• De gevolgen van haar vlucht van het oosten naar het westen

    De gevolgen van haar vlucht van het oosten naar het westen

    Dingen die je meeneemt op reis is de debuutroman van Aroa Moreno Durán, (Madrid, 1981). Ze publiceerde eerder een biografie over Frida Kahlo en Federico García Lorca. In het Spaans heet deze korte, indringende roman ‘La hija del comunista’ (Dochter van de communist), een titel die zoveel beter past. Dingen die je meeneemt op reis, is wat luchtig voor dit diep droeve verhaal, dat overigens maar 165 bladzijden telt.  Kort en krachtig in uitstekende vertaling uit het Spaans van Corrie Rasink.

    Katia woont met haar Spaanse ouders en jongere zusje in Oost-Berlijn in ballingschap. Haar vader vocht in de Spaanse burgeroorlog met de communisten tegen de fascisten en gelooft heilig in het Communistisch systeem. Hun leven in Oost-Berlijn is eenvoudig en armoedig. De sfeer is vaak beklemmend, maar het nest is warm. De moeder is haar man gevolgd uit liefde, maar weigert Duits te leren. De vader werkt in een fabriek. Hij beschermt zijn dochters en heeft met Katia een sterke band. 

    Verlangen naar dat andere

    Naarmate Katia ouder wordt heeft ze vragen. Ze studeert en leest wat ze te pakken kan krijgen, kent de beperkingen van dit leven in Oost-Berlijn maar bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal klaagt ze niet. Totdat ze Johannes ontmoet, een knappe en intrigerende Duitser uit het westen die haar bijzonder vindt. Haar nieuwsgierigheid en verlangen naar dat andere wat er moet zijn, maar waar ze geen idee van heeft, wint het van de loyaliteit naar haar ouders. Ze wordt nieuwsgierig naar het leven aan de andere kant (van de muur). En even verandert het verhaal in een liefdesgeschiedenis wanneer Johannes haar beweegt om te vluchten en ze in een impuls ja zegt. Vervolgens regelt hij een zeer gevaarlijke vluchtactie voor haar. 

    Haar nieuwe leven begint in een dorpje in Zuid-Duitsland, maar ze blijft een ossie, een oustsider. Ze mist haar ouders en zusje met wie ze de volgende twintig jaar geen contact heeft. Haar huwelijk met Johannes taant, met haar stijve schoonouders heeft ze geen klik en tot haar eerste dochtertje voelt ze afstand. ‘Toen het eerste meisje Theresa werd genoemd, bracht ik daar niks tegen in. Het is gebruikelijk om het eerste kind naar haar oma van vaders kant te vernoemen, zei Johannes. O. Er was niemand met wie ik erover kon praten. Toen bedacht ik dat Theresa ook een Spaanse naam was. …’ 

    Heimwee naar en herinneringen aan wat ze achterliet worden pijnlijk scherp en ze vraagt zich af of het ‘t allemaal waard was. Pas als de muur in 1989 valt en ze in 1992 teruggaat en haar moeder en zusje terugziet, beseft ze welke desastreuse gevolgen haar vlucht voor haar familie heeft gehad. 

    Een lange herinnering

    Dingen die je meeneemt leest als een lange herinnering van Katia. De korte hoofdstukken zijn vanuit Katia’s ik-perspectief, de proloog en laatste hoofdstukken zijn in de derde persoon enkelvoud geschreven. Aanhalingstekens om dialoog aan te geven of beletseltekens om een zin af te breken worden niet gebruikt, wat even stoort, maar snel went.  Die herinneringen slaan op de Nederlandse titel, uiteindelijk zijn die, samen met een nikkelen pen, een Spaans insigne van haar vader en een Russische bontmuts van haar moeder, het enige wat Katia meeneemt naar het westen.  

    Het verhaal begint in 1956, Katia is een jaar of zes, zeven en heeft haar eerste sterke herinneringen: Het trappenhuis en de buren, een vakantie aan zee met een geleende trabant, een bezoekje aan Spaanse vrienden in Leipzig, die ze daarna vreemd genoeg nooit meer zien. Een het land binnengesmokkelde Spaanse bief aan haar moeder gericht, die besmeurd raakt met het bloed van sardientjes. De kartonnen koffer, die zij en haar zusje tijdens het verstoppertje spelen onder het bed van hun ouders vinden. Die koffer is verboden terrein voor de kinderen. ‘Er is veel wat je nog niet begrijpt, omdat je niets over de oorlog weet. Dat weet ik wel, mama, sommige dingen weet ik wel. Ik heb het niet over die van hier, maar over onze oorlog.’

    Loyaliteit versus vrijheid

    Of de herinnering aan haar vader die uren in gedachten verzonken voor het raam staat. ‘Door het enige raam dat op straat uitkeek was een leegstaand huizenblok te zien. Dat doet oorlog, die maakt alles kapot, zei papa, die vaak zwijgend voor de ruit stond. Alsof hij voorbij de sneeuw wilde kijken, voorbij de enige nog weerstand biedende boom, en voorbij het duister.
    Voor mij was de oorlog een schim, een witte vlek, iets wat lang geleden had plaatsgevonden En hoewel overal een sfeer van verwoesting hing en alle kinderen loopgraafje speelden, kan ik me er niks bij voorstellen.’ 

    Het woord stasie wordt nooit genoemd, maar alles draait om loyaliteit versus vrijheid (van meningsuiting). Met op de achtergrond de terreur van een onderdrukkend regiem, al blijft de beklemming en de uitdieping van de personages wat vlak. Aroa Moreno Durán heeft de thematiek vooral verwerkt in Katia’s verhaal, die naïef was over de gevolgen van haar vlucht. Hoewel het verhaal fictie is, wordt een stuk naoorlogse geschiedenis beschreven, die niet verloren mag gaan, al is het alleen maar omdat de geschiedenis zich niet mag herhalen, of zoals de laatste bladzijde meegeeft: ‘Zevenentwintig jaar na de val van de muur zijn er over de hele wereld meer dan vijftien muren waarmee mensen op gewelddadige wijze worden tegengehouden.’

     

  • Visueel logboek van een leven

    Als Juan Salvatierra negen jaar oud is, raakt hij ernstig gewond door een val van een paard. Hierna verliest hij zijn spraakvermogen. Nooit wordt duidelijk of dit een gevolg van het ongeluk is, of dat hij simpelweg weigert nog te praten. Volgens de verteller, zijn zoon Miguel, bevrijdt Salvatierra’s stomheid hem van het harde boerenbestaan waar mannen in deze plattelandsregio van Argentinië haast automatisch in terecht komen. Niemand verwacht nog iets van hem. Hij hoeft niet meer mee te doen met de ruige mannen en kan zijn tijd besteden aan wat hij het liefste doet: schilderen.

    Op zijn twintigtste begint Salvatierra aan een megalomaan project. Op rollen doek schildert hij zijn dagelijks leven. Het is zowel een persoonlijk dagboek, een logboek van wat er gebeurt in het dorp bij de rivier, als een kijkje in Salvatierra’s innerlijke leven: zijn dromen, nachtmerries en fantasieën. Omdat Salvatierra nog altijd niet spreekt, is het voor zijn vrouw en zoons ook de enige manier om een beeld te krijgen van wat er in hem omgaat. Zestig jaar lang, tot enkele dagen voor zijn dood, schildert Salvatierra aan het doek. Toch maakt hij op zijn sterfbed een wegwerpgebaar als Miguel vraagt wat ze met de talloze rollen, die zijn opgeslagen in de schuur, moeten doen. Salvatierra lijkt het werk vooral voor zichzelf gemaakt te hebben, hij heeft geen belangstelling om het de wereld in te sturen.

    Nadat ook hun moeder is gestorven, trekken Miguel en zijn broer Luis, inmiddels vijftigers, van Buenos Aires naar hun geboortedorp aan de rivier. Ze kunnen het niet over hun hart verkrijgen de artistieke nalatenschap van hun vader in het desolate, verarmde dorp te laten verstoffen en weten een Nederlandse stichting geïnteresseerd te krijgen de rollen aan te kopen en naar hun museum in Amsterdam over te brengen. Dit vereist nogal wat voorwerk en bureaucratisch gesteggel, waardoor Miguel veel tijd moet doorbrengen in het stoffige dorpje. De eigenaar van de plaatselijke supermarkt heeft belangstelling voor het stuk grond van Salvatierra, maar Miguel kan en wil het land pas verkopen als hij het project van zijn vader veilig gesteld heeft.

    Het werk van Salvatierra brengt herinneringen aan vroeger naar boven, aan zijn vader, aan Miguels eigen leven. Als Miguel erachter komt dat er één rol in de verzameling mist, het jaar 1961, stelt hij zichzelf ten doel deze rol te vinden. Hij kan zich niet voorstellen dat zijn vader een heel jaar niet geschilderd heeft. Wat is er met de rol gebeurd en vooral: wat is er met Salvatierra gebeurd in dit jaar?

    Deze zoektocht vormt min of meer de rode draad in Het verdwenen jaar van Salvatierra van Pedro Mairal. Het boek, meer een novelle dan een roman, meandert door de tijd en het landschap als de rivier in het levenswerk van Salvatierra. Miguel vraagt zich af wat de invloed van zijn vaders werk op zijn eigen leven is geweest, waarom zijn broer en hij beiden hebben gekozen voor een grijs bestaan in Buenos Aires, terwijl de wereld van hun vader zo kleurrijk en levendig was.

    Pedro Mairal, geboren in Buenos Aires in 1970, heeft naast een eerdere roman, ook twee poëziebundels uitgebracht. Dit is duidelijk te terug te lezen in zijn sfeervolle en beeldende proza. De landerigheid van een haast uitgestorven dorpje aan de rivier de Uruguay, de vissers aan de oevers, de monsterlijke riviervissen en de bontgekleurde vogels – de wereld die Mairal beschrijft, ontrolt zich voor de lezer als het schilderij van Salvatierra. Gloedvol, weemoedig en duister tegelijk.

    De verteller Miguel is iets te nadrukkelijk aanwezig. De schrijver heeft nogal eens de neiging de emoties en gedachten van de hoofdpersoon voor de lezer in te vullen. Ook de dialogen zijn soms wat houterig. Een kleine smet op een poëtisch en bijzonder verhaal. Het verdwenen jaar van Salvatierra is een boek om op een warme zomermiddag in één keer uit te lezen. Dan komt deze stream of consciousness het beste tot zijn recht.

     

  • Luisterrijke sociaal-historische zedenschets

    Luisterrijke sociaal-historische zedenschets

    Op een koude winteravond aan het begin van de negentiende eeuw arriveert Hans, vertaler van beroep, in Wandernburg, een slaperig stadje op de grens tussen Saksen en Pruisen. Hij is op doorreis, en zal de volgende dag meteen weer vertrekken. Tenminste, dat is zijn bedoeling. Het loopt echter anders: op Hans blijkt Wandernburg een mysterieuze aantrekkingskracht uit te oefenen, en hij blijft het moment van vertrek maar uitstellen. Het trage, monotone leven in het stadje zal nooit meer zijn wat het altijd is geweest.

    Wandernburg

    Steeds is er voor Hans een reden om nog even in Wandernburg te blijven. Zo is hij in eerste instantie geïntrigeerd door het wonderbaarlijke feit dat het stratenpatroon van het stadje dagelijks lijkt te veranderen. Geen dag gaat voorbij of hij verdwaalt tijdens zijn wandelingen die hem door steeg en straat, pad en plein voeren. Twee dagen nadat hij in Wandernburg is aangekomen maakt hij kennis met een zonderlinge, oude straatmuzikant die een draaiorgeltje bespeelt. Hans maakt een praatje en sluit algauw vriendschap met de oude, verwaarloosde orgelman, die zich gaandeweg ontpopt als een vat vol tegenstrijdigheden: als ongeletterde grossiert hij in wijze levenslessen; ondanks zijn grove voorkomen bedient hij zich van beleefd taalgebruik; hij ‘bewoont’ een kille grot aan de rand van het dennenbos, maar door zijn aanwezigheid is de sfeer er hartverwarmend. De vriendschap tussen Hans en de orgelman wordt steeds hechter.

    Met het verstrijken van de tijd leert Hans steeds meer Wandernburgers kennen, zoals meneer Gottlieb, de enige overgebleven patriarch van een vermogende familie. Spontaan nodigt deze Hans uit bij hem thuis op theevisite te komen. Wanneer Hans kennismaakt met Sophie Gottlieb, de dochter van de oude baas, is één ding meteen duidelijk: Hans zal voorlopig geen aanstalten maken Wandernburg te verlaten.

    Literaire salon

    Tussen Sophie en Hans ontstaat een band van wederzijdse fascinatie, al laat de koele Sophie daar in het begin weinig van merken. Wel zorgt ze ervoor dat hij voortaan elke vrijdagmiddag een van de vaste bezoekers is van de door haar georganiseerde Salon, waar geestdriftig wordt gediscussieerd over politiek, filosofie en kunst. Met name een van de andere deelnemers, professor Mietter, reageert regelmatig op de uitspraken van Hans, met wie hij het zelden eens is:
    ‘Herr Hans, diende professor Mietter hem van repliek zonder zijn kalmte te verliezen, u verwart techniek met decor, of stijl met poëtica. Los van het feit dat u weg bent van het schilderij met het sneeuwlandschap en ik van andere, en natuurlijk niet van dat jachttafereel want dat schilderij is afschuwelijk, daarmee probeert u ons om de tuin te leiden, los van ieders smaak heeft kunst een functie, namelijk het bestuderen van de wereld en niet van de kunstenaar. Aha! ging Hans uitgelaten in de tegenaanval, maar de ‘objectieve’ geschiedschrijvers vergeten dat ze zelf deel uitmaken van de wereld die ze bestuderen!, persoonlijke emoties zijn een onderdeel van de realiteit, die geven er vorm aan! U spreekt uzelf tegen, bestreed professor Mietter hem. Gelukkig, professor, antwoordde Hans, gelukkig is tegenstrijdigheid van invloed op het landschap. Zoals u wilt, verzuchtte de professor, maar u spreekt uzelf voortdurend tegen.’

    Naast de ‘rebel’ Hans en de protestantse professor Mietter, bestaan de andere deelnemers van de Salon uit een Joods echtpaar, een Spaanse handelaar en een strenggelovige weduwe. En dan is er nog Rudi Wilderhaus. Algauw komt Hans tot zijn ontzetting erachter dat Rudi de verloofde van Sophie is, en hierdoor komen zijn gevoelens voor de gastvrouw van de Salon in een heel ander licht te staan. Bladzijden lang wordt er verslag gedaan van diepgravende bespiegelingen, van gedachtespinsels en opinies over filosofen en dichters die op vrijdagmiddag ter sprake komen. Neuman vergt met de gedetailleerde verslagen, en met de alinea’s lange citaten van gedichten uit de Romantiek, veel concentratie van de lezer en weet de spanning behoorlijk op te rekken; hij laat de lezer welhaast onderkoeld achter, om hem vervolgens op een amoureuze passage te trakteren die heel even de druk van de ketel haalt.

    Geboortegolf van Europa

    Het verhaal speelt zich af in Duitsland aan het begin van de negentiende eeuw. De politieke en sociale aardverschuivingen die door de Franse Revolutie en Napoleon in gang zijn gezet, hebben ook Wandernburg niet onberoerd gelaten: hoewel met name het agrarische deel van de bevolking nog in een welhaast feodaal tijdperk verkeert, maakt de industrialisatie opgang, wat grote verschillen in levensstandaard ten gevolge heeft. De aristocratische Duitse adel en de hooggeplaatste ingezetenen van de stad kunnen misschien nog wel overweg met de middenklasse, maar de kloof overbruggen met de laagste rangen en standen is zo goed als uitgesloten. Die worden gezien als het voetvolk en werken zich in het zweet voor weinig meer dan een appel en een ei.

    Het mag duidelijk zijn dat de roman, doordat hierin een literair-sociologisch vergrootglas boven Wandernburg wordt gehouden (en meer speciaal, boven de Salonbijeenkomsten van Sophie), op fijnzinnige wijze kritiek uit op ons hedendaagse Europa, waarbij al onze huidige problemen met betrekking tot de (vervaging van de) nationale identiteit, welvaartsverschillen, inadequate samenwerkingsverbanden, angst voor vreemden, de toenemende afstand tussen sociale klassen, en wat dies meer zij, gevangen worden in de lens boven dat kleine stadje, dat lijkt te deinen, op te rijzen uit de eerste, aarzelende golven van een eeuw die sneller dan welke andere eeuw enorme veranderingen in de wereld teweeg heeft gebracht.

    Filosofische amourette

    Andrés Neuman is een relatief jonge auteur, maar met De eeuwreiziger geeft hij er blijk van zo veel inzicht te hebben in de menselijke psyche, dat alleen al zijn wondermooie, zeer wijdlopige bespiegelingen je ogenblikkelijk doen veronderstellen dat hier een man op leeftijd, een man met levenservaring, ja: met wíjsheid, aan het woord is. Maar in weerwil van deze veronderstelling schreef Neuman deze roman tussen zijn zesentwintigste en eenendertigste. Pagina na pagina bewijst hij inzicht te hebben in sensitieve denkprocessen, en weet die prachtig te verwoorden. Gezien de overdaad aan filosofie waarmee De eeuwreiziger omkleed is, mag het des te opmerkelijker heten dat een auteur van nog geen dertig zijn luisterrijke roman tot zo’n hoogte wist te stuwen.

    De veelal bomvolle tekstspiegel verbergt in vaak zeer lange alinea’s ware juweeltjes, hetzij rake vergelijkingen, hetzij ogenschijnlijk eenvoudige uitspraken die bij nadere beschouwing een diepere laag bevatten over de zedenschetsen van de gegoede burgerij in een Duits provinciestadje in de eerste decennia van de negentiende eeuw. De mooiste citaten worden evenwel opgetekend uit de mond van de orgelman, die als personage dan wel de nederigste leefomstandigheden krijgt toegewezen, maar de mooiste uitspraken mag doen, bijvoorbeeld wanneer Hans zijn twijfels uitspreekt over zijn alsmaar uitgestelde vertrek uit Wandernburg:
    ‘(en waarom maak je je daar zo druk om? zei de orgelman, wat is er mis mee dat je blijft?), ik weet niet, ik denk dat ik bang ben om Sophie vaker te zien en dan alsnog weg moet, dat zou erger zijn, nu ben ik nog op tijd, misschien kan ik maar beter verder reizen (maar dat is toch juist liefde? zei de oude man, liefde is gelukkig zijn dat je mag blijven), ik weet het niet zeker, ik heb altijd gedacht dat liefde louter beweging is, een soort reis (en als de liefde op zich al een reis is, redeneerde de oude man, waarom zou je dan zo nodig weg moeten?), goede vraag, nou, om terug te komen bijvoorbeeld, om er zeker van te zijn dat je bent waar je wilt zijn, hoe kun je weten dat je op de juiste plek bent als je nooit ergens anders bent geweest? (ik weet juist dat ik van Wandernburg houd, antwoordde de orgelman, omdat ik er niet weg wil).’

    De eeuwreiziger is door zijn omvang geen boek om snel even uit te lezen. Ook de onderwerpen die aan bod komen, met name de uitweidingen over negentiende-eeuwse dichters en filosofen zijn – hoewel nimmer langweilig – taai genoeg om enig doorzettingsvermogen te vereisen van de lezer. Maar liefhebbers van fijnzinnige, breed uitgesponnen gedachten, romantische landschapsbeschrijvingen en een amourette waarbij je de twee geliefden dicht op de huid zit, komen met De eeuwreiziger beslist aan hun trekken. Daarbij is het de grote verdienste van vertaalster Corrie Rasink dat zij een dergelijk volumineus boek zo consistent en levendig naar het Nederlands wist om te zetten, als lezer besef je nergens dat het hier om een vertaling gaat.

    Hoe het nu uiteindelijk zit met die steeds veranderende straten? Dat mag de lezer zelf ontdekken. De orgelman zegt er het volgende over:
    ‘O ja, glimlachte Hans, ik heb een kortere route genomen en ben verdwaald. Ik zal je een geheim verklappen, zei de orgelman, luister: weet je wat je moet doen om niet te verdwalen in Wandernburg? Altijd de langste weg nemen.’