• De amateur is de grootste liefhebber

    De amateur is de grootste liefhebber

    ‘Keer dit weekend massaal het betaald voetbal de rug toe. Bezoek een amateurwedstrijd, dompel u onder in wat voetbal ooit was. De geur van natte jassen, scheefgetrokken lijnen, bevroren tosti’s met vierkanten plakken natte ham. Twaalf jaar achterstallige contributie, nou ja, vooruit. Nog één wedstrijd en dan volgend jaar betalen! Een ambulance die het veld niet op kan, omdat niemand de sleutel kan vinden. Na de wedstrijd in de kantine… de entree van de voetballers, ongenaakbaar mooi. Allemaal ruikend naar dezelfde shampoo. Verlies uzelf in de geur van beschimmelde kleedkamers en u zult, net als Louis van Gaal, uw dichtader vinden. U zult op het veld staan en denken: “De cirkel is rond. Ik wist niet dat dit nog bestond.”’ Was getekend: Nico Dijkshoorn, die niet als enige inspiratie vindt in amateurvoetbal. Cabaretier en tekstschrijver Jan Beuving brengt een lofzang op deze tak van sport met v.v. Flats Zeist Oost. Zijn cluppie.

    Als schrijver van de Korte Corner bij Studio Voetbal – dit deed hij jarenlang – verwierf Beuving bekendheid bij het grote publiek. Zijn opvolger, Frank Heinen, doet een warme aanbeveling voor Beuvings nieuwste boek: ‘Voor iedereen die heeft gevoetbald, is dit boek een en al vrolijke herkenning. Voor iedereen die nooit heeft gevoetbald, maar bijvoorbeeld wel eens een ander mens heeft ontmoet, ook.’ En die andere mensen máken de club v.v. Flats Zeist Oost, blijkt na lezing van Beuvings ode, speciaal ter ere van het 60-jarig bestaan. Hij draagt het boek onder meer op aan Arjan, de veel te jong overleden penningmeester: ‘Vanavond gaat onze dochter weer trainen. Bij de allerkleinsten in de Onder 7. Ze kan er net zo weinig van als jij en ik, trouwens. Ik hoop dat ze er net zo van gaat houden.’

    De prof werkt, de amateur heeft lief

    Nederlanders zijn gek op in beeld gebracht amateurvoetbal; we kijken naar Atletico Ananas, All Stars of Kelderklasse 15, en we trekken spontaan een paar afgetrapte kicksen aan. Na die faalhazen op tv te hebben zien schutteren, wanen we ons Declan Rice die tot twee keer toe Courtois vernedert met een magistrale vrije trap. En dan ‘kickt’ de realiteit in: zelfs als je het alleen met de Eredivisie vergelijkt, is amateurvoetbal vele malen slechter dan profvoetbal. Maar ook liever. Die liefde zit in elke letter die Jan Beuving aan zijn FZO wijdt: ‘Eén keer in mijn leven heb ik in een ander tenue gespeeld dan dat van FZO. Het was op een Hemelvaartstoernooi.’

    Hoewel Jan zijn eigen clubloyaliteit niet wil overdrijven, brengt hij er heel wat tijd door: ‘Hoe houd je dat geloof in een club? Als ik kijk naar mijn eigen werk voor de vereniging, dan heb ik weleens gevlagd bij het eerste. Wedstrijden gefloten. Wedstrijdverslagen geschreven. Twee jaar in het bestuur gezeten. Pubquizzen gemaakt. Loterijen gepresenteerd. Geld geteld. Bardiensten gedraaid. Maar nooit met de trouw die ik bij ome Jan zie. Niet met de toewijding die een club overeind houdt. Ik hou van de club, maar heb ik er genoeg liefde in gestopt? Ik betwijfel het.’

    Bij profvoetballers is deze introspectie meestal ver te zoeken, hun ego verblind door cameraploegen, grootkapitaal en hemelse roem. Zelfs sentiment blijkt vakkundig geregisseerd, bijvoorbeeld tijdens de FIFA Ballon d’Or-uitreikingen: ‘In al hun gestamelde dankwoorden wordt het elftal bedankt, de coach, de partners, de kinderen en eventueel God.’ Niet één vedette bedankt het team vrijwilligers van zijn eerste amateurclub, valt Beuving op. ‘En dat terwijl de vraag “Waar begint iedere voetbalcarrière?” maar één juist antwoord heeft: bij de mannetjes – en de vrouwen – die op maandagochtend het complex aan kant maken. Zonder hen zou er geen voetbal zijn.’

    De mindere, die stiekem de leukere is

    FZO heeft een grote broer: Jonathan. De succesvolste en rijkste club in Zeist, die dit ook uitwasemt. Des te groter is dus de verrassing als in 1999 een compleet vriendenteam overstapt van Jonathan naar FZO: ‘Als lager elftal ben je bij een grote club als Jonathan een vijfde wiel aan de wagen. Je krijgt een onmogelijk trainingstijdslot, je moet om 16.00u op zaterdagmiddag voetballen en je contributie verdwijnt grotendeels in de budgetten voor hogere elftallen.’ Dit vriendenteam maakt FZO net dat tandje extra amateuristischer en leuker. ‘Menno floot wedstrijden. Leon ook trouwens. Eén keer staakte hij een wedstrijd. Hij had zijn zwarte shirt uitgetrokken en liep briesend naar de kantine. Op zijn enorme, witte borst zaten twaalf rode afdrukken van de noppen van een voetbalschoen, het gevolg van een karatetrap. Omdat Leons 120 kilo daar amper door werd opgeschud, was de woesteling die de schop had uitgedeeld, zelf geblesseerd geraakt.’ Saillant detail: inmiddels werkt Nigel de Jong op steenworp afstand van FZO als directeur topvoetbal voor de KNVB. Keertje meedoen?

    Een hoofdstuk van v.v. Flats Zeist Oost onderstreept meer dan alle andere wat voor lieflijk zooitje een voetbalclub kan zijn: De bestuurskamer. Dankzij één bewustzijnsstroom van 1100 woorden, slechts onderbroken door komma’s, moet de lezer op adem komen als een veteranenteam dat zojuist met 29-0 op zijn flikker heeft gehad van een stel Ajax-junioren. Vooral ook, omdat ieder item wel een liefdevol ‘Oh ja!’ aan de lezer ontlokt: ‘…, een bouwplattegrond van de kantine-uitbreiding in 1987, een handleiding voor de beveiligingscamera, vier geplastificeerde bordjes met OP HET TERRAS VERPLICHT ZITTEN MET MAX. 4 PERSONEN PER TAFEL, overal onder de onderste plank vierkante notitieblaadjes in de kleuren geel, roze en blauw, een spelregelboek Voetbal uit 1977, een handboek Keepers uit 1981 (…) en een lichtschakelaar zodat je met één druk op de knop alle troep niet meer ziet.’ Amateurverenigingen hebben dezelfde charme als kringloopwinkels.

    De bal

    FZO staat regionaal bekend om de beste bal. Niet van Nike, Adidas of Puma, maar van gehakt. Bas den Haan, Ome Bas voor intimi, draait als vrijwilliger en kantinebaas duizenden gehaktballen bij FZO – eerst met Ome Cees, na diens dood alleen. ‘Er zijn toeschouwers bij onze grote buurvereniging die in de rust naar ons complex lopen om daar een broodje bal te halen’, tekent Beuving verbaasd op. Bas deelt zelfs ‘gewoon’ zijn recept en houdt elke draaironde zijn trouwring om. Op zeker moment worden de gehaktballen steeds pittiger: ‘Toen de mensen aan Ome Bas bleven vragen of hij was uitgeschoten met de sambal en de knoflook, ging hij er toch eens op letten. Het viel hem op dat hij er veel meer in deed dan vroeger. Toch proefde hij geen verschil. Hij besloot naar de dokter te gaan, die hem doorstuurde naar de oncoloog. Na twee weken kwam de uitgezaaide diagnose. De gehaktballen wisten het al.’

    Een ode vraagt om gevoel, verdriet, een lach en tragiek. Verloren wedstrijden, gestorven clubleden, kneuterig amateurisme. Als lectuur die verdacht veel van literatuur wegheeft, bevat v.v. Flats Zeist Oost het allemaal. Beuving zou slechts één doelpunt scoren in zijn amateurloopbaan. Belabberd op het veld. Begenadigd op het papier.

     

  • Eén alinea!

    Eén alinea!

    Slechts één alinea weet De Zieners te boeien. Dit klinkt negatief, maar is het grootste compliment dat de schrijver kan krijgen. De Zieners bestáát namelijk uit die ene alinea. Deze roman van Sulaiman Addonia lees je uit in een ademteug, een ruk, een avondje overgave aan de koortsdroom van Hannah uit Eritrea. Als vluchtelinge die moet wachten op een goedgekeurde asielaanvraag, doorkruist ze nachtelijk Londen. Altijd met het dagboek van haar jong gestorven moeder bij zich.

    Een verhaal, opgebouwd uit een enkele alinea… Iedere schrijver, kunstenaar, veellezer of literatuurwetenschapper zou dit van tevoren een onmogelijke opgave noemen. Addonia neemt niet eens de moeite deze monnikenklus op een degelijke typemachine of computer te doen: hij schreef De Zieners op een iPhone. Weg romantiek? Integendeel. De Zieners zindert van liefde, sensualiteit en gevoel. Tegelijk bezorgt het ons Europese lezers regelmatig het schaamrood op de kaken. Niet vanwege de expliciete seksscènes – we zijn allang murw gebeukt door de lichamelijkheid van types als Houellebecq – maar vanwege het besef: eigenlijk kijken we allemaal massaal weg van vluchtelingen.

    Kullu yihalif, fiqri yiterif

    Panta rhei, ouden menei. Alles stroomt, niets blijft, luidt de wet van Herakleitos. Eritreeërs hebben hun eigen variant: kullu yihalif, fiqri yiterif. Alles verandert, de liefde blijft. Bijna hetzelfde. Bijna. Aanvankelijk staat het motto er in het Tigrinya (de Eritrese taal) én in het Nederlands. Later in het boek wisselen de talen van plaats, en uiteindelijk verdwijnt de variant van het Tigrinya volledig. Zelf verloor Addonia zijn moedertaal, toen zijn moeder voor werk naar Saoedi-Arabië vertrok. Ook Hannah wordt Engelser en Engelser in haar ballingschap; waar ze eerst beledigingen naar het hoofd krijgt, omdat ze niet Brits genoeg klinkt, verdeftigt haar accent met rasse schreden. Maar echt gek wordt ze nooit op Engeland, waar haar tante haar heen stuurde: ‘Die avond werd ik vanuit Keren weggestuurd naar het land dat mijn vader een neger had genoemd. Het spijt me dat ik je naar dat land toestuur, zei mijn tante.’

    Hannah’s vader hielp het Engelse leger de Italiaanse bezetting beëindigen en werd hiervoor beloond met meer vernedering. Hij was een analfabeet die leerde lezen en zielsveel van boeken hield en stierf – net als zijn echtgenote – veel eerder dan Hannah lief was. Het liefst zou hij zijn hele boekenverzameling hebben ingescand in het brein van zijn slimme dochter. En die bibliotheek zeult ze in het Verenigd Koninkrijk figuurlijk met zich mee. Ook gebruikt ze het dagboek van haar moeder om zich staande te houden in de regen, kou en grauwigheid. ‘Ik keerde terug naar mijn boeken, en discussieerde met Neruda over het feit dat hij in zijn gedichten de liefde telkens liet terugkomen als troost. Liefde is net zo onbeduidend als lucht voor een lijk, zei ik tegen Neruda, een citaat uit mijn moeders dagboek, iets wat hem kennelijk met afkeer vervulde omdat ik daarna een tijdlang niets van hem hoorde.’ Even later merkt Hannah op: ‘Serieus, niets zo krachtig als dode, verwaten dichters die tegen je uitvaren.’ Want ze praat niet alleen met Pablo Neruda.

    Hampstead Heath, Fitzroy Square en Bloomsbury

    Hannah voert gesprekken met allerlei dichters die in Hampstead Heath gedenktekens hebben. Denk aan Keats, Coleridge, Shelley, Byron en Cummings: ‘Ik pakte zijn bundel, liep terug naar mijn boom en begon er leunend tegen de stam in te lezen. Dat boek bespoedigde de relatie tussen de boom en mij: ik las telkens een gedicht voor mezelf en dan een voor de boom. Doordat de boom waaronder ik sliep zich laafde aan de Londense regen en zich voedde met de wellustige poëzie die ik voorlas, werd het de meest doorvoede en vrije boom van heel Londen.’ De dode dichters genieten bovendien mee van haar vrijpartijen met land- en lotgenoot Bina Balozi: ‘Mijn hoofd klaarde op toen het genot zich aandiende in de armen van het donker. O B.B. De O die stond voor de roos tussen zijn zwarte billen die openbarstte in mijn slapeloze nachten en kleur gaf aan mijn avonden, de B die stond voor de balletdanser op de bodem van mijn schoot.’ De lovende kritieken die de roman kreeg, richten zich met name op deze lichamelijkheid. Volgens de critici is die fysieke realiteit het enige wat Hannah echt ‘heeft’. De seksualiteit wordt breeduit gevierd, inclusief orgasmes, squirts en voorbinddildo’s. Toch biedt De Zieners meer dan erotiek. En ergens is het ook kwalijk dat vluchtelingen en asielzoekers tot hun lichaam worden gereduceerd – verhalen waarin zij niets anders hebben dan hun lijf, zijn er al voldoende.

    Het boek is niet alleen opgebouwd uit één alinea, alle dialogen missen aanhalingstekens. Dit leidt tot onduidelijkheid over wie er precies spreekt. Hannah’s identiteit wordt tijdens een gesprek met Engelse douaniers zowel letterlijk als figuurlijk aan flarden gescheurd: ‘Maar de tolk ging verder: Hannah, ik moet je vragen naar je paspoort. Als het dan moet, zei ik, en ik masseerde mijn voorhoofd. Waar is je paspoort? Dat heb ik verscheurd en doorgespoeld in het vliegtuig. Waarom? Dat moest van de smokkelaar.’ Zo wordt het verhaal van Hannah langzaamaan het verhaal van meer vluchtelingen, lotgevallen die ambtenaren al of niet moeten verleiden tot een gehonoreerde asielaanvraag: ‘Hannah, zei ze. Dit is pas het begin. Let goed op jezelf. Wat een rare waarschuwing, zei ik. Als ik geen ruimte in mijn hoofd heb, heb ik geen ruimte in mijn hoofd. Je bent niet de eerste immigrant die dat tegen me zegt, zei ze. Laat je niet overweldigen door herinneringen. Maar het komt goed, je zult het verleden leren loslaten.’ Maar hoe lukt dat haar, als haar toegewijde, Engelse voogd juist in het verleden blijft hangen?

    Lady Diana

    Een personage dat verrassend weinig aandacht krijgt in de lovende kritieken, is Diana. Als tijdelijke voogd vangt zij Hannah op in een buitenwijk, stevig drinkend, rokend en mijmerend over wat achter haar ligt. Hannah, ondertussen, wacht tot Binnenlandse Zaken haar asielaanvraag goedkeurt: ‘Terwijl ik in afwachting van de volgende postbezorging terugliep naar mijn kamer, vroeg ik me af wat er zo dringend zou zijn in haar leven.’ Daarom vraagt Hannah op een druilerige, ijskoude avond in de walm van Diana’s sigarettenrook: ‘Diana, wat heb je gestudeerd toen je op de universiteit zat? Ze snoof achteloos en viel stil. Niets. Sorry dat ik het vroeg, zei ik na een poosje. Nee, nee, Hannah. Dat is het niet. Je deed me alleen denken aan… Nou, eens even denken… ze zweeg.’ Tijdens de avondwandeling probeert Hannah Diana nogmaals uit haar zwijgzaamheid te halen: ‘Haar ogen gaven toe aan de stilte van een zwak verlichte steeg, waar een man met een slaapzak om zijn schouders een kat aaide op de motorkap van een auto. Gaat het wel goed, Diana? Stilte. Haar ogen stonden vol gedachten die ik niet kon ontcijferen. Ik wilde net wegkijken toen ze zei: Het gaat zo wel weer. Het is allemaal niks vergeleken bij wat jij hebt doorstaan.’

    Anders dan in Addonia’s vorige roman, Stilte is mijn moedertaal, werkt stilte hier verstikkend. Dat laat De Zieners zien met een personage als Diana. Hannah vindt het leven in literatuur, taal, woord en geschrift, ondanks (en dankzij) haar verleden. De laatste scène, extatisch en speels, doet denken aan Het leven is vurrukkulluk. Alleen spreekt hier geen Vijftiger, maar een twintiger, in de bloei van haar leven.

     

  • Lees het of leg het weg

    Lees het of leg het weg

    Bijna driekwart van alle Nederlandse vrouwen wordt ooit slachtoffer van seksuele intimidatie. Dit blijkt uit onderzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ook staat er dat seksueel geweld binnen huiselijke kring het meest voorkomt. Geen gezellige data. De één vraagt zich af hoe dit in ’s hemelsnaam kan, de ander verbaast het allang niet meer. De één een gemiddelde man, de ander massa’s Nederlandse vrouwen, onder wie Alma Mathijsen. Zij schreef Onderland, een roman over traumaverwerking na seksueel misbruik. Hiervoor sprak ze daadwerkelijk met negen andere slachtoffers en ontdekte hoe elk heeft leren omgaan met een pijnlijk verleden. ’Ze zijn vreselijk gul geweest. Zij hebben me alles gegeven, hun levens en hun gereedschappen, zonder hen was ik ten onder gegaan in alle mogelijke werelden,’ zegt hoofdpersoon Harper over haar medeslachtoffers.

    Ongemak

    Onderland is geen lekkere lectuur. Het bevat kunstgrepen die afstotend werken, maar gaandeweg wordt duidelijk dat Mathijsen dit bewust doet. Lezen over trauma hoort namelijk geen plezierige ervaring of een traktatie te zijn. Geldt dat immers niet ook voor praten en schrijven over trauma? Het helpt niet, het heelt niet, het behaagt al helemaal niet. Mathijsen laat geen ruimte voor relativering en luchtigheid. Trauma is een eeuwig etterende wond, humor een handvol zout dat je er niet in moet wrijven. Niet-misbruikten kunnen er beter hun empathie mee op smaak brengen.

    Geen moment pleaset Mathijsen. Ook qua tempo en souplesse zet ze de lezer flink aan het werk: ze vertelt nu eens traag en stroef, dan weer gehaast en associatief. Een koortsdroom die nuchter beschouwd nergens op slaat en geen samenhang vertoont. Onbegrijpelijk, kortom, voor wie nooit misbruik meegemaakt heeft. Bovendien vult Mathijsen haar roman met groteske afbeeldingen die de gruwel nog eens benadrukken. Dan is literatuur maar een keer geen lolletje of een esthetische hobby, maar een onverteerbare brok stinkende waarheid… de statistieken geven Mathijsen gelijk.

    Trauma om te lachen

    ’Een druppel bloed rolt over de binnenkant van mijn been het doucheputje in,’ begint hoofdpersoon Harper. Terug in bed herbeleeft ze haar verkrachting. Ze zakt door haar matras heen en landt op de zachtste bodem die ze ooit zal bereiken, Onderland: ’Hier durven we de gruwelijkheden van vroeger recht aan te kijken, alle monsters leven samen met hun prooi, niemand is meer bang voor wat ons is overkomen. De mensen die gebroken zijn, die zelf van brokstukken, huid en bloed een nieuwe persoon moesten bouwen, hebben zich verzameld in een land dat verborgen blijft voor ieder die niet hetzelfde heeft meegemaakt. (…) Ik ben hier en ga nooit meer weg.’ Want terug naar Bovenland, waar ze de niet-misbruikten telkens weer moet uitleggen hoe misbruik vóélt, wil Harper niet. Ze doorleeft, vecht terug en barst.

    Zoals mensen soms kunnen huilen van geluk, zo kunnen ze ook lachen van woede en verdriet. Harper doorleeft haar trauma opnieuw en slaat haar verkrachter uit het verleden van zich af. Met lotgenoot Mieke ontsteekt ze in een sardonische lach, die echter weinig met humor te maken heeft: ‘Ik flapte mijn polsen wild heen en weer om hem na te doen en barstte nog harder uit elkaar. Nu was Mieke helemaal mee. We gierden. Ik geloof niet dat twee mensen, in de bovenwereld en in dit land, ooit eerder zo hard om een verkrachting hadden gelachen. Ik rolde.’ Eenmaal tot bedaren voelt Harper zich uitgeput als na een huilbui: ‘“Ik ben doodmoe’’, zei ik en woog elk woord, “doodmoe, en niet bang.’’’

    Herstel nou maar

    Of het nu gaat om Teun, Texas, Mieke, Levi, Sanna of Mandy, iedereen in Onderland heeft met het eigen misbruikverleden leren leven. Niemand wil er meer weg, want in Bovenland – de wereld die hun het misbruik aandeed – stuiten ze op onbegrip en afstand. Buitenstaanders verwachten daar dat slachtoffers met een quick fix over hun pijn heen groeien. Gewoon een paar keer met een professional sparren en weer lekker meedraaien in het systeem. Mieke zegt hierover tegen Harper: ‘Soms ben ik bang dat al die therapie vooral daders ten goede komt. (…) Dat mannen vrolijk door kunnen gaan met kinderen verkrachten. Het kan toch allemaal weggehaald worden. Paf! Opgelost.’ En die ‘oplossing’ steekt zelfs in het veilige Onderland de kop op.

    Er paradeert een knuffelploeg door de omgeving, ook op zoek naar Harper: ‘Het had een ritme. Ik herkende het ergens van. Gesynchroniseerde voetstappen, gepaard met gesynchroniseerde mannenstemmen op lage toon. (…) ”Hé, het is oké!” Hun voetstappen kwamen dichterbij. Het soppende geluid dat alleen legerkisten voortbrengen. “‘Zit je ergens mee? Praat erover! Laat ons doen waar we het beste in zijn. Wij staan altijd voor je klaar.”’ Harper wil geen therapie: ’Ik wilde bij de anderen blijven, de mensen die ik niets hoefde uit te leggen, de lieverds. Waar niemand ooit zou zeggen: ik kan het me zo goed voorstellen.’ Precies die lege claim – ik kan het me zo goed voorstellen – stelt Mathijsen ter discussie.

    Onvoorstelbaar

    De auteur maakt identificatie met haast ieder personage uit Onderland onmogelijk. Bewust, want je inleven in een slachtoffer van seksueel misbruik, dat gáát niet. Niet echt. Ook niet als je denkt over buitengewoon veel fantasie te beschikken. De personages spreken regelmatig in raadsels over wat ze is overkomen en de omgevingen binnen Onderland veranderen sneller van gedaante dan in de wildste dromen. Er is zelfs een eufemismetuin vol bloemen, die stuk voor stuk misbruik bagatelliseren. Dan beginnen ze vanuit hun ‘genuanceerde midden’ Harper uit te schelden: ‘“Hoe moet ik je dan noemen? #MeToo-miepje? Is dat beter? #MeToo-aanjaagster? Verspreider van vage beschuldigingen van veertig jaar geleden die kant noch wal raken?’’ Ineens wist ik wat ik moest doen. “Ik kan jullie plukken.” Alle bloemen waren meteen stil. “Ik kan jullie allemaal een voor een plukken.” Ze bewogen niet meer.’

    In Onderland zijn deze boze stemmen wat lullige chrysantjes die je met wortel en al uit de grond rukt. In Bovenland, de ‘echte’ wereld, zijn ze dominante stemmen die nog altijd de definitie van misbruik bepalen. Het is te hopen dat deze dominantie op den duur terechtkomt bij mensen als Alma Mathijsen, die met Onderland het effect van misbruik laat zien. Zonder tranentrekkerij, een geruststellende lach of een bemoedigend knikje schotelt ze het ons voor: dit is het. Lees het of leg het weg, maar zeg nooit meer dat je iemand begrijpt. Want wat je niet kunt beloven, kun je ook niet menen.

     

     

  • Wijsbegeerte of reisbegeerte

    Wijsbegeerte of reisbegeerte

    Wie het voorrecht heeft veel te kunnen reizen, voelt zich op den duur nergens meer thuis. Dat wordt pijnlijk duidelijk in de nieuwe essaybundel Onder een andere hemel van filosoof Joke J. Hermsen. De ondertitel luidt ‘Over heimwee en vertepijn’. Mensen kunnen namelijk enorme heimwee ervaren vanuit huis, en verlangen naar een elders, wanneer zij al elders zijn. Precies dit spanningsveld brengt Hermsen voortdurend in beweging, letterlijk.

    Op haar landgoed in de Bourgogne bekruipt haar het eerste ongemak. Ze vlucht naar haar dubbele appartement in Amsterdam en kan zelfs terecht in Parijs, waar zij vroeger filosofie studeerde. Daarnaast gaat ze oude adressen langs van allerlei beroemde Duitse schrijvers, zoals Rainer Maria Rilke en Lou Salomé. Als ze verblijft in het kunstenaarsdorpje Bergen of op haar Drentse boerderij, komen wederom de muren op haar af. Ze maakt, kortom, nogal wat omzwervingen van de ene naar de andere idylle. Uiteraard zijn de Odysseus-verwijzingen niet van de lucht, want ook hij had last van hinausweh, zoals Hermsen dat noemt. De zucht om eropuit te gaan. Langzamerhand dringt zich echter de vraag op: gaat dit boek wel over wijsbegeerte, of over reisbegeerte?

    Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg

    Het boek laat zien hoe de westerse filosofie tegen de fenomenen ‘heimwee’ en ‘thuis’ aankijkt. Daarnaast komen andere, wat navelstaarderige motieven voorbij, zoals ‘het Zelf’, ‘het Onzegbare’ en ‘het Niets’. Onder een andere hemel overtuigt in de aardse passages dan ook het meest. Ondertussen vloeit de witte wijn rijkelijk.

    Grotendeels spreekt een vrouw die duidelijk tot de happy few behoort van de Nederlandse maatschappij. Ze quoot keurig de complete westerse canon en doet vanuit een nostalgische opwelling, zo lijkt het, haar studietijd aan de Sorbonne nog eens dunnetjes over. Alsof het niets is, wisselt ze bovendien continu van uitvalsbasis, zonder enige financiële belemmering. Maar wanneer Hermsen vertelt over de harde realiteit waarin vrouwen moeten leven, inclusief een weerzinwekkende ervaring uit haar jeugd, wint Onder een andere hemel aan belang.

    Met engagement engageert ze het lezerspubliek. Dat beseft ze zelf ook, wanneer ze Hannah Arendt aanhaalt: ‘Van haar had ik geleerd dat filosofie altijd op de politiek en de wereld betrokken moet zijn. (…) Arendt verweet de westerse filosofie politieke desinteresse en een obsessie met zichzelf.’ Helaas gaat dit soms ook op voor Onder een andere hemel. Op de momenten dat Hermsen als nuchtere Noord-Hollandse dame het gemijmer over het Zelf loslaat en gewoon aanwijst wat er beter kan in de maatschappij, wordt het pas echt interessant.

    Het nomadische als leugen

    ‘Zet mij maar neer in de jungle, ik pas me wel aan.’ Je hoort dit soort dingen vaker op verjaardagen, nieuwjaarsborrels of recepties. Anders gezegd: een thuis is ook maar overschat. Ook Hermsen debiteert zulke wijsheden die druipen van privilege: ‘Thuisloosheid als thuis. Dat gold zeker voor Hannah Arendt, en in een bepaald opzicht ook voor mij.’ Je eigen odyssee vergelijken met die van een Holocaustvluchtelinge is ongelukkig, maar wat te denken van haar verwijzing naar dichter Robert Lowell: ‘Wat is thuis anders dan een gevoel van heimwee naar het verloren moment van fladderende angst tijdens de vlucht?’ Nou, misschien is thuis gewoon een ouderwets dak boven je hoofd? Misschien is thuis bijvoorbeeld dat je niet door je complete omgeving wordt gewantrouwd, omdat je er anders uitziet dan de rest? Een familie die nog leeft? Van de driehonderdtwaalf pagina’s besteedt Hermsen een schamele twee bladzijdes aan de vluchtelingen in de banlieus, waar ze vanuit haar universitaire bubbel in Parijs amper iets van meekreeg. En krijgt.

    Over het noodlot van een Franse filosofe weidt Hermsen wel uit. Anne Dufourmantelle bleek vroeger een vurige pleitbezorger van vreemdelingen en schreef hierover in De kracht van tederheid en Een lofrede op het risico. Volgens de Française moest het Westen maar eens leren geen oneindige zekerheden in te bouwen ten koste van medemenselijkheid. Dufourmantelle stierf op 53-jarige leeftijd in zee, toen ze een jongetje redde van de verdrinkingsdood. Hermsen looft haar dubbele dapperheid: ‘Er is veel moed voor nodig om de wereld een andere kant op te duwen, en maar tegen de stroom in te blijven zwemmen.’ Exact zo lijkt Hermsen soms tegen de stroom in te zwemmen, om daarna toch weer op safe te spelen en vooral te herhalen wat andere filosofen gezegd hebben over thuiszijn. Hermsen citeert Kafka, die zich kritisch uitlaat over veilige teksten: ‘Als een boek dat wij lezen ons niet met een vuistslag op de schedel wakker maakt, waarom lezen wij dan dat boek? Een boek moet een bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’ Onbewust stipt Hermsen het gebrek aan urgentie aan in haar eigen boek. Onder een andere hemel aait ons meer over de bol dan dat het onze schedel openklieft. Totdat…

    De voorheen verstomde stem klinkt het helderst

    De titel Onder een andere hemel ontleent Hermsen aan Hannah Arendt. ‘Mogelijk dat haar ziel onder een andere hemel de kans ziet om zich uit te spreken.’ Gelukkig spreekt Hermsen zich uit, al doet ze dat – geheel in de meanderende stijl van de essayistiek – met een omtrekkende beweging. Op een congres treft Hermsen een oude bekende. Onverwacht en ongewenst. Ze verstijft, krijgt geen druppel door haar keel en kan niets anders doen dan wachten tot ‘hij’ de ruimte verlaat. Hij heeft overigens een dikke pens gekregen en herkent haar niet eens. Eenmaal achter haar schrijftafel keert Joke terug naar haar 14-jarige ik en verschuift ze het perspectief van eerste naar derde persoon. Trauma’s bespreek je makkelijker met een beetje afstand.

    De vader van haar oppaskinderen rijdt haar, zoals altijd, naar huis. Althans, dat denkt Joke: ‘Ze trekt aan de hendel van het portier om de deur open te gooien. Weggaan, denkt ze, nu meteen. Maar hij pakt haar hardhandiger beet, duwt haar terug in de stoel en vergrendelt het portier. “Ik weet zeker dat jij dit ook wilt”, hijgt hij in haar oor.’ Een paar minuten later, hooguit, is ze terug: ‘“Ik ben thuis!” roept ze naar haar ouders en schiet meteen de trap op naar boven. Ze kleedt zich uit, gaat onder de douche staan en wrijft langdurig met haar handen over haar lichaam, totdat haar huid roodgloeiend is. (…) Ze doet snel het licht uit in de badkamer, gaat in bed liggen en trekt de dekens over zich heen.’ Toch doet de gebeurtenis haar het meeste pijn vanwege het besef ‘dat er zelfs van mijn ouders geen hulp te verwachten viel’. Dat komt binnen.

    Schrijver en moeder

    In de door mannen gedomineerde filosofie- en literatuurkringen wordt van de vrouw verwacht heel haar leven op te offeren aan kinderen. En mannen maar geniaal zijn… Daar doet Hermsen gelukkig niet aan mee. Hoewel drie van haar vrouwelijke rolmodellen (Lou Salomé, Simone de Beauvoir en Virginia Woolf) bewust kinderloos bleven, combineert ze zelf moederschap en schrijverschap met succes. De band met haar beide kinderen is warm en haar werk is indrukwekkend. Juist in het licht van haar oeuvre blijft Onder een andere hemel toch te gewoontjes. Een van haar conclusies doet erg denken aan het cliché ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’: ‘Elke plek van de wereld, hoe vreemd ook, kan een thuis zijn.’ Dit klopt, zolang je tenminste beschikt over de drie g’s: geld, geluk en een goed paspoort.

     

     

  • In cartoons kan alles

    In cartoons kan alles

    ‘Snap je elke tekening tot nu toe?’ Dit vraagt Robert Schuit middenin zijn tekeningenbundel Er komt altijd een ei uit. Antwoordt de lezer met ‘ja’, dan moet hij alles opnieuw lezen. Luidt zijn antwoord ‘nee’, dan mag de lezer lekker verdergaan en heeft hij het blijkbaar begrepen: het gáát niet om snappen. Sterker nog, wie het snapt, snapt het juist helemaal niet. Absurdisme speelt vaker met onmogelijke interpretaties, waarmee het onder meer hoogdravende kunst en literatuur bekritiseert. Ook Schuit heeft kritiek op van alles en nog wat. Althans, als je zijn afbeeldingen denkt te begrijpen. Foei! Dus vooruit, ondergetekende volgt het gebod en heeft het boek inderdaad opnieuw gelezen.

    Het dilemma waarmee Schuit ons opzadelt (of je snapt mijn cartoons wel of je snapt ze niet), is een vals: sommige zijn hartstikke duidelijk, andere zijn totaal willekeurig en onpeilbaar. Daarmee houdt de cartoonverzameling het midden tussen vervreemdende illustraties en humoristische schetsen. Echt controversieel of ‘alles-of-niets’ wordt Er komt altijd een ei uit geen moment. Absurdisme verliest namelijk al snel zijn verrassingselement. Als alles kan, verbaast niets meer. Vooral wanneer de begrijpelijke cartoons tussendoor de ronkende belofte op een ‘naïef, onbevangen Universum’ niet inlossen. Met andere woorden: voor zover Schuit wel te volgen valt, deelt hij op zijn best buitenissige hersenspinsels en aardige grappen. Grappen die we bovendien al kennen van andere kunstenaars, tekstdragers en vervreemders. Leuk, maar voor buikpijn en lachsalvo’s is zwaarder geschut nodig.

    De cartoons die we snappen: leuk

    Er komt altijd een ei uit roept herinneringen op aan Gummbah, Kakhiel en Wim T. Schippers. Een groot glas pindakaas, je moet er maar op komen. Maar ook gezelschapsspellen inspireren Schuits pen en potlood. In het spel Cards against humanity moeten spelers een zin waar een lege plek staat, afmaken. Degene die de lege plek met de grappigste woordgroep invult, wint de ronde. Een absolute kanshebber bij dit spel zijn dode baby’s. Schuit tekent een zwart vlak en laat een onzichtbaar personage uitbrengen: ‘Doe maar even een lichtje aan. Het ligt hier bezaaid met babylijkjes. krak krak krak.’ Van kinderen moet de cartoonist überhaupt weinig hebben. ‘De ouders: Wij zijn dolblij met de geboorte van Milan. De buren: Wij niet.’ En waarom zou je Disney niet wat zwartgalliger maken? Overreden door een raceauto betreurt Donald Duck dat zijn handen en voeten bloedend naast zijn romp liggen. Hij zegt: ‘Naast het ravotten met de neefjes ga ik rukken denk ik het meest missen.’

    Nee, Schuit bedrijft bepaald geen kinderhumor. Maar is kindonvriendelijk – en dus grof – per se grappig? Soms wel. Grotendeels voelt Er komt altijd een ei uit als schieten met hagel. Gewoon zo gek en absurd mogelijk uit de hoek komen in de hoop bij iemand een lach te ontlokken. Hetgeen dan ook sporadisch lukt. Zo heeft Ieniemienie in een dronken bui de naam Paula op haar onderlip laten tatoeëren, stuurt Schuit in een officieel bericht de letter P op ‘zwangerschasverlof’ en maakt hij een ‘groesfoto’ van alle 25 overgebleven letters. Mannen met grote inhammen of een lelijke haargrens adviseert hij: ga heel dicht tegen anderen aanstaan, dan zien ze niet dat je kalend bent. Met de ‘WC-borstelsapdrinkers’ knipoogt Schuit naar Vincent van Gogh en zijn Aardappeleters. Waarom? Geen idee. En – waarschijnlijk – wederom de verkeerde vraag van een recensent die doodvermoeiend hermeneutisch te werk wil gaan. Schuit doet het gewoon. Waarna de lezer zijn schouders ophaalt.

    De cartoons die we niet snappen: die snappen we niet

    Bestond het woord ‘random’ nog niet, dan was het speciaal voor Schuits schetsen bedacht. De zee verdient geen medaille. Wat heeft zij ooit gepresteerd? En soep… is dat nou je vriend of je vijand? Handig trouwens, dat wolken, waterkranen, peren en duiven een berenpak kunnen aantrekken. Kijk bovendien uit met je natte boterham. Plak die nooit op je buik, maar altijd op je voorhoofd, zoals iedereen. ‘We leven van stoel naar stoel en ergens onderweg sterven we.’ Bindt Schuit hier nu de strijd aan met de oprukkende zitziekte? Het zou kunnen. Het zou ook niet kunnen. Naarmate de absurde tekeningen zich opstapelen, verliezen ze aan verrassingseffect. ‘Kleur de patat in alsof het friet is’, aldus een plaatje met witte patat. Schuit lijkt zich het meest te ergeren aan de veronderstelde tegenhanger van absurdisme: pretentie. ‘Op internet gevonden quotes als eigen wijsheid presenteren is als een dikmaakpak voor de ziel.’ Want dikdoenerij, daar houdt Schuit niet van. Toch?

    Eén valkuil van het absurdisme ligt echter voortdurend op de loer. Ook Er komt altijd een ei uit trapt erin. Wie zijn onbegrepenheid cultiveert en sublimeert, maakt zijn werk onbedoeld dweepzuchtig, navelstaarderig en richtingloos. Wie continu afgeeft op alledaagse kunst en literatuur, wekt de indruk hier geen feeling voor te hebben. Of, waarschijnlijker, er niet door te zijn erkend. De makkelijke remedie? Erop afgeven met ironische, absurdistische sneren die het publiek natuurlijk ab-so-luut niet serieus moet nemen. ‘De kunstenaar heeft aan de ene kant van de lijn een ei geplaatst en aan de andere kant de afwezigheid van iets. Een fascinerend werk.’ Dan zijn Schuits tragische tekeningen toch geslaagder, omdat ze het menselijk tekort vangen. Zo zegt een hondenbezitter tegen een ander: ‘Lijkt me echt niks om in de gevangenis te zitten. Dan maar geen mensen vermoorden, denk ik dan.’ Simpel, kort en veelzeggend, in plaats van complex, vaag en nietszeggend.

    Scharrel of legbatterij?

    Er komt altijd een ei uit, die titel verwoordt perfect de scheppingsdrang van Schuit. Linksom of rechtsom, hij moet en zal iets maken. Daarom maakt de bundel geen onderscheid tussen doordachte en ondoordachte tekeningen. Aangezien Robert Schuit te boek staat als een nihilistische en zelfs anarchistische schrijver, is dat volkomen logisch. Toch maken sommige tekeningen veel meer los dan andere. En het zijn niet de absurdistische die het meest blijven hangen. Absurdisme wordt nu eenmaal al heel gauw een onnodig ingewikkelde zoektocht naar waanzin, terwijl echte waanzin iemand gewoonweg overvalt. En dat maakt absurdisme dus per definitie gekunsteld. Onecht. Schuit excelleert in zijn eenvoudige tekeningen, met droge humor. De droogste grap speelt zich af, hoe kan het ook anders, op de oceaan. De laatste zonnestraaltjes verdwijnen nog net achter het opkomende water: ‘De stijgende zeespiegel had nu ook de zon te pakken.’

    Er komt altijd een ei uit. Het ene ei wordt een prachtig kuikentje, het andere eindigt in de pan met een klontje boter, reepjes bacon en een schijfje tomaat.

     

     

  • Mystiek op zijn mooist van Mertens

    Mystiek op zijn mooist van Mertens

    Het aantal christenen neemt al eeuwenlang af. Toch blijft Maria ‘s werelds populairste meisjesnaam. Beginnend met een driepoot bovendien, want traditie komt in drieën: de trias politica, de Verlichtingsidealen, sportmedailles, de Drie-eenheid en… de vrouwelijke literaire archetypen ‘heilige’, ‘heks’ en ‘hoer’. Meer smaken zijn er niet, behoudens een paar klassieke mengvormen zoals de maagd en de femme fatale. Hoe progressief het seculiere Westen zichzelf ook vindt, de Middeleeuwse opvattingen over wat vrouwen behoren te zijn, woekeren tot op heden hardnekkig voort. Althans, als we Moeders. Heiligen van Dieuwertje Mertens mogen geloven. Deze moderne Marialegende brengt een eerbetoon ‘aan alle mogelijke moeders’. Ze plaatst hen echter niet op het mannelijke voetstuk van verafgoding en verguizing tegelijk: juist hun alledaagse lijden van moederschap, opoffering en anonimiteit verheft hen boven de man, die na drie minuten puffen negen maanden passief toekijkt. Net als de jaren erna trouwens. Opvoeden, da’s een ‘vrouwenprojectje’.

    Moeders. Heiligen barst van de symboliek, veelzeggende namen en Bijbelse intertekstualiteit. Al deze motieven ondersteunen het thema: laat de vrouw zichzelf definiëren. Ook hedendaagse literatuur reduceert haar nog altijd tot een bordkartonnen bedpartner, wat Mertens betreft. In de debuutroman volgen we Mercedes Dolorosa naar een Frans bergdorp, waar ze met vriend Amant het vakantiehuisje van zijn overleden moeder Marian betrekt. Zij reist mee in een urn. Daarnaast ontmoet Mercedes enkele dorpsgenoten, zoals oud-actrice Clémence, de Congolese vluchteling Graziella en (geloof het of niet) de Heilige Maagd Maria. Mercedes heeft problemen met Lode, haar autistische zoon. Met Jezus’ moeder, tot leven gekomen in marmer, deelt ze haar zorgen. Maria had zelf namelijk genoeg te stellen met de Vader van hun Mensenzoon: ‘Wie had al die jaren geschitterd in afwezigheid? En nu, zeker nu het hem uitkwam, kwam hij mijn zoon opeisen?’ Niet in raadsels en aforismen, maar in gewone mensentaal beschrijft Maria de smart van een vrouwenleven.

    Parodie op een paradijs 

    Een Frans bergdorp lijkt een perfect pastoraal decor. Dit gehucht in Albas is eerder anti-Arcadia, waar de fanatiekste Ik Vertrek-families voor bedanken: ‘Er is een pleintje, een verschoten Mariabeeld, een wit kerkje – ’s zomers geopend –, leegstand, veel leegstand. Lege huizen, volle graven.’ Wel signaleert Mercedes een kunstenaar: ‘Hij schildert het uitzicht en hoest: kanker of covid.’ Met cynisme geeft Mertens dit soms plechtstatige boek de broodnodige oneerbiedigheid. Bij de naburige bewoners, Clémence en François, is het beste er ook wel vanaf. Op zijn iPhone laat Amant een foto van dochter Steffie zien, uit een eerder huwelijk. Mercedes monstert buurman François: ‘Kijk die geilneef eens likkebaarden. ‘‘Une très jolie fille. Oh là là.’’’ Amant vindt het allemaal best. Dan verlekkert het drietal zich aan Mercedes: ‘Clémence prikt in mijn zij. ‘‘Wat een figuurtje. Welk dieet volg jij?’’ ‘‘C’est le régime malheureux.’’ ‘‘Is het een grap?’’ ‘‘Non, c’est sérieux.’’’ Niet voor niets luidt Mercedes’ achternaam Dolorosa, de ongelukkige.

    Mercedes is Mariadeskundige. Niet alleen promoveert ze op Maria’s verbeelding in de kunst, als jong meisje waardeert Mercedes de moeder aller moeders al meer dan de Schepper zelf. Op het katholieke koorkamp doet ze iets ‘onvergeeflijks’. Het Weesgegroet verbastert ze met het Onze Vader: ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade / De Heer is met u / U bent gezegend onder de vrouwen / Uw rijk kome / Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…’ Helaas geschiedt haar wil, en die van miljoenen andere vrouwen op aarde, zelden. Mercedes vormt hierop geen uitzondering. Door het gehele boek heen wil haar vriend Amant (wat ironisch ‘liefhebbende’ betekent) uitsluitend seks. Op zeker moment zien ze elkaar dagenlang niet. Hij belt haar ’s ochtends op en weet niets beters uit te brengen dan: ‘Hoe staat het met de borsten en het kutje?’ Dat Mercedes geen zin heeft omdat haar zoon van een ernstig delict verdacht wordt, interesseert Amant geen fluit.

    Marialegende vanuit vrouwelijk perspectief 

    De meeste Marialegendes dateren uit de twaalfde en dertiende eeuw. In deze periode konden vrouwen doorgaans lezen noch schrijven. Waarschijnlijk zijn Beatrijs en Mariken van Nieumeghen door mannen geschreven, of specifieker: door celibataire monniken. Voor schilderijen en andere kunstzinnige uitingen rondom Maria geldt hetzelfde. De mannelijke ervaring domineert en definieert haar. Vooral bij de bevalling van Jezus in Bethlehem speelt masculiene mythevorming een kwalijke rol, aldus de marmeren Maria: ‘We kunnen Bonaventura zijn gebrekkige voorstellingsvermogen niet kwalijk nemen: hij was een broedermaagd en had van het vrouwenlichaam geen benul.’ Ene broeder Suárez beweert dat de geboorte pijnloos verliep, omdat de Maagd zonder lustgevoelens zwanger raakte van de Heer. Hierover zegt Maria: ‘Vele vrouwen hebben ontvangen zonder lustgevoelens, maar ik ben niet een van hen.’ Zo onbekwaam als Amant en vele andere losers beminnen, zo extatisch, zinnenprikkelend blijkt de ontvangenis van Maria, terwijl Gods Geest over haar komt. Mystiek op z´n mooist van Mertens.

    Zelfs de moderne literatuur reduceert de vrouw tot passief, dienstbaar wezen. Zo heeft Amant een boek van Marcel Proust mee op reis. Mertens citeert een passage waarin een kind een kus van zijn moeder eist. En nog eentje. Waarop de jaloerse vader zijn echtgenote ter verantwoording roept. Mercedes smaalt: ‘We weten wat de zoon wil, wat de vader wil. Maar wat wil de moeder? De moeder bestaat om de man, de zoon te behagen.’ De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, dat in Graziella’s boekenkast staat, liegt er ook niet om. Kundera schrijft: ‘…in de liefdespoëzie aller tijden verlangt de vrouw ernaar de zware last van het mannenlichaam op het hare te voelen. De zwaarste last is derhalve het beeld van de meest intense levensvervulling.’ Ten diepste willen vrouwen dus op hun rug liggen en hun man ontvangen. De grootste leugen van het patriarchaat schuilt in de overtuiging dat de mannelijke ervaring doorgaat voor de universele, menselijke conditie. Moeders. Heiligen geeft juist de vrouw het universele gezicht en gewicht dat ze verdient.

    De moeder als lijdensfiguur 

    Alle vrouwen in Moeders. Heiligen hebben een naam die naar Maria verwijst. Clémence, Graziella, Mercedes: het betekent allemaal ‘genade’. Op hun eigen manier worstelen ze met het ongenadige leven, al delen ze één trauma. Ze zijn slachtoffer van seksueel misbruik en dragen dit voor de rest van hun leven met zich mee. Ze lijden, zij het zonder ook maar iets te volbrengen. Zonder dat er een hemelse beloning wacht. Maar voor Mercedes wordt het erger, omdat ze het vreselijke gedrag van haar zoon Lode niet in de hand heeft. Ze vreest hem, haat hem en voelt zich bij elke kwade gedachte een verrader. Moeders horen namelijk zo niet over hun kind te denken. Bovendien: heeft zij dit met haar opvoeding niet deels op haar geweten? Ze schaamt zich en had zich het moederschap compleet anders voorgesteld.

    Net als Maria, is Moeders. Heiligen verre van vlekkeloos. Mertens’ stijl knettert en zindert op elke pagina. Maar omdat ook de personages zich hoogdravend uitdrukken, klinken de dialogen lichtelijk geforceerd. Tegen de naburige kunstenaar vertelt Mercedes een vakantietafereel na: ‘Sommigen komen aapjes kijken, anderen versnellen hun pas. We besmeuren het vakantie-ideaal. (…) De A’s vallen catatonisch op hun knieën op het houten terras, of ze tellen hardop kiezels, rangschikken ze op kleur: de kleur van oude tanden, betonrot en botontkalking.’ Tegelijk contrasteert deze plechtige verteltrant met de nuchterheid van Maria, de ster van het boek. Wanneer Jezus weigert de tempel te verlaten om met Maria en Jozef terug naar huis te gaan, schreeuwt ze hem toe: ‘Ammehoela! Je komt gewoon mee.’ De Zoon van God stribbelt niet tegen: naar moeders moet je luisteren. Het wordt tijd voor hun verhaal. Amen!

     

  • Kleinkunst, maar dan groots

    Kleinkunst, maar dan groots

    Het hoogtepunt van de zondagavond? Studio Voetbal. Niet vanwege een stift, steekpass of wereldgoal. Nee, in het laatste gedeelte van het programma maakt volks vermaak plaats voor poëzie. Het Eindsignaal brengt een eerbetoon aan vergeten of ondergewaardeerde voetballers. Zelfs sporthaters voelen sympathie voor een vroeg kalende Twentenaar, verdwaalde Japanner of geliefde Ghanees, wier carrières stuk voor stuk in de knop braken. Hun grauwe nalatenschap straalt dankzij de pen van Jan Beuving, al heeft Frank Heinen inmiddels het stokje van hem overgenomen.

    Onlangs publiceerde Beuving Ruitjesblues, een compilatie cabaretteksten, die hopelijk nog lang niet het eindsignaal van zijn schrijverschap betekenen. Hij is niet de enige cabaretier die zijn optredens op schrift stelt. Ook Kees Torn, Willem Wilmink, Herman Finkers, Maarten van Rozendaal en vele anderen ‘verboekten’ hun performances.

    Hoewel kleinkunst het beste werkt op het gehoor en voor live publiek, laat Ruitjesblues zien hoe simpel en ritmisch Jan Beuving schrijft. Toegegeven, sommige verzen over de wiskunde gaan alfa’s wellicht te snel, maar zijn geloofstwijfel, humor en lieve liedjes treffen doel. Waarom? Omdat Beuving niet mikt op effectbejag. Hij observeert, onthoudt en vindt precies de juiste woorden. Bovendien meldt hij onderaan elk vers keurig voor wie, met wie en dankzij wie het kon ontstaan. Bescheiden. Te, vindt voorwoordschrijver Ivo de Wijs: ‘Dat is aardig van Jan, maar er was nooit iets van hem geworden als hij niet zo’n uniek talent had gehad en interessante voorkeuren. (…) Lees en geniet.’ Koud kunstje met zulke grootse kleinkunst.

    Beminnen, beplussen

    De titel – Ruitjesblues – viert Beuvings favoriete geometrische vorm. Een heel gedicht wijdt hij eraan, net als aan de staartdeling. Hij bemint de ruit, niet alleen op het middenveld in een 4-4-2-formatie. Beminnen, zo hebben wiskundigen nu eenmaal lief:

    Dus ik heb voor alle Mondriaanmusea passe-partouts
    En ik ga het allerliefste naar Manhattan op een cruise
    En ik kom wat hoekig over bij de eerste rendez-vous
    Want ik heb de ruitjesblues
    (…)
    Ik denk altijd weer aan Admiraal de Ruyter bij de zee
    Ik doe vlokken van De Ruijter op haast elke bruine snee
    Ik heb niks met amazones maar een ruiter is oké
    En mijn lievelingstheater is Carré

    Hierna merkt Beuving op in zijn voetnoot: ‘Jammer, maar volkomen terecht dat ik het nooit in Carré heb gezongen.’ Voetnoten worden normaal gesproken overgeslagen, maar die van Ruitjesblues typeren Beuvings vakmanschap en bescheidenheid. Lees die dus. Als raswiskundige die zijn plussen en minnen doseert, somt hij enerzijds prijzen op die hij wint met zijn verzen, waar hij anderzijds het eigen werk bekritiseert. Zo schrijft hij over Joep: ‘Jammer van die rijmstoplap ‘‘zonder schelden’’ in het laatste couplet; daar zie je aan dat ik haast had.’ Ook elke bewuste taalovertreding (om het ritme erin te houden), stipt hij eerlijk aan: ‘Hier heeft de grap het gewonnen van de grammatica, wat eigenlijk niet mag.’ Met het excuus van dichterlijke vrijheid komt Beuving niet aanzetten. Liever geeft hij een foutje toe. Een biecht? Niet overdrijven…

    Geloofd, gedoofd

    Jan Beuving komt uit Numansdorp op Goeree-Overflakkee. Het gereformeerde geloof speelt dan ook een bescheiden rol in deze bundel. Ja, ‘spelen’ is precies het juiste woord. Het gedicht Wasgegroet schrijft Beuving voor Huub Stapel, wiens katholicisme als een novenenkaars uitdooft:

    Wat doe je met die schade en die schande
    Wanneer je nooit meer op een biechtstoel zit?
    Wat is de weerklank van een mea culpa
    Wanneer je niets gelooft en niet meer bidt?
    (…)
    ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade…’
    Ik ken de tekst nog, maar de ziel is dood
    Het is nu geen gebed meer, maar een versje
    Verdwenen zijn de vruchten van die schoot

    Zelfs in de wetenschap schemert het geloof door. ’s Lands beroemdste coronaviroloog verdient eveneens een gedicht: A.O. Er komt geen eind aan zijn televisieoptredens. Niemand weet wanneer hij er überhaupt mee begón. Het gaat om Ab Osterhaus, A.O., die helaas bij lange na niet de macht van de Alpha en de Omega bezit. Beuving wil hem van de buis:

    Honderdduizenden bejaarden
    Zijn gestorven hier op aarde
    Maar die ene ligt nog steeds niet tussen alle opgebaarden!
    Laat hem in een koor gaan zingen
    Waar bacillen overspringen
    Of een dagje surfen voor de kust van Scheveningen…
    Dan geven wij hem hartelijk applaus
    Oh God, verlos ons van Ab Osterhaus

    Hebben Koopmans en Van Dissel even geluk dat hun namen minder lekker rijmen.

    Schuurpapier

    Sommige grappen doen zeer. Zo leidt de zin over Scheveningen tot een droevige mail uit Den Haag, zegt Beuving in zijn voetnoot. Toch gaat hij door met zwartgallige humor, vele cabaretiers eigen. Nerd beschrijft een orgastische wraakfantasie over een paar pestkoppen op de middelbare school:

    Het liefst zou ik die klasgenootjes op mijn passer spiesen
    En stak ik met mijn geodriehoek al hun oogjes uit
    Of sneed ik met mijn vulpenpunt de rechte bissectrice
    Van vier of vijf of zes of zeven hoeken in hun huid
    (…)
    Als ik zou willen huilde elke pestkop om zijn mamma
    En vierde ik de woede bot die steeds in mij ontsteekt
    Dan startte ik op elk van hen een onderzoeksprogramma
    Waar dat van Josef Mengele volledig bij verbleekt

    Niet elke grap schoffeert anderen. Slotlied 1 en Slotlied 2, die  over soorten sluitingen en Nederlandse kastelen gaan, doen qua taligheid en droogte denken aan Herman Finkers’ oeuvre. Het Rekenlied bevat publieksparticipatie waarin de toehoorders een getal moeten roepen dat perfect rijmt op de tweede regel. Even resoneert het lied Nederlands-Engels van Kees Torn. Uitglijders gegarandeerd:

    U slaagt voor elke som met vlag en wimpel
    Al zijn uw rekenachterstanden fiks
    De rekenles op rijm is supersimpel
    En heeft u geen idee, roep dan maar…

    X-factor

     Eerder in deze recensie staat dat Beuving nergens makkelijk wil scoren. Toch moet de lezer geregeld Ruitjesblues wegleggen met een brok in de keel. Het ís en blijft immers een blues. Het lied Gerrit bezingt de komst van boer Gerrits kleinkind. Vanwege zijn kennis over pasgeboren kalfjes voelt hij aan dat de baby het niet zal redden: ‘Als ik een kalfje heb dat zo kijkt, haalt het de avond niet.’ Een prachtig lied over natuur, kennis en intuïtie, en dat geen spoiler verdient. De grootste tranentrekker moet echter Zaterdagochtend zijn. Een kamer waar het zonlicht invalt, drie gelukkige kinderen bij papa op schoot, beschuit als ontbijt, verse bloemen op tafel. Sterker nog: het hele huis staat barstensvol bloemen en vazen. Wat een weelde. Tot het kroost snapt waarom.

    Weer eens wat anders dan grienen om Love Actually of Robert ten Brink. Wie heeft kerstliedjes of de Top 2000 nodig, als de Ruitjesblues klinkt?

     

  • Waanzinnige necrologie over Von Neumann

    Waanzinnige necrologie over Von Neumann

    Als Usain Bolt – ’s werelds snelste sprinter – een marathon zou moeten lopen, zou hij dat dan sneller kunnen dan een Ferrari? Een absurde vraag. Niemand zal ervan opkijken dat de sportwagen het traject minstens twintig keer sneller aflegt. Waarom? Kwestie van vermogen. 800 pk verslaat geen sterveling. Knap zouden we de moeiteloze overwinning van de Ferrari nooit noemen. Hoe anders is dat bij de vergelijking tussen de menselijke hersenen en Artificial Intelligence. Massa’s mensen vinden het knap dat AI homo sapiens naar de kroon steekt. Niet Simon Vestdijk of Herman Brusselmans, maar Chat-GPT schrijft tegenwoordig sneller dan God kan lezen. Schaakcomputers degraderen grootmeesters tot amateurs. Netflix en Spotify voorspellen onze muziek- en filmvoorkeur. In de roman De MANIAC laat Benjamín Labatut zien dat kunstmatige intelligentie niks met talent, intuïtie of denken te maken heeft. Een schaakwedstrijd van Kasparov tegen Deep Blue is geen gelijkwaardige één-tegen-één confrontatie, zelfs geen bovengemiddeld zware simultaanseance. Een biljoen hersenen verpletteren de denkkracht van één bescheiden mensenbrein. Brute kracht van een oneindig heelal aan gegevens tegen een begaafd individu. Goh, wie zou dat winnen?

    Toch betovert artificial intelligence vriend en vijand. Een machine die menselijke handelingen kopieert, heeft immers iets magisch. Iets kwetsbaars en eenzaams bovendien. In feite zit er natuurlijk een heel team wetenschappers achter, dat via imitatie en machine learning een ‘rekenaar’ boven zichzelf doet uitstijgen. De MANIAC laat zien waartoe zo’n team in staat is. Dit boek ontspruit echter wél aan ‘slechts’ één brein: dat van de Chileen Benjamín Labatut. Hij gaat dieper in op het leven van een van AI’s grondleggers, Janos Neumann. Aan de bekendere Brit Alan Turing zijn al vele biografieën en biopics gewijd, maar de Magyaren kennen hun eigen magiër. Met deze geweldige necrologie sleurt Labatut Neumann uit de anonimiteit. De joodse Janos vlucht naar de Verenigde Staten om uit handen te blijven van de nazi’s. Daar werkt hij onder meer mee aan de atoombom. Eenmaal genaturaliseerd wordt de Hongaarse wiskundige omgedoopt tot John von Neumann. Een maniak met vele gezichten.

    Monomaan, scherp, egoïstisch

    Labatut kiest ervoor vanuit meerdere perspectieven te vertellen over Von Neumann. Hier en daar dikt hij een feitje met fictie aan om zijn docu-roman van sjeu te voorzien. In verfrissende registerwisselingen ontstaat het beeld van een veelzijdig, feilbaar mens. Nooit spreekt de hoofdpersoon zelf. Voortdurend verrast Labatut met boeiende personages die elk oogpunt geloofwaardig maken. En leesplezier geven. Janos’ echtgenotes blikken terug op hun tumultueuze huwelijk met de Hongaar. Ook Eugene Wigner, dochter Marina, leraar Gábor en vele vakgenoten herdenken Von Neumann, die aan kanker bezwijkt. Stuk voor stuk bewonderen Janos’ kennissen zijn kennis, denkkracht en genialiteit. Als twintiger wordt hij reeds hoogleraar wiskunde. Op congressen brengt hij gerenommeerde wetenschappers in verlegenheid met bondige, vernieuwende inzichten. Zijn honger naar kennis kent geen verzadiging, aldus makker én Nobelprijswinnaar Eugene Wigner: ‘Ik heb hem ooit twee boeken mee naar de wc zien nemen, uit angst dat hij het eerste uit zou hebben voordat hij klaar was. (…) geen van mijn intelligente vrienden had zo’n snelle en scherpe geest als Janos von Neumann.’ Scherp als een tweesnijdend zwaard creëert zijn brein kansen en gevaren.

    Altijd denkt Janos verder, haast ziekelijk: ‘Het is niet de uitgesproken perverse destructiviteit van één specifieke uitvinding die gevaar creëert. Het gevaar is intrinsiek. Vooruitgang valt niet te genezen.’ Welke vooruitgang? Het apparaat waarop deze recensie over De MANIAC ontstaat, zou er zonder Von Neumann niet zijn geweest. Het beeldscherm waarop u dit leest evenmin. Zijn gedroomde computer doopt hij tot de MANIAC: Mathematical Analyzer, Numerical Integrator And Computer Model. Hij mikt hoger dan de Giganten ooit durfden. Zijn grootheidswaan drijft vrouwen Klara en Mariëtte geregeld tot waanzin. Zo wil hij het weer beïnvloeden met waterstofbommen die stadsgrote tyfoons en orkanen van koers moeten doen veranderen. Gelukkig komt het nooit tot zo’n levensgevaarlijk experiment. Bijna al zijn uitvindingen doet hij aan het Institute for Advanced Study in Princeton. Aangezien geen levende ziel in de jaren ’50 de gevaren kent van radioactieve straling, sterven velen aan kanker. Voor Neumann maakt de ziekte geen uitzondering. Hij die zijn liefde verklaart aan Kennis en voor haar leeft, sterft dankzij kennisgebrek. Ironie die pijn doet van schoonheid.

    Gospel over het Go-spel

    Aan het einde van zijn leven vlucht Janos in religie, het makkelijke medicijn dat hij in goede gezondheid verkettert. Het besef dat de aarde een grens kent, kan hij niet verkroppen: ‘Te langen leste beginnen we de effecten van de eindige, daadwerkelijke omvang van de aarde op een kritieke manier te voelen.’ Tot veler verbazing verandert Janos in een geesteswetenschapper die de rauwe exactheid van de natuurwetenschappen niet langer interessant vindt. Plotseling troost het hem dat kunstmatige intelligentie voorlopig mooi niet op ons, de kroon der schepping, zal lijken: ‘Hij zei dat die [machine] zou moeten groeien, niet gebouwd worden. (…) En hij zei dat hij zou moeten spelen als een kind.’ Wat hem betreft, scheidt dat de levende wezens van machines, die nooit spelen. Spelen is in feite niets meer dan een bewuste, spontane afwijking van verwachtingen, gewoon omdat het kan. Daar hebben mensen en dieren soms zomaar zin in, dus dan gebeurt dat simpelweg. En Labatut speelt na Janos’ dood vrolijk door met een smakelijk toetje over hét Aziatische bordspel bij uitstek: Go.

    Schaken brengt een schier oneindige reeks van spelverlopen voort. Het spel van koningen en koninginnen geeft met 8 bij 8 vakjes de mogelijkheid tot biljoenen wedstrijdvariaties. Veel, zegt u? Zijn oosterse concurrent Go rekt het begrip ‘oneindigheid’ pas echt op. Een Go-spel bestaat uit een leeg speelveld van 19 bij 19 vakjes, die steentje voor steentje gevuld moeten worden. Aantal mogelijke variaties: googolplex. Dat getal is zo idioot groot, dat er niet genoeg atomen in het universum voorhanden zijn om dit nummer in decimalen uit te schrijven. Een perfect speelveld, dus, voor de AI-tool AlphaGo, bedacht door de Cypriotische Brit Demis Hassabis. De epische uitweiding tussen wereldkampioen Go, Lee Sedol, en deze monstermachine, leest weg als een ouderwetse kickboksvijfkamp. Vijf onderlinge confrontaties, waarin vuriger dan ooit voor de underdog wordt geduimd. De metafoor van de menselijke hardloper tegen de bloedrode sportwagen zou een te rooskleurige afspiegeling zijn van de kansverhoudingen. Dan geschiedt het wonder, een meesterzet:

    ‘… één op de tienduizend menselijke spelers zou hem overwogen hebben. Daarom kon AlphaGo niet omgaan met Lee’s wigzet: hij stond te ver af van de menselijke ervaring, zelfs voorbij waar AlphaGo’s schijnbaar grenzeloze capaciteiten konden reiken.’

    Geen magisch-realisme, maar reële magie

    Wel vaker wordt over wetenschappelijke ontdekkingen gezegd dat ze magie dichterbij brengen. Van zelfrijdende auto’s en hologrammen tot gebouwen producerende 3D-printers. Niet te bevatten, haast. Toch zijn ze net zo echt als de ogen waarmee we ze aanschouwen. Juist omdat deze roman erin slaagt niet in de val van al te futuristische sciencefiction te trappen, blijft hij continu boeien. Sciencefiction hoeft zich niet altijd eeuwen in de toekomst af te spelen. Het gebeurt hier, voor onze neus. Voor Von Neumanns neus ook. Hij haatte het Go-spel, trouwens. Menig bord sneuvelde onder zijn toorn. En of Labatut dit detail nu verzonnen heeft of niet, maakt geen verschil. Met zijn fantasie levert hij ons een écht magische ervaring: De MANIAC.

     

     

  • Goed, hè?

    Goed, hè?

    Sommige boeken bereiken het tegenovergestelde van wat ze proberen. Neem de ‘openhartige’ biografie van Patrick Kluivert, die eindelijk het ware gezicht van de oud-spits zou tonen. Het charmeoffensief resulteert in een beschamend interview met Wilfried de Jong, die de voetballer in verlegenheid brengt. In 1995 rijdt Kluivert namelijk een theaterdirecteur dood en pas twee dagen voor publicatie van de biografie (2006) neemt hij contact op met diens familie. Elf jaar later. Weg oprechtheid. Denk ook aan het levensverhaal van de ‘sympathieke’ Erica Meiland. Zij wordt voor xenofoob versleten, na een vergelijking van moslima’s met pinguïns. En wat te denken van Lale Güls debuutroman? Sinds het verschijnen van Ik ga leven wordt haar bewegingsvrijheid drastisch ingeperkt door intimidaties. Dat is geen leven. Exact dit averechtse effect heeft ook De Liefdader van Stasio Komar.

    Het verhaal moet voelen als de genadeloze ontmaskering van een Nederlandse weldoener in Brazilië. Het wordt een slap aftreksel van Multatuli’s Max Havelaar. Hoe komt dat? Alle elementen lijken aanwezig voor een nietsontziend relaas over een favela-viespeuk. Op het eerste gezicht, althans. De ondertitel van De Liefdader luidt ‘Een roman die een stem geeft aan hen die zwijgen’. Op de voorkaft blikken twee schichtige kereltjes door een sleutelgat, als in een Juliana Fonds-reclame. De lezer moet nu denken: ‘In dit boek gebeuren heel, heel duistere dingen.’ Dat is ook zo, maar de ernst wil maar niet beklijven door cruciale keuzes van de schrijver in stijl, inhoud en genre.

    Rio de genre

    Komar begint zijn verhaal met een DISCLAIMER, in kapitalen: ‘Personages, locaties, voorwerpen, sferen (…) in deze roman zijn fictief. Identificatie met bestaande personen, plaatsen of situaties is geheel toevallig.’ Dat Komar zelf hulpprojecten opgezet heeft in Brazilië, staat dus volledig los van de misstanden in zijn boek. Tegelijk bevat De Liefdader achterin een Braziliaans-Portugese woordenlijst en een overzicht van locaties, personages en organisaties. Voortdurend schippert de schrijver tussen lyrische, bedwelmende fictie en objectieve non-fictie. En nee, hier is geen sprake van een bewust postmodern spel dat het spanningsveld tussen beide aftast. De waarheid gaat ons lezers vol in ons gezicht slaan, belooft Komars motto: ‘De waarheid is een jas: wie hem niet past, beschuldigt de kleermaker.’ En terecht… Kleermaker Komar begaat immers flink wat weeffouten.

    De schrijver is bloedserieus, maar blijft worstelen met de vraag welk genre zich voor zijn verhaal leent. Een documentaire? Een reportage? Een roman? Wie schandalen onthult, verdient altijd respect. Zo ook Stasio Komar. Maar wie het zo belangrijk vindt de waarheid boven tafel te krijgen, kan dat het beste onomwonden of met messcherpe satire doen. De Liefdader laat beide na. Het boek is soft, dus zouteloos. Wijdlopig, dus saai. Onbewust over de schrijvers vooroordelen, dus pijnlijk.

    Via ik-persoon Julian Udazkovski brengt de auteur het kindermisbruik van weldoener Arno Burgers aan het licht. Vooral de jongens in de straatarme favela’s zijn niet veilig voor Burgers. Komar, zelf journalist van beroep, propt zijn boek echter vol met overtollige beschrijvingen die voor journalistieke precisie moeten doorgaan. Ze ergeren vooral. Doordat het boek slordig meandert van feit naar fabel en verhaal naar verslag, wiegen Komars woorden ons in coma. Dan wordt wakker schudden met de waarheid vrij lastig.

    Bijvoeglijke naamwoorden

    De auteur verwart raak observeren met heel veel informeren. Aan het begin van elk hoofdstuk hangt er weer een andere sfeer. Die moet steeds expliciet beschreven worden. En nadien worden uitgelegd. Op pagina één reeds dreigt een omineus onweer, het voorteken voor rampspoed: ‘Vanaf de oceaan breidde een dek van bewolking zich snel uit in de richting van de stad. Grijze wolken sloten zich aaneen en de opgestoken wind joeg de duisternis naar het vasteland. In de verte zigzagden al bliksemschichten. De zinderende lucht verbond zich met het water. De golvende spiegel ving miljoenen deeltjes. Verblindende flitsen volgden elkaar met steeds kortere tussenpozen op. Ineens was er een lange grafiekvormige bliksem die de hemel spleet. De eerste donderslag liet niet lang op zich wachten. Een paar aarzelende druppels spatten uiteen op de stoffige ruit.’ Dit belooft weinig goeds.

    Op diezelfde pagina is de broeierige warmte rondom Rio de Janeiro viervoudig voelbaar, waarna de lezer beseft: dit wordt vijfhonderd pagina’s lang zweten en ploegen. Als het taalkundig mogelijk was geweest, dan had De Liefdader meer bijvoeglijke dan zelfstandige naamwoorden gehad: ‘Passerende auto’s veranderden het stoffige wegdek in een vieze brij.’ Kleine jongens in een opvangcentrum klappen mee met de muziek van de juf en doen dat ‘met hun handen’. De doorbrekende zon is ‘stoffig’. Kan dat überhaupt? Wat te denken van deze vergelijking, waarin Burgers zijn eigen stichting moet beoordelen: ‘Burgers keurde niet alleen zijn eigen vlees, hij mestte het ook nog vet, sabbelde er een tijdje aan en stuurde het dan naar zijn eigen abattoir.’ Oké, hij deugt inderdaad voor geen cent. Maar hoe zit het met die integere, nietsvermoedende Julian Udazkovski zelf?

    Goede inborst of borstklopperij?

    Zoals gezegd claimt deze roman een stem te geven aan wie zwijgen. Als Komar daarmee verwijst naar de misbruikte favela-kinderen, dan is de claim volkomen leeg. De enigen die uitgebreid focaliseren en dus een stem krijgen, zijn een alwetende verteller en Julian Udazkovski. Als mogelijk evenbeeld van Stasio Komar moet deze journalist natuurlijk uit de bus komen als de good guy. En dat Arno Burgers een hond van een vent is, moge duidelijk zijn. Wanneer deze zijn walgelijke gedrag richting een jonge bedelaar tentoonspreidt, biedt Julian wel heel weinig tegengas. Het blijft bij ‘Je gaat wel speels met die jongens om, hè?’ Omgekeerd geldt voor De Liefdader: is dit niet veel te soft? Los daarvan verdienen Julians omschrijvingen van de lokale bevolking pas echt hoongelach en afkeer. Naar het schijnt, hekelt Julian de exotisering van Braziliaanse jongeren. Zijn woordkeuze verraadt toch een andere houding.

    Continu struikelt de lezer over Julians ongelukkige formuleringen als ‘tengere jongetjes’, ‘straathandelaartjes’, ‘donkere gestalten’ en meer neerbuigende termen. De auctoriale verteller maakt het nog bonter: ‘wulps’ als de misbruikte meisjes zich bewegen, ‘weten ze uitstekend hoe ze mannen gek moeten maken’ en hebben ze ‘precies de leeftijd waarop hun kleine billen nog lekker zijn’. Dit soort kapitale blunders had Komar kunnen voorkomen door te kiezen voor een personaal vertelperspectief. Dat plaatst je écht in de hersenpan van een praktiserend pedofiel. Door deze keuze niet te maken en de pedofilie afstandelijk doch feitelijk te willen omschrijven, kan Komar zich geen subjectiviteit veroorloven. Helaas gebeurt dat wel met een onvervalst verlekkerde male gaze; het misbruik klinkt onbedoeld erotisch. Au. Dit kan toch nooit de bedoeling zijn van een roman die beweert onrecht aan te kaarten?

    Compliment voor Komar

    Komar stelt zichzelf hetzelfde doel als Peter R. de Vries en Kees van der Spek: onrecht en misdaad bestrijden. Desnoods als machteloze eenling. Van dat soort mensen kunnen er nooit genoeg zijn. Dat is en blijft nobel aan Stasio Komar. Al had De Liefdader meer effect gehad als non-fictieboek. Bijvoeglijke naamwoorden en lyriek gaan moeilijk samen met misbruikpraktijken in Brazilië. En al helemaal als die tierelantijntjes het schandaal overschreeuwen.

     

     

  • Hij is niet hier, hij is niet daar… hij is naar Armorica

    Hij is niet hier, hij is niet daar… hij is naar Armorica

    Een boek dat zowel bankhangers als backpackers verblijdt, verschijnt zelden. Satori in Parijs (1966) krijgt het voor elkaar. In deze roman combineert Jack Kerouac traagheid en verstrooiing met reislust en soul searching. Het is het schriftelijke evenbeeld van slow tv als Verborgen verleden en Rail away, maar ook een intercontinentale zoektocht van een man naar ‘zichzelf’. De Amerikaanse auteur met Frans-Canadese ouders duikt in de familiegeschiedenis van zijn Bretonse voorgeslacht. Tien dagen trekt hij voor de reis uit. Tijdens de Parijs-Bretonse odyssee stuit hij op een man met dezelfde achternaam: Lebris de Kervoac. Toeval en trein leiden de Amerikaan echter terug naar Parijs: ‘een plek waar je ’s nachts echt kan rondwandelen om te vinden wat je niet zoekt.’ Langzaamaan verandert Jack in het archetype van de lachwekkend verdwaalde toerist. Satori in Parijs leest als pure satire.

    Het Japanse woord ‘satori’ betekent ‘begrijpen’. Volgens zenboeddhisten wordt dit consequent verkeerd vertaald als ‘plotselinge verlichting’ van lijden. Vooral niet-ingewijde westerlingen verwarren de term nogal eens met de vervulling van hun verlangens. Ook Kerouac begaat deze mispeer, nota bene op pagina één. Dit heeft verstrekkende gevolgen; vanaf het begin is zijn onderneming tot mislukken gedoemd. Wie zichzelf verdooft, verblindt zijn zintuigen. Dat doet hij zoals auteurs in Parijs al deden rond het fin de siècle: zuipend, zwervend en zwelgend. Continu bevraagt Kerouac daarbij het eigen schrijverschap, zijn onzekerheid op het papier morsend. Logischerwijs verdwijnt het aanvankelijke doel naar de achtergrond. Jack wil terug naar Amerika: ‘Ik had al heimwee. (…) naar Tampa, Florida, ben ‘k net zo klaar als de dikste koteletten in de goeie oude Winn Dixie-supermarkt, lieve God!’ Misschien zeggen onze wortels helemaal niet zo veel over onze identiteit.

    The (not very) quiet American

    Henry de Montherlant, Kerouacs inspirator tot de Franse reis, schreef ooit het boek De eenzame reiziger is een duivel. Hierop vormt Jack geen uitzondering. Over het Parijse pension waar hij uitcheckt, zegt hij: ‘Er werd me niet in alle toonaarden gesmeekt om nog eens terug te komen.’ Voor de toerismebranche is hij een gruwel: hij heeft luidruchtige seks in zijn kamer, brabbelt met dubbele tong na een dozijn cognacjes tegen wildvreemden én veroorzaakt een vliegtuigvertraging. Vlak voor opstijgen moet hij namelijk echt even plassen in de vertrekhal. Want ja… al die drankjes, hè? Toch lacht de lezer in zijn vuistje. Terwijl Jack zijn koffer het toestel in ziet kruipen, wordt de drinkebroer de toegang ontzegd.

    Ook in de trein, waar hij dan maar mee naar Brest rijdt, laat Jack zich gelden. Wanneer de conducteur de halte Saint Brieuc aankondigt, corrigeert de Amerikaan zijn uitspraak vier keer met: ‘Saint Brieuck!’ In Brest slaat de Bretonse nuchterheid hem eindelijk in het gezicht. Jack denkt goede sier te maken door in plaatselijk dialect een caféuitbater te verbluffen: ‘‘Daar is het toilet, eerste rechts.’ ‘La Poizette, hè?’ schreeuw ik. Hij kijkt me aan met die blik van: ‘Ga naar de wc en hou je bek.’’

    Niettemin leidt Kerouacs talige obsessie tot boeiende terzijdes, vooral bij de herkomst van zijn achternaam. Dan wendt hij zich ineens tot de lezer: ‘Zeg je dat ik een snob ben? – Ik wilde alleen maar uitzoeken waarom mijn familie haar naam nooit heeft veranderd en zou daar wellicht op een verhaal stuiten, dat ik zou kunnen herleiden naar de bron in Cornwall, Wales, en Ierland en misschien Schotland om er helemaal zeker van te zijn, en dan op naar Canada, naar de stad bij de rivier St. Lawrence waar, zoals ik heb gehoord, een Seigneurie was en dus kan ik daar gaan wonen (samen met mijn krombenige Frans-Canadese verwanten die dezelfde naam dragen) en nooit belasting betalen!

    Held met deuren op slot

    Inderdaad blijkt Kerouac zo Amerikaans als een Colt.45. Hij bezit nog geen duizendste vezel van de Breton die hij in zichzelf hoopte te ontdekken. Zoals hij zelf zegt: ‘lafhartig en verwaterd door twee eeuwen Canada en Amerika.’ Tijdens een nachtelijke omzwerving in Brest ontloopt hij de enge ‘apaches’ in de steegjes. Achteraf kan hij er smakelijk om lachen: ‘Wat makkelijk om daar grapjes over te maken terwijl ik dit op 6000 kilometer afstand opschrijf, veilig thuis in het oude Florida met de deuren op slot.’ Noemt hij zichzelf hier een toetsenbordterrorist avant la lettre? ‘Kortom, deze bevreesde en vernederde stomkop brulboei schurkenschurker afstammeling van de mens.’ Kerouac speelt met zijn zelftwijfel door zijn schrijfstijl navenant te laten weifelen. Geregeld vertraagt hij het ritme met gedachtespinsels tussen haakjes, liggende strepen, komma’s, vragen, of alles tegelijk:

    ‘Glorie, immer, maar voorbij, we maken een praatje – (Opnieuw, beste Amerikanen uit mijn geboorteland, in morsig Frans, in deze context vergelijkbaar met het Engels dat in Essex wordt gesproken): – Ik: – ‘‘Ah, sieur, shite, nog een cognac.’’ ‘‘Astu, mighty.’’ (Een woordspeling op matey, maat, en laat me je nog één vraag stellen, lezer: – Waar anders dan in een boek kun je terug om op te pikken wat je hebt gemist?)’ Wat de schrijver ons in elk geval laat missen, is duidelijkheid. Nagenoeg elke zin zou immers ironisch opgevat kunnen worden.

    ‘Waarom het uithoudingsvermogen van de lezer op de proef stellen?’ Omdat Kerouac daar zin in heeft. Net als in tirades, die niet te serieus moeten worden gelezen. Toch? Zo bezoekt Kerouac zijn uitgever in Parijs. In de blikken van alle daar aanwezige vrouwen leest hij slechts één ding: minachting. Hij verwoordt als het ware hun gedachtes, waar het zuur vanaf spat: ‘Kerouac? Ik kan tien keer zo goed schrijven als die beatnik-maniak en dat zal ik bewijzen met dit manuscript hier getiteld Silence au Lips over hoe Renard de foyer in loopt terwijl hij een sigaret opsteekt en weigert de trieste vormeloze glimlach te zien van de plotloze lesbische heldin wier vader net is overleden terwijl hij probeerde een eland te verkrachten in de slag van Cuckamonga.’ In dit lichtvoetige boek vallen zulke passages vol vitriool flink uit de toon. Maar soit, het anti-woke-gezeur schijnt tegenwoordig goed te scoren. Gooi het eruit, Jack!

    Saters beleven geen ‘satori’

    Kerouac wijdt zijn leven te zeer aan Bacchus om een zuivere ‘satori’ te beleven. Voortdurend zit hij achter vrouwen aan en bezat hij zich. Hij leeft, kortom, als een sater, die de roes der verdoving wil ervaren: ‘Mijn manieren, soms abominabel, kunnen charmant zijn. Met het klimmen der jaren werd ik een zuiplap. Waarom? Omdat ik van de extase van de ziel hou. Ik ben een wrak. Maar ik hou van de liefde.’ Met ‘satori’ heeft dit alles bitter weinig te maken. Wel wordt met het wassende alcoholgebruik zijn zoektocht lastiger en lastiger te voltooien. Het antwoord over zijn toch wat schrale herkomst staat in het nawoord van Pauline Bock. Dat Kerouac deze teleurstellende ontdekking nooit heeft gedaan, is mogelijk de belangrijkste bestaansreden voor Satori in Parijs. Wie weet dat hij aan het einde van zijn weg geen klomp goud vindt maar een ordinaire querulant, begint niet eens aan zijn queeste. En dan te bedenken dat Kerouac oprecht geloofde van Bretonse adel af te stammen. Noblesse oblige. Adelheid verplicht, maar daarvoor is dit boek te licht.

     

  • Beter een goede broer dan een verre vriend

    Beter een goede broer dan een verre vriend

    ‘Hij had daar nooit mogen weggaan.’ Met deze spijtbetuiging eindigt het boek De lastige liefde van Walter van den Broeck. ‘Daar’ is het Vlaamse Olen, vlakbij Turnhout. ‘Hij’ is Jules, Walters dertien jaar oudere broer. Als naoorlogse gelukszoeker vertrekt Jules in 1950 naar de Verenigde Staten. Opa Peter Jules, die daar al woont, onthaalt hem. Eenmaal verhuisd naar Mexico trouwt Jules met Olga Siqueiros, nichtje van de muralist David Alfaro Siqueiros. Dochters Lilli en Yvette zien het levenslicht. Bovendien wordt Jules een succesvol zakenman. Terwijl de oudere generaties bekvechten over zijn spilzucht en veelwijverij, laat Walter zijn broer lekker aanmodderen. Regelmatig schrijven en mailen ze heen en weer en bezoekt de verloren zoon zijn Vlaamse familie. In december 2021 voor het laatst, per grafkist, 93 jaar oud geworden. De woorden ‘Ik mis je’ vallen niet één keer.

    In De lastige liefde staat de ontworteling centraal van Walters geliefde broer Jules. De schrijver kiest voor Lilli, Jules’ dochter, als verteller. Vanwege haar poëtische aanleg wemelt het van de smaakvolle metaforen. Dat neemt helaas niet weg dat sporadisch een andere, verdacht mannelijke stem de hare verdringt, zelfs als zij aan het woord is. Vooral op haar vaders buitenechtelijke seks reageert Lilli opvallend lacherig, zoals met de typering ‘libidonosaurus’. Jules’ wispelturigheid maakt van De lastige liefde een wispelturig boek. Dat een gedicht van Guido Gezelle het hoogtepunt vormt, zegt eigenlijk alles.

    Nergens thuiskomen

     Zoals zo veel migranten zit Jules van den Broeck in een spagaat. Hij voelt zich Mexicaan noch Vlaming. Tijdens vakanties in België merkt hij dat zijn vaderland onherkenbaar veranderd is sinds zijn vertrek, zowel cultureel als optisch. In Mexico verschanst hij zich met zijn gezin steeds vaker in zijn villa te Cuernavaca, buiten Mexico-Stad. Lilli ziet haar vader lijden: ‘Dad vroeg zich weleens af of hij er eertijds niet beter aan had gedaan niet op Great Grand Dads voorstel in te gaan. Hij speelde met de gedachte terug te keren naar België, maar die hield hij maar heel even vast. Hij zou nooit nog kunnen wennen aan ‘reglementen’. Bovendien: wie kende hij daar nog?’ Hoe meer Jules zich terugtrekt, hoe meer hij gaat ‘achtentachtigen’, zoals Lilli het gesmoorde, Vlaamse gescheld van haar vader noemt.

    Van de landgenoten in Mexico moet Jules al helemaal niks hebben: ‘Ach, de Vlamingen in Mexico. Je hoeft hun pakken maar te bekijken en je merkt dat ze die in 1950 samen met hun onderdanigheid uit hun vaderland hebben meegebracht.’ Nee, hij kiest voor brutaliteit, jovialiteit en een royale levensstijl. Vandaar het grote landhuis in Cuernavaca. De vraag of hij hier ooit echt gelukkig wordt, beantwoordt Lilli via een interessante parallel. Zowel ‘Cuernavaca’ als ‘Turnhout’ betekent ‘toren in het bos’, respectievelijk in het Nahuatl (Cuauhnahuac) en in het Oudnederlands. ‘Zou Uncle Walter dan toch gelijk hebben met zijn ‘het is overal Turnhout’, de boutade waarmee hij zijn honkvastheid rechtvaardigt?’ Van deze honkvaste oom is het des te verrassender dat hij zichzelf tot personage in het boek maakt en in plaats van zichzelf zijn nichtje als verteller opvoert. Dit gebeurt overigens met wisselend succes.

    Het nichtje spreekt. Toch?

    Dochter Lilli reconstrueert het leven van haar vader. Dit doet ze onder meer met het intensieve schrijf- en mailcontact tussen familieleden. Ondertussen werkt zij zich op tot gerenommeerde dichteres, recensente en essayschrijfster. Met prachtige metaforen komt haar talent in het boek tot uiting. Zo noemt zij de door smog verpeste lucht boven Mexico-Stad ‘erwtensoep’. Wanneer American Airlines verliezen lijdt, wordt de maatschappij ‘vleugellam’. Het contact in de jaren ’50 tussen Jules, zijn vader en opa verslechtert: ‘De trans-Atlantische correspondentie tussen de VS, Mexico en België verwaterde zienderogen.’ Als Lilli, vlak na haar moeder, een knobbeltje in de borst voelt, begint Jules ‘te achtentachtigen, deze keer met genoeg tranen om het huis te dweilen.’ Ook het feit dat ze zich los weet te maken van haar waardeloze echtgenoot Michel Mawad, onderstreept haar kracht. Desondanks houdt de geloofwaardigheid van haar vertelperspectief geen stand. Jules gaat vreemd, en niet zo zuinig ook. Weliswaar behandelt zijn dochter dit hoofdschuddend, écht kritisch wordt ze nooit.

    Zelfs als Olga amper een jaar onder de zoden ligt en Jules al twee dames het bed in kletste, zegt Lilli: ‘Nee, hij was nog lang niet uitgedoofd, onze libidonosaurus. Het zou mij niet verwonderen mocht Carmen niet de laatste schoonheid zijn die hij aan de haak sloeg.’ Bij vlagen klinkt het machogebral ronduit jaloers: ‘Toen ik later doorkreeg dat Dad zijn gerief buitenshuis zocht, gebruikmakend van zijn niet-afnemende charme, hield mijn woede daarover ongeveer drie minuten aan. Daarna probeerde ik afstandelijk te zijn tegenover hem, maar dat duurde drie dagen. De schurk! Hoe deed hij dat toch?’ Tijdens een Belgisch tv-interview flirt Jules met de presentatrice: ‘de bloedmooie vrouw met magische, blauwe ogen bleek zeer door hem gecharmeerd. He did it again, the rascal.’ Bij leven vertrouwt Olga Lilli toe niet te vrezen voor een breuk, want: ‘Lief kind, wat ik in bed kan, dat kan geen enkele hoer ter wereld.’ Zijn hier vrouw en dochter aan het woord? Of is dit die typische, klassieke mannentaal die – zoals men in Vlaanderen zegt – ‘op café’ gebezigd wordt? De oneliners klinken als stijlbreuken van een man die vergeet de taal van een vrouwelijk familielid te spreken.

    Guido Gezelligheid

     Al dat fallische machtsvertoon doet snakken naar een scheutje bescheidenheid. Gelukkig zorgt Van den Broeck met Vlaamse couleur locale voor mislukking, vergeefsheid en humor. Drankmisbruik, Vlaamse grauwheid en passief-agressieve opmerkingen in familiekring roepen het beeld op van Reetveerdegem, dat depressieve hol in De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. Ordinaire geldruzies zijn de grootste splijtzwam. Peter Jules voelt zijn levenseinde naderen. Vanuit de VS stuurt hij duizend dollar aan zoon Robert (vader van Jules en Walter). Bij de cheque zit een begeleidend briefje: ‘Robert, ik hoop dat ge met dat innen zult wachten tot ik dood ben.’ Robert reageert gallisch. Dat accepteert Peter Jules dan weer niet. Lilli blikt terug: ‘Ziedend schreef hij toen het venijnigste briefje dat hij hem ooit had geschreven. Het begon met: ‘Als ge niet eens meer tegen een grapje kunt…’ Het eindigde met: ‘… daarom schrap ik u uit mijn testament.’’ Was sich liebt, das neckt sich.

    Heel even doorbreekt de auteur het cynisme op een poëzieavond bij Olga Siqueiros thuis, een ‘vrouwenhobby’ volgens Jules. Nu Lilli’s jeugdvriendje Edwin op bezoek is in Mexico, maakt hij een uitzondering. Hij declameert het Vlaamse vers Moederken van Guido Gezelle. Voor de Spaanstalige toehoorders totaal onverstaanbaar, doch – naar later blijkt – onweerstaanbaar: ‘Toen klapte hij het boekje dicht en ging het met een betraand gezicht gauw weer opbergen.’ Ook de lezer houdt het nauwelijks droog bij Gezelles eerbetoon aan de moeder, waarbij het Ave Maria verbleekt. Dit opvallend gevoelige fragment komt uit de lucht vallen. Het had de voorbode kunnen zijn van oprechte, mannelijke kwetsbaarheid. Zoals alle amoureuze veroveringen van Jules, blijkt deze bevlieging echter niet meer dan een sentimentele oprisping. In De lastige liefde is de liefde inderdaad lastig. Maar niet onmogelijk. Vooral niet tussen twee broers die een oceaan van elkaar verwijderd zijn.

     

  • In memoriam Milan Kundera 1929 – 2023

    In memoriam Milan Kundera 1929 – 2023

    Sommige teksten hoopt een mens nooit te hoeven schrijven. Verliezen we een dierbare en willen we daar iets over kwijt, dan doet elk woord, elke letter afbreuk aan wat we werkelijk willen zeggen. Desondanks schreven mijn broer, zus en ik een afscheidsrede aan onze vader, vorig jaar oktober. Precies op zijn zestigste verjaardag, na een wekenlang ziekbed, overleed hij aan kanker. 

    Een paar dagen geleden, 11 juli, stierf hij opnieuw: zijn favoriete schrijver, Milan Kundera, overleed namelijk in Parijs. Veel van mijn vaders romans heb ik overgenomen, bijna de helft daarvan door de Tsjech geschreven. Bovendien bespraken we vaak zijn werk, mits het over literatuur ging. Zulke gesprekken… dat zat er de laatste maanden van zijn leven niet meer in. Nee, ik bespeurde bij mijn vader een fenomeen dat Milan Kundera over de Tsjechische landsgrenzen heen de wereld in slingerde: litost

    Iedere taal kent zijn eigen onvertaalbare begrip en draagt dit met trots uit. Het Nederlands kent ‘gezellig’, het Deens ‘hygge’, het Portugees ‘saudade’. Het Boheemse ‘litost’ betekent volgens Kundera: een vlaag van verstandsverlichting (over dat ‘licht’ straks meer, zoals u wel zult hebben geraden), die ons onze diepe verlatenheid doet beseffen en gevoelen. Pijn lijden, omdat we weten dat we verloren zijn. Hierover schreef Kundera in Het boek van de lach en de vergetelheid. Diezelfde radeloosheid zag ik in de ogen van mijn dappere, lieve vader. De herinnering daaraan maakt langzaam plaats voor een karaktertrek die hij deelde met de romancier: lichtvoetigheid. 

    Luidruchtig lezen

    Absurdisme en humor, daar zat Kundera’s werk vol mee. Denk aan Het leven is elders, waarin hoofdpersoon Jaromil alleen door te gelóven dat hij een groot dichter hoort te zijn, zichzelf de dood in jaagt. Ook Lachwekkende liefdes, De grap en Het feest der onbeduidendheid nopen de lezer er regelmatig toe het boek weg te leggen van de lachstuipen. Luidruchtig een boek lezen, het kan met Kundera. Een ander kenmerk van Kundera’s oeuvre is zijn voorliefde voor de paradox. Nu wordt deze term wel vaker lukraak van stal gehaald, als er slechts sprake is van een duffe tegenstelling. Bij Kundera versterken de binaire opposities elkaar. Wie kent niet zijn wereldberoemd geworden De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, waarvan de titel alleen al een vuistdikke analyse verdient?

    Maar ook zijn essaybundel Het doek bevat er genoeg. Zo blikt hij terug op de zoveelste politieke crisis in communistisch Tsjechië: ‘We lachten onbedaarlijk. Wat onze lachlust opwekte was de smakeloosheid van de geschiedenis.’ In de verhandeling richt Kundera onder meer zijn pijlen op ‘agelasten’: mensen die nergens meer om kunnen lachen. Wie nergens meer om kan lachen, ziet immers evenmin ergens de ernst nog van in, behoudens zijn eigen gelijk natuurlijk. Tegelijk bedankt hij hen: ‘Hun bestaan geeft het komische zijn volle betekenis, laat zien hoezeer het een gok is, een risico, en onthult de dramatische essentie ervan.’ Die essentie was banaal, vluchtig, maar het kostbaarste wat een mens heeft. Waarom streeft hij anders naar onsterfelijkheid?

    Komisch sterven

    In 1990 schrijft Kundera warempel Onsterfelijkheid. Hierin streven meerdere personages ernaar onsterfelijk te worden. Begrijpen zij dan niet dat hun vereeuwiging pas écht begint bij hun heengaan? Eén manier om te sterven lijkt de Tsjech fantastisch: op een komische manier. Schlemielig. Dan zou zijn dood voor altijd lachwekkend zijn, en misschien zijn leven ook. ‘Geen romanschrijver is mij dierbaarder dan Robert Musil. Hij stierf op een ochtend toen hij halteroefeningen deed.’ Kundera fitnesst zich een ongeluk, want ‘doodgaan met halters in de hand, net als mijn geliefde auteur, zou me tot een epigoon maken, zo ongelooflijk, zo waanzinnig, zo fanatiek, dat ik ogenblikkelijk verzekerd was van de lachwekkende onsterfelijkheid.’

    Over die lachwekkende, ondraaglijke lichtheid gesproken… Matthijs van Nieuwkerk had het lef Kundera’s magnum opus bij DWDD te ontheiligen. Wat hem betreft ging het toiletboek Antiglamour van Halina Reijn en Carice van Houten over grote vragen des Levens: ‘Er is namelijk ook de ondraaglijke lichtheid van ons bestaan. Namelijk, wie vind je leuk? Wie vind je minder leuk? Dat verschilt misschien per dag.’ Kundera zou er vast hard om hebben gelachen. Omineuzer klinkt zijn aankondiging in Onsterfelijkheid hoe het ons allen vergaat, als we het hoekje omgaan: ‘Op een dag toont de camera ons een mond, vertrokken in een trieste parabool, als het enige dat ons van hem zal bijblijven, dat hij achterlaat als een parabel van zijn hele leven.’ In het licht van zijn indrukwekkende oeuvre is de doodsgrimas wel het laatste waarmee we Kundera zullen associëren. Ik dank mijn onsterfelijke vader dat hij mij nog altijd laat genieten van deze onsterfelijke auteur.