• Zonder fantasie geen reële toekomst

    Zonder fantasie geen reële toekomst

    Omdat de geschiedenis van lang niet elke bevolkingsgroep gedegen wordt opgetekend, moeten sommigen het doen met schraal anekdotisch materiaal. Met haar essaybundel Zwart en vrouw bewijst Tsitsi Dangarembga (Zimbabwe, 1959) dat dit in het bijzonder geldt voor zwarte, Afrikaanse vrouwen. De persoonlijke verhalen waaruit blijkt dat zij vanaf de Britse kolonisatie tot op heden onderdrukt worden, zijn zo talrijk dat ze de anekdotiek verheffen tot pijnlijke waarheid: ‘We bouwen onze theorie op, op basis van onze eigen ervaring.’ De schrijfster heeft een mentale dekolonisatie voor ogen, waarin het symbool ‘zwarte vrouw’ wordt verheven, vermenselijkt en geheiligd. Dit zal de mens redden, claimt zij zelfs. Haar dekolonisatie is niet geografisch, economisch of staatkundig, want dat heeft het Westen al ‘voltooid’. Dat is haar bij lange na niet genoeg. Hoe Dangarembga’s mentale dekolonisatie dan precies de mensheid van de ondergang moet redden, legt ze sterk en eenvoudig uit. De voormalige onderdrukten bezitten namelijk cruciale kennis over de natuur en verantwoord samenleven, waarvan het mensdom kan profiteren.

    Het valt echter te betreuren hoe warrig haar essays langs legio andere thema’s en ‘ismes’ schuren. Hooguit wekken ze een sfeer van progressiviteit op zonder echt iets nieuws te vertellen of boude beweringen uit te werken. Wanneer je het gevoel hebt een handvol vurige speeches van Dangarembga te lezen die geforceerd in één boek zijn geperst, stuit je op haar nawoord: ‘Ik had nog nooit non-fictie geschreven dat bestemd was voor publicatie. Mijn pogingen daartoe beperkten zich tot lezingen en toespraken.’ Het probleem zit hem dus niet zozeer in de inhoud of de toon, als wel in de gebrekkige samenhang en de onvolledige terzijdes die alleen loyale, slecht ingelezen geestverwanten kritiekloos zullen slikken. Dat de Nederlandse vertaling nogal wat te letterlijke omzettingen uit het Engels bevat (‘prioritering’, ‘supervrouw’, ‘beslissing maken’, ‘imperiale enculturatie’), maakt het er niet beter op. Desondanks is dit boek onmisbaar voor wie zich wil verdiepen in de hedendaagse invloed van kolonialisme. Los van wat minpunten maakt dat Zwart en vrouw tot een belangrijk werk.

    Driedubbel benadeeld

    De boektitel sorteert voor op een ‘intersectionele’ benadering van marginalisering. Dat wil zeggen: allerlei identiteitskenmerken determineren de (positieve of negatieve) loop van ons leven, waaronder geaardheid, geslacht, etniciteit en leeftijd. De zogeheten Zevenvinkjesman van Joris Luyendijk merkt hier het minst van, omdat hij geldt als de westerse standaard. En wie de standaard belichaamt, staat automatisch als een soort Jupiter hoofdschuddend het ‘zeurderige’ gesteggel over identiteit af te keuren. Op zijn best begrijpt hij het gewoon niet, want iedereen krijgt gelijke kansen in een eerlijke, neutrale meritocratie, nietwaar? Toch heeft Dangarembga volkomen gelijk. Zwart en vrouw laat zien hoe de Britten in de 19e eeuw de basis legden voor een koloniaal systeem dat nog altijd doorettert, lang na Mugabes dood. Haar geschiedkundige passages leiden naar de hoopvolle, verleidelijke conclusie dat dekolonisatie dé verlossing voor de mensheid zou kunnen zijn. Maar, zo klinkt het weerwoord, dekolonisatie is toch allang afgerond? Van die utopie laat Dangarembga geen spaan heel.

    Akkoord, heel Europa gaf zijn gewesten zelfbestuur, maar de achterstelling en ontmenselijking duren voort: ‘In het buitensluiten van mensen met melanine riep de wereld ‘‘je mag niet zijn zoals ik, je bent een niet-ik!’’ tegen zwarte mensen. (…) Zo identificeren de mensen met melanine in de wereld van witte mensen zich als een ‘niet-ik.’ Oftewel: de eeuwenlange Europese suprematie heeft bij voormalig gekoloniseerden zelfontkenning veroorzaakt, terwijl het Westen veronderstelt dat de zaak met lauwe excuses wel afgedaan is. Dekolonisatie betekent in Zwart en vrouw: meer beelden, verhalen en artefacten openbaren van hen die nooit gehoord werden, opdat hun negatieve zelfbeeld omslaat. Wat Dangarembga betreft, staat één elitegroep in de frontlinie: ‘Een feministe die zwart en vrouw is in Zimbabwe, leeft in het epicentrum van structureel racisme en een brutaal gemilitariseerd patriarchaat.’ Zwarte aanhangsters van het feminisme strijden op meerdere fronten tegelijk, als underdog bovendien.

    Witheet over witheid

    In feite doet Dangarembga’s oproep tot emancipatie denken aan de Verlichtingsidealen. Ook de rebellie die daaraan voorafging, was aanvankelijk een product van de fantasie: ‘Dekolonisatie als revolutionaire verbeelding’. Nu moeten de voordelen niet alleen lonken voor de witte man, die de schrijfster de ‘favoriete schurk van deze tijd’ noemt. Via persoonlijke verhalen licht ze die eretitel toe. Tijdens haar jeugd in Engeland, nabij Sussex, noemt een witte man haar ‘zwartje’, à la Martin Simek. Haar roman This Mournable Body oogst internationale erkenning, maar: ‘De twee slechtste recensies die ik kreeg waren van witte mannen die schreven voor The Times en The Daily Telegraph.’ Echt interessant zou zijn om uit te leggen waarom hun kritiek kwalijk is, in plaats van een etniciteit te noemen. Daarnaast blijft onduidelijk waarom hun identiteit belangrijker is dan hun mening. Dangarembga’s definitieve doorbraak in de letteren blijft lang uit, hetgeen ze wijt aan het witte, Engelse systeem. Tegelijk veracht ze andere Zimbabwaanse schrijfsters die wel in Engeland floreren. Die zullen hun lof wel afdwingen door hun literatuur te ‘Engels’ te maken, aldus Dangarembga.

    Toch kan het volgens de auteur niet aan haarzelf liggen. Het moet het systeem van witheid zijn. Dit is immers geworteld in de Verlichting, aanstichter van alle kwaad. Talloze academici gingen haar voor om ‘Whiteness’ te onderzoeken en bekritiseren, gegrond en integer. Dangarembga had ook in deze ambitie kunnen slagen, vergaloppeerde zij zich niet aan een misvatting: ‘Witte suprematie en racisme waren een uitvinding van de Verlichting.’ De wenkbrauwen van de lezer reiken tot het plafond als Dangarembga schrijft: ‘de logica van de Verlichting [was] racisme, slavernij, genocide en kolonisatie’. Alsof voor de Verlichting en buiten Europa geen racisme bestond. Alsof de “ontdekkingsreizen” niet in de Middeleeuwen begonnen. Alsof de mensenrechten niet tijdens de Verlichting ontstonden, de basis nota bene voor het abolitionisme. Met deze versimpeling van een complexe kwestie schaart Dangarembga zich helaas niet onder autoriteiten als Gloria Wekker, Toni Morrison en James Baldwin. Eerder tapt zij uit hetzelfde vaatje als Sunny Bergman (‘Racisme is een probleem van witte mensen.’) en Rutger Bregman (‘John Locke investeerde in slaven, dus de Verlichting steunde de slavenhandel.’).

    Echt links: ubuntu

    Blijft Dangarembga niet hangen in frustraties, maar inspireren met de oude overtuigingen en kennis van de Zimbabwaanse cultuur, dan biedt Zwart en vrouw hoop. Het kapitalistische imperialisme heeft zijn waarde verloren, betoogt zij. Maar, zoals apologeten van de vrije markt vaak retorisch wanhopen: wat is het alternatief dan? Dangarembga introduceert een niet door de staat opgelegd socialisme, ubuntu: ‘De uitdrukking is een gangbare groet in Zimbabwe, met als betekenis: als we allemaal goed met elkaar kunnen opschieten en ieder van ons ervoor zorgt dat het goed met de ander gaat, dan gaat het goed met ons allemaal.’ Dus geen onzichtbare hand die met magische marktwerking alle problemen oplost (voor de kapitaalkrachtigsten). Eerder een zichtbare hand die pragmatisch aanreikt wat nodig is. Geen ‘Ik denk, dus ik ben’, maar ‘Ik ben, omdat wij zijn.’

    Laten wij dit als mensheid na, dan vreest Dangarembga de moeder der catastrofes: ‘Niet werken aan gelijkheid in gedachtegang houdt ons op het huidige pad. Er zijn tekenen dat dit pad ons, misschien sneller dan verwacht, naar een plek van pijn brengt die de pijn van de confrontatie met het koloniale ‘niet-ik’ zal overtreffen, een schrikbeeld dat ons allen boven het hoofd hangt.’ De natuur pleegde in het verleden al vele genocides… waarom zou de mensheid de dans ontspringen? Omdat ze hopelijk nét op tijd leert luisteren naar vrouwen als Tsitsi Dangarembga.

     

     

  • Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Sipko Melissens nieuwste roman, Arkadia, heeft als ondertitel ‘Een drieluik’. Het pastorale karakter van de boektitel alleen al doet denken aan het drieluik De tuin der lusten van Jheronimus Bosch, vanwege zijn paradijselijke betekenis. Waar Bosch’ meesterwerk de zondaars waarschuwt voor een martelgang in het eeuwige vuur van de hel, houdt Melissen het gezellig en nostalgisch met een knetterend openhaardje in de huiskamer. Vrijwel nergens wringt het in zijn Gelderse Hof van Eden.  

    Hoofdpersoon Ko Melissen behandelt in omgekeerde chronologie drie van zijn jeugdherinneringen. In deel één bezoekt hij als volwassen student het Friese Woudsend, waar zijn gereformeerde ouders vakantie vieren. Daar zal hij zijn meer dan goede vriend Bor aan hen voorstellen. Deel twee, verreweg het langste hoofdstuk, gaat over de zomervakantie op het Veluwse landgoed Calcaria. Ko is dertien jaar, ontdekt de omgeving en wordt verliefd op botterik Koen. In het derde deel verdrinkt de negenjarige Ko bijna, wanneer hij vlakbij een stuwdam de zee induikt. Omdat first lady Eleanor Roosevelt Ko’s dorp in Zeeland bezoekt, is er geen toezicht bij het water. Het loopt allemaal maar net goed af. Dit is nauwelijks een spoiler, simpelweg omdat het Melissen niet om spanning te doen is.  

    In grote delen van Arkadia herstelt Nederland van de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw gaat gepaard met behoudzucht, gehoorzaamheid, religiositeit en een drang naar eendracht. Het reactionaire Biedermeiersfeertje past hier perfect bij. Biedermeier staat bekend als het belegen  broertje van de Romantiek: er is liefde, maar geen allesverterende. De humor is lollig, zonder wrijving of melancholie. (Kerkelijke jongeren die catechisatie ‘kattenbak’ noemen.) De natuur schittert als creatie van God en haar gevaarlijkste wapenfeit is een regenbuitje. Gevoelens brengen de hoofdpersonen eventjes van hun stuk, waarna koekjes, een straaltje zon of geplukte cantharellen het evenwicht herstellen. Treffend portretteert Ko het calvinistische gezin waar hij deel van uitmaakt, dat precies uitbundig en vrolijk genoeg gaat slapen: ‘Het is een mooie dag geweest, daar is iedereen het over eens.’ Gelukkig maar.

    Idyllisch, maar niet té

    Toeval of niet, Arkadia is Melissens zevende boek. Daarmee lijkt het een rustpunt te markeren in zijn literaire Schepping. Anders gezegd: Arkadia strijkt elk conflict kreukloos glad, als braaf Biedermeier-product. Het is een boek voor de kostelijke, luie zondag. Er worden meer koekjes in gebakken dan in Heel Holland Bakt, net niet schurende grapjes gemaakt zoals vrome christenen plegen te doen en Ko’s seksuele ontbolstering blijft keurig binnen de lijntjes: ‘Bor wist dat angstwekkende heelal terug te brengen tot twee lichamen die in de plastische taal van het Oude Testament tot één vlees werden.’ Alles wat aanvankelijk vragen oproept, legt de schrijver uit. Zelfs de worsteling met het geloof komt tot een hoogtepunt via zoetigheid. Wel een mooie scène, overigens. Melissen schrijft met melasse. 

    Hij mikt op sfeer in Arkadia. De avond, sperziebonen, open velden, ze schemeren allemaal. De Friese meren ontvouwen zich voor Ko als een belofte op een mooie toekomst: ‘Overal waar hij kijkt is groen en blauw, groen van de weilanden, blauw van de lucht en het meer. Op het monotone geluid van de wind na is er stilte zo ver je kunt kijken.’ De Veluwse bospaden naar de hei vindt Ko ‘mooi en overweldigend, vooral als de zon door de bladeren gefilterd wordt, maar na een tijdje benauwen ze me.’ De treffendste sfeertekening komt uit de Zeeuwsche Courant, terugblikkend op het bezoek van Eleanor Roosevelt: ‘”En er was dat typische fijne Zeeuwse licht, dat zee en aarde daar samen produceren: grijs met blauw en donzig wit van wolken.’’ Zó zou ik het toen nooit gezegd kunnen hebben, maar zo heb ik het wel beleefd en gezien.’  

    Het is niet onuitgelegd gebleven 

    De zomerse loomheid doet de lezer geregeld wegdutten. Zelf nadenken hoeft hij niet, want iedere open plek wordt volledig ingevuld met alsof-vergelijkingen en met toelichtingen bij literaire verwijzingen. Wanneer Ko zijn geaardheid onthult, komt Gerard Reves Nader tot U maar liefst vijf keer voorbij. Zelfs het mysterie rondom de titel Arkadia verdampt jammerlijk. Tijdens Ko’s verblijf in de Veluwse villa Calcaria legt de vader van Koen, Ko’s vlam, de naam uit: ‘Calcaria omdat het woord lijkt op Arkadia. (…) Arkadia is een streek in Griekenland die door dichters en schilders wordt voorgesteld als land van onschuld en vrede. Nou jongens, jullie kunnen zelf zien hoe vredig het hier op Calcaria is, alsof we in het paradijs zijn.’ Over knipogen naar het paradijs gesproken: Koen steelt een tomaat uit de naburige moestuin, het enige gewas waar de kinderen absoluut vanaf moesten blijven!  

    Eén van Ko’s ontdekkingen in zijn relatie met Bor luidt dat ‘niet alles gezegd hoeft te worden om duidelijk te zijn’. Met dat besef is het ironisch hoe veel Melissen vertelt, in plaats van laat zien. Bovendien haalt hij grootheden aan als Nabokov, Homerus, Glück, Gorter, Shakespeare en Proust, waardoor de indruk ontstaat dat Arkadia groots en meeslepend zou moeten zijn. Natuurlijk is de Fransman een geschikte autoriteit om aan te refereren in dit nostalgische tripje naar een verloren tijd. Toch maken vooral klein geluk en subtiliteit Arkadia lief, gevoelig en relevant. Ko’s strenggelovige vader, bijvoorbeeld, vraagt na de coming out van zijn zoon onverwacht empathisch: ‘Ben je daardoor ooit ongelukkig geweest?’ Dan wil hij weten: ‘Heeft het je relatie met God verstoord?’ Bij het stellen van die vraag prikt hij zijn stukje appeltaart, in een perfecte driehoek uitgesneden, kapot. Prachtig. 

    Van Holocaust naar holle praat 

    Het kan haast niet anders of dit boek zal menigeen verwarmen. Als de hoogliteraire referenties buiten beschouwing worden gelaten, blijft een suikerzoet boek over. Melissen verwent en verdooft met lieflijke huiskamertaferelen en niet te veel gedoe. Eigenlijk voelt Arkadia als een fotoalbum vol vergeelde kiekjes, inclusief handgeschreven onderschriften. Nergens houdt een idylle beter stand dan in het onbetrouwbare geheugen. Het decor in Arkadia – Friesland, Gelderland en Zeeland – belichaamt voor velen het Nederland zoals het vroeger ‘echt was’. Men vergeet echter dat de jaren ’50 en ’60 vooral de nasleep van een nachtmerrie waren. Eén zin drukt eenvoudig de onttovering na de Holocaust uit: ‘Kale polders zijn niet geschikt voor sprookjes.’  

    In tegenstelling tot dat andere boek van Reve, De avonden, praat Ko’s familie vaak en openlijk over de Tweede Wereldoorlog. Zo vormt de razzia van Putten, vlakbij landgoed Calcaria gelegen, het dieptepunt in de Veluwse geschiedenis. Ruim zeshonderd jongemannen uit de streek werden afgevoerd richting Noord-Duitsland. Een dominee die bij de ouders van Ko op bezoek is, was bij de verzoeningsdienst in Ladelund, anno 1950. ‘Hij houdt de mensen in de kerk voor dat men niet moet blijven staan met verdriet en wraakgevoelens in het hart. (…) En hij wijst op het offer van Christus dat ons niet spreekt van wraak maar van liefde en trouw, voor ons en onze vijanden.’ Makkelijk praten, zou je zeggen. Het hele gezin raakt evenwel geëmotioneerd door deze christelijke genade. En zo zijn we terug bij het stichtelijke sentiment van Biedermeier, dat van de zwartste bladzijde van de vorige eeuw toch nog een bitterzoete ervaring maakt. Lekker, maar wel een beetje ongezond.   

     

     

  • Regio aan de rand van de afgrond

    Regio aan de rand van de afgrond

    Soms wordt een landelijk gebied zo mooi beschreven dat de term ‘streekroman’ een diskwalificatie betekent. Dit geldt zeker voor Je zult terugkeren naar Región, dat met zijn woeste, wilde toetsen eigenlijk een ‘penseelstreekroman’ zou moeten heten. Zelden gaf een boek het isolement van een verlaten regio beklemmender, krachtiger en verfijnder weer. Het origineel (Volverás a Región) is in 1968 geschreven door de Spaanse modernist Juan Benet. Vertaler M. Vanderzee schrijft achterin de Nederlandse uitgave een essay dat deze lastig leesbare roman verduidelijkt.

    Benet biedt een unieke leeservaring, omdat de onherbergzaamheid van het fictieve Región voortdurend samenvalt met zijn schrijfstijl. Bovendien maakt Benet van de mens – hoewel deze tot het mooiste én het lelijkste in staat is – een nietszeggend wezen dat vooral verslaafd lijkt aan beperkingen. Tot slot zorgen de verwijzingen naar Griekse tragedies ervoor dat de plot, lang onnavolgbaar, zich uiteindelijk als een ruïne ontvouwt. Wat doet de Spaanse Burgeroorlog met een gebied dat slechts wil stilstaan?

    Kom er maar eens doorheen

    Normaal gesproken zorgen tangconstructies voor ergernis. Maar wat als de schrijver het erom doet? In grote gedeelten van Je zult terugkeren naar Región spreekt een auctoriale verteller, die een naamloze reiziger door het ruige Región heen loodst. Met lange terzijdes over platentektoniek, de loop van allerlei rivieren en de invloed van de seizoenen en elementen op het landschap put hij de reiziger uit. Hierbij strooit hij zo kwistig met dubbele, zelfs driedubbele bijzinnen, gedachtestreepjes, tangconstructies en puntkomma’s, dat de lezer geen andere keus heeft dan de wanhoop te omarmen die de reiziger lamlegt: ‘Hij vindt niets en ziet zich uiteindelijk, teleurgesteld en bedrukt, genoodzaakt de nacht door te brengen op dezelfde rots waar hij een paar uur daarvoor en in een heel andere stemming had besloten even uit te rusten van zijn tocht die zo veelbelovend was begonnen.’

    De meanderende stijl en hak-op-de-tak-dwaalsporen van stapsgewijze beklimmingen naar mijlenverre panorama’s maken een labyrint van zowel Región, als van het boek zelf: ‘Het is godsonmogelijk dat het hem ooit lukken zal zich een weg te banen door die enorme, in het laaggebergte groeiende wirwar van boom- en struikhei en dwergeiken, die ravijnen vol cactussen en wilde frambozen, die kloven vol doornstruiken en brem, meidoorn en giftige slingerplanten, alles verstrengeld en ineengevlochten in een strenge, door een zeker genotvol sarcasme gekarakteriseerde orde (de ranke, gracieuze, breekbare bromelia die midden uit een kluwen van doorns en takken oprijst; de vrolijk fladderende, paarse vlinder in zijn dans door de hete middag boven een muur van hulst en kariatiden) die lijkt te suggereren dat ze slechts bestaat om houthakkers, kuddes, ploegscharen en wegen op een veilige afstand te houden.’ Benet trakteert ons op een loodzware tocht, intens als een Vuelta-etappe.

    Beperking, gelijkheid, broederschap

    Het natuurgeweld maakt dat de bevolking van Región vooral lusteloos voortleeft. Jazeker, Franco en zijn troepen rammelen aan de poort, maar het verzet ontbeert de echte vechtlust: ‘Región was republikeins uit onverschilligheid of inertie, revolutionair alleen omdat men er over de revolutie had horen praten en oorlogszuchtig, niet omdat men wraak wilde nemen op een onderdrukkende burgerlijke orde, maar uit woede en naïviteit, die beide voortkwamen uit een natuurlijke staat van ongeluk en verveling.’ Ook dokter Sebastián, orerend in paginalange citaten, waarschuwt voor deze lethargie. Voordat ze het weet, wordt de mensheid ingehaald door een onverschillige, nog hardere geschiedenis: ‘Het is waar dat we in achterlijke omstandigheden leefden (…) Wanneer men het zo vaak over de mens heeft dan is dat alleen maar omdat hij er eigenlijk niet toe doet: hij staat op het punt op de rommelzolder en in het museum te belanden. (…) De mens is een archeologisch object.’

    De nietigheid van de mens komt vaker terug. Zo weidt de verteller regelmatig uit over het prehistorische Carboon, Devoon en Paleozoïcum. In het licht daarvan lost de mens op als luchtdeeltjes in de ether. Dat hij in Je zult terugkeren naar Región machteloos staat tegenover zoiets als de burgeroorlog, is dan ook niet vreemd. Dokter Sebastián, achtergebleven in Región na de oorlog, zegt over de mens: ‘In mijn vaders tijd geloofde men dat het mogelijk was hem te bevrijden van uitbuiting door zijn medemens. En uiteindelijk is alles erop uitgedraaid dat niemand een ander nog uitbuit maar dat we allemaal worden uitgebuit, (…) door wat dan ook, (…) dus in plaats van uitbuiting af te schaffen heeft men haar in iets onaantastbaars en heiligs veranderd.’ Sebastiáns eindoordeel over de Región-inwoners liegt er niet om: ‘een laf, egoïstisch en laaghartig volk geeft altijd de voorkeur aan onderdrukking boven onzekerheid.’ De mens zwelgt in zijn machteloosheid en zoekt naar sturing. Daar zorgt het noodlot wel voor.

    Tragedie in Región

    Soms lijkt het boek een toneelstuk, een farce. Herhaaldelijk suggereert Juan Benet namelijk dat het geschrevene niet waar hoeft te zijn: ‘”Ik geloof dat men in die tijd”, moest de dokter eraan toegevoegd hebben, en als hij dat niet deed, dan had hij dat in ieder geval best kunnen doen, “ook de zomervakantie heeft uitgevonden.”‘ Benet geeft weinig prijs over de plot en regelmatig wisselt hij van vertelperspectief. Daardoor komt het verhaal van met name twee personen, María Timoner en dokter Sebastián, gefragmenteerd aan bod. Logisch: hun geschiedenis is door de oorlog aan flarden gescheurd. Waarom zou Benet chronologie, logica en rede toevoegen aan hun levens? Het beeld van verwoesting telt voor hem zwaarder dan het afgeronde geheel van een samenhangend relaas. Eén toneelgenre verbeeldt de ondergang van dokter Sebastián en María Timoner het beste: de tragedie.

    Meerdere verhaalelementen wijzen inderdaad die richting uit. Abstracte personen als de Tijd en de Dood worden met hoofdletters aangegeven, vele monologen onderbreken het verhaalverloop en meerdere hooggeplaatste personages wacht een noodlottig einde. Uiteraard bedrijft Benet ook dramatische ironie: hun neergang en mislukking kun je al van mijlenver zien aankomen. Tegelijk houdt de verteller met apostrofes zijn publiek bij de les: ‘Maar je hebt het goed mis, beste kerel! (…) Maar wat doe je nu weer, schlemiel?’ Steeds als je denkt dat je het verhaal doorhebt, dwingt Benet ons scherp te blijven, ons te wapenen tegen domheid. Región slaagt daar helaas niet in, ‘als onneembare vesting van achterlijkheid’, met dramatische gevolgen. Geen deus ex machina die dat kan voorkomen.

    Gij zult lezen

    Je zult terugkeren naar Región is enerzijds een magnetische vloek over Spanje, anderzijds een zoete belofte voor de literatuurliefhebber. Een magnetische vloek omdat Región de naburige inwoners verleidt met zijn rust en meesleurt in zijn defaitisme. Een zoete belofte omdat dit boek meerdere herlezingen behoeft, voordat zijn volle rijkdom zich openbaart.

     

     

  • Driewerf rosé!

    Driewerf rosé!

    Welk menselijk orgaan komt het vaakst voor in Nederlandse muziek- en filmtitels? Wie denkt aan het mierzoete Hart van mijn gevoel, Mannenharten, Hartenstraat en Vechtershart, weet dat slechts één antwoord klopt. Ook in boektitels komt het terug, bijvoorbeeld in Een hart van steen van Renate Dorrestein en De zwarte met het witte hart van Arthur Japin. Onlangs verscheen Flessenhart van Robert Schuit, alias Joubert Pignon. In deze korteverhalenroman probeert een naamloze ik-persoon de rosé eeuwig te laten staan, de liefde te vinden en zijn vader bij te staan in zijn stervensproces. Gerda Blees merkte ooit op met Schuit te willen trouwen, puur vanwege zijn goede verhalen. Steelt de schrijver met dit boek ook de harten van andere lezers?

    In Flessenhart blijkt Schuit de Herman Brusselmans van het korte verhaal. Hij zuipt zich een ongeluk, verprutst liefdesrelaties en maakt zijn eigen schrijverschap belachelijk door één bewuste stijlfout, het pleonasme, consequent toe te passen. Daarmee verklaart hij zijn schrijverschap bijna als overbodig. Tegelijk vormt zijn zelfkritiek helaas een slap excuus om iedereen de maat te nemen. Uiteraard lopen daarbij feit en fictie continu door elkaar heen. Hoe grappig, subtiel en welbespraakt hij de satire zo nu en dan ook opdist, het cliché van de meelijwekkende navelstaarder verrast onvoldoende. Het sterkst blijven zijn bondige, simpele grappen en oprechte hartenkreten. Tegen zijn nog ongeboren kind zegt hij: ‘Mijn zoon, mijn zoon, mijn zoon, vergeef me alles en neem pas wraak als ik niet meer weet wat ik allemaal deed, ik vergeef jou nu al alles.’

    Writer’s slok

    De titel van het eerste hoofdstuk luidt Klok klok. Dan weet iedereen hoe laat het is, behalve de hoofdpersoon, die half in een delirium verkeert. Rick Honings noemt Herman Brusselmans in zijn biografie de ‘Majoor van het Menselijk Leed’. Daarbij vergeleken is Robert Schuit eerder de ‘Soldaat van het Sombere Leven’. Met zijn drankzucht en depressieve aanleg is hij niet bepaald aantrekkelijk huwelijksmateriaal: ‘Ga ik liggen, dan lig ik meteen twee weken.’ Uit het hoofdstuk De vrouw die blijkt dat vierentwintig vrouwen hem reeds verlieten: ‘De vrouw die walgde van mijn lichaam. De vrouw die net zo lang tegen me zweeg totdat ik ging. De vrouw in wier gezicht ik een gymtas smeet.’ Met één dame, die hij naar schrijver Klaas Knooihuizen noemt, lijkt het eindelijk te lukken, ondanks zijn zelfhaat: ‘Ik begon te huilen, midden op straat, uit schaamte dat ik besta en ruimte inneem.’

    Samen bezoeken ze een Brussels museum, waarover Schuit droogjes en pleonastisch opmerkt: ‘We zien kunst van kunstenaars die kunst maken die over kunst gaat.’ Later zegt hij: ‘Een schrijver die over schrijven schrijft, het is ondenkbaar.’ Toch barst Flessenhart van dit soort metafictie. In Ach ja overziet hij de ijdelheid van zijn leven: ‘Er was liefde, er waren nederlagen, ik maakte wat dingen, maar deed vooral meestal niets.’ Omdat er in het boek amper iets interessants gebeurt, dreigt de bundel zelf overbodig te worden. Wie echter kijkt naar de talloze pleonasmen, ontdekt dat Schuit juist de overtolligheid viert: ‘eeuwigdurende lemniscaat’, ‘Als je poëzie leest in de trein komt niemand naast je zitten. Ik zit in de trein, lees een poëziebundel en niemand zit naast me’, ‘Naast me ligt een natte theedoek. Zelf ben ik ook nat. Met de theedoek kan ik me niet afdrogen. De theedoek is nat.’

    Ironiet zo origineel

    Er is iets opvallends aan de hand met schrijvers die zichzelf verachten. Wie continu slachtoffer is van smaad, mag blijkbaar onbeperkt uitdelen. Schuit doet dit veelal met ironische plaagstootjes. Met name succesvollere collega’s Anton Dautzenberg en Anne-Fleur van der Heiden moeten het ontgelden. Sowieso bestaat het hele literaire circuit volgens hem uit ijdeltuiten, zoals bij een poëzieavond: ‘Een dichter die nog vaker het woord ‘ik’ gebruikt dan ik zorgde ervoor dat hij op iedere foto te zien is.’ Ook over een vrouw die niet kan lachen om een racistische mop – zo flauw – heeft hij een mening. Wanneer Schuit dronken in Enkhuizen belandt, omdat hij pas bij de allerlaatste halte van de nachttrein uit zijn roes ontwaakt, treft hij een zwerver aan bij een speeltoestel: ‘Omdat ik niet racistisch wil overkomen zal ik zijn huidskleur niet vermelden.’ Uiteraard is dat allemaal “satirisch”. Toch?

    Het spel tussen feit en verzinsel in Flessenhart verwordt tot een uren durend potje Monopoly, waar eigenlijk maar één iemand plezier aan beleeft: Robert Schuit zelf. Om dit pijnlijke gegeven te omzeilen, ridiculiseert hij het trucje maar weer in een geforceerde dialoog met vriend Harold: ‘Maak je je het jezelf niet te lastig, Joubert, door fictie en werkelijkheid zo door elkaar te laten lopen? Ik: Robert. Ik: Ik heb mezelf wel een beetje in een hoek geschilderd. Ook nu weer, door dit gesprek in dialoogvorm weer te geven. Nu niet bepaald mijn sterkste punt. Harold: En het is allemaal wel erg zelfverwijzend geworden. Geen idee of je verhalen nog wel voor iemand anders dan jezelf leuk zijn. Of denk je daar nooit over na?’ Vermoedelijk heeft Schuit hier juist te veel over nagedacht. Waar hij dit vermoeiende spel loslaat, houden de eenvoud, warmte en humor Flessenhart leesbaar.

    Bottleneck

    Gelukkig bevat Flessenhart genoeg korte verhalen die de eenheid van één grap of één mooi gevoel eerbiedigen. Op het moment dat Schuit verneemt vader te worden, draait hij compleet door. Deze onheilspellende zinsherhaling, die doet denken aan The Shining (‘All work and no play makes Jack a dull boy’), vult een halve pagina: ‘Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren!’’

    Wanneer Robert een familiefoto erft van zijn recent overleden grootouders, zegt hij: ‘Nog even en dan zijn alle mensen op de foto dood en weet niemand dat we ooit bestonden. De foto zal op een rommelmarkt worden gekocht door iemand die op zoek is naar een ironisch cadeau, waarna we op een verjaardag zullen worden uitgelachen om onze kleding.’ Sterven was nog nooit zo luchtig… Ook het besef dat Schuit spoedig zijn vader zal verliezen aan kanker, wordt even simpel als schitterend beschreven: ‘En ik zal altijd van mijn vader houden, en hij van mij, en we hebben dit tegen elkaar gezegd. (…) Als een zoon tegen zijn vader ‘Ik houd van je’ kan zeggen en een vader tegen zijn zoon ‘Ik houd van je’ heeft kunnen zeggen, dan is dat perfect. Perfect.’

    Robert Schuit overtuigt het meest als hij zijn motto van Kasey Anderson in praktijk brengt: ‘…you might as well just say it.’ Zegt hij gewoon wat hij op zijn lever heeft, dan is het boek perfect. De grote ambities van Flessenhart rondom metafictie en satire vormen echter een moeilijk te negeren bottleneck.

     

     

  • Het gevaar van het ego

    Het gevaar van het ego

    Laat je leiden door wat anderen van je vinden, en je verliest jezelf. Dat leert de roman Loutering van Luuk Imhann. Hoofdpersoon is de Mexicaanse Paco Castelán, Guerrero voor intimi, die zijn vader zoekt. Deze ‘pendejo’ verliet Paco’s moeder, voordat hun zoon geboren werd. Koste wat kost wil Paco groots worden, opdat zijn vader hem opmerkt en erkent. Hij beproeft zijn geluk in de schilderkunst, de geneeskunde, de revolutie en het katholieke geloof. Telkens kruisen daarbij de grootheden van het Mexico van rond 1920 zijn pad: David Siqueiros, Frida Kahlo, Diego Rivera en zelfs Leon Trotski, die de Sovjet-Unie verlaten heeft. In de schaduw van zo veel mastodonten blijkt Paco een lichtgewicht: ‘… u bent volstrekt onbelangrijk, niño Guerrero.’

    De titel suggereert dat Loutering een coming-of-ageverhaal is, maar Paco ontwikkelt zich amper. Hij voegt zich louter naar andermans wensen en volhardt in volgzaamheid. Als zoon van een Mexicaanse vrouw en Europese kolonist is Paco een ‘mesties’. Enerzijds bevindt hij zich daarom aan de rand van de maatschappij, anderzijds streeft hij naar een hogere positie. Om deze te bereiken, luistert hij slechts naar wie hem geweldig vinden en zijn ego opkrikken. Zijn zelfzuchtige geldingsdrang sijpelt sporadisch door in Imhanns vertelstijl. De auteur mikt wat verwijzingen betreft op levensgrote namen, geheel in Paco’s geest. Het boek is vooral waardevol vanwege zijn aandacht voor machismo en radicalisering. Langzaam ziet Paco’s moeder, Eustaquia, haar zoon afglijden naar het moordlustige stalinisme. Hierover zegt ze hoofdschuddend: ‘Naïevelingen zijn de instrumenten van het kwaad.’

    Eigendunk en trots

    ‘Waarom wil je toch altijd dat iemand je vertelt hoe alles werkt, Paco?’ Dit vraagt kunstenaar en stalinist Siqueiros, die een radeloze Paco kalmeert na een zoveelste mislukte poging iets van zijn leven te maken. Jongeren mogen makkelijk te beïnvloeden zijn, Paco spant de kroon. Eén compliment van dokter Salinas over zijn medische kennis doet de jongen dromen over de Nobelprijs. Frida Kahlo prijst een vogelschetsje van Paco en hij fantaseert over exposities in het Louvre. Siqueiros onderwijst hem in de Russische Revolutie en de pupil waant zich een historische sleutelfiguur. Padre Jorge, priester in Coyoacán, bewondert Paco’s religiositeit en de discipel prevelt het Urbi et Orbi. Niet de liefde voor een vak stuwt Paco voort, maar de liefde voor loftuitingen. Zijn blinde ambitie, die aanvankelijk door zijn zoektocht naar een vaderfiguur te billijken valt, irriteert op den duur.

    Opvallend genoeg lijkt het onophoudelijke geweeklaag van Paco bedoeld om medelijden met hem op te wekken. Pujol, een met Siqueiros bevriende schilder, geeft Paco halverwege het boek eindelijk de verbale optater waarnaar hij solliciteert. Over Paco’s kitscherige muurschildering is hij vernietigend: ‘Je wilt geprezen worden. Je wilt horen dat je muurschildering goed is. (…) Je zult nooit een schilder worden.’ Afhankelijk van wie hem veren in de kont steekt, vlucht Paco van roeping naar roeping en breekt hij bezigheden voortijdig af. Zelfs boezemvriend Evelio en vriendin Luisa, die gek op hem zijn, verwaarloost hij. ‘Wat wil je dan bewijzen?’ vraagt Siqueiros hem. ‘Wat voor man ik ben!’ zegt Paco. Deze bewijsdrang van het mannelijk ego beïnvloedt naarmate het boek vordert, Imhanns schrijfstijl. Dit zit hem met name in de ontelbare, ellenlange clichés over Mexico en de wat pompeuze metaforen.

    Niet te missen schatplichtigheid

    ‘De portier is een invalide.’ ‘Ogenblik!’ ‘Mijn vrouw is dood en al begraven.’ Dit zijn beroemde openingszinnen van Nederlandse meesterwerken. Aan het begin van talloze hoofdstukken poogt Imhann Mexico legendarisch te introduceren: ‘In elke Mexicaan schuilt een katholieke kracht die zelfs de paus zou kunnen verblinden, zo overtuigd houden ze van hun Mexicaans-katholieke Maagd van Guadalupe en zo oprecht geloven ze in haar liefde en vermogen hen te redden.’ Zulke algemeenheden over Mexico, waarvan het boek er pakweg dertig bezit, zijn voor aforismen wel erg lang.

    De NRC noemde Imhanns debuut – Paradijs – een ‘poging om op de schouders van literaire reuzen te staan’. Door hoogdravende openingszinnen, overdadige beeldspraak en intertekstuele knipogen verdient Loutering eigenlijk dezelfde conclusie. De schatplichtigheid aan Grote Literatuur is niet te missen. Welke functies de intertekstuele verwijzingen hebben in het verhaal zélf, behalve dat ze vagelijk doen denken aan een belangwekkende literaire traditie, blijft een raadsel.

    Onder meer Het Groene Huis komt voorbij, een bordeel uit Mario Vargas Llosa’s gelijknamige boek; Paco’s gewelddadige opa Don Aureliano verwijst naar Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez; Trotski’s epiloog in Loutering appelleert aan Lev Tolstojs Oorlog en vrede. Tegelijk wordt de lezer continu murw gebeukt met een oneindige reeks homerische vergelijkingen. Zo is de stem van Padre Jorge ‘een stuk zachter en lager dan Paco had verwacht en contrasteerde met de stem van Paco, die zich door de klank ervan omhelsd voelde en hem deed denken aan hoe zijn moeder hem vroeger omhelsde, haar armen lang en mager als van de slingerapen in de jungle van Quintana Roo en warm als het water in de Golf van Mexico, waar de lamantijnen zwommen.’ Het verhaal bezwijkt regelmatig onder het gewicht van te gretig opgezochte bombast.

    ¡Viva la… matriarcada!

    Gelukkig maakt de maatschappelijke relevantie van Loutering een hoop goed. De echte krachttoer leveren Eustaquia en Luisa. Beiden hebben een hekel aan mannen en feitelijk zijn zij de grote Mexicanen aan wie Paco een voorbeeld zou moeten nemen. Eustaquia trekt geregeld tegen hem van leer over haar eigen vader: ‘Hij was gierig en vals zoals alleen patriarchen dat kunnen zijn, een diablo die zijn vrouw sloeg.’ Toch erft ze van don Aureliano een koloniaal pand, maar zij besluit ‘curandera te worden en het huis van een wrede macho te veranderen in een toevluchtsoord voor vrouwen.’ Bovendien heeft ze seks met wie ze maar wil. Als Paco haar betrapt met zijn grootste criticaster, Pujol, noemt hij haar een hoer. Na haar repliek druipt hij bedeesd af. ‘Ik had naar je vader moeten luisteren en je moeten laten aborteren,’ voegt Eustaquia hem toe.

    Luisa is datzelfde patriarchaat helemaal beu. Haar vader geeft slechts om zijn carrière, voor haar broer Evelio is zij mantelzorger en vriendje Paco vindt zijn weg naar succes belangrijker dan hun relatie. Naarmate mannen hun invloed op haar leven verliezen, voelt ze zich bevrijd: ‘(…) in die tijd om na te denken die veel vrouwen niet gegund is, merkte ik hoe moe ik was, van hem, van werk en van mijn vader. En van jou.’ Even lijkt de loutering zich dan toch te voltrekken bij Paco: ‘Niets had hij meer en niets was hij geworden.’ Als klein mens in de marge van de samenleving levert hij zich uit aan Siqueiros, die letterlijk over lijken gaat. Hoe hard Eustaquia haar zoon ook waarschuwt voor de stalinist, Paco zwicht voor de goedkeuring van de surrogaatvader: ‘”Ik aanvaard de opdracht!” (…) Siqueiros greep zijn schouders beet, trok hem naar zich toe. “Ik wist dat we op je konden rekenen.” Paco had moeite zijn tranen in te houden en voelde een warmte in zijn borstkas opwellen.’

    Loutering waarschuwt ons voor het gevaar van het ego. En al helemaal wanneer dat ego gestreeld wordt door de verkeerde handen.

     

  • De vloek van de snoek

    De vloek van de snoek

    Elina Ylijaako, geboren in Lapland, is vervloekt. Elke lente móét zij een snoek opvissen uit het moeras vlakbij haar ouderlijk huis. Doet zij dat niet voor 18 juni om 21:00 uur, dan sterft ze. Dit jaar is haar opdracht nog lastiger: Elina wordt namelijk achtervolgd door inspecteur Janatuinen, die haar verdenkt van een moord in Helsinki. Alsof dat nog niet genoeg is, saboteren allerlei mythische wezens Elina’s zoekactie naar de snoek. En wie heeft haar eigenlijk vervloekt? Je zou bijna denken: een queeste, een detective én magisch-realistische elementen, valt dat wel te verenigen in één boek? Juhani Karila flikt het in zijn debuut De jacht op het snoekje.

    Met Finse onderkoeldheid vertelt Karila zijn verhaal, wat een prettig tegenwicht biedt aan het magisch-realistische gehalte. Vooral de dialogen zonder franje zijn gortdroog. Met verrassende metaforen en rake observaties laat de schrijver zien dat de mens aan chronische zelfdestructie lijdt, zowel collectief als individueel. Hoezeer hij ons hiermee ook onttovert, Karila’s les over de liefde betovert des te meer: soms kan alleen pijn je wonden helen.

    ‘Huh?’

    Doorgaans zetten schrijvers van het fantastische genre in op spektakel, grootse gebaren en grootse zinsneden. Hoe anders is dat bij De jacht op het snoekje, waar de personages het schouderophalen tot kunst verheffen. Vanaf de eerste pagina’s zijn de Laplandse bewoners stug, kortaf, zakelijk. Karila doet geen enkele moeite de personages aimabel of grappig te maken, waardoor zij des te meer charmeren en levensecht lijken. Met de dialoogvorm excelleert journalist Karila, de lezer trakterend op gesprekken die maar niet willen vlotten. Ze doen aan als interviews met wereldvreemde types die wars van mediatraining zijn. Wanneer Elina bijvoorbeeld bij oude bekende Keijo een hengel wil kopen om de snoek te vangen, gaat het gesprek als volgt:

    ”Heb je van die gevlochten dingen?’
    ‘Hier verkopen we monofilament.’
    ‘Doe dat dan maar.’
    ‘Dikte?’
    ‘Doe maar die van nul komma vijftien millimeter.’
    Keijo liet de plug op zijn schoot zakken en keek Elina aan. ‘Waarvoor die?’
    ‘Voor ’n snoek.’
    ‘Ben je niet goed bij je hoofd?’
    (…) ‘Da’s toch een prima lijn.’
    ‘Toen ik klein was, hadden we geen lijn.’
    ‘Jaha.’
    ‘En geen hengels.’
    ‘Jahaaa!’’

    Later maakt ook Janatuinen kennis met Keijo, als zij Elina op het spoor is. De winkelier verzwijgt zijn eerdere ontmoeting met de hoofdverdachte van de politiebeambte, maar:

    ‘‘Ik heb politie nodig. Kan jij helpen?’
    ‘Vertelt u me waar het om gaat.’
    ‘Iemand is m’n huis binnengedrongen.’
    ‘Wanneer?’
    ‘Nu. Of nou ja, hij kwam gisteren. En nu is hij daar.’
    ‘Wie?’
    ‘Hij.’
    ‘Hij?’
    ‘Ik weet zijn naam niet. (…) Gaat juffrouw de agent me helpen?’’

    In zijn woning treft ‘juffrouw de agent’ een van de vele magische wezens aan, wiens bestaan de dorpelingen gelaten accepteren. In dit geval gaat het om een dreumel, die doodleuk op de achterbank van Janatuinens auto plaatsneemt om haar te beschermen. Deze ‘monsters’ zijn de Laplanders in elk geval vertrouwder dan onbekende bezoekers van vlees en bloed.

    Automutilatie van de mensheid

    Al snel wordt duidelijk dat de Laplanders niet alleen in contact staan met magische levensvormen. Ook de natuur kent voor hen geen geheimen. Zij koesteren een diep wantrouwen richting stedelingen uit het zuiden, omdat die de geliefde natuur als object behandelen en haar in rap tempo verwoesten. Volgens hen vormt Elina hierop geen uitzondering.

    Hoe dieper Elina doordringt in het Stakenven, domein van de snoek, hoe meer de omgeving haar bevreemdt: ‘Bij iedere voet die ze optilde klonk een scherp gesmak, alsof haar benen zoete lolly’s waren waar het moeras met tegenzin afstand van deed.’ Karila strooit met beeldspraak die nu eens het natuurlijke objectiveert, dan weer het object tot leven wekt. Die objectivering breekt ons op den duur op, waarschuwt Elina’s favoriete lector in de biologie: ‘De mens [doet] iedere dag onvermoeibaar zijn best de levensgemeenschap te vernietigen. (…) laat dieren net zo makkelijk uitsterven als dat hij een bezoekje aan de winkel brengt.’

    In liefdesrelaties vindt diezelfde objectivering plaats. Elina is in haar tienerjaren hopeloos verliefd op Jousia en heeft een knipperlichtrelatie met hem. Om in haar studietijd van hem af te kicken – het is op pijnlijke wijze uitgegaan – zoekt zij naar rebounds, van wie zij ten diepste niet houdt. Over het gezicht van haar tijdelijke vriendje Tuomas schrijft Karila: ‘Dat was als een venster van helder glas (…) tegelijk zag ze haar eigen weerspiegeling.’ En die weerspiegeling slaat om naar een negatief zelfbeeld. Tijdens de jacht op de snoek zinspeelt de schrijver dan ook op Elina’s neiging tot zelfdestructie: ‘Het Achterven werd omzoomd door dichte wilgenstruiken, die witte en rode sneeën maakten in haar blote armen. Dat voelde goed.’

    Professionele hulp

    Voordat ze de snoek kan bemachtigen, moet Elina een nix verslaan. Dit is een androgyne, pesterige waternimf die met één blik kan doden. Het wezen verspert haar de doorgang tot het ven. Aangezien haar overleden moeder een vaardige heks was, brengt de nix Elina niet van haar stuk. Ze roept de hulp in van magiërs, gigant Moker-Olli en lieve peetoom Oehoe, die haar overleden ouders goed gekend heeft. Maar zelfs zij kunnen niet ontdekken wie schuldig is aan de vervloeking van Elina. De onthulling komt, hoe kan het ook anders, van een echte factchecker.

    Nadat eindelijk het mysterie achter Elina’s lijdensweg ontrafeld is, weidt Janatuinen uit over haar ervaringen bij de politie: ‘Ik kom in mijn werk vaak mensen tegen die zichzelf pijn willen doen. Daar is niets vreemds aan. Wat wel vreemd is, is het soort mensen dat dat wil. Mensen die niets ernstigs op hun geweten hebben, willen van de vijfde verdieping springen. Mensen die op grond van hun daden alle reden zouden hebben onder een vrachtwagen te lopen, doen dat gegarandeerd niet.’ Aan welke profielschets voldoet Elina en wat heeft dat met de vloek te maken? Het antwoord ligt in de verbroken relatie met haar jeugdliefde Jousia.

    Vangst van de dag

    Deze magisch-realistische queeste met het verloop van een detective hoeft niet te hengelen naar complimenten. Ze komen de roman toe. De jacht op het snoekje vermaakt met opvallend nuchtere personages, een zintuiglijk decor en een meeslepende plot. De spanning over de moord én de vloek blijft tot het einde toe overeind. Ten slotte leidt de queeste tot een ontdekking over de liefde die het publiek tot lering en vermaak strekt. En dat uitgerekend dankzij degene die het minst in magie gelooft. De werkelijkheid is mooi genoeg.

     

     

  • Marquis d’Assad

    Marquis d’Assad

    Een gevangenisbewaker vertrapt een veldmuis tot roze drab, waarna een willekeurige gedetineerde het kadaver moet doorslikken. Weigert deze, dan krijgt hij elektroshocks en duizend zweepslagen. Zo wordt het verzet van een onschuldig mens gebroken. Mustafa Khalifa, schrijver van de autobiografische roman De schelp, brengt de lezer aan het kokhalzen met de waarheid. De wreedheid van het Syrische gevangenispersoneel is zo grenzeloos, dat taal eigenlijk tekortschiet om haar te benaderen. Uit de ondertitel – Memoires van een gevangene – blijkt dat Khalifa niettemin de ware aard van de Syrische dictatuur probeert te tonen. Van 1982 tot 1994 heeft hij zonder eerlijk proces vastgezeten in o.a. het beruchtste huis van bewaring: de Woestijngevangenis.

    De verteller, net als Khalifa filmmaker, gebruikt zijn beroep om de gruwelen te doorstaan: ‘Mijn professionele en artistieke intuïtie had zich verstopt in een verre hoek en keek toe, zonder zich ergens mee te bemoeien. Die (…) bleef altijd alert en neutraal, observerend en registrerend, hoe groot mijn psychische en lichamelijke nood ook was.’

    Dit even geweldige als onverteerbare debuut is de vrucht van diezelfde artistieke intuïtie. Fijnzinnig en accuraat beschrijft Khalifa wat de inperking van meningsvrijheid wérkelijk betekent. Het personage Nasiem, de vertellers boezemvriend in de gevangenis, verleent De schelp zelfs kenmerken van een 21ste-eeuws passieverhaal. Het is een eerbetoon aan wie geleden hébben en nog altijd lijden. Niet onder Pontius Pilatus, maar onder Bashar al-Assad. Zo anoniem als de verteller blijft – nérgens valt expliciet zijn naam – zo kleurrijk karakteriseert hij zijn medegevangenen. Hun levens zijn niet weggevaagd, zoals de tiran wilde, maar vereeuwigd.

    Gekneveld, gegeseld en begraven

    Lang blijft onduidelijk waarom de verteller bij het vliegveld van Damascus wordt opgepakt. Hij is geen terrorist en geen Moslimbroeder (gezworen vijand van de president). De lange arm van Assad, die evenmin bij naam wordt genoemd, reikt echter tot in Parijs, woonplaats van de ik-figuur. Drie jaar voor zijn hechtenis maakt hij een grapje op een studentenfeest. Hij vergelijkt de president met een bok en een muilezel. Voor de informant is dit voldoende om de filmmaker aan te geven, zodat hij bij thuiskomst ingerekend wordt. Twaalf jaar later vraagt een politiecommissaris om opheldering over deze ‘misdaad’. De verteller, inmiddels door de wol geverfd, bewaart zijn kalmte en snoert de commissaris de mond:
    ‘”U weet dat er honderden van dat soort grappen bestaan.”
    – “Dat kan wel wezen, maar op dergelijke grapjes staat een straf van één tot drie jaar.”
    “… ik heb al twaalf jaar in de gevangenis gezeten.”‘

    Herman Finkers zei eens: ‘Als politici en geloof niet tegen een grapje kunnen, open je niet de poorten naar de hemel, maar de hel.’ De schelp bewijst zijn gelijk. Onschuldige burgers worden meedogenloos afgeranseld, vaak tot de dood erop volgt; ze moeten met open mond onder een rioolafvoer hangen en er meerdere forse slokken van nemen; de opperhuid wordt hun van de voeten af gegeseld, waarna ze over kokendheet asfalt moeten lopen; één Moslimbroeder verliest zijn drie zoons, ondanks talloze smeekbedes tot Allah. De hoofdpersoon, die vanuit een gat in de muur alle executies op Plein 1 begluurt, ziet zijn atheïsme bevestigd: ‘Waar is God dan? Plein 1 is wel het beste bewijs dat er geen wezen bestaat dat zich God kan noemen.’ Op wie zijn atheïsten dan aangewezen? Op zichzelf.

    De Mustafa-Passion van een afvallige

    Vanwege zijn atheïsme mijdt de rest van de barak de verteller als de pest. Iedereen beschouwt hem als onrein, omdat hij zich niet wil bekeren. Hij staat er alleen voor en kruipt steeds verder in zijn schulp. Deze schelp wordt daarmee zijn toevluchtsoord. Vanuit dit veilige huis ‘heb ik geprobeerd alles wat er voor mijn ogen in deze menselijke gemeenschap gebeurde te observeren.’ In zijn isolement ontwikkelt hij een diepe haat richting het regime en trawanten. Hij besluit hier echter niet naar te handelen: ‘Kus de hand die je niet kunt bijten, in de hoop dat die breekt.’ Hij keert zijn agressor de andere wang toe en neemt revanche door zijn confronterende getuigenis: het lijdensverhaal van het Syrische volk.

    Met de komst van Nasiem verdwijnt zijn eenzaamheid. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen hem en deze eveneens in Frankrijk wonende kunstenaar. Ze praten zelfs Frans en raken elkaar liefdevol aan, wat de medegevangenen argwanend bekijken. Aanvankelijk lijkt Nasiem zich geen zorgen te maken over de afloop van hun gevangenschap, maar dan wordt de verteller onverwachts vrijgelaten uit de barak. Nasiems ogen spreken pure wanhoop, ziet de vertrekker: ‘‘‘Waarom heb je me in de steek gelaten?’’ (…) alsof ik de Messias op het moment van zijn sterven vol verwijt, protest, verwarring en vooral liefde hoorde roepen: ‘‘Eli, Eli, lama sabachtani?’’’

    Held of helder?

    De bevrijding voelt bitterzoet. Assads regime probeert de verteller een bekentenis te ontfutselen, voordat hij vrijkomt. Is hij nu wel of geen lid van een staatsvijandige organisatie? Hij moet voor de staat werken als informant in Parijs, om landgenoten te schaduwen; hij moet een danktelegram aan Assad schrijven vanwege diens ‘menslievende clementie’; hij wordt gedurende drie dagen voor een laatste keer ongans geslagen… maar de verteller weigert medewerking. Toch vindt hij zichzelf geen held: ‘Want mijn gedrag is geen eigen keuze geweest en een held kan geen held zijn als hij door anderen wordt gedwongen zich op een bepaalde manier te gedragen.’

    Valse bescheidenheid? In elk geval vereert hij zijn lotgenoten wél, hoe koppig de meesten hem ook negeren. Waar het schrikbewind alle gevangenen tot (mond)dode schimmen wilde maken, geeft De schelp hun een levensecht gelaat. Of het nu gaat om de lieve opzichter Hoessein, de seculiere, goedmoedige dokter Zahi of zielsverwant Nasiem, Syriërs krijgen een gezicht waarbij de boeventronie van hun dictator verbleekt. Deze bijfiguren schitteren in hun kracht en menselijkheid. Al zijn ze ook doodsbang voor wat er ná de vrijlating dreigt.

    P(TS)S

    Op bezoek bij zijn lievelingsnichtje Lina herkent de verteller zichzelf niet terug: ‘Waarom was ik bezig mezelf levend te begraven? Waarom dronk ik elke dag die enorme hoeveelheden arak en rookte ik al die sigaretten, alsof ik dood wilde? (…) Zal ik de gevangenis meenemen in mijn graf?’
    Khalifa verandert met deze getuigenis een ver-van-mijn-bed-show in een martelgang op minimale afstand. Soms is zulk zwaar geschut nodig om de verdorvenheid van een kwaadaardig bewind te onthullen. Het regime van de president heeft de tanden stukgebeten op het pantser van Mustafa Khalifa. Hij zet Assad in zijn hemd met het machtigste wapen van de weerloze mens: Show, don’t tell.

  • De strijd die Goliath won

    De strijd die Goliath won

    Een jaar geleden werd Peter R. de Vries vermoord. Hoewel de journalist dit lot al jaren riskeerde, aanvaardde hij het gevaar. Angst was niet zijn motto: ‘On bended knee is no way to be free.’ In Een Hollandse jongen aan de Ebro strijdt communist Evert Ruivenkamp tegen Franco. De generaal pleegt een coup, gesteund door Hitler en Mussolini. De op voorhand kansloos geachte Spanjaarden bevechten Franco dapper met de ‘Internationalen’ – een communistisch legioen. Dolores Ibárruri Gomez, La Pasionaria, is hét gezicht van het verzet. Haar motto ‘Het is beter staand te sterven dan op je knieën door te leven’ inspireert Ruivenkamp ertoe de extreemrechtse opmars te dwarsbomen. ‘Niets hou ik hier over. Alleen haat. Een haat tegen het fascisme.’¡No pasarán! Ze komen er niet langs!

    Een Hollandse jongen aan de Ebro is uniek. Over de Spaanse Burgeroorlog is wel vaker geschreven door gevestigde schrijvers als Jef Last, Jean-Paul Sartre en George Orwell. De ‘gewone man’ heeft echter nauwelijks iets nagelaten. Met 650 Nederlanders vecht Ruivenkamp in Spanje. Zijn dagboek schittert van eenvoud, vooral door zijn doeltreffende beginzinnen. Bij gebrek aan overijverig redactiewerk blijft het ooggetuigenverslag daarnaast eigengereid en humoristisch. Ruivenkamps overtuiging komt ten slotte stilistisch zo subtiel naar voren, dat het nergens dramt of moraliseert. Het is een goede zaak dat Yvonne Scholten aan deze bundel een voor- en nawoord toevoegt. Dit boek geeft inzicht in een oorlog waarover de gemiddelde Nederlander eigenlijk te weinig weet.

    De moeite van eenvoud

    In het voorwoord merkt Scholten op dat Ruivenkamp niet bepaald hoogopgeleid is. Desondanks, of juist daardoor, doet de jongeling geen enkele moeite mooi te schrijven. Met effectieve, zakelijke beginzinnen roept de soldaat de lezer op appèl: ‘Het offensief is een succes’, ‘De grote spanning is gebroken’, ‘Willi heeft een ‘vlam’’, ‘Willy is weg’. Daarnaast registreert hij bondig zijn omgeving en laat hij poëtische uitweidingen achterwege. Staccato als een oorlogsmars ploegt zijn pen over het papier: ‘In de nabijheid van de Ebro. (…) Met zijn tweeën hebben we een hut gemaakt. Van takken met aarde erover. Droog gras om te slapen.’ Wie heeft er nu nog cliffhangers nodig?

    Juist omdat Evert zich niet om zijn stijl bekommert, heeft hij het. Toch laat hij zich zo nu en dan meeslepen door zijn gevoelens. Hij wordt verliefd op Lilian, een Amerikaanse verpleegster. Bij een voorlopig afscheid zegt hij: ‘Straks zal er een grote wolk stof achter de auto opstijgen en haar aan mijn oog ontrekken.’ Ook het Spaanse natuurschoon brengt de nuchterheid zelve het hoofd op hol: ‘Dan zien we de besneeuwde toppen der Pyreneeën. De machtige gordel welke Spanje in het noorden beschermt en een natuurlijke grens met Frankrijk vormt.’ Hoe verheven dit ook mag klinken, Ruivenkamp is down to earth op zijn best.

    Authentiek – een cliché?

    Ongekunsteldheid is een kwaliteit die zeer uitzonderlijk is binnen de literatuur. Hoe schrijf je namelijk zónder de kunst te dienen? Ruivenkamp slaagt hier wonderwel in. Hij schrijft voor de vuist weg. ‘In het dagboek zijn evidente schrijf- en spelfouten gecorrigeerd,’ aldus Scholten. Niettemin blijven bepaalde taaleigenaardigheden staan, wat Ruivenkamp een gezicht geeft. Zo gebruikt hij het volkse ‘enigste’ en begaat hij een handvol vergeeflijke schoonheidsfoutjes: ‘Nu ja, dit leek mij een latrine en deed ik mijn behoefte gedeeltelijk.’ Bovendien schrijft de guerrillastrijder slordig Spaans, wat Scholten evenmin aanroert. Met zinsneden als ‘In casu koffie’, ‘des anderen daags’ en ‘een halfuur rijdens’ geeft Een Hollandse jongen aan de Ebro een mooie indruk van het vooroorlogs Nederlands.

    Door Scholtens keuzes ontstaat het beeld van een strijdvaardige, nuchtere, cynische man, wars van poeha. Zo ergert hij zich aan twee Oostenrijkse groentjes die zich op wacht vervelen. Een van hen zegt: ‘Ik heb veel liever het front, dan steeds hier te moeten zitten’. Evert moet het nog zien: ‘Enfin, ik hoop dat we op hen kunnen vertrouwen als het eenmaal zover is.’ Bij de eerste de beste luchtaanval van de Duitsers ziet Evert zijn wantrouwen bevestigd: ‘Overigens, zij zijn er niet bij: reeds bij een der eerste slagen zijn zij weggelopen.’ Midden in een omgeving vol kruitdampen, dood en verderf heeft hij nog humor: ‘… ik zal proberen te slapen. Aan de meest ijzerhoudende luchten wen je tenslotte.’ Ook met zijn maatjes Willi en Willy, die om de haverklap verliefd worden, drijft hij continu de spot.

    Bloedlinks

    De humor houdt de gruwelen slechts tijdelijk op afstand. Met de zoveelste rake beginzin schetst Ruivenkamp het slagveld: ‘Puin, brandlucht, gewonden, verminkten, de stank van verbrand mensenvlees. Ook daar wen je aan.’ Aangezien hij uit een communistisch nest komt, wekken tirades als deze tegen het passief toekijkende Europa geen verbazing: ‘Telkens en telkens zien we hoe dit volk door alle zogenaamde democratische staten in de steek wordt gelaten. Zo niet erger, in de rug wordt aangevallen. (…) Gelaten ziet de bevolking de zegen van boven komen. De zegen van Franco’s kruistocht tegen het bolsjewisme.’ Enkele communistische kreten daargelaten, zijn het juist subtiele taalgewoontes die Ruivenkamp tot rode rakker bestempelen.

    Draait radicaal communisme niet om het wegcijferen van het individu, omwille van kameraadschap? Zoals vaker in egodocumenten barst het boek van ik-zinnen. Ruivenkamp zet de ‘ik’ zelden vooraan: ‘In het donker kwam ik daar aan ’s avonds’, ‘De militaire kennis mij in het leger bijgebracht moest ik daar ten dienste van dat volk stellen’, ‘Op een afstandje zag ik haar al op het balkon staan.’ Ook zijn gevoel voor kameraadschap komt organisch tot uiting. Naarmate hij intensiever optrekt met linkse Oostenrijkers en Duitsers, raakt Everts Nederlands steeds voller met germanismen: ‘Veel van slapen komt niet’, ‘Voor misschien veertien dagen een stadje, nu niets meer. Benicarlo evenzo’, ‘Lach niet, het is ernst’ en ‘de foto is bereids tevoorschijn gehaald.’ Kameraden spreken dezelfde taal.

    Hollandse Hemingway

    ‘Voor wie de klok luidt’ benadrukt het feit dat we ooit allemaal zullen sterven. Door het hele boek heen beseft Ruivenkamp dit maar al te best. Hemingway noemde zijn roman over de Spaanse Burgeroorlog niet zomaar For whom the Bell tolls. Uit Scholtens voorwoord blijkt dat Ruivenkamps uur geslagen zal zijn in 1943, wanneer hij gefusilleerd wordt voor verzetsactiviteiten tegen de nazi’s. Niet aan de Ebro, maar in de Waalsdorpervlakte. De dood ligt ook in Spanje echter al voortdurend op de loer en Ruivenkamp vindt de juiste woorden:

    ‘Ik stoot een Spanjaard aan. Hij krimpt in elkaar en kijkt mij doodsbang aan. Een moment denk ik in een spiegel te kijken. Hij kijkt me aan met ogen zoals ik voel dat de mijne ook moeten zijn.
    (…)
    Ieder wacht zijn beurt af.
    Ik verwacht het ieder moment.’

     

     

  • Techniek tot kunst verheffen

    Techniek tot kunst verheffen

    Dat hotels geschikte verhaaldecors bieden, is een wet van Meden en Perzen. Wie kent niet het Overlook Hotel uit The Shining van Stephen King? Wat te denken van het Grand Hotel Europa? En flirt Khalid Boudou in Het schnitzelparadijs niet met Van der Valk, als de Marokkaanse Nordip zich opwerkt in de Blauwe Gier? De visionair van Anja Sicking bevat eveneens een hotel met de naam van een gekleurd dier: het Roode Hert. In dit hotel vervangen technische innovaties menselijke arbeidskrachten. Het grenzeloze geloof in de technocratie beperkt zich echter niet tot deze plek.

    Hoofdpersoon Roemer, die op een blauwe maandag in het Roode Hert werkte, is stervende. In een ‘vision par derrière’ beziet hij zijn leven. Als tiener zag hij dat heel de wereld moderniseerde, zonder dat er werkelijk vooruitgang werd geboekt. Zelf ontwikkelde hij als puber een dierenoog uit spontane natuurliefhebberij. Later maakte hij hier een E-bril van om emoties van gezichten af te lezen. Vooral met de beeldschone hoteleigenares Eveline Vroman hoopte hij zo contact te maken. Zodra het geld voor dit product begon binnen te stromen, was het gedaan met Roemers idealisme.

    Zo bewijst Sicking dat innovaties niet zozeer door goede wil, als wel door blinde ambitie ontstaan. Meer dan aanvankelijk lijkt, ligt de focus van dit boek bij de geesteswetenschappen, juist omdat het de niet-kopieerbare geest en emoties van de mens viert. Tegelijk getuigt dit verhaal van visie. De schrijfster suggereert namelijk dat robots prachtige verhalen kunnen vertellen. Met een nieuwe vertelinstantie heft zij het onderscheid tussen wetenschap en kunst op: de robotauteur. De kwaliteit van De visionair is dus drieledig. Het levert maatschappijkritiek op technocratie, vereert de menselijke geest en verlegt de grenzen van de literatuur.

    Technocratie: heilstaat of horror?

    De visionair rekent af met het dogma dat technologie intrinsiek neutraal zou zijn. Op basis van dit dogma geloven technocraten namelijk dat de menselijke vooruitgang kunstmatige intelligentie nodig heeft. Weg zijn dan alle vooroordelen, driften en onrecht. Meneer Breeveld, Roemers bevlogen roboticadocent, waarschuwt de klas voor de keerzijde hiervan: ‘Wie de eigenaar is van de meest geavanceerde kunstmatige intelligentie heeft het straks waarschijnlijk voor het zeggen.’ Helaas blijft elke technologie uiteindelijk een product van mensen, met al hun beperkingen, zo predikt de docent.

    Terloops stelt De visionair ons voor nog een genadeloos, voldongen feit. De technologische vooruitgang ten spijt raakt Nederland overstroomd. Op hetzelfde nuchtere toontje waarmee tegenwoordig de Watersnoodramp van ’53 wordt besproken, constateert de Roemer uit de toekomst: ‘Ze zeggen dat de nieuwe kustlijn (…) ter hoogte van Amsterdam komt te liggen.’ Haast schouderophalend accepteert hij de catastrofe. De mensen met het juiste brein gebruikten hun intelligentie voor de verkeerde doeleinden, en dan is dit dus het resultaat, zo sombert hij. Wie de ramp wílden voorkomen, kónden het niet. Wie hem kónden voorkomen, wílden het niet. En Roemer zelf dan? Die was bezig met zijn loopbaan als hooggewaardeerd wetenschapper: ‘Hij droomde ervan de nieuwe Majorana of Hawking te worden, of (…) Einstein.’ Sicking laat zien dat ambitie de mens weliswaar tot grote hoogtes stuwt, maar hem tegelijk kopje onder kan laten gaan.

    Begrijp je?

    De visionair buigt zich over vragen als: wat onderscheidt de mens van kunstmatige intelligentie? Zijn mensen en algoritmes niet allebei een samenraapsel van data? Is het echt zo lastig zelf mensen te creëren, zonder organisch materiaal? Roemers vriendin Zara zegt hierover tegen hem: ‘Je kunt veel namaken, maar het gaat in het leven juist om wat we niet kunnen reproduceren, om wat verloren kan gaan, om wat niet te kennen is.’ Bij monde van Zara weerlegt De visionair de misvatting dat de mens 100% te analyseren valt, hoe stellig de exacte wetenschap ook beweert dat dat wel kan. Ergens veel van weten, is niet hetzelfde als begrijpen. Roemer wandelt door het prachtige duingebied ‘zonder veel af te weten van het netwerk van fijne haarvaatjes van wortels en schimmeldraden onder zijn voeten, maar het mysterie dat hem omringde [was] wel tot hem doorgedrongen.’

    Zoals de natuur de mens in vervoering brengt, doen beeldende kunst en muziek dat ook. Tijdens het pianospel van zijn vader droomt Roemer weg: ‘Terwijl hij luisterde kreeg hij het idee dat er een waarheid in deze muziek doorklonk, al kon hij onmogelijk zeggen welke.’ Wie muziek analyseert, beschrijft haar hooguit, maar vat haar nooit: ‘die bolletjes op die vijf horizontale lijnen waren niet de muziek (…), waarvan mensen soms kippenvel kregen of moesten huilen.’ In feite is De visionair een warm pleidooi voor de kunsten en het geesteswetenschappelijke Verstehen.

    Robotromancier

    Ondanks zijn liefde voor moderne snufjes schrijft Roemer zijn levensverhaal met pen uit op papier: ‘We denken misschien dat we iedere dag meer informatie kunnen opslaan, maar de Steen van Rosetta heeft langer standgehouden dan de meeste devices.’ Die hang naar het eeuwige leven, of in elk geval eeuwige nalatenschap, uit Roemer puur schriftelijk. Geheel kunstmatig van aard is dan weer zijn stervensproces. Als eenentwintigste-eeuwse robot laat hij al zijn organen vervangen door algoritmisch aangedreven protheses, inclusief de lichaamsdelen waarmee hij schrijft: ‘Ik weet niet waar Roemer ophoudt en ik begin.’ Langzaamaan ontstaat een nieuw soort schrijver.

    De Roemer uit de toekomst kijkt al schrijvend terug op het leven van zijn vroegere zelf: hoe hij zijn labiele vader onder zijn hoede nam in plaats van andersom, zich een plekje verwierf op de middelbare school en gepokt en gemazeld de liefde leerde kennen. Deze grensverleggende young-adultroman is het resultaat. Anja Sicking staat bekend om haar essays in Trouw over de schrijfrobot (waar Roemer aan doet denken) en levert hier een kakelvers prototype af van de robotauteur. Hieraan kunnen zelfs de techniekliefhebbers onder de middelbare scholieren hun hart ophalen. Eén van Roemers klasgenoten, Noud, citeert een Amerikaans onderzoek als volgt: ‘De grootste wetenschappers lazen gedurende hun jeugd niet Die Leiden des jungen Werthers, maar The 5th Wave of Into the Fire.’ Laten we bij dezen De visionair aan dat rijtje toevoegen!

     

  • Serieus?

    Serieus?

    Er zijn nogal wat genres binnen het boekenbedrijf waar een stigma op rust. Met name sportboeken en thrillers worden vakkundig uit de canon geweerd. Om nog maar te zwijgen van het genre dat doet denken aan Avatar, Disney Plus en The Hobbit: fantasy. Twee redenen hiervoor: het zou te gemakkelijk vermaak en totaal ongeloofwaardig zijn. Met Echt gebeurd is geen excuus, een fantasyboek avant la lettre, logenstraft Heinrich von Kleist deze kritiek. In 43 fragmenten bewijst de Frankfurter namelijk dat verhalen niet per se geloofwaardig hoeven te zijn, om te blijven hangen en imponeren. Sterker nog: hoe vreemder de gebeurtenis, hoe liever mensen haar geloven.

    Echt gebeurd is geen excuus is een compilatie van verhalen, die Heinrich von Kleist tussen oktober 1810 en maart 1811 schrijft voor de Berliner Abendblätter. Aangezien Berlijn reeds gedomineerd wordt door zes andere periodieken, bouwt Von Kleist op ongebruikelijke manier een trouwe klantenkring op: via absurdisme. Zijn avondblad wordt ongekend populair en zou dat in deze tijd ook zijn. Hoe idioter de verwikkelingen waarover Von Kleist vertelt, hoe realistischer hij ze weergeeft met eenvoudige, maar effectieve stijlgrepen. Daarnaast doet Von Kleists zwarte humor denken aan de 19de-eeuwse romantici. Omdat Von Kleist zo smakelijk fabuleert, wil de lezer graag geloven dat alles wat hij schrijft, waar is. Daarom is Echt gebeurd is geen excuus een prachtige titel. Niet waarschijnlijkheid bepaalt de mate van waardering, maar onze ontvankelijkheid.

    Dit verzín je toch niet?

    Een soldaat overleeft een pistoolschot door zijn hart. Een bomexplosie knalt een Antwerpenaar blessurevrij van de ene naar de andere Schelde-oever. Groenlanders vissen een waterman, die lijkt op een nimf, op uit zee. Een 500-jarige geest laat zijn botten opgraven door een Tsjechische dorpsgek. Slechts in literaire vorm overtuigen deze verzinsels. Von Kleist past veelvuldig de raamvertelling toe, het verhaal uit de tweede hand, nu eens verteld door een praatzieke officier, dan weer een herbergier. Bovendien bouwen zijn vertellers disclaimers in, opdat zij niet op hun leugenachtigheid gepakt worden: ‘”Drie verhalen zijn zodanig van aard dat ik zelf weliswaar geloof aan ze hecht maar evengoed het gevaar loop voor een windbuil gehouden te worden als ik ze zou vertellen.”’ Het publiek reageert dolenthousiast: ‘”U hebt gelijk! Een verhaal als dit geloof je inderdaad niet! (…) Zonderling!”‘, waarna een nóg absurder verhaal met nóg meer gretigheid wordt verslonden.

    Het christelijke motto ‘Credo quia absurdum’ van kerkvader Tertullianus had het motto van de bundel kunnen zijn. Het betekent ‘Ik geloof, omdat het absurd is.’ Oftewel: zulke onwaarschijnlijkheden kúnnen niet verzonnen zijn, dus ze moeten wel kloppen. Von Kleist doet er alles aan om zijn teksten een zweem van objectiviteit te verlenen. Voor hem is het een spel. Hij smijt met jaartallen en veelzeggende details, verwijzend naar krantenberichten en historische naslagwerken: ‘In de Wiener Zeitung van 30 juli 1803 wordt gemeld dat de visserijpachters van het Koningsmeer in Hongarije een soort, naar hun zeggen, naakt viervoetig schepsel hebben waargenomen. (…) Hiertoe behoort de zogenaamde Napolitaanse Nicola Pesce, van wie men een authentieke beschrijving kan vinden in Gehlers Physikalisches Lexicon.’ Maar Von Kleist kan meer dan spelen met fake news.

    Ik sta daarnet op de tramhalte…

    Zelfs zonder expliciet aangehaalde vertellers lijken Von Kleists verhalen levensecht. Geruisloos tilt hij het verleden naar het heden met een truc, zo oud als de weg naar Rome: het praesens historicum. Beginnend in de verleden tijd, schakelt hij onmerkbaar over op de tegenwoordige tijd, zoals bij de Tsjechische idioot die de botten van een fantoom opgraaft: ‘De geest, alleen zichtbaar voor Joseph, ging stilletjes voor hen uit. De tocht bracht hen dwars door het veld bij een heide die aan een veldweg lag. Daar staat Joseph stil en zegt tegen zijn moeder: ‘‘Hier moeder, hier moeten we graven.’’’ Over een Noord-Franse tragedie uit St. Omer anno 1803 schrijft hij: ‘Aldaar viel een grote dolle hond (…) twee onder een poort spelende kinderen aan. Hij verscheurt net het jongste kind (…) als hun moeder verschijnt. (…) Ze wurgt hem en valt door vreselijke beten verscheurd bewusteloos naast hem neer.’

    Von Kleist wekt continu de suggestie dat we met bloedserieuze documenten te maken hebben. Zo faket hij een anonieme ingezonden brief aan zijn eigen Berliner Abendblätter. De brief stelt als alternatief voor de elektrische telegraaf bommenpost voor die ‘holle, met (…) brieven en pakketten gevulde kogels wegschiet, die men zonder al te veel moeite met de ogen kan volgen en waar ze neerkomen, mits het geen moerasgrond is, weer kan terugvinden.’ Namens De Redactie reageert Von Kleist op het door hemzelf geschrevene: ‘De inzender van bovenstaande geestige brief geven wij hiermee te kennen dat wij ons met zijn (…) moraliserende en publicitaire eldorado niet kunnen bezighouden. Persiflage en ironie zullen in ons streven om het heil van het mensengeslacht te bevorderen (…) niet van de wijs brengen.’ Eén persiflage van de Pruis spant echter de kroon…

    Werther’s original

    Die Leiden des jungen Werthers van Goethe belichaamt de Romantiek als geen ander: een gevoelige jongeman correspondeert met de tere Lotte. Hun noodlottige liefde leidt tot zelfmoord. Van deze doodernstige Sturm-und-Drang-pathos maakt Von Kleist een lolletje.

    Zijn korte verhaal De nieuwe (gelukkigere) Werther gaat over Charles C… die hopeloos verliefd is op de vrouw van zijn patroon, koopman D… – de beletseltekens suggereren wederom een schijn van feitelijkheid, evenals de plaatsaanduiding ‘L…e’. Wanneer D met zijn vrouw op reis gaat, ziet Charles zijn kans schoon en gaat hij in het bed van zijn geliefde liggen. Dan schrijft Von Kleist: ‘’s Nachts komt om de een of andere reden die hier niet vermeld hoeft te worden het echtpaar onverwachts thuis en (…) treffen ze de jonge C… aan.’ Humoristisch is hier met name hoe de schrijver weigert de thuiskomst van het echtpaar te verklaren. Soms gebeurt iets gewoon even, want dat is leuker voor het verhaal. Net als de apotheose overigens.

    In zijn schaamte te zijn ontdekt in de echtelijke sponde, schiet Charles zichzelf door de borst met een revolver. Dit veroorzaakt zo’n harde knal, dat koopman D van de schrik sterft aan een hartaanval. Voor een degelijk uitgevoerde suïcide blijkt Charles te ‘klunzig’; hij houdt aan zijn zelfmoordpoging een klaplong over. Hij trouwt met de kersverse weduwe ‘en beiden waren in 1801 nog in leven, toen hun gezin, zoals een kennis vertelt, al uit vijftien kinderen bestond.’
    Echt gebeurd is geen excuus is als de uitkomst van deze Werther-bewerking. Te mooi om niet waar te zijn. Te goed om te laten liggen. Eine grossartige (K)Leistung!

     

  • We staan in het rood

    We staan in het rood

    Elke ingreep in de natuur kent zijn prijs. De moeder aller ingrepen, de uitputting van fossiele brandstoffen sinds de Industriële Revolutie, is zó grootschalig, langdurig en anoniem, dat ze weleens zou kunnen leiden tot onze extinctie. Mensen kúnnen blijkbaar niet geloven dat de natuur zich ooit zal revancheren voor de exploitatie; we onderschatten hoe totaal haar wraak zal zijn. In Het woord voor rood bewijst Jon McGregor hoe onderschatting van natuurkrachten de mens duur kan komen te staan. Voordat er een storm opsteekt en de natuur op Antarctica ‘communiceert’ binnen te blijven, trekt een drietal er tóch op uit om foto’s te maken van een majestueuze klif. De gevolgen laten zich raden.

    Behalve de superieure natuurkracht op Antarctica bezingt McGregor het lot van een man die van zijn sokkel valt: Robert (Doc) Wright. Zijn poolexpeditie verloopt catastrofaal, omdat hij dronken wordt tijdens een noodsituatie en bovendien vlak daarna een beroerte krijgt. Zijn vrouw Anna pauzeert vervolgens haar loopbaan als klimaatwetenschapper in Engeland om hem te verzorgen. Sinds zijn beroerte lijdt Robert aan afasie en bezoekt hij een zorggroep om zich non-verbaal te leren uiten.

    Het boek snijdt motieven aan die aan de kleur rood doen denken: de gevaren van de natuur, schuld en de krakkemikkige gezondheidszorg. Los van enkele stilistische missers ondersteunt de schrijfstijl van Het woord voor rood een onheilspellende thematiek: de mens staat vroeg of laat machteloos tegenover de natuur. Dit werkt McGregor uit met een originele metafoor, visueel opvallend alineagebruik en grammaticaal ontsporende zinnen.

    Red flag

    McGregor verdeelt Het woord voor rood in drie hoofdstukken: Hellen (/), Vallen (_) en Opstaan (|). In Hellen werkt Robert Wright met nieuwelingen Thomas Myers en Luke Adebayo op Antarctica. ‘Doc’ komt daar al 33 jaar en enthousiasmeert het tweetal voor het Arctische natuurschoon. Vanuit het toilet vergaapt Luke zich aan de pracht: ‘Ze waren hier nu drie weken en hij was er nog steeds niet aan gewend. (…). De woorden ontbraken.’ Inderdaad, McGregor behoeft weinig woorden om de macht van Antarctica te verbeelden. Daarvoor hanteert hij de synesthesie en een eigenzinnige typografie.

    Het echte gevaar schuilt niet in wat de mens wél kan inschatten, maar in wat de mens níet kan inschatten. Zeker op de Zuidpool, waar de mens niet op is toegerust, geldt dit credo. Deze blindheid vertaalt McGregor in het metaforische stijlmiddel synesthesie; zintuiglijke waarnemingen lopen door elkaar heen. Oriëntatie en veiligheid worden zodoende onmogelijk: ‘de stilte was onmetelijk’, ‘Luisteren en de kou als glas’, ‘Het zonlicht kaatste in alle richtingen hard op het water.’ Zelfs de beschikking over één zintuig maakt Luke machteloos: ‘Er was geen verschil tussen één en vijftig kilometer.’

    Ondanks dit onvermogen zich goed te oriënteren, begeeft het drietal zich midden in het natuurgeweld richting een klif voor prachtige foto’s. Tegen het protocol in splitst het trio zich op en dan slaat het noodlot toe: de ijslaag op zee begint te barsten. Wanneer Thomas op een ijsschots in zee terechtkomt, vult de auteur zijn pagina’s niet meer met coherente alinea’s, maar met losse, drijvende zinnetjes, door witregels gescheiden:

    ‘De zeeluipaard was er nog steeds.

    Even boven; en weer weg.

    Hij maakte zich klein en hij had het niet koud.

    Stel dat hij moest zwemmen, hoe ver zou hij dan komen?’

    Schuld en woede

    In ‘Vallen’ volgen we echtpaar Anna en Robert na diens Arctische beroerte. Hun ongelukkige huwelijk krijgt daardoor een extra dreun. Anna ziet haar carrière aan Cambridge verdampen en zegt tegen vriendin Bridget: ‘Ik weet niet of ik wel wil dat hij naar huis komt.’ Eén voordeel is dat haar man lijdt aan afasie (spraakverlies), waardoor ze van zijn ellenlange monologen verlost is. Wie aansprakelijk is voor de ramp op Antarctica, blijft onduidelijk. Wat is er gebeurd met Thomas? Waarom greep Robert naar de fles, terwijl hij het noodcentrum moest raadplegen? Wat weet Luke, die hem beschermt? De reactie van zoon Frank spreekt boekdelen: ‘Niemand zou Robert toch zeker de schuld willen geven?’ Met de volgende vraag laat de roman zijn lezers verward achter: ontstond Roberts beroerte, dé oorzaak van Thomas’ ongeluk, dóór zijn drankgebruik, of lós van zijn drankgebruik?
    In het derde hoofdstuk Opstaan, dat draait om Roberts herstel, blijft de schuld aan hem vreten. Via communicatiestrateeg Amira biedt McGregor een humoristische blik op de Britse zorg met betrekking tot afasie. Zo laat Amira haar patiënten smiley’s aanwijzen, waarmee ze hun emoties moeten aangeven. Na de bijdrage van een patiënt over zijn ongeluk als elektricien, zegt ze: ‘Dat was vast een hele schok voor je!’ Niet alleen haar supervisor ziet dit gestuntel hoofdschuddend aan, ook de patiënten raken gefrustreerd.

    Afasie wordt wel vaker in de literatuur behandeld, want voor schrijvers is spraakverlies één van de grootst denkbare nachtmerries. De Laatkomer van Dimitri Verhulst en Hersenschimmen van J. Bernlef zijn Nederlandstalige voorbeelden waarin dit verschijnsel doorsijpelt in het taalgebruik. McGregor koppelt het fenomeen aan de woede die voorheen taalvaardige mensen voelen. Wanneer Amira tijdens het kringgesprek over Antarctica begint, vraagt ze hoe lang Robert daar verbleef: ‘‘‘Ja, uiteraard. Ja. Een, twee, drie, vier. Maan, maan. Jezus! Manen.’’ –‘‘Maanden? Vier maanden?’’ – ‘‘Ja, Jezus!’’’ Helemaal over de rooie om zijn eigen taalgebrek.

    Rode pen

    Bij de eerder genoemde synesthesie en typografie komen stijl en inhoud prachtig samen. Toch valt er stilistisch nog het een en ander aan te merken op Het woord voor rood. Te vaak kan McGregor de neiging niet onderdrukken een op zichzelf sterk beeld te verduidelijken. Bij het volgende voorval oefent een zuster bewegingen met Robert: ‘Ze vroeg of ze in een ziekenhuis waren. Hij liet zijn hoofd abrupt zakken en tilde het weer op. Dit was nu zijn manier van knikken.’ Als Amira dansers heeft uitgenodigd bij de afasiegroep, ontstaat commotie: ‘Het duurde vandaag wat langer voordat iedereen rustig zat, begrijpelijkerwijs.’ Op het moment dat de beroerte Robert overvalt, laat de schrijver hem niet alleen neervallen, maar voegt eraan toe dat hij ‘in één keer’ valt. Hoe anders?

    Dit zijn echter kleinigheidjes, of zoals Robert Wright zou zeggen: ‘Kleine geitjes’, in het licht van de relevante teneur die Het woord voor rood uitdraagt.

    Dood spoor

    Op één patiënt, de praatzieke Peter, zit geen rem. Elke bijeenkomst blijkt hij een spraakwaterval die zijn angsten voor overstromingen over zijn lotgenoten heen golft in vreemde bewustzijnsstromen: ‘‘Nou hier zijn we dan en een en al met onze handen in het water en omlaag gaan we, zie je dat, zie je dat, omlaag en weg zijn we naar de zee en ondersteboven in het water terwijl overal de bubbels op en bubbels omlaag door het water in het water terwijl we zwaaien, zie je dat?’’ Zijn ogenschijnlijk dwaze anakoloeten – grammaticaal ontsporende zinnen – verwoorden pijnlijk waar de mensheid zich bevindt.

     

     

  • Onder vriendschapsschijn schuilt het ergste venijn

    Onder vriendschapsschijn schuilt het ergste venijn

    Als een boek een kind van zijn tijd is, is het afwachten hoe goed het is. Dit geldt zeker voor de coronaroman, die niet geschreven wordt om de eigen creativiteit koste wat kost te uiten, maar om de verveling van een zich voortslepende lockdown te bestrijden. De gelegenheid doet zich nu namelijk voor, dus waarom wagen we het er niet op? Liefst met een verwijzing naar Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera: ‘Schrijven in tijden van corona’. Op het eerste gezicht lijkt De onvoltooide van Peter Nijssen eenzelfde covid-eenheidsworst, maar zijn pen bevat gelukkig een driedubbele booster. 

    Ten eerste maakt Nijssen de huiskamerromantiek van Biedermeier lekker pittig, door een wel heel markant personage ten tonele te voeren. Hoofdpersoon Bern moet zijn gezin wekenlang missen en ontmoet op een van zijn fietsrondjes door Utrecht beroepsfantast Wijnand. Daarbij bevraagt Nijssen het idee van vriendschap, wanneer zij slechts op toeval, tijdelijke spraakzaamheid en geldingsdrang berust. Verder onderzoekt Bern in een interessant essay wat onvoltooidheid en kunst met elkaar te maken hebben. Is niet elke kunst tot op zekere hoogte onafgerond, een belofte op iets beters?

    Biedermeier van een kletsmeier

    Het virus slaat toe in 2020. Berns vrouw Veerle verzorgt haar door covid besmette moeder in Noord-Brabant. Dochter Lynn verkast naar haar vriend in Rotterdam en zoon Morits ontvlucht de pandemie, reizend door Australië. Kortom, de journalist en radiomaker blijft alleen achter in Leidsche Rijn. Omdat het culturele en sportieve leven op zijn gat ligt, pakt hij de racefiets uit de schuur en scheurt de regio rond. Bij Vianen treft hij gewezen filmmaker en wielerfanaat Wijnand Veldert: een combinatie van Nico Dijkshoorn, Martin Koolhoven en Mart Smeets. Een man met vermoeiend veel kennis en een sterke mening, bijvoorbeeld over verengelsing: ‘‘Utrecht Science Park’, ga toch fietsen met je droplullenengels. (…) Onze universiteiten (…) zijn shoppingmalls van de neoliberale dictatuur geworden die zichzelf aanprijzen in bullshitblabla uit de registers van de marketingwereld.’’ In hun daaropvolgende ontmoetingen blijkt Wijnand niet slechts een vat vol zurigheid.

    Huiselijk biedermeiergeluk kent in onze beeldcultuur weinig originaliteit. Die eeuwige, rijkelijk gevulde eettafel met steeds dezelfde disgenoten: een daadkrachtige moeder met een sukkelige, matig knappe vader, één komma acht kinderen, een verweduwde oma en een ongevaarlijke hond, mocht een stukje Jumbo-gourmetgehakt het laminaat besmeuren. Nijssen maakt van veertiger Bern en zestiger Wijnand een knus duo met Berns Vinex-woning als decor. Ze koken, eten, drinken bier of wijn, draaien plaatjes en praten. Eigenlijk praat vooral Wijnand. Over zijn vroegtijdig gestrande wielercarrière, over topfilms en zijn huwelijk. Maar ook over zijn overleden echtgenote en de uit beeld geraakte kinderen. Telkens wanneer de melancholie de overhand krijgt en Bern hierop doorgraaft, doet Wijnand er met een cynische dooddoener het zwijgen toe: ‘Het leven is kut, maar zolang je er bent, is het goed je ziel af en toe te kunnen balsemen. Als jij dat gebiedermeier vindt, soit.’ 

    Vriendschap: in het wiel van je metgezel

    Er kleeft iets vreemds aan het contact tussen Bern en Wijnand, al zijn er flink wat ingrediënten voor een hechte vriendschap: samen eten, dronken worden, muziek luisteren, interesses delen, wielrennen. Maar Bern, die niet voor niets de achternaam Nevens draagt, voelt zich in alles de mindere van Wijnand. Telkens wil hij zijn kameraad aftroeven, hetzij op de pedalen – ‘Ik wilde hem eindelijk eens kleineren, die zwetser, die opsnijder, die ouwe. En dat was me gelukt.’, hetzij qua verdiensten – ‘Hij was door diepe dalen gegaan, maar had ook over grote hoogten gescheerd. En ik? Wat had ik gedaan?’ Af en toe verwordt hun samenzijn tot een soort top-2000-à-gogo, zij het zonder de jovialiteit tussen Matthijs van Nieuwkerk en Leo Blokhuis. Bij elk cd’tje dat wordt opgezet, geeft Wijnand college. Bern verzucht: ‘”Jij weet ook álles.’’ – ‘‘Ik weet maar heel weinig, Bern, maar toevallig weet ik veel van wat jij weet (…) omdat wij zielsverwanten zijn?’’’ Hij moest eens weten.

    Impliciet stelt Nijssen zeer relevante vragen over het concept ‘vriendschap’. Kun je daar bijvoorbeeld van spreken als de één te veel tegen de ander opkijkt, hem zelfs benijdt? Als de één zich heimelijk ergert aan eindeloze monologen van de ander maar dit niet eerlijk tegen hem zegt, hem juist voedt in zijn praatzucht? Het gros van Bern en Wijnands gesprekken is een wandelend uitgevoerde pubquiz: ‘‘‘Koolhaas, Koolhaas,’’ herhaalde ik peinzend. ‘‘Ken ik die niet ergens van?’’ –‘‘Niet van je wandelingen in de natuur, bioloogje. Maar van de literatuur. (…) En dat heeft dan Nederlands gestudeerd.’’’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat het contact tussen de twee verwatert, zodra Veerle, Lynn en Morits huiswaarts keren: ‘Het nieuwtestamentische elan dat bezit van me nam zodra ik met hem verkeerde – ik had dat zieltogend en op een waakvlammetje in een hoek van mijn bewustzijn gedeponeerd.’ En eigenlijk gaat Bern op dezelfde manier met zijn schrijfambities om.

    Oefening is kunst

    Intussen werkt Bern aan een essay over onvoltooide literatuur, dat hij uiteraard niet afmaakt. Die onvolmaaktheid, of beter, voorlopigheid schuilt in vele facetten van De onvoltooide. Het mooiste illustreert Nijssen dit door het getal ‘8’ in het laatste hoofdstuk horizontaal af te drukken: het teken der oneindigheid. Eenvoud is het moeilijkste wat er is. Zo ontstaat speelruimte voor intertekstualiteit, die Nijssen (sinds 1995 hoofdredacteur bij De Arbeiderspers) slim benut ten gunste van de inhoud. Talloze dwarsverbanden van Musils Man zonder eigenschappen tot Manns Toverberg, vormen een atoomreactie die interpretatie en semantische duiding van De onvoltooide letterlijk onbegonnen werk maakt. Verwijzend naar Paul Valéry focust Nijssen namelijk niet op afronden: ‘‘Voor hem ging het om (…) spel. Spel omdat het maken doel in zichzelf is en in zichzelf ronddraait. Oefening omdat de definitieve uitvoering altijd ontbreken moet.’’ Oefening báárt geen kunst, maar ís de kunst.

    De onvoltooide is in de beste zin des woords geen product van zijn tijd. Allereerst is het geen product, want onvoltooid. Bovendien werpt Nijssen een kritische, genuanceerde blik op wat vriendschap betekent en creëert subtiel ongemak. Hij stelt ons de vraag: moet je zelfs in de diepste eenzaamheid van een lockdown niet heel goed nadenken waarom je met iemand contact opneemt?

    Daarnaast echoot dit boek nog lang na in een veelzijdige symfonie. Nijssen trakteert ons achterin het boek immers op een QR-code: de playlist van Berns Spotify-account, waar alle aangehaalde nummers van Schubert, Buckley, Cohen en vele anderen op staan. De onvoltooide inspireert als een gulle mentor die ondergewaardeerde muziek en interessante boeken aanprijst, alle clichés vertrappend. Het verwijt van name-dropping is te eendimensionaal: experts moeten goed geïnformeerd zijn in hun vakgebied en Nijssen weet nu eenmaal veel van literatuur. Hopelijk is met De onvoltooide de schrijverscarrière van Peter Nijssen nog niet voltooid.