• Een liefdesverhaal dat geen ‘Happy End’ behoeft

    Een liefdesverhaal dat geen ‘Happy End’ behoeft

    De Australische schrijfster Madeleine St John (1941 – 2006) werd met haar roman The Essence of the Thing in 1997 genomineerd voor the Booker Prize for Fiction. Hoewel men de roman ‘te licht’ vond, was de jury onder de indruk van haar ‘beknopte en elegante proza’. In haar testament liet St. John vastleggen dat haar boeken niet vertaald mochten worden. Na de verfilming van haar debuut Ladies in Black in 2019 besloot haar executeur dat recht op te heffen. De vertaalrechten voor Nederland gingen voor de vier romans van St John naar Nijgh & Van Ditmar. De kern van de zaak werd in 2020 door Corine Kisling met behoud van de frisse, luchtige toon uitstekend vertaald.

    Nicola en Jonathan wonen in haar flat in de wijk Notting Hill in Londen, waar St John een aantal jaren zelf heeft gewoond. Nicola gaat om de hoek even sigaretten kopen, als ze thuis komt zegt Jonathan ijskoud dat hun relatie voorbij is. Hij houdt niet meer van haar, ze kan gaan en hij zal haar helft van de flat van haar overnemen. Verbijstering en ongeloof overvallen haar en als het besef is doorgedrongen stort haar wereld in. Nicola vertrekt naar vrienden, een stel met een goed huwelijk en een leuk zoontje van negen. Vervolgens vindt ze eigen woonruimte bij weer andere vrienden met een snoezig dochtertje. Dat is zo ongeveer de plot. Afgezien van de huilpartijen, de enige uiting van emotie, zijn er geen sentimentele scènes, maar is er ook weinig conflict. Nicola accepteert haar nederlaag gelaten, dat maakt vooral het middenstuk wat saai en herhalend, maar de sterke dialogen maken echter veel goed.

    Jaren negentig relatie roman

    Tijd van handeling is eind jaren negentig, relatieromans zoals ‘The diary of Bridget Jones’ om er een te noemen, waren toen in. In De kern van de zaak faalt de relatie van de hoofdpersoon, terwijl de relaties van de vrienden en de ouders wel geslaagd lijken. De thematiek draait om egocentrisme van de jeugd, angst om zich helemaal te geven, verstandhouding, de waarde van seks. Hoe kwetsbaar toon je je en uiteindelijk de wetenschap dat wat je hebt misschien niet altijd honderd procent is, maar beter is dan niets. 

    Het boek bestaat uit korte hoofdstukken en is geschreven vanuit verschillende perspectieven, Nicola, Jonathan, hun ouders en de vrienden. Er is veel dialoog met Engelse tongue-in-cheekhumor. Tijdens gesprekken tussen de vrienden wordt de relatie van Nicola en Jonathan en hun karakters met dubbelzinnige ironie ontleed. Het zijn jonge dertigers met gevierde carrières, verwend en verveeld. Jonathan is eigenlijk een klootzak en ultrasaai, zeggen de vrienden, die snel met hun oordeel klaarstaan. Nicola moet blij zijn dat ze van hem af is. Ze zou meer op haar strepen moeten staan, maar ze houdt nog van hem. Echt onsympathiek is Jonathan niet, hij wil ontsnappen aan de dagelijkse dreun, al begrijpt hij weinig van zijn eigen handelen. Nicola, die dacht dat alles koek en ei tussen hen was, begrijpt hem en zichzelf evenmin. 

    Veel wordt niet gezegd 

    ‘Is dat alles wat je eet? Alleen cornflakes? Wil je geen eieren met spek? Mijn hemel! Misschien een bord pap? Nee? Nou je zal het zelf wel het beste weten.’
    ‘Natuurlijk weet hij dat. Natuurlijk weet hij het zelf het beste. Echt, Sophie, hij is geen vijf meer. Croissants, dat wil-ie. Dat eten ze daar in Londen als ontbijt. Croissants, Franse croissants.’ 

    Zonder dat er gepsychologiseerd wordt, leggen de gesprekken met de ouders de brave ‘middle class’ achtergrond van Jonathan en Nicola bloot. Zijn moeder begint over haar zelfgemaakte marmelade en de ring met de robijn die ze voor haar aanstaande schoondochter heeft bewaard. Dat Jonathan nergens op reageert, zegt alles over het soort jeugd dat hij heeft gehad en de man die hij is geworden, en dat is knap verhaald in louter dialoog. Voor Nicola zit de kern van de zaak in het niet hoeven uitspreken van diepere gevoelens, maar ze wel bij de ander aanvoelen. Ze zit met Jonathan in de donkere slaapkamer te luisteren naar een saxofonist die beneden in één van de tuinen  ‘Summertime’ speelt. ’Nicola had het licht niet aangedaan toen ze waren binnengekomen dus vroeg ze: “Wil je dat ik het licht aan doe?”
    “Nee,” zei Jonathan. “Ik vind het prettig in het donker.”
    Het was eindelijk tijd om te spreken, en dus begonnen ze, langzaam, aan hun echte gesprek. Het was toen, en ook later niet nodig te zeggen: dat ik van je hou, mijn liefde voor jou is dit. En dat het niet gezegd hoefde te worden, was essentieel, was de kern van de zaak. De liefde bedrijven was een esoterische taal waarin ze zich nu beiden konden uitdrukken. Zelfs toen het nieuwe, het wonderlijke van de ontdekking begon te luwen, bleef dit voor Nicola de simpele waarheid.’

    Voor Jonathan zit de kern van de zaak in het evenwicht tussen bitter en zoet, de smaak van de marmelade die zijn moeder vroeger maakte. Zo’n pot marmelade die de omslag van het boek siert. Nieuwsgierigheid naar het einde doet snel doorlezen. Krijgen ze elkaar terug? Groeit Nicola uit haar impasse en kiest ze voor zichzelf? Wordt Jonathan toch nog gelukkig in zijn eentje, in haar appartement? Uiteindelijk blijkt het antwoord op die vragen geen verrassing, wat een lichte teleurstelling is, maar past bij dit verhaal, dat geen ‘Happy end’ behoeft.

     

     

  • Oogst week 42 – 2020

    De kern van de zaak

    Wat doe je als je – figuurlijk, dan – na een ommetje een heel andere man aantreft dan degene die je thuis achterliet? In De kern van de zaak van de Australische auteur Madeleine St John overkomt het Nicola, die onaangenaam wordt verrast als ze weer thuiskomt nadat ze een pakje sigaretten heeft gekocht. Want: waarom wil haar vriend Jonathan haar opeens niet meer zien en werkt hij haar na zes jaar samen hun woning uit? Waarom werkt wat ze hadden ‘gewoon niet’ meer? Vanaf dat moment is het aan Nicola om het ‘leven na Jonathan’ aan te gaan, en aan Jonathan om in te zien wat hij heeft veroorzaakt.

    Madeleine St John schreef De kern van de zaak (The Essence of the Thing) in 1997. De roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize en behaalde de shortlist. Deze vertaling is een postume uitgave: St John overleed in 2007.

    De kern van de zaak
    Auteur: Madeleine St John
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De onafscheidelijken

    Simone de Beauvoirs autobiografische roman De onafscheidelijken (Les inséperables) verscheen niet eerder. Autobiografisch, omdat de vriendschap die in dit boek centraal staat overeenkomsten vertoont met de hechte band van De Beauvoir en haar boezemvriendin, Elisabeth ‘Zaza’ Lacoin; dit jaar pas verschenen (zowel het origineel als in vertaling), omdat het boek bij leven van de auteur als ’te intiem’ bestempeld werd. De Beauvoirs dochter, Sylvie Le Bon-de Beauvoir, vond het manuscript in haar moeders archief en schreef het voorwoord.

    De hoofdpersonen, Andrée (Zaza) en Sylvie (Simone), ontmoeten elkaar op een katholieke meisjesschool in de vroege twintigste eeuw en hun levens raken vrijwel meteen verstrengeld. Hun vriendschap lijkt verder te gaan dan vriendschap alleen, en samen verzetten ze zich tegen het benauwende conservatieve milieu waarin ze zijn opgegroeid. Maar hun vriendschap komt tot een plotseling einde.

    De echte Andrée, Zaza, overleed al op 21-jarige leeftijd aan hersenontsteking. Na haar dood werd De Beauvoir een van de invloedrijkste filosofen van de 20e eeuw, mede dankzij haar baanbrekende magnum opus De tweede sekse (1949) – de feministische thema’s die zij daarin aansnijdt, schemeren in zeker opzicht ook door in De onafscheidelijken, dat De Beauvoir verrassend genoeg pas zes jaar na De tweede sekse schreef.

    De onafscheidelijken
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Cossee

    Zussen

    Juli en September zijn de zussen uit de gelijknamige titel. Er is ze iets vreselijks overkomen, en hun moeder Sheela neemt ze mee naar een verlaten huis in the middle of nowhere in de hoop dat de zussen ervan opknappen. Met het huis is van alles mis – de unheimische indeling ervan doet denken aan Shirley Jacksons geesteskind Hill House (The Haunting of Hill House), en ook dit huis beweegt en kraakt zonder aanwijsbare (lees: menselijke) oorzaak. En dat is pas het begin. Sheela sluit zichzelf op in een van de kamers, en de narratieven van haar en haar dochters splitsen op, toewerkend naar een ontknoping.

    De Britse Daisy Johnson (1990) behaalde met haar eerste roman, Everything Under, een plek op de shortlist van de Man Booker Prize 2018.

    Zussen
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV
  • Moeder gaat dood

    Moeder gaat dood

    De 57-jarige linguïst Thomas Sanders is op een congres van fysiotherapeuten in Amersfoort over het bestrijden van chronische bekkenpijn, wanneer zijn zus hem een berichtje stuurt dat zijn zieke moeder binnenkort zal overlijden. Zijn moeder verblijft in een hospice in Londen. Thomas verlaat hals over kop het congres en vliegt naar Londen. Hij wil zijn moeder nog iets vertellen voor ze sterft. Maar de communicatie met zijn moeder is al zijn hele leven problematisch; hij is er nooit in geslaagd met haar een echt gesprek te voeren. Haar sterk beleden geloof stond een werkelijk gesprek met de atheïstische Thomas in de weg. Hij werd daar heel onzeker van. Wanneer hij zijn moeder ging bezoeken, wist hij nooit of hij dat nu wel echt wilde. ‘Mijn moeder bezoeken betekende een moment van maximale verwarring over wie ik ben.’ Hij kreeg van zijn moeder nooit de erkenning en waardering die hij als zoon zocht.

    Besluiteloosheid
    De naderende dood van zijn moeder doet hem zijn leven overdenken. Over de verhouding met zijn vader (die is jong gestorven) en moeder, met zijn broer en zusje. Die zelfreflectie leidt hem af van de dingen die hij moet doen, hij gaat over alles twijfelen, wat leidt tot grote besluiteloosheid. Iedere afleiding is voor hem voldoende om geen besluit te nemen dan wel het uit te stellen tot morgen. Moet hij zijn plasproblemen oplossen met anale therapie zoals dr. Sharp hem in Amersfoort had geadviseerd? Hij is gescheiden, heeft een 30 jaar jongere, knappe vriendin in Madrid, maar moet hij niet terug naar zijn ex in Edinburgh? Moet hij een crisis in de familie van zijn beste vriend oplossen terwijl zijn moeder aan het sterven is? Moet hij een goed betaalde openingsspeech op een taalcongres in Berlijn afzeggen omdat zijn moeder net gestorven is? Hij weet het niet en laat zich leiden door zowel de omstandigheden als de besluiten van anderen.
    Die besluiteloosheid is typerend voor Thomas. Hij realiseert zich dat ook, wat het leven er niet eenvoudiger op maakt: ‘En toen moest ik bedenken dat ik bijna elke beslissing die ik neem snel betreur, met als gevolg dat ik niet alleen altijd het gevoel heb dat ik de verkeerde beslissing heb genomen, maar dat ik eigenlijk helemaal geen beslissing heb genomen. Of geen hele.’ Dat leidt ook tot vele zelfverwijten: ‘Waarom doe ik nooit eens iets goed?’

    Titel
    De titel van het boek verwijst naar veel gedrag van de personages, dat als extreem is te betitelen. Zijn moeder is extreem in het belijden van haar geloof; zijn broer is naar het andere einde van de wereld geëmigreerd en vindt het eigenlijk niet nodig om voor de begrafenis naar Engeland te komen; Thomas zelf is extreem in zijn besluiteloosheid; de vrouw van zijn beste vriend bestookt hem met berichtjes om met haar zoon te praten omdat hij zijn vader bedreigt, terwijl ze weet dat Thomas’ moeder op sterven ligt. Zo heeft ieder zijn eigen obsessie.

    Over de schrijver
    Tim Parks (1954), opgegroeid in Engeland, woont al sinds 1981 in Italië; eerst in een klein dorp bij Verona en nu in Milaan waar hij als linguïst verbonden is aan de universiteit. Zijn ervaringen van het leven in Italië hebben geleid tot een aantal hilarische boeken over het functioneren van de Italiaanse samenleving, zoals Italiaanse buren. Ook zijn verbazing over het kopen van een treinkaartje heeft geleid tot een hilarisch boek over de werking van Trenitalia. Daarnaast heeft hij boeken van onder andere Moravia en Calvino vertaald uit het Italiaans in het Engels. Hij levert ook regelmatig bijdragen aan the New York Review of Books en the London Review of Books.

    Waardering
    In deze prachtig geschreven roman weet Tim Parks van begin tot eind te boeien. Zijn schrijfstijl is mooi, scherpzinnig, droevig maar ook humorvol. Zo zijn zijn beschrijvingen van het nut van anale therapie ter ontspanning van de bekkenbodem hilarisch. Maar vooral in de beschrijving van zijn gevoelsleven en van zijn houding tegenover de mensen om hem heen blinkt Parks uit.

    In extremis is grotendeels autobiografisch en stoelt op de ervaringen van Parks zelf tijdens het overlijden van zijn moeder. In een interview met The Guardian vertelt hij dat zijn verhouding met zijn zus en broer anders is dan vroeger. Zijn vroeg overleden vader was dominee, zijn moeder erg actief binnen de kerk. Waar de broers al vroeg atheïstisch zijn geworden, bleef zijn zus gelovig. Waar de broers het ouderlijk nest vroeg hebben verlaten en allebei naar het buitenland vertrokken, bleef de zus in de buurt van haar ouders wonen. Dat is in het boek ook zo. Parks laat zien dat de broers en zus dichter bij elkaar komen en meer begrip voor elkaar krijgen. De dood van een ouder kan de relatie van de kinderen soms radicaal veranderen.
    Het is een prachtig en krachtig psychologisch portret van een man op middelbare leeftijd.

     

     

     

     

  • Oogst week 45

    Tsjaikovskistraat 40

    In een interessante bijdrage op deze website over hedendaagse westerse auteurs die over Rusland schrijven, noemt Anky Mulders ook Pieter Waterdrinker: ‘Wie wel eens wil weten hoe het leven vandaag de dag in Rusland eruitziet maar geen zin heeft in droge kost kan bij de fictie van Ruslandcorrespondent en –kenner Pieter Waterdrinker terecht. Waterdrinker heeft al heel wat romans geschreven die de lezer laten delen in het bestaan van de Russische burger. Met kennis van zaken plaatst hij fictieve personages in het huidige Rusland, veelal in Moskou waar de nieuwe rijkdom het walhalla is. Dat levert adembenemende literatuur op.’

    Onlangs is de nieuwe roman van Pieter Waterdrinker verschenen, Tsjaikovskistraat 40. In deze autobiografische roman neemt hij de lezer mee op een duizelingwekkende reis door de Russische geschiedenis en door zijn eigen leven. Vertrekpunt is zijn huis in Sint-Petersburg, waar de auteur woont met zijn vrouw en drie poezen, midden in de buurt die honderd jaar geleden het epicentrum was van de Russische revolutie van 1917.

    Tsjaikovskistraat 40
    Auteur: Pieter Waterdrinker
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In extremis

    In extremis is de nieuwste roman van Tim Parks. De Zweedse auteur Per Wästberg, een van de juryleden van de Nobelprijs, schrijft over dit boek: het is ‘simply spellbinding and quite unique in my reading experience; very funny and very existential, compact and chatty, complicated and raw.’ 

    In extremis gaat over Thomas. Hij weet dat er iets is dat hij aan zijn moeder moet vertellen voor ze sterft. Maar zal hij haar op tijd bereiken? En heeft hij de moed om te zeggen wat hij eerder niet kon? Zijn telefoon trilt, zijn hersenen maken overuren, en hij kan zijn aandacht niet houden bij de ernst van wat er staat te gebeuren. Moet hij proberen de familiecrisis van een vriend op te lossen? De scheiding van zijn eigen vrouw heroverwegen? Thomas beweegt zich jachtig door de dagen, maar kan in feite geen stap zetten. Waarom is hij zo volslagen verward en verlamd?

     

    In extremis
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Handboek voor de heerser

    Tot slot aandacht voor een boek dat je in eerste instantie op het verkeerde been zet. Want de uitgever schrijft hierover:

    ‘In dit boek komen de kernaspecten van leiderschap aan de orde: het evalueren van mensen en het beoordelen van talent, de competitie met je rivalen, het omgaan met groeiende macht en invloed, het vergroten van je organisatie en het vormgeven van je nalatenschap.’

    Het alsof je de aanbeveling van een nieuw managementboek leest. Met dat verschil dat het woord ‘heerser’ dan natuurlijk niet past.

    In Handboek voor de heerser staat de nog steeds actuele wijsheid van de Chinese keizer Tang Taizong (598-649) centraal. Taizong wordt wel aangeduid als ‘onbetwist de grootste keizer in de Chinese geschiedenis’. Hoewel hij zijn vader en zijn broer vermoord had, werd hij een gewaardeerde heerser die de nazaten van de Hunnen versloeg, een vereenvoudigde wetgeving doorvoerde, de zijderoute opende voor handel en een gouden eeuw van kosmopolitische cultuur creërde, vrouwen een betere positie verschafte en het Christendom en de Islam voor het eerst in China toestond. Zijn dynastie zou driehonderd jaar standhouden.

    In Handboek voor de heerser biedt de schrijver Chinghua Tang de weerslag van de gesprekken tussen Taizong en zijn belangrijkste adviseurs.

     

     

    Handboek voor de heerser
    Auteur: Chinghua Tang
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • De woordenvloed van een taalvirtuoos

    De woordenvloed van een taalvirtuoos

    Tim Parks lezen staat zo ongeveer gelijk aan het doorstaan van een vliegende storm. Taal is op alle fronten zijn vakgebied en dat is aan zijn teksten te merken. Met groot enthousiasme racet deze virtuoze auteur door zijn ervaringen en denkbeelden en lardeert ze in Waarom ik lees met ondersteunende bewijzen.

    De korte hoofdstukken van dit boek zijn de afgelopen drie jaar als blog verschenen op de website van de New York Review of Books. Elk van deze essays over schrijven, lezen, vertalen en de boekenwereld was een afgerond geheel en is dat in dit boek nog steeds. Alle hoofdstukken samen bieden een brede blik op het hedendaagse ontstaan van een boek, op de weg die het aflegt voordat het gedrukt in de winkels ligt of elektronisch kan worden gedownload.

    Wat lezen mensen en waarom? Wat kan een boek voor de lezer betekenen en wat betekent het voor de schrijver? Wat is de invloed van een vertaling en hoe is het boekenlandschap door de jaren heen veranderd? Op deze vragen probeert schrijver, essayist, recensent en vertaler Parks antwoord te geven en hij slaagt daar uitstekend in.

    Wat de een prachtig vindt, kan de ander nauwelijks bekoren. Waar een boek bij de een aanspraak maakt op een diepliggende behoefte, brengt de ander er nauwelijks enige interesse voor op en waar de ene mens overloopt van bewondering voor boek of schrijver wordt de volgende er mateloos door geïrriteerd. ‘Onze reactie op romans kan te maken hebben met de groep mensen en de omgeving waarbinnen we zijn opgegroeid, ons een positie hebben moeten verwerven en een persoonlijkheid hebben moeten opbouwen,’ betoogt Parks. De positieve en negatieve uitingen van deze omgeving zijn ons vertrouwd en we houden eraan vast of zetten ons ertegen af. Een mens leest vanuit zijn eigen achtergrond en dat is waarom lezers het vaak niet eens zijn, zegt Parks.

    Aanvankelijk lijkt Waarom ik lees voor lezers bedoeld. Naarmate het boek vordert lijkt de doelgroep meer naar het schrijverspubliek te verschuiven en ook vertalers zullen in zijn uiteenzettingen veel herkennen. Soms is niet duidelijk of Parks als lezer of als schrijver aan het woord is. Niettemin valt er voor de gemiddelde lezer veel te genieten van zijn visie op de talrijke aspecten van schrijverschap en boekuitgaven. Voorbeelden put Parks uit het werk van S. Beckett, D.H. Lawrence, Th. Hardy, Ph. Roth en vele, vele anderen, terug te vinden in het uitgebreide register achterin.

    Parks maakt onderscheid tussen de schrijver als kunstenaar en de schrijver die verkoopsucces tot doel heeft. Het laatste tegenwoordig veelal onder invloed van de steeds internationaler wordende boekenmarkt, waar de Angelsaksische en vooral de Amerikaanse cultuur dominant zijn. Een gevolg van deze ontwikkeling is, meent Parks, dat schrijvers zich al dan niet bewust aanpassen aan een universeel taalgebruik omdat dat gemakkelijker in het Engels te vertalen is en ook uitgevers zo een omvangrijker lezerspubliek binnen bereik zien komen. Parks vindt dat jammer. Schrijvers met hun eigen specifieke cultuur en taalgebruik als uitgangspunt zullen daardoor zelden een groot publiek bereiken, terwijl hun kwaliteit misschien wel op een hoger plan staat dan die van schrijvers die zich met succes op de wereldmarkt richten.

    Dan zijn er nog de haken en ogen aan het vertalen. Een eerste bewijs van de problemen die zich daarbij kunnen voordoen is dit boek zelf. De Engelse titel luidt: Where I’m Reading From. In het Nederlands zou dat ‘Waarvandaan ik lees’ moeten zijn, maar dat klinkt niet. In dit geval maakt dat niet uit omdat het ‘slechts’ een titel is, en ook Parks’ eigen Engelse titel de lading van het boek niet echt dekt. Bij literaire teksten ligt dat anders. Parks – universitair docent vertaalkunde in Milaan – meent dat vertalen onmogelijk is zonder het ritme, de stijl en de stem van de brontekst aan te tasten. Als een van de voorbeelden noemt hij de Zibaldone van Giacomo Leopardi, waaruit hij zelf stukken tekst zou gaan vertalen. Recentelijk had een team van zeven vertalers en twee gespecialiseerde redacteuren een ‘onverkorte en volledig geannoteerde Engelse editie voltooid’. Parks schrijft: ‘Ik heb diep ontzag voor de gigantische prestatie van dit team […] Wat ik wel wil signaleren is dat ik me, terwijl ik hun vertaling lees, terdege bewust ben van de respons van elke individuele lezer […] van onze eigen interesses, overtuigingen, obsessies. Ik hoor Leopardi in een Engels dat heel anders klinkt en aanvoelt dan mijn collega’s hebben gebruikt. Ik hoor gewoon een andere man tegen me spreken – een andere stem – hoewel wat ik hoor niet valabeler is dan de Leopardi die zij voor ogen hadden.’

    Dat de erudiete veelschrijver Parks aan tekst geen gebrek heeft blijkt wel uit zijn productie van zo’n dertig boeken, ruim tachtig essays en artikelen en een stuk of zeventien vertalingen. Over zijn ervaringen met meditatie schreef hij maar meteen twee boeken: het autobiografische Leer ons stil te zitten en de daarmee gepaard gaande roman De dienares. En niet in de minste hoeveelheid woorden. Soms vraag je je af of Parks zijn woordenvloed niet wat kan indammen. Het antwoord is: ja, dat kan vrijwel altijd, maar ook nee, omdat ondanks hier en daar een doublure de lezer door de bezielde en veelzijdige manier waarop Parks uitputtend beschrijft wat hij over het onderwerp kwijt wil, toch geboeid blijft. Ook in Waarom ik lees.

    Het is een rijk boek, al blijft de rol van het e-book wat onderbelicht. Met zijn bekwame formuleringen neemt Parks ook de voorzichtigheid in acht. Hij constateert verschijnselen, staat boven de materie, laat ieder het zijne en vermijdt al te stellige uitspraken. Daarbij is hij zich terdege bewust van zijn Europese publiek – naast het Angelsaksische – wat onder meer blijkt uit de aandacht die hij heeft voor Nederlandse en andere Europese lezers en schrijvers.

    Wie even niet weet wat hij moet lezen of welke boeken van belang zijn voor de canon, al bestaat die volgens Parks niet meer, kan in Waarom ik lees ideeën opdoen, mits hij niet uit is op titels van de nieuwste uitgaven.

     

    Waarom ik lees

    Auteur: Tim Parks
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,99

  • Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Wie in de jaren ’60 van de vorige eeuw per trein door Nederland reisde kent ze nog wel: de metalen plaatjes onder de ruit met in drie talen de waarschuwing om niet uit het raam te hangen. Daaronder ook het Italiaanse ‘e pericoloso sporgersi’. Het gaf je, sporend door Nederland, het gevoel dat je voor hetzelfde geld door Italië had kunnen reizen.
    Wie heden ten dage meemoppert over treinvervoer in ons eigen land, zal daar echter na lezing van Italië op het spoor van Tim Parks anders over denken.

    Parks schreef zijn boek vanuit de gedachte dat het spoor, de aanleg ervan en het reizen erover, een spiegel is van het land waardoor dat spoor loopt. Anders gezegd: wie door Italië treint en om zich heen kijkt, leert de Italiaanse denkwijze en cultuur kennen. Schrijven over ervaringen op het spoor in de laars van Europa kun je aan Parks wel overlaten. Hij woont al ruim dertig jaar in het land, is getrouwd met een Italiaanse, doceert vertaalkunde aan de universiteit van Milaan en reist veel per trein. Hij schreef zowel romans als non-fictie over Italië. Veel daarvan is ook in het Nederlands vertaald.

    Voor wat Parks met zijn boek wil is Italië op het spoor een fraaie vertaling van de dubbelzinnige Engelse titel Italian Ways. Het boek is een verslag van een aantal treinreizen én een bespiegeling waarin hij de Italiaanse manier van leven op het spoor wil komen. Parks is iemand die tongue in cheek schrijft. Hij vindt treinen door Italië de mooiste vorm van reizen (en de vanuit milieubewustzijn gezien meest verantwoorde), maar hij stelt deze vorm van verplaatsing tegelijk voor als een ware verschrikking. Stations zijn dikwijls prachtige bouwwerken, maar doolhoven voor reizigers. Het warrige stelsel van nationale en regionale en snelle en stoptreinen, de elkaar beconcurrerende maatschappijen, de lijdensweg die je af moet leggen om dienstregelingen te achterhalen of aan het juiste treinkaartje te komen: wat een hel! Het is een wonder als iemand op tijd op de gewenste bestemming komt zonder onderweg beboet te worden. Het lijkt in Italië een sport om alles optimaal te regelen en vervolgens iedereen gewoon zijn gang te laten gaan. Regels zijn er om naar believen toe te passen of aan je laars te lappen, afhankelijk van het voordeel dat die keus je oplevert. Of zoals Parks opmerkt: ‘Een van de voornaamste kenmerken die je moet zien te doorgronden in alle aspecten van het Italiaanse leven, is dat deze natie geen problemen heeft met de afstand tussen ideaal en realiteit. Ze zijn de hypocrisie voorbij. Ze registreren gewoon geen tegenstelling tussen retoriek en gedrag. Het is een benijdenswaardige instelling.’

    In het eerste deel van zijn boek beschrijft Parks de geschiedenis van de Italiaanse spoorwegen. Die is heel anders dan die van Engeland, waar ze ontstonden uit de behoefte om industriesteden onderling en met havens te verbinden. Italië kende veeleer een politiek dan een economisch motief. In de tijd van het Risorgimento (het streven om de talloze staatjes op het schiereiland te verenigen tot één Italië) was het van belang snel militairen te kunnen verhuizen en een betere communicatie mogelijk te maken tussen afzonderlijke delen van de toekomstige eenheidsstaat.
    Ook in een andere zin werd het spoor een politiek instrument. Het wordt traditiegetrouw gebruikt ‘om overtollige arbeidskrachten te absorberen en de werkloosheid laag te houden. (..) Tienduizend van de negenennegentigduizend spoorwerkers worden als overbodig beschouwd’. Een baan bij de spoorwegen geldt voor een Italiaan als ‘fatsoenlijk betaald en zo zeker als een plekje in de hemel’.

    De spoorwegen in Italië zijn niet alleen door die hoge personeelskosten flink verliesgevend. Er is geweldig in geïnvesteerd en ondanks dat zijn de kaartjes goedkoop. ‘Italianen [hebben] helemaal geen zin om te veranderen. Ze houden van een gemakkelijk leven. Ze beschouwen zichzelf superieur aan die primitieve en tobberige naties die punctualiteit boven stijl en comfortabele consumptie stellen. Er wordt een compromis gevonden in het imago. Ze zullen doen alsof Italië snel en modern is’. Maar zelfs bij die gunstige prijzen kiezen de Italianen voor vrijheid: de eigen auto. Daar helpt geen moedertjelief aan: ‘In april 1961 promootte het autotijdschrift Quattroruote (Vier wielen) een race van Milaan naar Rome tussen de nieuwe, snelle elektrische trein, de Settebello, en een Alfa Romeo Giulietta. De trein deed er zes uur en zevenendertig minuten over. De Alfa deed het in vijf uur en negenenvijftig minuten. Het spel was uit.’

    In het laatste deel reist Parks naar het zuiden, naar Sicilië en de hak van Italië. Die tocht laat een groot verschil zien tussen het rijkere noorden en het armere zuiden. Het is daar vooral het onderhoud aan het spoor en de stations dat te wensen overlaat. Er gebeurt vaak pas wat als er geld voor komt uit de Europese regiopot. Maar ook dat levert dan weer absurditeiten op. Zo treft Parks in de buurt van Otranto langs het spoor een bord aan, waarop het land Europa dank zegt voor de € 3.614.750,57 die het ontving om het spoor vier jaar lang onkruidvrij te houden:

    Drie miljoen zeshonderdveertienduizend zevenhonderdvijftig euro en zevenenvijftig cent. Voor onkruidbestrijding over een periode van vier jaar. Ik vind dat elke vorm van retoriek en elk detail uiteindelijk zijn functie en logica moet hebben. Hier kan ik alleen maar veronderstellen dat de vijfenzeventig cent worden vernoemd om een indruk van eerlijkheid en fatsoen te geven die de strengste pignolo [iemand die de regeltjes precies toepast] waardig is. Het is algemeen bekend dat Apulië, samen met Sicilië, een van de twee meest verkwistende Europese regio’s is als het om het uitgeven van subsidies van de Gemeenschap gaat.

    Een mooie observatie noteert Parks als hij in zijn eentje in de kathedraal van Lecce afkoeling zit te zoeken en er de rozenkrans hoort bidden. Hij wordt er stil van, tot hij ontdekt dat het stemgeluid niet van een lijfelijk aanwezige priester komt maar van een casettebandje. Dan noteert hij:

    En zodra ik besefte dat het een bandje was, kon ik niet eens meer doen alsof ik me eraan onderwierp. In plaats daarvan zat ik een vergelijking te trekken met de elektronische meldingen in de stations waar de capostazioni al lang met pensioen zijn gestuurd tezamen met al hun ondergeschikten. De zich eindeloos herhalende stem komt van ver weg, of van jaren geleden, en is alleen nog aanwezig door bedrading en microchips. Het heeft iets arrogants en neerbuigends: de organisatie die voor het transport zorgt, of dat nu gebeden of treinen zijn, is zo machtig en gevoelloos geworden dat ze het niet meer nodig vindt dat iemand van vlees en bloed de passagiers en gelovigen leidt. Het is dus zo afstandelijk en absurd geworden, dat mensen het helemaal normaal vinden om vals te spelen; om te denken dat ze absolutie kunnen krijgen na een vluchtige biecht, om in de eerste klas te zitten zonder geldig reisdocument, en ook op andere gebieden van het leven: het ontduiken van belasting, het negeren van bouwvoorschriften.

    Parks neemt in het boek nogal wat ruimte om zijn ervaringen in de trein zelf te beschrijven: volle coupé’s, zeurende en stinkende medereizigers, idiote gesprekken en telefoontjes, weigerende airco’s en lamlendige en op hun strepen staande conducteurs. Het levert soms hilarische beschrijvingen op, die hij echter hier en daar wat te lang volhoudt.
    Dat is trouwens niet de enige kritiek die je kunt hebben. Parks’ boek heeft ook iets willekeurigs doordat hij maar een deel van Italië bereist. Bovendien weet hij de lezer niet volledig te overtuigen dat de handel en wandel op en rond het spoor inderdaad een volkomen afspiegeling is van de manier waarop Italianen in het leven staan.

    Maar met dat korreltje zout binnen handbereik is Italië op het spoor beslist een vermakelijk boek.

     

    Italië op het spoor.
    In en uit de trein van Milaan naar Palermo

    Auteur: Tim Parks
    Oorspronkelijke titel: Italian Ways
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2013)
    Prijs: € 19,95