• Honger

    Honger

    De nieuwe vertaling door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders van Knut Hamsuns roman Honger, die vorig jaar uitkwam ter gelegenheid van Hamsuns zeventigste sterfjaar, was voor alle liefhebbers die fan waren geworden door de eerdere vertaling van Cora Polet (uit 1976) een confronterende ervaring. Het boek blonk als een geliefd schilderij dat na een schoonmaakbeurt alleen maar nog aan kracht heeft gewonnen. Het bekijken van Sult, de verfilming van Honger, heeft eenzelfde effect. De film van regisseur Henning Carlsen (1927-2014), uit 1966, is even fascinerend, meedogenloos en goed als het boek. Hij voegt er zelfs nog een weergaloze, fysieke dimensie aan toe.

    Per Oscarsson geeft het miskende genie Pontus, hongerkunstenaar en zenuwlijder die tevergeefs op zoek is naar een uitgever voor zijn werk (of anders tenminste een baantje om wat te verdienen) en die zijn toenemende wanhoop en ellende bestrijdt met trots en arrogantie, meesterlijk gestalte. Hoe hij als sjofel uitziend suspect figuur politieagenten overbluft met zijn vraag hoe laat het is, hoe hij probeert de knopen van zijn jasje te verpanden en toch zijn decorum te houden, het is superieur en het onthouden waard. Een tweede hoofdrol is voor de schitterend in zwart-wit gefotografeerde locaties. De film werd op locatie in Oslo gedraaid, op een moment dat daar nog net voldoende straten en panden te vinden waren uit het Kristiana, zoals de stad toentertijd heette, van het fin-de-siècle, de tijd waarin de roman speelt. Een jaar na de opnames waren de voornaamste filmlocaties gesloopt.

    Carlsen had naam gemaakt met een in cinéma vérité-stijl gefilmd documentaire drieluik over de opkomst van de Deense welvaartsstaat van begin jaren zestig, gevolgd door een clandestien in Zuid-Afrika gedraaide verfilming van Nadine Gordimers debuutroman Dilemma, toen hij gevraagd werd voor wat de eerste film in een samenwerkingsverband tussen Denemarken, Zweden en Noorwegen moest worden: Sult. De keuze om Honger te verfilmen – een Noors verhaal met een Deense regisseur en een Zweedse hoofdrolspeler – was ongetwijfeld ingegeven door commerciële motieven. En even ongetwijfeld is het aan de eigenwijsheid van de jonge Carlsen te danken dat dit geen smakeloze Scandinavische coproductiepudding heeft opgeleverd maar een prachtige film, die op het filmfestival van Cannes werd genomineerd voor een Gouden Palm. Het bleef bij een nominatie – wel werd Per Oscarsson in Cannes bekroond als beste acteur. 

    Sult, verkrijgbaar op dvd, wordt beschouwd als een meesterwerk van sociaal realisme, maar met alle hallucinaties van de hoofdpersoon en de vele fantastische uitvergrotingen zou ik het liever een meesterwerk van ‘sociaal surrealisme’ noemen.

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

     

     

  • Zweedse schrijver Per Olov Enquist overleden (1934 – 2020)

    Zweedse schrijver Per Olov Enquist overleden (1934 – 2020)

    De grand old man van de Zweedse literatuur, Per Olov Enquist is zaterdag 26 april overleden. Enquist had al langer problemen met zijn gezondheid, hij leed aan hartfalen en werd in 2016 getroffen door een beroerte.

    Enquist en groeide op in de Noord-Zweedse provincie Västerbotten. Als student aan de universiteit toonde hij zich al een getalenteerd schrijver, zijn eerste boek, Het kristallen oog bracht hij in 1961 uit. Met de historische roman De vijfde winter van de magnetiseur (1964), verwierf hij zijn eerste succes. Later volgden onder meer De uittocht der muzikanten (1978) en Kapitein Nemo’s bibliotheek (1991).

    Per Olov Enquist, die tevens journalist en toneelschrijver was, kreeg pas werkelijk grote bekendheid met zijn roman Het bezoek van de lijfarts (1999), over een Duitse arts die in het jaar 1770 de Deense koning bijstaat en een liefderelatie met de koningin aangaat. Langzamerhand trekt hij de macht naar zich toe. Het boek werd vooral geprezen om zijn scherpe schrijfstijl en emotionele diepgang.

    Voordat Enquist in 1999 doorbrak met Het bezoek van de lijfarts, was hij door een diep dal gegaan. In zijn autobiografische boek Een ander leven (2009) vertelt hij daarover, het verhaal van zijn jeugd, het gemis van een vader, zijn alcoholmisbruik en zijn op de klippen gelopen huwelijk. Hij won er in 2008 de Zweedse literatuurprijs nordiska pris mee. In 2013 verscheen zijn laatste boek Het boek der gelijkenissen.

    Zijn boeken zijn vertaald in zevenentwintig landen, in Nederland werd Enquists werk vertaald door Cora Polet en uitgegeven door uitgeverij Ambo|Anthos. Er werden maar liefst ruim 100.000 exemplaren van zijn boeken verkocht.
    Ook werd Enquist meerdere keren als kandidaat voor de Nobelprijs genoemd.

     

  • De vrouw van mijn dromen

    Aan de muur van mijn werkkamer hangen landkaarten. De wereldkaart omdat hij zo mooi is, de kaart van Duitsland omdat ik de deelstaten maar niet kan onthouden en de kaart van Canada omdat mijn zoon er woont.

    Vroeger waren het popsterren die het behang bedekten, de middenpagina’s van de Muziek Expres met daarop de tronies van Beatles, Motions, Kinks en andere idolen van de jaren zestig.
    Nu heb ik geen idolen meer. Volwassen worden, of proberen te zijn, houdt nu eenmaal in dat je je afgoden afzweert, en dat is per slot van rekening wat ‘idolen’ betekent.
    Toch hangt er nog één portretje. Het is een ingelijste Finse postzegel met daarop de vrouw van mijn dromen. Niet om haar uiterlijk, niet om haar prestaties. Ze draagt slechts een keukenschortje en heeft een handtas vast, en zo hoort het, want het is Mamma Moem. Ze is een trol, schepping van Tove Jansson, de Finse schrijfster en tekenares.

    Tussen 1945 en 1970 schiep Tove Jansson in strips, prentenboeken en geïllustreerde kinderboeken – ‘voor kinderen van 8 tot 88’ – de wereld van de Moemvallei en zijn bewoners. Ook schilderde ze en schreef ze autobiografische boeken. Daarvan zijn Zomerboek en De dochter van de beeldhouwer in het Nederlands verkrijgbaar. Ze schreef in het Zweeds, de tweede taal van Finland, waar ze een nationale figuur van de eerste orde is. Postzegels, pretparken, musea, serviesgoed. Ze stierf in 2001.

    Toen ik op de lagere school zat, zo rond 1960, las ik de Moem-strip in Het Vaderland, een krant die allang niet meer bestaat. Ik wist niet dat de Moems trollen waren, ze zien er nogal vormeloos uit.
    Toen ik later de Moem-boeken ontdekte, in de Zwarte Beertjes serie van Bruna, bleken sommige figuurtjes andere namen te hebben gekregen. Wiesje heette opeens Snorkmeisje. De boeken waren buitengewoon goed vertaald door Cora Polet. Ik heb ze nog. De enige fanbrief die ik in mijn leven heb geschreven was aan haar gericht, om te vertellen hoezeer ik genoot van haar vertalingen. Die uitgaven zijn niet meer in de handel, maar gelukkig geeft Uitgeverij Clavis de boeken nu uit, in een nieuwe vertaling. Weer zijn de namen veranderd. De trollen heten nu Moemins, zoals ze in de Engelse vertaling Moomins heten en in het origineel Mumintroll. Laat de vertalers maar begaan, voor mij zal Moem nooit Moemin heten.

    Mamma Moem. Als ik haar zie, besef ik dat de wereld soms goed is. Zij is zowel kind met de kinderen als wijze toeverlaat en rots in de branding. Nooit vindt ze iets gek en nooit is ze braaf. Ze is volstrekt onburgerlijk. Zij vertegenwoordigt, om met Jacques Bloem te spreken, ‘een liefde als kamermuren, als lamplicht om het hart’. Dank zij haar is de Moemvallei een beschutte wereld, waarin je wel kunt griezelen en verdwalen maar waar je er nooit aan hoeft te twijfelen of je veilig thuis komt.

    Wat heeft er voor gezorgd dat ze na een halve eeuw nog mijn wand siert? Natuurlijk, de verhalen zijn origineel en hartveroverend. De illustraties zijn subliem. Maar er is meer: indertijd, toen de jongenskiel, om op Beets te variëren, niet zo heel zalig om mijn schouders gleed, las ik die strips niet in mijn eentje. Mijn grootmoeder las ze ook. Zij genoot er net zo van als ik en samen hadden we plezier in het fantaseren over de afloop. Ik herinner me dat ze enthousiast was over Mamma Moems oplossing voor de afwas: opsparen tot het regent en dan buiten zetten. Dat Wiesje, het Snorkmeisje, slechts gekleed ging in een enkelband vond ze bijzonder gewaagd. Wanneer ik op zomerkamp moest, knipte oma de stripjes voor me uit en kreeg ik ze toegestuurd.

    Ze schoten wortel, de verhalen en de figuurtjes, de tekeningen en de sfeer en, jawel, de ‘wereldbeschouwing’ van de Moems. Dat is namelijk de grote winst die je als lezer meekrijgt: een besef dat het leven niet per se uit stress, loonslavernij en statusangst hoeft te bestaan en dat de wereld op orde is. ‘Ik wil alleen maar in vrede leven, aardappels planten en dromen’, zegt Moem.
    Daar komt natuurlijk vaak wat tussen, u weet wel: wetten en praktische bezwaren en de slijtage van het bestaan. Wat de familie Moem belichaamt is een realistisch ideaal en geen wensdromerij.Dat ene postzegeltje valt in het niet bij m’n landkaarten. En zo hoort het misschien ook. Een mens moet zich niet afsluiten van de reële wereld. Maar de droom van een wereld die een veilige woning is, wil ik niet kwijt. Daarom hangt Mamma Moem boven mijn bureau.

    Soms, als ik opkijk van mijn werk, zie ik haar daar en dan denk ik aan mijn oma, die deze maand 124 zou zijn geworden:

    Maar het gelukkigst is misschien wel Moem die met zijn mamma door de tuin naar huis loopt, juist op het moment dat de maan in de morgenschemering verbleekt en de bomen zachtjes wiegelen op de ochtendwind die uit zee komt. Nu daalt de koele herfst in de Moemvallei. Want anders kan het immers geen voorjaar worden.

    (Uit: De hoed van de tovenaar, 1948)

     

     

     

  • De verbeeldingskracht! die reuzenspier!

    De verbeeldingskracht! die reuzenspier!

    Recensie door Hella Kuipers

    ‘De liefde kun je nooit begrijpen. Maar wie zouden we zijn als we het niet zouden proberen?’ (p119)

    Moet een roman begrepen worden in de context van het andere werk van een auteur, of moet hij alleen op zijn eigen merites beoordeeld worden? Ieder boek opnieuw een debuut?
    In het geval van Het boek der gelijkenissen levert dat de nodige problemen op: de hoofdpersoon, die vrijwel steeds met ‘hij’ wordt aangeduid en heel soms met ‘E’ of ‘Perola’, vertoont verdacht veel overeenkomsten met de schrijver Enquist. Regelmatig verwijst de hoofdpersoon naar zijn eigen romans, waarin hij diverse gebeurtenissen uit zijn leven – die in dit verhaal aan de orde komen – als materiaal heeft gebruikt. Wie zelf de romans van Enquist niet gelezen heeft, weet niet of het waar is dat die romans ook werkelijk over die gebeurtenissen gaan.

    Om het allemaal nog ingewikkelder te maken, maakt de oude schrijver die de hoofdpersoon van dit boek is, gebruik van zijn werkboeken. Hierin maakte hij zijn leven lang aantekeningen voor de romans die hij schreef. Ook hier gaat het in werkelijkheid over de romans van Enquist, al noemt hij geen enkele van diens titels.

    Het is door dit alles moeilijk om grip te krijgen op het verhaal. Pas na acceptatie van dat feit, door de onbegrijpelijkheid te zien als een bewust beoogd effect, ziet de lezer langzaam maar zeker een gedachtenbouwwerk oprijzen in het hoofd van deze hoofdpersoon, deze oude schrijver, die aanvankelijk van plan is de grafrede voor zijn moeder te herschrijven, maar daar uiteindelijk niet aan toekomt.

    Het inciting incident van het boek – datgene wat het verhaal in gang zet – is het schrijfblok van zijn vader. Altijd heeft zijn moeder gezegd dat ze het heeft verbrand, dat notitieboek vol gedichten, en nu krijgt hij het toegestuurd, weliswaar zwartgeblakerd langs de randen, maar verder intact. Er zijn alleen negen blaadjes uitgescheurd. Wat heeft daarop gestaan? Gedichten tegen het geloof? Gedichten over seks? De schrijver ziet het als zijn opdracht deze te reconstrueren.
    Het zet een stroom van herinneringen bij hem in gang, die vooral te maken hebben met het geloof, met de verlossing, en met liefde en seks. Zo laat hij, bijna tachtig, staand aan de oever van de rivier tussen leven en dood, zijn leven en zijn familie aan zich voorbijtrekken. Niet op een chronologische manier, maar associatief, herhalend, terugkerend.
    Een paar jaar eerder is hij teruggegaan naar het eiland van zijn jeugd, waar zijn moeder altijd op een grote steen gezeten over het water uitkeek. Hij wilde controleren wat er klopte van zijn herinneringen. Maar het eiland was verkracht, de bomen omgehakt, de leegte volgebouwd, en hij vond er niet het inzicht waar hij op gehoopt had.

    Hij verwoordt dat zo:
    ‘Waarom was hij naar hier teruggekeerd. Dit was geen afdaling in de Rivier van de Wilgenboom*, zoals hij als jongen in Kiplings Kim gelezen had. Voor inzicht moest hij bij zichzelf te raden [sic] gaan.’

    Kim en de rivier uit dat boek (een rivier die is ontstaan door een afgeschoten pijl van de Boeddha, en waarin je na onderdompeling tot Inzicht komt) spelen meermalen een rol in het verhaal. Het boek van Kipling was een van de weinige boeken die zijn moeder bezat, en hij heeft het drie keer gelezen, voor zijn moeder het verstopte en later verbrandde. De oude schrijver vergelijkt zijn eerste seksuele ervaring met het afdalen in deze rivier.
    Later schrijft hij: ‘Helder denken wordt steeds moeilijker. Welke rivier? Die van het inzicht of die van de dood?’ (p.123)
    Niet alleen het motief van de rivier, ook de naam Kim komt vaker voor. De kat van een van zijn krankzinnige familieleden heet ook zo.

    Het boek zit op een razend knappe manier vol met literaire verwijzingen. Sommige schrijvers worden rechtstreeks genoemd, zoals Stieg Larsson en Kierkegaard. Soms verstopt Enquist ze subtiel in zijn formuleringen. Zoals bijvoorbeeld ‘er kwamen andere kamers, andere deuren’ (p.41), verwijzend naar Other voices, other rooms van Truman Capote, en zo extreem efficiënt een beeld schetsend van die periode uit zijn leven. In een brief van een achternichtje staat ‘het centrum was weg’ (p.48), verwijzend – wie weet zelfs met een cynisch soort humor want de brief gaat over seks – naar The centre cannot hold uit The Second Coming van Yeats. (Het laatste hoofdstuk heet: De gelijkenis van Jezus’ tweede wederkomst.)
    De oude schrijver vergelijkt het geschrift waaraan hij nu werkt – het boek dat wij als lezer lezen – met de achtste symfonie van Sibelius: ‘een partituur over een verspild leven.’ (p.119) Bovendien is deze symfonie nooit voltooid, en nooit teruggevonden. Is hij verbrand, zoals de schrijver altijd dacht van de blocnote van zijn vader, of zal ook dit manuscript nog ooit gevonden worden?

    Maar terug naar het verhaal.
    ‘Een oude schrijver kijkt terug op zijn leven, en de rol die godsdienst en liefde hebben gespeeld in het leven van hem en zijn familie.’ Dat is de kortste versie.
    ‘Een oude schrijver geeft de gedachten weer zoals ze bij hem opkomen nadat hem het verloren gewaande notitieblok met zijn vaders gedichten is toegestuurd. De blocnote heeft een rol gespeeld in verschillende van zijn boeken, en moet hij die nu herzien? Moet hij de verhalen herzien die hij zichzelf over zijn jeugd en verdere leven heeft verteld? Het verhaal van dit boek gaat over alles wat hij tot nu toe verzwegen heeft. Hij noemt het aanvankelijk een herziene versie van de grafrede voor zijn moeder, en misschien wordt het dat ook. Hij noemt het ook een reconstructie van de negen blaadjes die uit het schrijfblok zijn gescheurd. De roman telt niet voor niets negen hoofdstukken, met negen gelijkenissen als titel. De oude schrijver noemt het boek een liefdesroman, omdat het de lichamelijke liefde is die hij als verlossing ziet, en als de beste manier om de zin van het leven te ontdekken.’

    In feite kan geen omschrijving van de inhoud recht doen aan het effect dat dit boek op de lezer heeft. De oude schrijver is na een beroerte niet meer helemaal helder van geest, hij valt in herhalingen, spreekt zichzelf tegen, roept zichzelf toe: genoeg hierover! Hou eens op met herkauwen!
    De lezer waart rond in zijn geest, een magisch en raadselachtig labyrint met af en toe de helderste uit- en inzichten. Aanvankelijk voelt het boek als een ondoordringbaar struikgewas, maar gaandeweg bloeit het open. Het is geen verhaal van A naar B, ‘de projectieschermen … gingen steeds hallucinerender in elkaar over’ (p.140) maar een boek dat die belangrijkste aller spieren: de verbeeldingskracht, aan het werk laat zien. Uiteindelijk is het misschien wel een brief aan de vrouw aan wie hij zijn maagdelijkheid verloor, de vrouw op de kwastvrije grenen vloer. Tijdens het lezen stijgt de bewondering, het is een boek dat herlezing verlangt.
    ‘Maar van een liefdesroman zou het nooit komen.’ (p.155)

    * De Rivier van de Wilgenboom heet in Kim van Kipling ‘The River of the Arrow‘, en ook in de Duitse vertaling van het Boek der gelijkenissen staat er ‘Fluss des Pfeils.’