• Ergens wringt het in deze zakelijke vertelling

    Ergens wringt het in deze zakelijke vertelling

    Bik is de korte titel van het onlangs verschenen nieuwe werk van Cor Gout. Naast muzikant en filosoof is deze ex-uitgever van het literair tijdschrift Extaze een veelschrijver in verschillende genres: korte verhalen, gedichten, teksten bij een prentenboek en een leporello, boeken over muziek, songteksten en verhandelingen over filosofische onderwerpen. Bik is zijn debuutroman, hoewel er vraagtekens gezet kunnen worden bij de vraag of het werk onder het label ‘roman’ kan worden gecatalogeerd. Bik is het relaas van het levensverhaal van Hagenaar Simon Johannes Bik, telg uit een geslacht hoedenmakers- en verkopers. Hun zaak Bik hoeden en petten was gevestigd in Geest 32a in Den Haag. Jo, de zus van Bik was de laatste uitbaatster, daarna verdween de hoedenzaak.

    Bedrogen in de liefde

    De ‘roman’ start in het Berlijn van 1937. Gout geeft een gedetailleerde schets van hoe het culturele en politieke leven eraan toe ging in het vooroorlogse Berlijn. Dat doet hij op een documentair-achtige manier en in een zeer droge stijl. In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met Bik. Hij staat in voor het verhandelen van stoffen in opdracht van zijn vader en leert de bevallige Irmina kennen die zelf een stoffenzaak heeft. Ze beginnen een relatie en Bik is helemaal verloren. Hij blijft in Berlijn en met haar hulp zoekt hij een job in de auto-industrie, zijn andere passie. Maar Bik is blijkbaar niet de enige die in de gunst staat van Irmina. In het geheim houdt ze er een relatie op na met de vijftig jaar oudere Ulli die boven de stoffenzaak woont. Bik keert bedrogen en vernederd terug naar Den Haag.

    Opnieuw volgt een documentaireschets over de wijk Kortenbos en in het volgende hoofdstuk wordt Bik ingelijfd als een soort spion voor de Duitsers. Hij moet infiltreren in het verzet, maar zijn zwakke karakter zorgt ervoor dat hij daarin niet slaagt. Na de oorlog worden zijn ouders opgepakt voor collaboratie, zijn vader zal pas jaren later als een gebroken man weer vrijkomen. Bik zelf blijft onder de radar wat betreft zijn oorlogsactiviteiten. Hij blijft hunkeren naar zijn verloren liefde Irmina, maar het blijft enkel bij brieven. Zijn zus Jo neemt de hoedenwinkel over en Bik gaat erboven wonen. Het boek kabbelt verder met korte fragmenten uit het verdere leven van Bik: zijn werk, de dood van zijn moeder, zus en broer en zijn uiteindelijke dood in 2007. Hij stierf eenzaam en afgesloten van de rest van de wereld.

    Roemloos einde

    Bik is moeilijk te duiden als boek. Het kan een documentaireroman of non-fictieroman genoemd worden. De personages en locaties zijn niet fictief, maar misschien is het leven van Bik wel wat geromantiseerd. Het werk is een tijdschets van verschillende rakelings verbonden thema’s over verschillende decennia. De wereld in Berlijn en de opkomst van het nazisme in 1937, de familie Bik, hun hoedenzaak en hun dubieuze rol in de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan en de groei van de Haagse wijk Kortenbos. Het bindmiddel is het hoofdpersonage Bik, een fletse figuur met weinig ruggengraat, die het geluk niet vindt en een roemloos einde kent.  

    In de opbouw wordt elk hoofdstuk voorafgegaan door een accurate beschrijving van het onderwerp. De stijl in deze informatieve stukken is vergelijkbaar met de stijl in de andere hoofdstukken: afstandelijk, zakelijk, koel. Dat maakt het voor de lezer moeilijk om empathisch mee te leven met Bik. Biks hartstocht voor Irmina is tussen de regels door wel ergens aanwezig, maar ergens wringt het.  Het kan natuurlijk de bedoeling zijn van de auteur om de koelheid van het personage door te trekken naar de stijl. Verder neemt Cor Gout in zijn werk heel wat voetnoten, brieven en een bronnenlijst op, is het werk doorspekt met foto’s en een lijst met wat men op Biks nachtkastje vond bij zijn dood. Typische elementen die men aantreft in een non-fictie werk en zaken die ook allemaal verifieerbaar zijn. 

    Een biografie kunnen we het werk niet noemen, daarvoor zijn er te veel fictieve stukken. Voor een roman zijn er echter te veel non-fictie kenmerken. Het boek laat de lezer achter met een dubbel gevoel, het is moeilijk te plaatsen. Een nostalgische, maar zakelijke terugblik op het geslacht Bik in de Geest in Den Haag benadert misschien de beste omschrijving. Een tijdschets, maar zeker niet pakkend of aangrijpend. Cor Gouts debuutroman is op zijn minst apart te noemen, maar daar blijft het dan ook bij.

     

  • Het besloten universum van Cor Gout

    Volgens Wim Brands, de presentator van het televisieprogramma Boeken, zijn er veel onbekende schrijvers in Nederland die meer aandacht verdienen. Cor Gout, die onlangs zijn verhalenbundel Korenblauw uitbracht, is één van hen.

    Gout is een veelzijdig kunstenaar. Hij schrijft niet alleen verhalenbundels, maar publiceert ook poëzie, zingt in een band en maakt programma’s voor radio en televisie. Je zou Gout een hedendaagse homo universalis kunnen noemen, die in de geest van Goethe en Leonardo Da Vinci op meerdere terreinen zijn creatieve persoonlijkheid tot uiting laat komen.

    De verhalen in Korenblauw zijn van wisselende kwaliteit. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze teruggrijpen op het verleden van Cor Gout, die in het naoorlogse Scheveningen opgroeide, een rustige, welvarende plaats aan de rand van de grote stad. De Duitse bezetting is echter nooit ver weg. ‘Ze waren gebleven, in en rond het park, de Duitsers, als geestelijke verstekelingen’, schrijft Gout in het verhaal ‘Van Stolkpark, verboden gebied’. Hij doet verslag van verlaten en vergeten villa’s, waar ooit Joodse families woonden. In het verhaal loopt hij er rond als jongen, op zoek naar spanning en avontuur. Gout heeft een formidabel geheugen; de kleinste, veelzeggende details weet hij op een beeldende, levendige manier te beschrijven. ‘De Lero-lijn was een benzolproduct en werd geleverd in een kwartliterblikje met afsluitbare dop, alsof het een verfblikje betrof. Het spul rook onaangenaam en zou na jaren een groot deel van de collages bederven’. In het langere verhaal ‘Zelfportret in collages’ wordt verteld hoe hoofdpersoon Patrick op latere leeftijd een intiem beeld krijgt van zijn mysterieuze vader. ‘Zelfportret in collages’vormt een van de hoogtepunten uit de bundel omdat Patricks vader een kant blijkt te hebben die Patrick niet had verwacht. Of het verhaal nou is verzonnen of daadwerkelijk is gebeurd doet er niet toe; vooral de ontknoping is een gouden vondst.

    Maar de meeste verhalen in Korenblauw ontberen de scherpte en de verrassende wending die ‘Zelfportret in collages’ zo goed maken. Verhalen als ‘Suze’ of de ‘De fascinatie voor de barvrouw, het serveerstertje en de lokettiste’ weten de anekdote niet te ontstijgen. Het zijn grappige, vermakelijke en soms filosofisch getinte herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen en karakteristieke personen, maar ze missen een urgentie. Waarom wil Gout deze verhalen vertellen? Voor lezers die een indruk willen krijgen van de ‘veilige’, overzichtelijke jaren vijftig (toen de lokettistes in het postkantoor nog achter glas zaten en in de lerarenkamer nog de krant gelezen werd), heeft deze bundel veel te bieden. Voor andere, met name jonge lezers, is Korenblauw oneerbiedig gezegd een bundel knap vertelde verhalen uit grootvaders doos.
    Dit had Gout voor een deel kunnen voorkomen door zijn woordkeus aan te passen. Zo komen woorden als ‘billijken’, ‘onheus’ en ‘armetierig’ voorbij. Woorden waar je makkelijk hedendaagse synoniemen voor kunt gebruiken, zodat je niet het gevoel krijgt dat je eerst een laag stof op het boek moet wegblazen. De tekeningen van Hélène Penninga geven de verhalen meer speelsheid mee, maar versterken tegelijkertijd het gedateerde karakter van het boek. Het besloten universum dat Gout heeft geschapen is aantrekkelijk, maar hij weet de lezer nog niet helemaal te verleiden.
    Korenblauw
    Cor Gout
    152 blz.
    € 23,50
    Uitgeverij In de Knipscheer

     

     

  • Literair tijdschrift Extaze nr 4 – muziek en literatuur

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In het voorlaatste nummer van Extaze in twee essays en een kortverhaal ruim aandacht voor de in 2000 overleden schrijver en muzikant, F.B. Hotz. Jaap Goedegebuure recenseerde in de jaren ‘70 de debuutbundel Dood weermiddel van F.B. Hotz en vroeg zich daarbij af of deze schrijver ooit een roman zou kunnen afleveren. Theo Sontrop hield hem toen gevat voor dat ook Tsjechov nooit een roman geschreven heeft. En zo is het, Hotz was een verhalenschrijver van een klein maar indrukwekkend oeuvre. Van Goedegebuure gaat in op de thema’s in de verhalen van Hotz. ‘Het zijn geen helden, de mannen van Hotz’, opent Goedegebuure zijn essay. Volgens Goedegebuure schrijft Hotz met een ‘gedempte berusting’. Een mooie omschrijving van een stijl die zich kenmerkt door afstandelijkheid, en waarin grote woorden geen plaats hebben.

    C.P. Vincentius richt zich op de muzikant en de muziekliefhebber in Hotz. Hiervoor duikt hij de geschiedenis van de jazz in. Hoe de dixielandjazz ontstond begin twintigste eeuw in New Orleans. Miff Mole, trombonist van de Five Pennies was het grote voorbeeld voor trombonist F.B. Hotz. In dit kader past ook het noemen van de vrouw van Hotz, jazz zangeres Greetje Rietbroek, die op zijn leven een onuitwisbaar stempel drukte door zijn beste vriend te vermoorden (!). Waarover Aleid Truijens in de biografie over F.B. Hotz Geluk kun je alleen schilderen, de ware toedracht onthulde.

    Christien Kok liet zich voor haar verhaal De buitenstaander, inspireren door de kring van muzikanten die geregeld bijeen kwam in het woonhuis van dominee Pfeiffer en zijn gezin. De zoon, Serrein, (de latere vriend van Hotz) was de gangmaker van het musicerende gezelschap. In 1952 sloot Hotz zich bij de musicerende groep in het domineeshuis aan, waar op een, voor omwoneneden, wat duistere wijze aan musiceren werd gedaan. Door de afstandelijkheid in de beschrijving, en de terughoudendheid van het personage zelf, is de stijl van Hotz voelbaar.

    In Geen ambitie vertelt Cor Gout hoe hij Robbie van Leeuwen (oprichter van o.a. Shocking Blue en The Motions) eens voorstelde een biografie over hem te schrijven maar dat Van Leeuwen de boot afhield. In 2011 neemt Van Leeuwen het initiatief met de vraag aan Gout of hij die biografie nog steeds wil schrijven. Maar weer wordt het niks, na drie gesprekken blijken de ideeën over een biografie te uiteenlopend om er iets van te kunnen maken. Maar dat wil niet zeggen dat Van Leeuwen zijn verhalen, die hij in de loop van de tijd geschreven heeft, niet wil publiceren. Bij deze: De ambitie, over een jongensdroom die uitkomt. Dat levert mooie beelden op uit de wereld van de popmuziek in de jaren 60/70 van de vorige eeuw. En die biografie, die zou nog wel eens kunnen verschijnen.

    Heleen Rippen (debutant proza) schreef Anni-Frid’s album, een verhaal dat de pijnlijke keerzijde van succes toont en gelezen kan worden als een fictieve auto-biografie. Anni-Frid, een van de zangeressen van Abba, bladert door haar foto-album. Als eerste wordt een foto van het Anni-Frid Andersson Park waar ze door haar man geblinddoekt naar toe werd gereden, getoond. Haar toenmalige man, Benny had dit publiekspark voor haar vijfendertigste verjaardag laten bouwen. Abba’s Chiquitita sing me your song en SOS schalt uit de boxen over het terrein. Het heeft iets flauw komisch Benny dingen te laten zeggen als: ‘Heb je het naar je zin Friedje?’ en ‘Helemaal voor jou gemaakt, dolly’ ware het niet dat juist daardoor het onderliggende verhaal, door Anni-Frid  verteld,   schrijnend wordt. Rippen laat haar, bladerend door het foto-album, weemoedig terugkijken op een leven van uitvluchten en ontsnappingen. Dan schrijft Anni-Frid een brief aan Agneta, die ze na het uiteenvallen van Abba nooit meer gezien heeft en waarin ze de balans opmaakt van haar leven. Ze komt tot de ontdekking dat van alles wat voorbij is, ze het repeteren met Agneta het meeste mist. Rippen schrijft fantasie en werkelijke feiten schijnbaar zonder moeite aaneen, en dat levert  een intrigerend verhaal op dat een intense eenzaamheid  weergeeft.

    Opmerkelijk is ook het verhaal De Berlijnse muur, daarin reist een groep jongeren per auto naar Berlijn. Een van hen, Gregory, heeft zichzelf verplicht mee te gaan maar voelt zich het ‘surplus’ van de groep. Hij beschikt over nogal wat dwangmatigheden, ‘Even duwt Gregory zijn neus tegen zijn schouderblad, hij wil erachter komen of hij stinkt’, die hij probeert te onderdrukken. Luisterend naar een cd zegt ene Tim: ‘Deze dj kunnen we vrijdag checken’. Maar Gregory checkt nooit dj’s. Gregory grinnikt omdat de anderen grinniken en voelt zich het hele, goed geschreven, verhaal door ronduit ongemakkelijk.

    Ook aandacht voor F. Springers(1932-2011) Bericht uit Hollandia. Een exercitie, door Ad Zuiderent. Zuiderent gaat uitvoerig in op enkele misverstanden over de intenties in het werk, en met name het debuut van Springer. Aan de hand van de verhalenbundel Bericht uit Hollandia, toont Zuiderent met bevlogen pen aan dat het werk van Springer al gauw als te eenvoudig of anekdotisch omschreven werd waar dat niet het geval was: ‘Wat op het oog nogal losjes en onevenwichtig is, blijkt bij nader inzien behoorlijk hecht geconstrueerd.’

    Verre en nabije oorlogen, Deel 1 van Kees Ruyt, verscheen in Extaze nr 3. In deze editie het slot daarvan. Over Aya Zikken, een Nederlands schrijfster die opgroeide in Nederlands-Indië tussen twee wereldoorlogen in. Haar ervaringen verwerkte zij in haar boeken. Ruyt werkte de afgelopen vier jaar aan een biografie over Aya Zikken (1919) Alles is voor even. Deze zal eind februari 2013 verschijnen bij uitgeverij In de Knipscheer.

    Schrijfster D. Hooier gebruikte Twee Pantoums, als titel van de twee gedichten, maar ook de dichtvorm paste ze in deze gedichten toe. Pantoun is een dichtvorm waarbij regelherhalingen voorkomen in de volgende kwatrijnen. Zoals in het heerlijke gedicht II van Twee Pantoums:

    ‘Het begint mij vervloekt, te dagen mevrouw
    dat u de schoonheid in fluweel bent die steevast
    te laat, de zaal verstoort met haar pardon, pardon
    niemand luistert als ik in uw kleine stad voorlees.

    Dat u die schoonheid in fluweel bent die steevast
    op mijn subtiel metrum met het hoofd knikt zodat
    niemand luistert als ik in uw kleine stad voorlees,
    door uw wiebelhoofd als van een plastic ezeltje’
    (…)

    Verder een uitvoerig stuk over de opkomst van de Punk-muziek in Punky reggea party,  door Siebe Thissen. En meer verhalen van Mischa van Brandhof, Hein van der Hoeven en Monika Sauwer. Poëzie van Annelie David, Frederik Lucien De Laere, Harry Geelen, Felix Monter, Richard Steegman. De in zwart/wit en grijstinten uitgevoerde psychedelisch vormgegeven illustraties zijn verzorgd door Zeloot. Kortom weer een editie van Extaze die zeer de moeite waard is.

     

    Extaze nr. 4

    Losse nummers in de winkel € 15,00
    Vanaf redactieadres € 17,00, Buitenland € 20,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00, Buitenland € 80,00
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer

     

  • Extaze nr. 1 – droom op ander leven

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In oktober 2010 legden Cor Gout en Els Kort (redactie) de basis voor het literaire tijdschrift Extaze vanuit de behoefte de literaire kring van Den Haag weer op de kaart te zetten. Maar ook Nederlandstalige schrijvers buiten Den Haag publiceren in Extaze, wat in deze tweede editie een mooie melange oplevert. Hiervoor ons ligt de nr. 1 editie en onlangs kwam in januari Extaze nr. 2 uit.

    Aan Extaze nr. 1 werkten twintig auteurs mee waarvan er acht in Den Haag woonachtig zijn of anderszins met deze stad verbonden zijn. En Couperus komt erin voor, opgevoerd door de Haagse schrijfster Christien Kok die het verhaal Rondleiding schreef. Vertelster en bedenker van de literaire rondleiding – de Couperusronde – heeft deze georganiseerd om de zoon van haar overleden vriend een zinniger bestaan te bieden. Maar dat pakt anders uit. Nadat ze een gezelschap bij elkaar heeft gekregen waarmee die zoon zijn eerste rondleiding kan houden, belt hij af. Er zit voor haar niets anders op dan het zelf te doen, daarbij ontdekt ze hoe gruwelijk vervelend zo’n rondje literatuur door Den Haag kan uitvallen. Vier heren en acht dames wachten haar op. Niets van wat ze tijdens de ronde over Couperus en zijn werk vertelt is aan deze groep besteed. Wanneer ze vraagt wie er Eline Vere heeft gelezen wordt er plotseling  geklaagd over moeilijk ter been zijn. Dan laat Kok het verkeer van de Laan Copes van Cattenburch ‘spottend ruisen’. (Prachtig, dat is nog eens een ‘dijk’ van een Haagse laan om in een verhaal op te nemen.) Een deel van het gezelschap drijft de spot met de hysterische personages die in de verhalen van Couperus voorkomen. Dan loopt het uit de hand. Een deelnemer uit luid zijn ergernis waarop drie vrouwen hem beginnen uit te schelden. De gids heeft geen enkele invloed meer op de groep en gaat er als een haas vandoor, terwijl de man hysterisch om zich heen maaiend, op de grond eindigt. Een schijnbaar luchtig verhaal waarin de Haagse sfeer verleidelijk werkt.
    Verder verhalen van Ronnie Krepel, Jan Paul Bresser, Ezra de Haan, Nina Roos, Anneloes Timmerije, Murat Tuncel en Jaap Harten, die in een ver verleden ooit de ogenschijnlijk onbereikbare dichter A. Roland Holst bij een banketbakker te Amsterdam de volgende vier woorden hoorde uitspreken: ‘Twee ons marsepeinen aardappeltjes’. Alsof hij God zelf hoorde.

    Serieuzere bijdragen zijn er van Leo Samama (componist en musicoloog). De opgenomen (verkorte versie van de) lezing Het belang van kunst en cultuur en waarom deze ondersteund moeten worden werd eerder gehouden voor Home Academy in januari 2011. Een doorwrocht essay over hedendaags kunstbeleid gehouden tegen het licht van de achttiende eeuw. Samama maakt onderscheid tussen kunst en cultuur en toont aan waarom het ene (kunst) door het andere (cultuur) ondersteund dient te worden. Daarbij kunst definiërend als: ‘Kunst valt niet samen met cultuur, maar vormt er een onderdeel van, volgens velen een ‘hoger’, meer verheven onderdeel, met een publiek bereik dat selectiever wordt naarmate de verhevenheid ervan toeneemt.’ Sanama eindigt met te zeggen dat het hoog tijd is, ‘dat er in Nederland beleid ontwikkeld wordt waarin wordt vastgelegd wie er verantwoordelijk is voor het in stand houden van kunst, (…) Dat beleid moet op zijn minst het belang en de waarde van kunst en cultuur onderkennen en moet worden opgesteld door mensen die daartoe in staat zijn doordat ze verstand van zaken hebben.’

    Rob Groenewegen, auteur van de in september 2011 uitgekomen biografie over Jo Otten, Te leven op duizend plaatsen (waarvan hier een recensie) schreef een stuk over de onrust in het leven van deze Rotterdamse schrijver, getiteld: Altijd maar weer in beweging. Ook zijn er twee teksten van Jo Otten zelf opgenomen. Het eerste, Onmacht (onvoltooid, ca. 1934) is geschreven op de toon van een dominee die van de kansel preekt, een wanhopige preek. Gevolgd door Lianen. Een tijdsbeeld waarin Otten ook min of meer (zede)predikt tegen het tijdsbeeld (ca. 1936). Flink gedateerde teksten die interessant zijn voor wie de biografie kent.

    Tom Dommisse (filosoof) zet zijn essay: Het streven naar menselijke waardigheid, Een kleine thymotiek van Goethe’s Faust, die hij in het 0-nummer begon, in deze uitgave voort, een beschouwing van de twee meest recente toneeluitvoeringen van Goethe’s Faust in Nederland.
    Van Jaap Goedegebuure het essay Onteigend, ontheemd, ontaard over de personages in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene Niekerk. Karel de Vey Mestdagh schreef het essay It’s not cricket, Wat is cricket en wat is ‘not cricket’?

    De ondertitel van dit nummer – droom op ander leven – geeft een indruk van verlangen en komt uit het eerste van de hierin opgenomen Drie gedichten van Pieter Boskma. Een dichter die de pathetiek niet vreest, beschrijft in drie gedichten, waarin de taal steeds groffer wordt en de ‘daad’ steeds gruwelijker. Het eerst gedicht begint met: ‘Mocht men willen neuken, dan is dat aan te raden, mocht men willen sterven, doe dat dan nog niet vandaag.’  Waarna in het tweede gedicht de rauwheid van dezelfde zoektocht naar lijfelijke liefde zich uit in het drinken van ‘(…) het sobere wondvocht’. Om dan in het laatste gedicht, dat zich zo verdicht heeft dat het meer proza is dan een gedicht,  de liefdesdaad met de dood te vergelijken: ‘(…) een geraamte dat een dode komt bevredigen.’  Indrukwekkende gedichten waarin wanhoop en verzet, de dood en de liefde een verbond met elkaar sluiten.
    Een gedicht van Wim Brands, In memoriam Carlos Westerhout, is speciaal geschreven voor Carlos Westerhout (1945-2011) en voorgedragen tijdens Eenzame uitvaart nummer 131 te Amsterdam. Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats en een postadres in Zaandam. Brands geeft in het gedicht een beeld van een man die bestaan heeft, maar zich nooit zichtbaar opstelde. In het gedicht plaatst hij hem in de stationsrestauratie van Den Haag waar hij zwijgend en rokend zijn tijd doorbrengt en laat hem lopen in de Passage. Het gedicht begint aldus: ‘Ik kende in Den Haag een man die elke avond in de stationsrestauratie zat;’ En de laatste regel: ‘Wie was je? Dit spookt door mijn hoofd: dat je post naar Zaandam ging. / Dat heet post apart.’

    Theo van der Wacht schreef een speels gedicht: Drieluikje op de schilder Adriaan Coorte, (Nederlands kunstschilder 17e eeuw). Al dichtend wordt fruit herschikt en ververst. Het schilderij zo levensecht dat: ‘ (…) een vlieg (…) dat ik subiet / aan doodslaan denk (…)’.
    Meer poëzie van Maaike Klaster, Jaap Harten en stadsdichter van Zuthpen Hans Mirck.

    Elke editie is geïllustreerd met werk van een beeldend kunstenaar. In dit nummer zijn dertien tekeningen (houtskool/inkt?) van de Friese kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra opgenomen. In de in grijstinten uitgevoerde afbeeldingen, verbergt de kracht zich in het onzichtbare door de streperige en uitgeveegde beelden waaruit toch steeds een beeld naar voren komt, zoals bij de Rorschachtests die in de psychologie gebruikt worden. En het werkt, de illustratie past bij de tekst en als je goed kijkt, komt er een beeld naar voren.

    Extaze nr. 1 richt een kritische blik op de huidige tijd en kunst in het algemeen met een aantal  goed vertelde verhalen en veelzeggende poëzie. Maar de boventoon is er vooral een van: ‘Wij zullen doorgaan’; doorgaan met het maken van literatuur, ongeacht het beleid van de huidige regering; doorgaan om te laten zien wie je bent, doorgaan omdat je niet anders kan, doorgaan, maar nooit tegen beter weten in. Want de redactie van Extaze weet wat ze doet.

     

    Extaze

    Losse nummers € 15,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00
    Voor de eerste volledige jaargang, te beginnen met nummer 1, geldt een kennismakingsabonnement van € 50,00.
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer

     

  • Brief aan de auteur

    Brief aan de auteur

    Uit mijn brief aan Cor Gout, de auteur:

    Ik moet je zeggen: je hebt een bijzonder boek geschreven. Allereerst de fraaie uitgave: papier, grootte, de tekeningen; het ziet er allemaal even verzorgd uit. Ik vermoed dat mensen het ook wel zullen aanzien voor kinderboek.
    Maar dan zullen ze toch even opkijken.

    Ik kreeg het gevoel alsof een scherp zoeklicht ronddwaalt in een wereld – jouw wereld – vol herinneringen. Felgekleurde en scherp beschreven beelden, soms scenes, flitsen op vanuit het niets. Soms houden ze lang genoeg aan om een afgerond verhaal te vertellen (het Carmiggelt-achtige Vrolijk & Dood), maar vaker flitst het zoeklicht van de ene situatie naar de andere, waarbij het verband tussen beide soms niet meer lijkt dan de opeenvolging.

    Het verhaal heeft dan de logica van een droom. Juist dat contrast tussen de heldere en feitelijke beschrijvingen (de vele straatnamen dragen daartoe bij) en de duistere logica maken Noirette tot een boeiend geheel.
    Het doet vermoeden dat er nog meer verhalen en herinneringen huizen in dat hoofd van jou. Ik ben benieuwd.

    Met de muziek kan ik minder uit de voeten; het idee van zo’n multimedia produkt spreekt me aan, maar de muziek kan me niet echt boeien.
    Voor een ongeoefend oor als het mijne is de muziek niet echt toegankelijk en krijgt daardoor iets monotoons, wat juist bij de verhalen absoluut niet het geval is; daar is volop variatie en rijkdom in onderwerp en vorm.

    Tenslotte mijn favouriete zin:
    ‘Vrolijk, Vrolijk, Vrolijk, Dood.’