• Prachtig tijdsbeeld van Franse tiener

    Prachtig tijdsbeeld van Franse tiener

    Het is dit jaar 150 jaar geleden dat de Franse schrijfster Colette werd geboren. Ter gelegenheid daarvan geeft uitgeverij Van Maaskant Haun een aantal van haar werken uit in een nieuwe vertaling. In haar tijd was Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) al een zeer markant en vrijgevochten figuur. Ze droeg graag herenkostuums en was de eerste Franse schrijfster die een staatsbegrafenis kreeg. Aanvankelijk schreef ze onder de naam van haar (veel oudere) echtgenoot, maar na haar scheiding schreef ze verder aan een indrukwekkend oeuvre, waarbij ze uitsluitend nog haar eigen achternaam gebruikte.

    Het hoofdpersonage in Claudine op school is al net zo’n vrijbuiter als Colette zelf was. De hele Claudine-serie bestaat uit vier delen en is grotendeels autobiografisch. Op het omslag van Claudine op school is een foto te zien van Colette aan haar schrijftafel. In dit eerste deel van de serie maken we kennis met Claudine, een vijftienjarig meisje uit Montigny-en-Fresnois in de Bourgogne. Haar moeder is overleden en haar vader ‘ziet niets en bemoeit zich nergens mee, hij heeft alleen aandacht voor zijn werk’. Claudine kan daardoor doen en laten wat ze wil.

    Verliefd

    Vanuit een ik-perspectief volgen we het wel en wee van een Franse puber rond 1900. Het boek wordt door Claudine zelf een dagboek genoemd en het leest ondanks het gebrek aan dag- of datumaanduidingen inderdaad als een dagboek. Claudine zit op een meisjesschool waar ook meisjes wonen, als op een kostschool. Er wordt een nieuw schoolgebouw gerealiseerd waarin de meisjesschool en de jongensschool uit het dorp gehuisvest zullen gaan worden en de verwachtingen daarover zijn bij beide groepen hooggespannen omdat de mogelijkheden voor contact met de andere sekse daardoor vergroot worden. Claudine en haar vriendinnen mogen helpen met het opruimen van de zolder van het oude schoolgebouw en doen daar opmerkelijke vondsten, zoals wat seksueel getinte lectuur die tot grote hilariteit leidt en waarvan de oorspronkelijke eigenaar uiteraard onbekend blijft. Claudine op school speelt zich af in het examenjaar van Claudine.

    In dat jaar verschijnt er een nieuwe hulponderwijzeres die slechts vier jaar ouder blijkt te zijn dan zijzelf. Deze juffrouw Aimée is de assistente van de strenge juffrouw Sergent (bijgenaamd ‘de Rooie’). Claudine wordt halsoverkop verliefd op Aimée en weet te regelen dat ze privé bijles Engels van haar krijgt. Wanneer juffrouw Sergent daar lucht van krijgt, brengt ze Aimée (uiteindelijk succesvol) op andere gedachten door haar zelf haar liefde te verklaren. In het boek vertelt Aimée aan Claudine welke woorden juffrouw Sergent daarvoor gebruikt heeft:

    ‘”Liefje van me, zie je dan niet dat je mijn hart breekt met je onverschilligheid? Lieveling, hoe is het mogelijk dat je niet hebt gemerkt hoeveel genegenheid ik voor je koester? Mijn kleine Aimée, ik ben jaloers op de liefde die je voor die hersenloze en waarschijnlijk ook ietwat gestoorde Claudine voelt… Al heb je alleen maar geen hekel aan me… O! Als je maar een heel klein beetje van me zou kunnen houden, dan zal ik een zo liefdevolle vriendin voor je zijn als je je maar kunt voorstellen…”’

    Rode oortjes

    Het is van belang om je als lezer te realiseren dat de hele romancyclus over Claudine indertijd met rode oortjes gelezen werd. De ontluikende seksuele gevoelens bij Claudine en haar vriendinnen en de lesbische relaties tussen docenten en soms ook leerlingen zorgen voor een wat broeierige sfeer. De inwonende juffrouwen flikflooien er zelfs onder schooltijd achter gesloten deuren op los en Claudine gebruikt die wetenschap maar al te graag om ongestraft haar gang te kunnen gaan op school. Het is niet het enige gedrag dat de lezer de wenkbrauwen doet fronsen. Zo blijkt ook schoolinspecteur Dutertre een oogje te hebben op Claudine. Hij verklaart haar op niet mis te verstane wijze zijn passie, maar Claudine vat de situatie – die in onze tijd als zeer ongepast en strafbaar zou worden beschouwd – op als een avontuur:

    ‘”O, lief, betoverend meisje, waar ben je bang voor? Voor mij hoef je toch niet bang te zijn? Ik ben toch geen ploert? Je hebt niets van me te vrezen, niets. Kleine Claudine, wat ben je mooi, met die warmbruine ogen en die wilde krullen! En je hebt vast een lichaam als een aanbiddelijk beeldje…” Met een ruk komt hij overeind en omhelst en kust me; ik heb niet de tijd om me uit de voeten te maken, hij is te sterk en te snel en het duizelt me… Wat een avontuur!’ Na afloop van deze –  in de ogen van eenentwintigste-eeuwers op zijn minst schokkende – gebeurtenis drinkt Claudine doodgemoedereerd een slokje water bij de pomp en gaat dan weer rustig terug naar haar klas.

    Knikkeren en zoenen

    Claudine op school is een soort chicklit avant-la-lettre, geschreven in een wervelend snelle stijl. Claudine zelf is een ravissant meisje en een wildebras. Het ene moment knikkert ze nog met haar vriendinnen op het schoolplein en het volgende kust ze al dan niet met instemming een volwassene of droomt over haar toekomst. Haar vriendinnen worden grappig beschreven. Vriendin Anaïs bijvoorbeeld heeft bijzondere eetgewoonten: zij smult van krijt en vloeipapier. Het schoolleven van rond 1900 is alleen al bijzonder interessant vanwege alle vakken die Claudine volgt. Ze is zelf erg goed in zingen en mag solfègelessen geven aan haar klasgenoten. Handwerken en schoonschrijven nemen een zeer belangrijke plaats in op school, maar ook voor het schrijven van opstellen ligt de lat hoog. De meisjes krijgen opdrachten als: ‘Verklaar en becommentarieer deze uitspraak van Franklin: “Ledigheid is als roest: alles slijt er harder van dan van werk.”’ De verbaal sterke Claudine draait er haar hand niet voor om. Zij maakt niet eens een kladversie.

    Voor de mondelinge en schriftelijke eindexamens moeten alle leerlingen met de trein naar de stad en overnachten ze met hun docenten in een hotel. Ook daar weet Claudine op een geheel eigen manier weer een stempel op de gebeurtenissen te zetten en datzelfde geldt voor de uiteindelijke afronding van het schooljaar.

    Tand des tijds

    Claudine op school schetst een prachtig tijdsbeeld van het Franse onderwijs rond 1900. Er zijn enerzijds uiteraard grote verschillen met de huidige tijd, maar anderzijds ook juist verrassend veel overeenkomsten. Claudine is een levendig en levensecht personage, dat zich zoals vroeger gezegd werd tussen servet en tafellaken bevindt. Ze is zeer zelfbewust en intelligent, denkt na over haar verschijning, helpt anderen, haalt streken uit op school en is verliefd. Voor alle lezers die haar in hun hart hebben gesloten is het goed om te weten dat ze nog een aantal delen kunnen genieten van deze bijzondere hoofdpersoon. Claudine op school vormt het bewijs dat goed geschreven boeken hoe dan ook de tand des tijds kunnen doorstaan.

     

     

  • Oogst week 3 – 2019

    Vrijheid

    Komend weekend, op 19 januari, opent in Museum de Fundatie in Zwolle de tentoonstelling Vrijheid – de vijftig Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968. Tegelijkertijd verschijnt van Hans den Hartog Jager een boek met dezelfde titel. Den Hartog Jager heeft vijftig ‘kernkunstwerken’ geselecteerd, de – in zijn ogen – meest toonaangevende kunstwerken die de afgelopen vijftig jaar in Nederland zijn gemaakt.

    Op de website van De Fundatie is te lezen waarom zij gekozen hebben voor ‘Vrijheid’ als thema: ‘Juist in deze fragmentarische tijden, waarin de betekenis van veel zaken die in Nederland decennialang vanzelfsprekend leken opnieuw worden bevraagd, willen we tonen wat de essentiële kracht van kunst is: nieuwe vergezichten openen, vastgeroeste normen, waarden en vormen ter discussie stellen, de tijdgeest weerspiegelen, en daarop vooruitlopen. Daarom hebben we gekozen voor ‘vrijheid’ als dragend thema. Dat woord heeft in Nederland de laatste jaren een curieuze, bijna populistische politieke lading gekregen. Vijftig jaar geleden stond ‘vrijheid’ nog voor de nieuwe, revolutionaire ontwikkelingen waarmee bestaande patronen werden doorbroken, nu is het woord vooral een symbool geworden voor het vasthouden aan ‘authentieke Nederlandse waarden’. Tegelijk is het óók eenvoudig vol te houden dat het streven naar vrijheid, onafhankelijkheid, uniciteit, al die jaren een kernwaarde van hedendaagse kunst is gebleven.’

    Waarom ze dit initiatief hebben opgezet staat ook beschreven: ‘Door één keer zoveel ‘kernkunstwerken’ uit de afgelopen decennia bij elkaar te brengen willen we de actuele discussies over de rol van kunst in de maatschappij van nieuwe energie voorzien. Maar uiteindelijk hopen we vooral dat Vrijheid één grote viering wordt van de kracht van kunst: een tentoonstelling en een boek, om mensen te laten genieten, verdieping te bieden en aan te zetten tot denken, juist in deze wereld, in deze tijd.’

    De tentoonstelling loopt van 19 januari t/m 12 mei. Het boek is vanaf heden verkrijgbaar.

    Vrijheid
    Auteur: Hans den Hartog Jager
    Uitgeverij: Athenaeum

    Vacuüm

    Op zijn eigen website vertelt Oscar Spaans waar de verhalen in zijn debuut Vacuüm over gaan: ‘over mensen die het allemaal niet zo goed meer weten.’

    En hij vervolgt: ‘Volgens het cliché schrijf je geen boek zonder dat er bloed, zweet en tranen bij vloeien. In het geval van Vacuüm was het eigenlijk vooral zweet, maar dan wel letterlijk: de inspiratie voor de verhalen deed ik niet zelden op bij het verhuisbedrijf waar ik drie dagen per week werk.’

    De uitgeverij heeft het over personages die onthecht zijn, langs elkaar heen leven en op zoek zijn naar houvast. Ze zitten vast, gaan een nieuwe fase van hun leven in, of sluiten er juist één af: ze bevinden zich allemaal in een vacuüm en moeten omgaan met de leegte die dat met zich meebrengt. Soms zijn het herinneringen aan een bepaalde plek die hen ervan weerhoudt om verder te gaan met hun leven, soms is het de belofte van een nieuw begin dat ze doet besluiten het oude achter zich te laten. In andere gevallen is er van een keuze helemaal geen sprake.

    Een bundel over vallen en weer opstaan, of blijven liggen.

    Verhalen van Oscar Spaans verschenen eerder in o.a. RevisorTirade en Kluger Hans. In 2017 won hij De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd met zijn verhaal ‘Beestjes’.

     

    Vacuüm
    Auteur: Oscar Spaans
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Roadblock

    Lovende recensies kreeg Pauline Genee op haar romandebuut Duel met paard dat in 2014 bij Uitgeverij Querido verscheen. Roadblock is haar tweede roman.

    Die vertelt over Ava die verkiezingen gaat waarnemen in een niet al te gevaarlijk land. Het had een onschuldige onderbreking van haar drukke leven moeten worden: een soort vakantie. Maar het loopt anders: bij een roadblock valt Ava’s team in handen van een gewapende groep. Er klinken schoten, Ava wordt van haar teamgenoten gescheiden en belandt, ver van de bewoonde wereld, op een kale berg. In de angstige tijd die volgt probeert ze haar kansen in te schatten.

    Heen en weer slingerend tussen hoop en vrees maakt ze de balans op van haar leven. Heeft ze de juiste keuzes gemaakt? Krijgt ze de kans haar grootste fout recht te zetten?

     

    Roadblock
    Auteur: Pauline Genee
    Uitgeverij: Querido

    Sido

    In 2017 verscheen in de serie Privé-domein De eerste keer dat ik mijn hoed verloor van de Franse schrijfster Colette. Eind 2018 ging een film over haar in première met in de hoofdrol Keira Kneightley,

    Beiden gebeurtenissen waren aanleiding voor uitgeverij Vleugels om Colette’s roman Sido in een herziene vertaling uit te geven.

    In Sido schetst Colette in beeldende beschrijvingen haar jeugd in het Bourgondische dorpje Saint-Sauveur, met haar broers, ‘de wilden’, met wie ze oneindig veel in de bossen speelde, haar mysterieuze, eenzelvige zus, haar eenbenige vader met literaire en politieke ambities en haar eigenzinnige, vooruitstrevende moeder Sido.

    Sido
    Auteur: Colette
  • Oogst week 12

    De vorm van ruïnes

    Er was de schrijver al eerder gevraagd waarom hij niet over zijn land Colombia schreef. Een land dat door zijn vele conflicten rijk aan verhalen is en Juan Gabriel Vásquez (1973) bleek een goed verhalenverteller te zijn. Vásquez’ antwoord was dat hij Colombia juist had verlaten vanwege het geweld en om schrijver te worden. Hij publiceerde verschillende romans, korte verhalen en essays en werd bekend van zijn roman Het geluid van vallende dingen (“El ruido de las cosas al caer”). Nadat hij verschillende jaren in Europa woonde (Parijs, Belgische Ardennen, Barcelona) keerde hij in 2012 terug naar Colombia. De vorm van ruïnes gaat over deze terugkeer en wat hij daar aantreft. Hij wordt geconfronteerd met allerlei samenzweringstheorieën rond de moord op Jorge Eliécer Gaitán in 1948, die het startschot was voor jaren van onrust en geweld en waarvan het motief altijd een vraagteken gebleven is. Vásquez verdiept zich in dit keerpunt in de Colombiaanse geschiedenis. Want die moord begrijpen is niet alleen Colombia vandaag begrijpen, maar ook zijn eigen lot en dat van zijn kinderen. Een getuigenis van een schrijver die zijn land probeert te begrijpen. De vorm van de ruïnes opent met deze zin:
    De laatste keer dat ik Carlos Carballo zag, was toen hij met zijn handen op zijn rug geboeid en zijn hoofd diep tussen zijn schouders getrokken een politiebusje in kroop, terwijl onder in beeld de reden van zijn aanhouding verscheen: poging tot diefstal van het kamgaren pak van een vermoorde politicus.”

     

     

    De vorm van ruïnes
    Auteur: Juan Gabriel Vásquez
    Uitgeverij: Bruna Uitgevers, A.W.

    De eerste keer dat ik mijn hoed verloor

    Colette (pseudoniem voor Sidonie Gabrielle Colette, 1873-1954) publiceerde zo’n dertig romans en verhalenbundels. Daarnaast schreef ze ook een imposante hoeveelheid journalistieke essays en recensies maar hield zich, anders dan haar collega’s Simone de Beauvoir, Marguerite Duras en Marguerite Yourcenar, verre van politiek. Door de volstrekt originele benadering van haar onderwerpen en haar beeldende, zinnelijke stijl is het werk van Colette tijdloos. Haar literaire status is in Frankrijk onbetwist, ze kreeg als eerste vrouw in Frankrijk een staatsbegrafenis. Kiki Coumans is jaren bezig geweest om dit zelfportret samen te stellen. Colette leidde een roerig (liefdes)leven, maar schreef ook mooi over haar wilde broers, haar mysterieuze zus en haar eigenzinnige moeder.
    De teksten in dit deel van Privé-domein gaan over haar jeugd in een non-conformistisch gezin in een Frans plattelandsdorpje, haar liefdesleven, de Grote Oorlog, de relatie met haar moeder en de vele plekken die van betekenis zijn geweest in haar leven, met name de Provence en Parijs. Tezamen vormt het een rijk zelfportret. Een aanzienlijk deel van deze gebundelde teksten is nooit eerder in boekvorm verschenen. Dat is waar we benieuwd naar zijn, ongekende teksten van een bijzonder schrijfster. Waarbij je je kunt afvragen waarom het zo lang heeft geduurd eer er een Privé-Domein deel van Colette verscheen.

     

    De eerste keer dat ik mijn hoed verloor
    Auteur: Colette
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    Campert & Campert

    De vader van Remco Campert, Jan Campert (1902-1943) schreef van 1923 tot 1938 gedichten, recensies en verhalen voor Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Remco Campert (1929) schreef vanaf 1951 voor het weekblad Elsevier. Deze bijdragen van vader en zoon Campert, beiden dichter en schrijver, beiden betrokken bij de wereld zijn bijeengebracht in  Vader en zoon, zijn gebundeld door De Bezige Bij. Een bundel compleet met het verhaal van Elsevier-medewerker Elias van der Plicht over het ontstaan van het gedicht ‘De Achttien Dooden’. Ook het gedicht zelf, dat begint met de beroemde woorden ‘Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed’, is in de bundel afgedrukt. Evenals de portretten van de achttien vermoorde verzetsstrijders en stakers.

    Het Lied der Achttien Dooden van Jan Campert groeide kort na zijn dood uit tot symbool van het verzet. De gedragen stijl van de vader contrasteert soms opvallend met de lichtvoetigheid van de zoon, al resoneren hun teksten vanwege de literaire precisie duidelijk met elkaar. Een bloemlezing van een eeuw schrijverschap van twee generaties Campert.

    Campert & Campert
    Auteur: Remco Campert
    Uitgeverij: Bezige Bij, De
  • Colette, een begaafde ‘Vagabonde’

    Colette, een begaafde ‘Vagabonde’

    Colette overleed 52 jaar geleden maar haar naam duikt steeds weer op. De Franse schrijfster Sidonie-Gabriëlle Colette (1873 – 1954) was bij leven slechts bekend met haar achternaam.

    In 2003 verscheen er een film over haar leven met als saillant detail dat actrice Marie Trintignant kort na het afronden van de opnames door haar geliefde vermoord werd. Hoe tragisch ook, het bracht de film extra publiciteit en Colette kreeg meer aandacht dan verwacht. Nederland bleef niet achter. Onlangs zijn er twee vertalingen uitgegeven en de actrice Josée Ruiter is tot eind maart 2007 op tournee met de monoloog Colette.

    Er is veel bekend over leven het leven van Colette. Haar rustige jeugd op het platteland, de sterke band met haar moeder Sido en de turbulentie die vanaf haar twintigste door haar leven giert. Ze trouwt met de vijftien jaar oudere schrijver, musicus en playboy Henri Gauthier-Villars (‘Monsieur Willy’). Ze zet de eerste stappen in de wereld van bohémiens en artiesten en begint met schrijven. Onder de naam Willy Colette publiceert ze in drie jaar tijd vier romans over het schoolmeisje ‘Claudine’.

    De Claudine-serie bestaat uit vier delen en handelt over de onbetamelijke avonturen van deze opgroeiende tiener en adolescent. De titels doen nu wat suffig aan: Claudine à l’école, Claudine à Paris, Claudine en ménage en Claudine s’en va. Het wordt een enorm succes in Frankrijk en de merchandising is niet van de lucht: een kledinglijn, zeep, parfum en zelfs een ‘Claudine’-musical. Het verhaal gaat dat Villars zijn vrouw flink onder de knoet had en zelfs opsloot om haar tot schrijven te dwingen.

    n 1906 verlaat Colette Villars, en start ze een theatercarrière waar ze haar borsten ontbloot en copulatiepantomimes ten beste geeft. Ze heeft relaties met mannen en vrouwen van alle leeftijden en met name haar lesbische relatie met Marquise de Belbeuf (‘Missy’) haalt de schandaalpers. In het boek La Vagabonde (De Zwerfster) uit 1910 doet ze verslag van deze periode.

    In 1912 trouwt ze met Henri de Jouvenel des Ursins, de uitgever van de Franse krant ‘Le Matin’, en na hun scheiding kiest ze in 1935 voor de zestien jaar jongere Maurice Goudeket. Deze laatste schreef een aandoenlijk boekje over hun leven samen.

    Uit het huwelijk met Jouvenel wordt tot Colettes grote schrik een dochter geboren. Kinderen! Wat moet je daar nou mee? Ze wil niets met Colette Jouvenel, ook wel Bel-Gazou genoemd, te maken hebben. De moeder-dochterrelatie is complex en wordt prachtig neergezet in de monoloog door Josée de Ruiter.

    In de jaren twintig stijgt haar succes naar grote hoogten. Ze bevindt zich in de kringen rond de kunstenaar Jean Cocteau, met wie ze een goede vriendschap ontwikkelt, en laat zich inspireren door moderne poëzie en schilderkunst. Ze stort zich weer op het schrijven en haar boeken vliegen de winkels uit. Haar manier van schrijven is speels en lyrisch en ze weet fictie en werkelijkheid goed met elkaar te vermengen. In de novelle Het Zieke Kind laat ze hallucinaties vloeiend afwisselen met het leven van alledag. Ook haalt ze (voor die tijd) gedurfde trucs uit.

    In haar beroemdste boek Chèrie (1920) stoeit ze met stereotypen en genderrollen.
    Al haar fictie wordt bevolkt door personages die zich aan de buitenranden van de maatschappij bevinden: homoseksuelen, biseksuelen, gigolo’s, courtisanes, prostituees en artiesten. Waar ze vooral om geroemd wordt, is het feit dat ze zich goed weet te verplaatsen in het liefdesleven van vrouwen. Haar scherpe en rake karakterschetsen worden alom geprezen. Terugkerende thema’s in haar werk zijn: liefde, de natuur, seks, eten en dieren, met in het bijzonder poezen.

    Later in de twintiger jaren legt ze zich toe op autobiografisch werk en schrijft ze met een aan verheerlijking grenzende liefde over haar kinderjaren op het Franse platteland. In Het Huis van mijn Moeder (1922) en Sido (1930) staat Colettes vroegere gezinsleven centraal en schrijft ze beeldend over haar ouders, haar zus en haar twee broers, maar ook over haar innig geliefde tuin en de ronddolende dieren. Door haar rol in society-kringen, maar vooral op grond van haar prachtige romans, wordt ze in 1927 Frankrijks belangrijkste vrouwelijke auteur genoemd.

    Colette blijft maar schrijven en de lijst met romans wordt langer en langer. Mede door de veranderende tijdgeest nemen de schandalen af en is ze een auteur met aanzien. Tijdens de eerste Wereld Oorlog is ze journaliste aan het front. In 1953 wordt ze tot grootofficier benoemd in het Légion d’Honneur. Ook wint ze veel literaire prijzen en verkeert ze in dezelfde kringen als de beroemde Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874 – 1946). Een aantal van haar boeken wordt omgewerkt tot toneelstuk of musical.

    Ook in Nederland heeft Colette haar sporen nagelaten. Niet alleen werden haar boeken vertaald, ze inspireerde ook haar collega en tijdgenoot Carry van Bruggen (1881 – 1932). In haar roman Eva (1927) speelt Claudine (het schoolmeisje uit de reeks van Colette) een grote rol. Niet alleen leest en citeert Eva Claudine à ménage, maar er zijn ook inhoudelijke raakvlakken te vinden. Zo onderzoeken beide protagonisten hun seksuele voorkeur en gaan ze liefdesrelaties aan met seksegenoten.

    Dat het boek Eva er is, is misschien wel dankzij Colette, en is de eerste Nederlandse roman met een biseksuele hoofdpersoon. Ook de vertelperspectieven in beide romans komen overeen: een alwetende verteller die de gedachten en gevoelens van de vrouwelijke hoofdpersonen beschrijft. De Claudine-serie is in het Nederlands vertaald, maar niet meer verkrijgbaar in de boekhandel.

    In 1950 verschijnt haar verzameld werk in vijftien banden en de laatste jaren leidt Colette een rustig leven met haar Maurice in het Parijse Palais Royal. Tussen haar en haar dochter Bel-Gazou is het gelukkig goed gekomen. In 1954 overlijdt ze op 81 jarige leeftijd en krijgt als eerste vrouw in de Franse geschiedenis een staatsbegrafenis.

    Hoe is het mooier af te sluiten dan met een fragment uit het gedicht ‘Père Lachaise, oktober’ van de Nederlandse dichteres Esther Blom. Ook in de eenentwintigste eeuw weet Colette haar vakbroeders en zusters nog steeds te inspireren.
    Ik zoek het graf van Colette
    die oud werd en mooi bleef
    en van het leven wist. Een poes loopt
    voor me uit, alsof ze er hoort.’