemeenschap als bij toverslag op. Saba treft de belangrijkste mannen in haar leven samen in bed aan, en ze is niet verbaasd: ‘Hagos lag naast Eyob te slapen. (…) Alsof hun liefde alleen kon bestaan in de tijd dat de vroedvrouw, de rechter, de moeder, het comité van raadslieden sliepen, in de tijd dat de traditie haar ogen sloot en het verlangen vrij en ongehinderd zijn gang kon gaan. (…) Eyob was de oase waarin zowel zij als haar broer bescherming vond tijdens hun lange reis.’ In Stilte is mijn moedertaal zet Sulmaiman Addonia treffend het bestaan van vluchtelingen neer. Hij geeft hun een gezicht dat allesbehalve kreukvrij, en daardoor zeer menselijk is. Hier past slechts stille bewondering.

     

  • Affaire tussen twee vrouwen spraakmakend vervolg op ‘De tandeloze tijd’

    Affaire tussen twee vrouwen spraakmakend vervolg op ‘De tandeloze tijd’

    De omvangrijke romancyclus De Tandeloze Tijd van A.F.Th. van der Heijden heeft een spraakmakend vervolg gekregen. Reeds een maand voor publicatie van Stemvorken slingerde het podcast- en schrijversduo van Damn Honey een Instagram-post de wereld in die er niet om loog. Wederom eigent een witte heteroman zich het verhaal toe van een groep waartoe hij niet behoort: dat van verliefde lesbiennes. Waren er geen vrouwelijke queers die deze vorm van liefde beter konden verdichten? Hier lijnrecht tegenover staat het cliché van de auteur als geniale ‘homo universalis’, die na wat denk- en speurwerk over alles zou mogen schrijven. Van dit adagium bedient Van der Heijden zich. In de proloog schrijft hij over de figurerende personages dat ze zich van hem hebben losgemaakt ‘om zich op papier te verzelfstandigen.’ 

    Autonome figuren dus, die geenszins gecorrumpeerd zijn door een witte, hetero, mannelijke blik: de male gaze. Aan ondergetekende recensent, met blinde vlekken, de dankbare taak Stemvorken te beoordelen. Het boek is monumentaal te noemen, alleen al vanwege de 888 pagina’s woordkunst waarop Van der Heijden zijn lezers trakteert. Waar het de verwoording van gevoelens betreft, kent het Nederlandse taalgebied geen gelijke aan de geboren Brabander. Toch is de geleverde kritiek terecht. Dit is geen verhaal van twee vrouwen die van elkaar houden: hoe overtuigend Zwanet Egberts ook vanuit de ik-vorm reflecteert op de affaire tussen haar en Corinne Suwijn, steeds voelt het alsof er een man aan het woord is. En wat voor een…

    Talige verleiding – de erotiek van zinnen

    In een roman die zo veel bladzijden bestrijkt, móét het meesterschap van Van der Heijden wel schitteren. Dat gebeurt ook. De plot heeft weliswaar letterlijk en figuurlijk weinig om het lijf – Zwanet en Corinne verliezen zich in een noodlottige romance, wat de directe omgeving nauwelijks kan verkroppen – het is niet de seksualiteit waarmee de schrijver ons bedwelmt. Waar normaliter de volwassen erotiek zinnenprikkelend wordt genoemd, zijn juist de passages buiten de seks om het verleidelijkst. ‘Zinnenprikkelend’ krijgt zodoende een nieuwe betekenis: spreuken betoveren de lezer. 

    Zwanet is ongelukkig in haar huwelijk met toneelschrijver Albert, een onuitstaanbare allesweter: ‘Hij kan geen kreupele vinden zonder over voeten te beginnen.’ In hun rijke buurt vlakbij de Zuidas maakt verveling plaats voor vervoering, waar echtelijke ruzies de sporadische hoogtepunten vormen: ‘een schervengericht van versplinterend vaatwerk.’ Na een ontmoeting met Alberts jeugdliefde Corinne en flink wat gin tonics in hun weelderig bloeiende tuin, volgt de eerste stiekeme zoen in de vestibule. Het zou niet de laatste zijn: ‘hou ik nog wel van hem? (…) Het vraagteken diende uitsluitend nog om de al te harde waarheid een reddingshaak toe te steken.’ De vrijpartijen worden steevast bezegeld met een nonchalant in de rechterhand vastgehouden, nasmeulende sigaret: ‘Rokers die kringels de lucht in blazen, beelden hun eigen strop uit.’ Hoe omineus dit ook klinkt, de liefde tussen de twee dames is inderdaad allesverzengend, dient niets anders dan zichzelf en verteert beide minnaressen van binnenuit: ‘Cupido’s boog bestond uit de schakels van een wervelkolom.’ 

    Even ziet het ernaar uit dat Van der Heijden via de vrouwenliefde genadeloos afrekent met het patriarchaat. Albert wordt uit de echtelijke sponde verdreven, mag de vrijages van zijn vrouw en haar Corinne slechts via het sleutelgat beloeren en hij wordt samen met Corinnes man Hans voortdurend belachelijk gemaakt. Over hun sukkelige orgasmes schampert Corinne: ‘‘De pols met de holle vuist nog even als jaknikker, en meneer mag zich weer voor even Giant wanen. Grote jongen… hij is braaf.’ Soms deed ze me denken aan die knettergekke tante van Albert, Tientje Poets, die ook zo kon doordraven, veel erger nog, als het over de mannen in haar leven ging.’ Maar het register van Tientje Poets, alias De Helleveeg, weigert Van der Heijden open te trekken. 

    Twee vrouwen die zoenen is geil

    De titel Stemvorken verwijst in eerste instantie naar de twee stemvorken die Corinne in haar Louis Vuitton-tas bewaart voor haar gitaar. Al snel wordt echter duidelijk dat de naam een knipoog is naar de seksuele positie waarin lesbische vrouwen het liefst vrijen, als we het boek mogen geloven: scharend, als twee kruislings verklonken objecten. Omdat de titel ontegenzeggelijk de nadruk legt op intimiteit tussen twee vrouwen, verdienen de sekspassages een grondige analyse. 

    Albert loert door het sleutelgat naar de bezigheden van de tortelduifjes en dan zegt Corinne: ‘De male gaze. Als een man, zoals ze zeggen, zijn blik is… en dat geldt zeker voor een voyeur als Albert… dan kunnen we hem er in zijn geheel in gevangenzetten.’ Hier lijkt Van der Heijden zich bewust te zijn van het gladde ijs waarop hij zich begeeft, maar begaat een schwalbe: door het seksistische fenomeen te benoemen, is het nog niet omzeild. Even later merkt Corinne namelijk op: ‘Mannen, heb ik altijd geleerd, zijn van nature voyeurs. De exhibitionisten, dat zijn wij… de sletten die hun benen openen en met een glibberige spleet hele reeksen mannelijke oogballen opslorpen, alsof het oesters zijn.’ Met andere woorden, het is logisch dat mannen naar vrouwen blikken, want vrouwen hebben zoveel prachtigs dat ze laten zien. 

    De opmerking in de proloog dat de personages zich verzelfstandigd zouden hebben van Van der Heijden, verloochent de auteur in talloze fragmenten. Hij overschreeuwt bij vlagen zijn opgevoerde verteller: niet Zwanet, maar Van der Heijden spreekt. Als Zwanet en Corinne elkaar in het Amsterdamse Bos willen kussen, bemerken ze dat ze een droge mond hebben. Alleen speeksel opwekken helpt: ‘Vrouwen weten verdomd goed waar het spog te halen is wanneer ze het nodig hebben.’ Wanneer Corinne nostalgisch mijmert over haar dochter Rita, die ze vanwege een modellencarrière amper heeft opgevoed, brengt ze uit: ‘‘Je kunt bij haar precies zien wat voor heerlijk harde tietjes ze straks krijgt.’’ Op zeker moment wil Corinne geen orale seks van Zwanet, waarna Zwanet haar weigering negeert en over Corinnes geslacht zegt: ‘De achilleshiel van de vrouw, waarin haar hele weerloosheid zich blootgaf, ten gunste van de wonderschone aanblik.’ Corinne laat zich overrompelen en geeft de #Metoo-beweging nog even een ironische sneer, ‘Boor maar wat dieper… verkracht me met die vinger…dan doe ik straks wel aangifte op het bureau.’ 

    Besluit

    Zowel inhoudelijk, als stilistisch sijpelt de ware vertelinstantie door in Stemvorken. Zwanet, geboren en getogen Amsterdamse, blikt als volgt terug op de zoveelste extatische intimiteit: ‘Zonder erg, misschien als postcoïtale tic, stond ik met het luciferdoosje te rammelen.’ Een echte Amsterdamse zegt hier natuurlijk ‘Zonder er erg in te hebben’. ‘Zonder erg’ is een typisch Brabantse zinsnede, die gebezigd wordt, om maar iets te zeggen, door een in Geldrop geboren Nederlandse auteur. Stemvorken overtuigt als onderdeel van De Tandeloze Tijd, maar doorstaat het ook, zoals de erotische poëzie van Sappho uit Lesbos, de tand des tijds?

     

     

  • Die veel begeert, veel ontbeert

    Die veel begeert, veel ontbeert

    In zijn columnbundel De beste beesten brengt Midas Dekkers de mens onder in het dierenrijk. Hij schrijft over onze soort: ‘Snot, oorsmeer, uitwerpselen: elke uiting van uw centrale ik wordt stelselmatig door uw buitenwacht afgewezen. Kennelijk wilt u uzelf liever niet kennen. Stomme zak.’ De eigen dierlijkheid is de mens te weerzinwekkend om onder ogen te zien. Schamen wij ons ten diepste voor wie wij zijn? Eén landdier ontbreekt echter in de columns van Dekkers. Blijkbaar wilde hij zijn vingers niet branden aan het aaibare roofdier dat dankzij Beertje Paddington, Winnie de Poeh, Baloe en president Teddy van al zijn bloeddorstigheid beroofd is.

    Gelukkig heeft uitgeverij Koppernik het adembenemende boek Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel opnieuw gepubliceerd. Dit verhaal zindert van vrouwelijke seksualiteit en maatschappijkritiek, waar Engel tegelijk waarschuwt voor zelfgenoegzaamheid. Bibliothecaresse Lou wordt hopeloos verliefd op een beer die op het landgoed van een voormalige kolonist verblijft. In de veronderstelling verkerend dat ze de werkelijke beschaafdheid vindt in de onbedorven natuur, begaat Lou een doodzonde. 

    Masturberen

    Beer steekt alle erotische parels uit de literaire canon naar de kroon. Zo zuinig Engel met geslachtsdelen en seksuele handelingen strooit, zo doeltreffend creëert ze een sensuele ambiance met de échte aanjagers van seksueel verlangen: schaamte, geur en fantasie. Niet het expliciete, maar het impliciete prikkelt de zinnen. Lou reist af naar het desolate Noord-Ontario, waar ze een archief moet aanleggen voor een privébibliotheek van de overleden Colonel Cary. Bij binnenkomst van het koloniale, vervallen pand vechten walging en wellust om voorrang: ‘De geur van kachelolie. De geur van muizen. De geur van stof (…) Nog een geur, muskusachtig, ondefinieerbaar maar aangenaam.’ Ze ruikt de beer, die ze nog niet ontmoet heeft. Lucy Leroy, de native american die het beest verzorgde voor Cary, zegt dat Lou samen met de beer moet poepen, opdat ze elkaar leren kennen. ‘Beer leeft bij geur. Hij vindt jou aardig.’ Dit ritueel, dat Lou in haar zoektocht naar puurheid blindelings voltrekt, mist zijn uitwerking niet: ‘een muskuslucht zo scherp als de hoge zoete klank van een herdersfluit.’ Hoewel het archiveren van de bibliotheek voortvarend begint, raakt Lou verslingerd aan het wilde dier, dat in een hok achter het huis bivakkeert. 

    Seks met mannen is voor Lou een noodzakelijk kwaad: ‘Er was geen sprake van genegenheid. Het was iets geworden wat ze zichzelf aandeed.’ De directeur van het historisch instituut waar ze werkt, neemt haar in de lunchpauzes. De beheerder van Cary’s huis, Homer, verleidt haar met whisky en bedriegt zijn echtgenote. In de geborgenheid van Beers warme vacht ontdooit Lou, bevredigt zichzelf, maar heeft geen gemeenschap met het beest: ‘Hij likte tot haar tepels hard waren en schuierde haar navel. (…) Toen ze kwam, huilde ze zacht. En de beer likte haar tranen af.’ De ochtend erna overdenkt ze haar zonde: ‘Ze kneep in haar geweten om te achterhalen of ze zich een slecht mens voelde. Ze voelde zich geliefd.’ En ze houdt van hem. Het bestiale wordt het beste wat ze ooit gehad heeft, want ‘wat haar tegenstond in mannen was niet zozeer hun erotiek als wel de aanname dat die bij vrouwen ontbrak’. Volkomen blind voor het feit dat ze de beer voor haar eigen genot misbruikt, denkt ze haar onbedorvenheid te herwinnen. 

    Nobele wilde of de wil tot nobelheid

    Naarmate Lou langer met Beer optrekt – vrij snel geeft ze hem nota bene een naam – ontwaart ze menselijke trekjes in diens gedrag: na een plons in het naburige meer grijnst hij naar haar; hij schuifelt ongemakkelijk heen en weer in zijn onderkomen; moe en droevig wacht Beer tot Lou naar hem kijkt. Met deze antropomorfismen vervaagt Lou de grens tussen het menselijke en dierlijke. Zij ontkracht de overtuiging dat het menselijke, beschaafde enerzijds, en dierlijke, onbeschaafde anderzijds een tegenstelling vormen. Met andere woorden: ze waagt zich aan een gedachte-experiment om haar recent opgebloeide verlangen goed te praten. ‘Ze wilde weten wie en wat die Cary was. De beer. Er was een verband, een ondefinieerbare intimiteit tussen hen, een schakel tussen verlangen en begeerte en wat bereikbaar was. (…) Wat kreeg Cary terug voor het opofferen van de beschaving?’ Met dit achterhaalde motief van de nobele wilde, de noble savage, bekritiseert de hoofdpersoon de westerse beschaving om haar eigen geweten te zuiveren. 

    Volgens de idee van de nobele wilde is de primitieveling een betere, liefdevollere mens dan de geciviliseerde. Via de boeken uit Cary’s bibliotheek krijgen de Romantiek en de Verlichting, de grondleggers van dit motief, het nakijken. Romantici Keats en Lord Byron veroordeelt Lou, omdat de twee mannen over lijken gingen in hun pathetische streven naar ongereptheid: ze wilden, kortom, te graag nobele wilden zijn. Verlichte denkers Darwin en Linnaeus neemt ze juist kwalijk dat de wetenschappers het mysterie van de natuur verbraken in hun drang om alles te categoriseren: deze heren wilden in haar ogen te veel ‘beschaven’. Toch zweeft Lou geenszins boven de partijen en ontpopt zij zich ironisch genoeg tot niet-nobele wilde. Ze heeft meermaals seks met beheerder Homer en voelt zich er niet schuldig over dat ze overspel faciliteert. Hij is immers maar een doodvermoeiende zuurpruim die haar met zijn heldendichten over Europeanen en wilde indianen verveelt. Naderhand duwt de man – die niet voor niets naar Homerus vernoemd is – haar van zich af; ze stinkt naar beer. ‘s Avonds krijgt Lou van Beer niet de troostrijke omhelzing waar zij zo vurig naar verlangt: ‘Die avond rook hij mens aan haar en wilde niet bij haar komen.’ Mensen zijn weliswaar een soort dieren, dat maakt dieren echter nog niet tot een soort mensen.

    Zelfgenoegzaamheid

    Waar Lou een patriarchale, westerse maatschappij de maat neemt, is zij zelf geen haar beter. De keerzijden van de hierboven aangestipte periodes  – Romantiek, Verlichting en zelfs de Klassieke Oudheid – zijn eveneens in haar verankerd: haar naïeve, sentimentele queeste naar puurheid ontaardt in bestialiteit en haar rationele werk in de archieven vervreemdt haar van haar identiteit. Haar fantasie dat ze een Aphrodite is, wier vrouwelijke seksualiteit geëerbiedigd dient te worden, is slechts een excuus om de beer voor haar eigen gerief te exploiteren: ‘… ze wist dat ze uit water voort was gekomen. Ze sabbelde op haar tenen en haar vingers, spelend dat ze geboren werd. De golven bleven aan de kust sabbelen.’ 

    Marian Engel rekt in Beer de grenzen op van het maatschappelijk aanvaardbare en geeft de beer het imago dat hij verdient. In volle glorie ontbrandt Beers wildheid, als Lou het ondenkbare wenst: ‘er liep één lange rode geronnen striem van haar schouder naar haar bil.’ Wat Lou precies wil, geef ik niet prijs. Eén ding is zeker: Marian Engel vermorzelt het ‘beschaafde’ met begaafde pen.

     

  • De dictatuur van de nuance

    De dictatuur van de nuance

    Een effectief middel om een boek in het collectieve geheugen te verankeren, is de onheilstijding. Een voorwaarde voor canonisering is dat de onwenselijke toekomst – of abstracter: het Kwaad – het Goede serieus bedreigt. Hierom zijn de dystopieën 1984, Brave New World en Wij, geschreven door respectievelijk George Orwell, Aldous Huxley en Jevgeni Zamjatin onomstreden meesterwerken. Zij schetsten een monoculturele, beklemmende maatschappij waaraan niet te ontkomen valt, tenzij je het als vrijdenker met de dood bekoopt. Bovendien bekruipt de lezer de angst dat de totalitaire staat weleens bewaarheid zou kunnen worden.

    Wouter Godijn stuurt met Karina of De ondergang van Nederland aan op een polderdystopie. Alle inhoudelijke ingrediënten zijn aanwezig om het publiek te boeien. In 2031 dreigt een onafwendbare klimaatcatastrofe en een extreem-rechtse radicalisering van de westerse wereld. Toch gaat dit boek meer over een liefdesgeschiedenis met Karina dan over de ondergang van Nederland, waarop Godijn aanvankelijk met veel bombarie anticipeert. Hij schrijft weliswaar luchtig en toegankelijk, speelt intelligent met het spanningsveld tussen fictie en werkelijkheid, maar biedt een zwak tegengif tegen verrechtsing en klimaatontkenning. 

    Heks en heilige

    De romantische (want: onvervulde) liefde van de ik-persoon voor Karina is een boek op zich waard. In de passages over zijn liefdesleven vermengt Godijn bittere ernst met speelse gelatenheid. Dat hij aan MS lijdt, betekent de doodsteek voor hun toch al teleurstellende huwelijk. ‘Haar blik was neutraal geworden. Een overleggen-over-de-boodschappen-achtige blik.’ Ze hebben geen seks meer, zoon Robbie zondert zich af en Karina begint een relatie met de sukkelige Willie, die op Alexander Pechtold lijkt. De hoofdpersoon plaatst Karina vanaf het begin op een voetstuk. ‘Er was iets in me aanwezig,  (…) wat de neiging had in een gedienstig, kelnerachtig type te veranderen. Of in een butler, een en al zelfopoffering.’ Vóór hun eerste kus op een zomerkamp randt ene Thomas Karina twee keer aan. De protagonist is blij met deze actie, want doordat Karina van zich afbijt, concludeert de ik-persoon dat Thomas haar tiep niet is. Hij is, kortom, van Thomas’ concurrentie verlost. 

    Wat we over Karina te weten komen, is dat zij een goeie kont heeft, uitdagend kijkt en voortanden mist. Kennelijk zijn haar ideeën niet interessant in zijn eerbetoon. ‘Ze betoogt iets, maar ik ben alweer een hele lap tekst kwijt.’ Om eventuele kritiek vanuit links-feministische hoek over de male gaze te pareren, schampert de verteller, ‘Maar het omgekeerde – dat vrouwen zich altijd weer verdringen rond Adonis – heeft nog nooit tot maatschappelijke verontwaardiging geleid. (…) Als je het zonder Brad Pitt-achtigheden moet stellen, sta je direct op achterstand.’ En die achterstand haalt de ik-persoon nooit in want Karina is sterker, daadkrachtiger dan hij. Ook na de bevalling, als volwassenheid nodig is, bepaalt zij de regie. Ze brengt meer geld in het laatje, spoort manlief aan hetzelfde te doen en laat haar gebit bijwerken. ‘Het enige uit haar oude leven waar ze nog niets aan had gedaan – was ik.’ Steeds constateert de hoofdpersoon ironisch dat hij niets is zonder zijn godin. Door innerlijke monologen als deze maakt ironie echter plaats voor werkelijke zelfverloochening: ‘ik wil je slaaf zijn, (…) ontmenst worden en veranderen in een zweetdruppel, fonkelend en doorzichtig als glas, die trilt in het kuiltje in je rug, tot hij terugzakt in je huid en joujoujou wordt.’ 

    Gulden middenweg of grauwe middenmoot

    Waar de ik-figuur de liefde van zijn leven verafgoodt, fileert hij andere vrouwen in dit boek. Behalve zijn moeder. Maar, zo stelt de hoofdpersoon baldadig vast, dat mag hij vinden. Niet voor niets trapt Godijn af met een motto over de vrijheid van meningsuiting, nota bene verwijzend naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Als voorvechter van het vrije woord zal hij even duidelijk maken waar het nou mís is gegaan in de mondiale politiek. Waarom vallen mensen massaal voor de verleiding van totalitaire staten ten koste van de democratie, zoals in de Verenigde Staten? Omdat de Democraten met een mateloos irritant wijf kwamen aanzetten dat alleen maar wilde deugen. ‘Het type feministe dat komkommers, courgettes en bananen uit de groenteafdeling wil verbannen. Dat vindt dat er een verbod moet komen, voor mannen, om staand te urineren – ‘‘omdat dit bij de man een vrouwvijandige fixatie op het eigen geslachtsdeel stimuleert’’. (…) Sharon Usher was zo’n vrouw die bij elke man, hoe positief hij ook tegenover vrouwenemancipatie staat, een vlaag misselijkheid opwekt zodra hij zich voorstelt dat hij seks met haar heeft.’ Vrij vertaald: natuurlijk zijn rechtse dictators hartstikke gevaarlijk, maar zijn die linkse, niet-neukbare, munttheedrinkende potten dan zo veel beter?

    Nu de ideeënarmoede in de politiek hoogtij viert, mede dankzij een Nederlandse premier die de woorden ‘vies’ en ‘visie’ niet uit elkaar kan houden, mag er meer verwacht worden van intelligentsia. Wouter Godijns bijdrage aan het maatschappelijke debat is schraal. Hij provoceert meer dan dat hij promoveert: sterke vrouwen zijn leeghoofdige talkshowpresentatrices, hysterische soapsterretjes én meedogenloos; lesbiennes hebben dikke benen en forse prammen; Chinezen worden ‘spleetoog’ genoemd; vrouwen hebben geen benul van hun betoverende kracht op het mannelijke geslacht; minderheden moeten gewoon kappen met hun malle tradities en stoppen een verongelijkt kind te zijn. Karina of De ondergang van Nederland had een revolutionair boek kunnen worden dat serieus de fundamenten van nieuwrechts doet wankelen. Nu is het voornamelijk een spreekbuis van het ‘redelijk’ midden. Het redelijk midden, dat geweld richting Kick Out Zwarte Piet weliswaar afkeurt, maar de activisten oproept even gezellig te blijven doen. Dat milieu belangrijk vindt, maar wel wil kunnen blijven barbecueën zonder moeilijk gezeik. Dat zich van neonazi’s distantieert, maar ook niets opheeft met de politiekcorrecte LHBTIQ+-ers en Black Lives Matter. Het redelijk midden vraagt niet om een verandering van de status quo, maar om voortgang van een ten diepste verrotte samenleving.

    Dystopie blijkt preek

    De belofte van een prikkelende ideeënroman met dystopisch karakter lost Karina of De ondergang van Nederland niet in. De urgentie neemt zienderogen af, zeker als het stijgende zeewater ook wel mee blijkt te vallen. Gelukkig barst het boek van stilistische hoogstandjes. Zo heeft de eerder genoemde Willie de handdruk van een ijsbeertje, zegt de ik-persoon dat de woorden in mannelijke taal ‘stuk voor stuk een leren jackje aankrijgen’ en schudt hij de lezer herhaaldelijk wakker met apostrofes: ‘Hallo, lieve lezer, ben je daar nog?’ Jazeker, de lezer is er nog, want die wacht met smart op de ware opvatting van de schrijver, zónder de makkelijke buutvrij van ‘ironisch grapje’. Vanuit het Redelijke Midden neemt Godijn iedereen even veel de maat, gelijk een dominee die compromisloze nuance predikt en zo de waarheid de nek omdraait. Daardoor wordt dit verhaal net zo asgrauw als de wolken die zich samenpakken boven Nederland.