• Couperus in levende lijve

    Couperus in levende lijve

    In zijn novelle voert Coen Peppelenbos de schrijver Louis Couperus levend op. Hij doet dat aan de hand van de eerste druk van Couperus’ boek De stille kracht, een bibliofiele uitgave die dankzij de fluwelen omslag duizenden euro’s waard is. Het boek uit 1900 speelt zich af in Nederlands-Indië. Couperus laat zijn westerse personages, ten prooi aan de stille kracht van de oosterse cultuur, zowel politiek als erotisch geheel ontsporen. Couperus zelf typeert de kunstzinnige omslag in een brief aan zijn uitgever als ‘de luxe waarin ge dat onfatsoenlijke boek hebt gekleed’. Aan dit citaat heeft Peppelenbos de titel van zijn boekje ontleend: Onfatsoenlijk en luxueus.

    Hoofdpersonage Chris probeert als adviseur van het Groninger Museum kunstwerken aan een oude weduwe te ontfutselen. Onderwijl ziet hij kans voor eigen gewin uit haar boekenkast zo’n fluwelen Couperus te ontvreemden. Daarbij gaat van alles mis, wat leidt tot een schandaal in de Groningse museale wereld. Het verhaal biedt de auteur de mogelijkheid venijnig te spotten met die wereld. Chris denkt bijvoorbeeld: ‘Je kon een leven lang toe met een handjevol termen die je met veranderende bijvoeglijke naamwoorden in verwisselbare volgorde kon zetten – lijnvoering, kadrering, kleurgebruik, losse toets, focus, beeldtaal, bevreemding, spanningsveld, patronen, urgentie, vlakverdeling, spel met licht, dieptewerking en ga zo maar door – en hop weer een artikeltje klaar waarin nooit iets wezenlijks stond.’

    Broeierig

    Het verhaal kent drie perspectieven, uitgewerkt in de delen ‘Chris’, ‘Louis’ en ‘Jaap’. In elk deel hanteert de schrijver een verschillende stijl, om ook op die manier uit te drukken dat er iemand anders aan het woord is. In het (tweede) deel, dat door Couperus zelf wordt verteld, is dat natuurlijk een tour de force. Peppelenbos heeft er (terecht) voor gekozen modern Nederlands te gebruiken. Alleen in broncitaten handhaaft hij de oude spelling. In dit deel vertelt de grote schrijver hoe hij aan het begin van de twintigste eeuw op uitnodiging van een studentendispuut naar Groningen reist. Een van de studenten is Jaap, de overgrootvader van de Jaap in het derde deel. Er ontstaat een broeierige sfeer tussen de twee mannen, want Couperus is weliswaar getrouwd maar dat huwelijk was vooral een maatschappelijk alibi.

    In het derde deel, ‘Jaap’, is sekswerker Gio aan het woord. Jaap/Gio heeft onder beide namen een relatie met Chris en is betrokken bij het schandaal. Zo biedt Peppelenbos een onthullend perspectief op de gebeurtenissen in het eerste deel. Een uitgever overweegt de ervaringen van Jaap/Gio in boekvorm uit te geven, wat op zich al grappig is. Maar dat voornemen sneuvelt omdat, zoals de uitgever aan Jaap schrijft, ‘onze uitgeverij op dit moment opgaat in een wat groter concern (…)’ En als Couperus begin twintigste eeuw van Den Haag naar Groningen reist, een reis per trein die vier uur in beslag neemt, laat Peppelenbos de schrijver zich afvragen: ‘Hoeveel sneller zal dat zijn over honderd jaar?’ Het wemelt van dit soort geestige kleinigheden in dit boekje, dat qua sfeer, omvang en vermaak een aardig Boekenweekgeschenk had kunnen zijn.

    Semantisch

    Hoewel Onfatsoenlijk en luxueus een novelle wordt genoemd, heeft het meer weg van een uit de kluiten gewassen kort verhaal. De verschillende perspectieven verhullen enigszins dat er nauwelijks ontwikkeling in de personages zit, iets dat in een novelle toch wel verwacht mag worden. Chris is aan het eind nog steeds de man voor wie automatische deuren gesloten blijven. Couperus is en blijft uiteraard Couperus en Jaap/Gio persisteert als een heerlijke opportunist. Deze semantische kwestie doet er echter niets aan af dat dit boekje gegarandeerd een prettig leesuurtje oplevert. Peppelenbos publiceerde eerder de romans Victorie (2008) en De valkunstenaar (2016). Hij is oprichter en hoofdredacteur van het literaire platform Tzum, waar hij vaak de geestig-spottende toon weet te treffen die ook dit boekje kenmerkt.

     

     

  • Oogst week 26 – 2024

    Aasgierkapitalisme

    De Britse Grace Blakeley (1993) noemt zichzelf een democratisch socialist. Ze denkt en schrijft aan de linkerkant van het politieke spectrum en is groot criticaster van het kapitalisme, tot uiting komend in boeken als The Corona Crash – How the Pandemic will Change Capitalism en Stolen – How to save the World from Financialisation. Ze studeerde in Oxford PPE, een combinatiestudie van filosofie, politicologie en economie. Oxford begon met deze studie in de jaren twintig van de vorige eeuw, andere universiteiten volgden later. Volgens de BBC domineert de Oxford PPE het publieke leven in het VK. Waar of niet, Grace Blakeley treedt veelvuldig naar buiten met haar boeken, artikelen en commentaren die ze ook in talloze tv-programma’s ten beste geeft.

    Begin juni verscheen Aasgierkapitalisme – Bedrijfsmisdaden tegen de menselijkheid (Vulture Capitalism – Corporate Crimes, Backdoor Bailouts and the Dead of Freedom). ‘De “vrije markt” is in werkelijkheid een planeconomie van de superrijken’ staat achterop het boek, vermoedelijk een citaat van Blakeley. Zij ziet overal om ons heen een falend en corrupt systeem. Ze betoogt dat economische elites een mondiaal systeem hebben opgetuigd, het ‘aasgierkapitalisme’, waarvan voornamelijk de superrijken profiteren. Ze geeft inzicht in honderd jaar bedrijfscriminaliteit en politieke manipulatie die aan dat systeem hebben bijgedragen. Bij economische onstabiliteit redden overheden grote bedrijven en aandeelhouders, maar het volk, de gewone mensen, wordt aan zijn lot overgelaten. De economie moet gedemocratiseerd worden, zegt Blakeley, het is de enige manier om ongelijkheid en polarisatie op te heffen en iedereen vrijheid te garanderen.

     

    Aasgierkapitalisme
    Auteur: Glace Blakeley
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Zeven dieren bijten terug

    ‘Mijn helden zijn niet de ijszeeverkenners uit de zestiende eeuw. Hen laat ik verspreid over de bladzijden uitwaaieren als dwaalgasten. Op het hoofdpodium plaats ik de dieren met wie zij onderweg, direct of indirect, de confrontatie zijn aangegaan. In het kielzog van Willem Barentsz ben ik ze nagereisd en heb ze uit hun smeltende wereld gelicht: de narwal, de lemming, de paling, de rotgans, de ijsbeer, het rendier en de koningskrab. Met z’n zevenen nemen ze het mensendefilé af in mijn bestiarium’ meldt de succesvolle non-fictieschrijver Frank Westerman in Zeven dieren bijten terug.

    Het is zijn reisverslag van een tocht vanaf de Waddeneilanden tot voorbij de Noordkaap. De hoofdrol is niet weggelegd voor de ‘dwaalgasten’ hoewel Willem Barentz als rode draad fungeert en het Behouden Huys op Nova Zembla als decor. Waarnemer Westerman schrijft in zijn literaire, humoristische stijl onder andere met anekdotes over de doodsstrijd en overlevingskunst van de zeven pooldieren en de problematische menselijke omgang met de aarde. Hij laat zien wat de dieren ons vertellen over de gevolgen van de opwarming ervan.

    Frank Westerman studeerde tropische cultuurtechniek in Wageningen. Hij werkte als verslaggever voor Volkskrant en NRC. Hij schreef talloze non-fictie boeken waarvan vele een prijs wonnen, zoals De graanrepubliek uit 1999 (Dr. Lou de Jongprijs) en inmiddels een veelgelezen klassieker, Ararat uit 2008 de Ako literatuurprijs en De slag om Srebrenica (2018) de PrinsjesBoekenPrijs, de prijs voor het beste politieke boek.

     

    Zeven dieren bijten terug
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    Onfatsoenlijk en luxueus

    Coen Peppelenbos is schrijver, dichter, recensent en docent. In 1998 richtte hij het literaire tijdschrift Tzum op, dat tot 2012 in papieren vorm verscheen. Nu is het een digitaal tijdschrift, met nog steeds Peppelenbos als hoofdredacteur. Uitgeverij kleine Uil publiceert het. Recent gaf deze uitgeverij Onfatsoenlijk en luxueus van Coen Peppelenbos uit, een van de drie novellen die ter gelegenheid van Roze Zaterdag verschenen.

    Het boek gaat over Chris Vos, die een kostbare uitgave van De stille kracht van Louis Couperus begeert. Vos, een onopvallende, bescheiden man, werkt bij het Groninger Museum als beleidsmedewerker, maar in de praktijk houdt hij zich bezig met het bespelen van oude mensen om hun kunstwerken aan het museum te schenken. Hij weet een weduwe zo ver te krijgen dat zij het museum bijna haar hele collectie schilderijen doneert. In haar boekenkast ziet Vos De stille kracht staan, in een kostbare band van gebatikte katoen en fluweel, ontworpen door kunstenaar Lebeau over wie Vos nog eens een boek wil schrijven. Thuis heeft hij een paar mindere uitgaven van het boek en voortdurend speelt hij met het idee om een daarvan om te ruilen voor de kostbare van de weduwe. Zijn leven is stil sinds de dood van zijn vriend en via een dating-app ontmoet hij Gio, een student kunstgeschiedenis. Deze laat hem betalen voor de seks, maar weet veel over de schilderijen bij Chris aan de muur. De grenzen tussen hen vervagen en Gio blijkt ook nog iemand anders te zijn.

     

    Onfatsoenlijk en luxueus
    Auteur: Coen Peppelenbos
    Uitgeverij: kleine Uil
  • Literatuur als instrument voor zelfontdekking

    Literatuur als instrument voor zelfontdekking

    De essaybundel Hij/hem eindigt met een onjuistheid. ‘Herinneringen veranderen niet, maar mensen gelukkig wel,’ staat er. Als er iets echter veranderlijk is, dan is het de herinnering wel. Deze is allerminst stabiel en verandert keer op keer wanneer we iets proberen terug te roepen in de geest.  Wat schrijver Klaus La Roi vooral wil zeggen is dat mensen kunnen veranderen, ten positieve. Dat kan inderdaad. Mensen kunnen komen tot grotere acceptatie van hetgeen men eerst negatief beoordeelde, daarmee hun intolerantie voor een deel achter zich latend. Tegelijkertijd gaat het boek, met persoonlijke stukken over auteurs van alle letters van het alfabet, ook over iets wat, zo is de (ook wetenschappelijke onderbouwde) communis opinio, niet te veranderen is: iemands geaardheid.

    In dit ‘abc van regenboogboeken’ verdiepen zestien schrijvers zich in korte essays in de kwestie wat een bepaald boek met een expliciete of impliciete homo-thematiek voor hen persoonlijk betekent of heeft betekend en ook wat de functie van het besproken boek voor homo’s in het algemeen is. Zo komen tal van thema’s langs: van de achterhaalde homo-conversie therapie tot de gruwel van aids in de jaren tachtig en van homoseks tot mannenvriendschap.

    Spijker op de kop

    Doeke Sijens slaat de spijker op de kop in zijn stuk over Gore Vidals The city and the pillar: ‘Vidal had met zijn boek willen laten zien hoe normaal homoseksualiteit was, maar ook dat dé homoseksueel niet bestaat- het woord was volgens hem een beschrijving van een seksuele handeling, niet van een zelfstandig naamwoord voor een vaststaand type.’ Omwille van deze waarschijnlijk juiste constatering wringt het samenbrengen van deze stukken in de bundel een beetje; het is in zekere zin een allegaartje van auteurs die een bepaalde toevalligheid delen: hun geaardheid. Het is de vraag in hoeverre deze geaardheid hen zou verbinden, of dat deze groep zo divers is dat er van een overkoepelende term nauwelijks sprake kan zijn. Alle kleuren van de regenboog komen voorbij. De mens, ongeacht geslacht, geaardheid of etniciteit is om zijn diversiteit interessant en de leesherinneringen van de auteurs tonen dat binnen hun toevallige groep mensen net zo’n diversiteit bestaat als binnen de mensheid als geheel. Het is de vraag of het zinvol is om mensen tot een bepaalde essentie terug te brengen.

    Voor alle beschouwende auteurs in deze bundeling geldt echter dat hun geaardheid een belangrijk onderdeel van hun identiteit uitmaakt. Looi van Kessel maakt duidelijk waarom literatuur voor homo’s bij het vormen van deze identiteit een belangrijke functie vervult: ‘Omdat de meesten van hen in een heteroseksuele gezinssituatie geboren worden, krijgen LHBT’ers niet vanzelfsprekend de geschiedenis en culturele referenties van hun eigen seksuele subcultuur van huis uit mee. Ze zijn aangewezen op generaties die voor hen kwamen om te vertellen over de strijd die zij hebben moeten leveren voor gelijke rechten en om te leren over de kunst en cultuur waarmee vele homoseksuelen, lesbiennes en transpersonen hun eigen taal ontwikkelden.’ 

    Geschreven taal en zelfontdekking

    Voor hun vorming zijn boeken van belang geweest, die ze in tijden voor het internet, raadpleegden in de bibliotheek of kochten in de boekhandel. Het is de functie binnen de ontwikkeling van een ‘zelf’ die literatuur kan hebben, die duidelijk uit de verf komt in deze bundeling. In de meestal goed geschreven essays laten de auteurs zien dat neergeschreven taal een rol kan spelen bij zelfontdekking. 

    Hierbij doen de essayisten zich niet beter of slechter voor dan heteroseksuele mensen. Zo citeert Coen Peppelenbos instemmend een passage uit  een gesprek tussen mannen uit de oudheid dat wordt weergegeven door Xenophon: ‘Ik zou zeggen: geef mooie jongens hoge militaire functies-ik zou zelf voor Kleinías [blijkbaar een mooie jongen] – door het vuur gaan, en jullie ook, ontken het maar niet.’ Peppelenbos voegt eraan toe: ‘Je verlangt echt terug naar de tijd waarin de Griekse beginselen werden uitgevonden, als je deze passages leest.’ Nou nee. Mensen beoordelen en belonen op basis van uiterlijke eigenschappen is iets dat van alle tijden is, van alle geaardheden ook, maar dat heeft weinig met ethiek te maken. Er gaat geen voorbeeldfunctie vanuit. De auteurs tonen stuk voor stuk aan waarom literatuur in algemene zin belangrijk kan zijn voor iemands ontwikkeling en zelfontdekking en de beste stukken weten de homoseksuele ervaring goed invoelbaar te maken voor heterogene lezers.

     

     

  • Dichters in de Prinsentuin jubileert

    Dichters in de Prinsentuin jubileert

    Vrijdagavond 14 juli is de openingsavond van Dichters in de Prinsentuin in de Puddingfabriek en staat geheel in het teken van het jubileum!

    Een terugblik op twintig jaar Dichters in de Prinsentuin wordt gegeven door literair journalist Coen Peppelenbos. Oprichter van het festival, Tsead Bruinja, komt met een all stars formatie een korte voorstelling spelen.

    De Duitse lyrica Monika Rinck komt spreken en de Groningse dichter Jan Glas brengt nieuw werk. Ellen Deckwitz en Ingmar Heytze brengen de bloemlezing der bloemlezingen met de mooiste gedichten uit twintig jaar Dichters in de Prinsentuin. Tot slot zingt broeder Dieleman over zilte zeewind, zonde en zaligheid.

    Een schitterend programma om het jubileum zeer passend te vieren. En na afloop is er dansen!

     

    Kijk voor meer informatie en tickets op www.Dichters in de Prinsentuin.

     

     

     

  • Poëzie getrokken van alledaagse taferelen

    Poëzie getrokken van alledaagse taferelen

    In december 2012 verscheen de dichtbundel Muziek voor twee vrouwen van Coen Peppelenbos, uitgegeven op initiatief van de Provincie Groningen door Uitgeverij Philip Elchers als negende deel in de Belcampo Reeks. Hierin verschijnt werk van de winnaars van het tweejaarlijkse Belcampo Stipendium, een schrijfopdracht voor een auteur die op enigerlei wijze een relatie met de provincie Groningen onderhoudt. Tussen de acht eerdere winnaars prijken de namen van wijlen Nanne Tepper en Max Niematz. Vorig jaar werd het stipendium aan Coen Peppelenbos toegekend, die ooit voor zijn studie neerlandistiek in Groningen neerstreek en zich inmiddels al zo’n 30 jaar met die stad weet verkleefd. Van het prijzengeld van € 10.000,- steekt de winnaar € 3.500 ,- in eigen zak, en wordt de rest besteed aan de bibliofiele uitgave in de Belcamporeeks. Behalve schrijver van proza en poëzie is Peppelenbos ook de man achter het literaire weblog Tzum.

    Muziek voor twee vrouwen eert met 15 gedichten in combinatie met even zo vele, in chronologische volgorde gepresenteerde foto’s, bekende en minder bekende voorvallen uit het verleden van de provincie Groningen; van de achtste eeuw tot aan recente tijd. En Coen Peppelenbos, die met Sing Sing (2007) en Vallende mannen (2010) zijn naam vestigde als dichter van verstaanbare en onderhoudende poëzie van anekdotische aard, blijkt met de foto als vertrekpunt aardig uit de voeten te kunnen. Het resultaat ontstijgt het niveau van een praatje bij een plaatje, en in de beste gevallen zingt er zich iets los om zijn eigen weg te gaan. Of de weg van een andere dichter, zoals in het titelgedicht Muziek voor twee vrouwen gebaseerd op het verhaal van een man die vanaf een tegenover het ziekenhuis afgemeerd bootje zijn zieke vrouw Alida toespeelt en drie jaar na haar dood gaat samenwonen met een vrouw die destijds eveneens door zijn muziek werd aangedaan:

    ‘Over het water klonk het lied, Alida hield zich vast / aan het geluid uit de oneindigheid, maar haar kleur verdween // Een andere vrouw, een paar huizen verder, dacht: o / dat hij mijn minnaar was, zijn tere stem zal mij beschermen.’

    Want uit die ‘oneindigheid’ hoort men natuurlijk ook ‘en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. / O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.’ uit Nijhoffs De moeder de Vrouw voorbijvaren.

    De slotregels van Peppelenbos varen echter geheel op eigen kracht: ‘Hij speelde muziek voor twee vrouwen, onwetend / dat hij de dood niet kon keren en de liefde kon halen.’ Hoewel het lyrische gehalte van deze regels niet kenmerkend kan heten voor de meer afstandelijke stijl van Peppelenbos. Voor een typerender citaat kiest men beter regels uit het gedicht Executie op de Westergast, dat afgebeeld staat naast een foto van de titelpagina van een pamflet tegen sodomie van dominee Van Byler, inspirator van de terechtstelling door wurging van 22 homoseksuelen in 1731: ‘Je reist driehonderd jaar her of vliegt acht uur / ver en liefde is een halszaak.’ Onderkoelde versregels die subtiel het rijm uit de weg gaan, want aan rijmen op regeleinden doet Peppelenbos niet. Overigens mogen we die acht uur vliegen toeschrijven aan zijn dichterlijke vrijheid, want de waarheid is dat men minder vliegtijd kwijt is om in het Rusland van Poetin of tussen de Moslimbroeders in Egypte te landen.

    Hoewel niet ieder van de 15 gedichten eruit springt, verdient het gedicht Mej. Blom krijgt aanwijzingen hier vermelding. Het is opgesteld uit de aanwijzingen die een zekere Mej. Blom van haar baas van confectie-industrie CUP per brief kreeg toegestuurd, ten einde haar nieuwe functie in de showroom in Amsterdam geheel naar wens te kunnen vervullen.

    ‘Of mej Blom geschikt is is zonder ondervinding niet vast te stellen.
    Leeft men ervoor dan is het prachtig werk met veel variatie,
    bijvoorbeeld het schoonhouden van het geheel
    zoals iedere goede huisvrouw dat zou doen.

    Onze showroom in Amsterdam is ontzettend belangrijk.
    Mej. Blom zal zelf netjes gekleed moeten gaan,
    beslist niet overdreven modern maar bij de tijd.
    Het gaat ons niet om mej. Blom te verkopen,
    maar de jassen van CUP.

    Ontvang de gasten met een heerlijk kop koffie of thee
    een plak Groninger koek of een bonbonnetje,
    rookt men grote of kleine sigaren?
    Enfin, dit zoekt mej. Blom zelf maar uit.

    En dan het eigenlijke zakendoen.
    Wanneer men dit op de juiste manier kan
    dan is het een prachtvak en wordt het een succes,
    zo niet dan wordt het een fiasco.

    Het uitgaan met gelijk wie van onze relaties
    is ten strengste verboden op straffe van ontslag.
    Ook niet een kopje koffie drinken,
    wat mej. Blom zelf even noemde,
    want dat is meestal het begin van alle ellende.

    De showroom is een visitekaartje voor CUP.
    Het kan, moet en zal een groot succes worden.’

    Geen loepzuivere ready made, toont dit gedicht toch hoe dicht Peppelenbos op de alledaagse realiteit vaart en hoezeer hij daar poëzie aan weet te ontlokken.
    De laatste strofe van het openingsgedicht Warffum zien, over de blinde dichter Bernlef die volgens de overlevering in de achtste eeuw in Noord Groningen zou hebben rondgezworven, bergen misschien wel de mooiste regels van dit boekje:

    ‘Een dichter getuigt niet;
    een goede dichter is blind,
    ziet niets anders dan woorden
    in de nacht en als het licht wordt
    verdwijnt de tekst, blijft alleen de naam
    als hij door een ander genoemd wordt.’

    Wellicht dat blindheid een dichter kan baten, maar de lezer van dit boekje met foto’s en gedichten prijst zich vooralsnog gelukkig over zijn gezichtsvermogen te beschikken.

     

  • Over twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren

    Over twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren

    Recensie door Coen Peppelenbos

    In de stortvloed aan dierenboekjes van schrijvers die hun goudvis of hamster vereeuwigen of nieuwslezers met kattenverhalen of welke tweede- of derderangsartiest dan ook die twee woorden achter elkaar kan pennen over zijn geliefde huisdier en beloond wordt met een ingebonden boek naast de kassa wil ik graag twee boeken aanprijzen die ik met erg veel genoegen heb gelezen. Ezel, schaap en tureluur van Gerbrand Bakker en De mol en andere dierenzkv’s van A.L. Snijders.

    Twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren. Twee schrijvers die korte, goed gecomponeerde stukken kunnen schrijven: Bakker in columnachtige stukken, soms bewerkingen van zijn weblog en Snijders met zeer korte verhalen. Dat beide schrijvers houden van het landleven en allerlei dieren beschrijven en zich niet beperken tot het toevallig aanwezige huisdier (hoewel je daar ook goede literair over kunt schrijven, zoals Koos van Zomeren) maakt hun boeken rijker dan het overgrote deel van de dierenboekjestsunami die de boekwinkels overspoelt. Bij Bakker lees je over geiten, ezels, blaarkoppen, merels en wildzwijnfilet. Dat wildzwijnfilet komt Bakker tegen in een Dagboek van Hans Warren waarin de Zeeuwse schrijver bij de lunch heel kwaad wordt op jagers die een drijfjacht houden bij zijn huis en bij het diner zit te genieten van wildzwijnfilet. Met dat soort hypocriet gedrag moet je niet bij Bakker wezen. Wel voor een ongebreidelde genegenheid voor dieren, of het nu een oude hond is in een café of een jonge gems in Oostenrijk.

    Bij Snijders kom je vooral de dieren rond zijn erf tegen: kippen, hazen, konijnen, herten en de vreselijke ulk. Vierendertig zeer korte verhalen waarvan er dertien eerder zijn verschenen; de rest is nieuw. Het boekje is zoals gewoonlijk bij AFdH voortreffelijk uitgegeven en bevat ook nog een cd waarop de auteur alle zkv’s voorleest (helaas steeds voorafgegaan door wat jazzerigs). Het boek is van tekeningen voorzien door Jan M. Verburg en heeft een voorwoord van Pieter Steinz die ook probeert een zkv te schrijven, maar al snel zijn meerdere moet erkennen in A.L. Snijders.

    Net als bij het vorige boek van Snijders heb ik de neiging om veel te citeren. Dat doe ik maar niet: voordat je het weet, schrijf je het boek over. Liefhebbers kunnen op deze pagina luisteren naar een voorproefje. Daar kun je het boek ook rechtstreeks bestellen. Ik schrijf dat zo nadrukkelijk omdat ik onlangs bij een boekhandel was die de folder van deze uitgeverij zonder pardon in de papierbak deponeerde omdat deze niet aangesloten was bij het Centraal Boekhuis. Bestellen via de uitgeverij vond deze boekhandelaar teveel moeite. Als je de zkv’s dus niet kunt vinden in je boekhandel, ga dan terstond naar een boekhandel waar ze de nieuwe Snijders wel verkopen.

    Wat me in beide boeken aanspreekt, is de authenticiteit van de verhalen: deze schrijvers weten waarover ze het hebben. Daarnaast geniet ik van de verzorgde stijl van Bakker en Snijders. Ten slotte zijn ze allebei lekker recalcitrant. Kopen (ook houdbaar na de Boekenweek)!

     

  • Poëtisch Amsterdam – Coen Peppelenbos

    Poëtisch Amsterdam – Coen Peppelenbos

    Poëtisch Amsterdam, een wandeling in gedichten.

    In de aap

    ‘We komen van zee, zochten het sop
    in de glazen, het hop dat klotst
    in onze magen, dat bloed laat razen
    zoeken de deining van zeebenen
    de zwierende hopmarjannekes
    maar de chimpansee doet niet mee
    de chimpansee is ziek van de zee
    we kijken niet nauw, we nemen
    een vrouw voor de nacht
    de stroop in de kannekes
    lichten de kooien in dit logement
    verschrikken vlooien en luizen
    raken sappen, onszelf kwijt
    verdoofd tot het eerste ochtendlicht
    zien in marjanneke meer jannetje
    zijn bevlekt platzak hamerhoofd
    vluchten voor het schuim in onze kragen
    en een heilsoldaat die ons de dijk afjaagt.’

    Coen Peppelenbos

    Hoe poëtisch is Amsterdam? En wat doe je met een poëtische stad, behalve er gedichten over schrijven? Daar wandel je doorheen. Dat de stad menig dichter geïnspireerd heeft is op zich geen nieuws. Zoals op het achterplat van dit boek vermeld staat: er is geen stad in Nederland waar meer dichters per vierkante meter wonen dan in Amsterdam. Aan een aantal van hen hebben de samenstellers van deze bundel gevraagd om zich, binnen een afgebakend gebied, te laten inspireren tot het schrijven van een gedicht. Vervolgens zijn er twee wandelingen uitgezet die langs deze uitverkoren plekjes lopen.

    De eerste wandeling loopt ‘Van de Wallen tot Oud-Zuid’ en is geïllustreerd door drieëntwintig gedichten. Ik heb hem weliswaar zelf nog niet gelopen, maar uit het lezen van de wandeling blijkt dat de tocht niet alleen een feest der herkenning is, maar ook heel onbekende plekjes van de stad voor het voetlicht brengt. Je moet eerst even op en neer met het pontje (onderweg gedicht declameren voor de forensen aan boord), en dan te voet door het oudste stukje Amsterdam richting het duurste stukje Amsterdam. Bij aanvang van de wandeling, ik verklap het maar vast, beland je op de Zeedijk, waarbij het bovenstaande gedicht over café ‘In ’t Aepjen’ hoort, inclusief een leuke anekdote die ik niet ga verklappen. Op deze wandeling hebben grachten, pleinen, bruggen of gevelstenen dichters geïnspireerd; door in het oog springende zaken of juist door kleine, vrijwel onzichtbare details.

    Datzelfde geldt uiteraard voor wandeling twee, die vanaf het CS meer de westkant van de stad doorloopt, en twintig gedichten telt. De wandeling lijkt qua lengte overeen te komen met de eerste, maar hoeveel kilometer dat nou daadwerkelijk is heb ik niet kunnen achterhalen. Een paar stevige schoenen en een poëtisch gemoed moeten echter voldoende zijn om de wandeling zonder blaren te volbrengen.

    En mocht wandelen niet tot je favoriete bezigheden behoren: ook vanuit een makkelijke stoel is het genieten, want het zijn niet de minste dichters die een bijdrage hebben geleverd en hun gedichten in deze uitgave zijn nooit eerder verschenen. Bovendien zorgen de sfeervolle zwartwitfoto’s voor een ontzettend leuk kijk, lees en bladerboek.
    En goed nieuws voor de Amsterdam-haters, ook de volgende steden zijn in een poëtische bundel samengevat: Rotterdam, Groningen (twee maal zelfs: als gewone stad en als academische stad) en Utrecht.

     

    Poëtisch Amsterdam, een wandeling in gedichten.
    Coen Peppelenbos
    Uitgeverij Kleine Uil: www.kleineuil.nl
    Prijs: € 15,-

    ST

     

  • Jack Kerouac (1922 – 1969)

    Jack Kerouac (1922 – 1969)

    Door Coen Peppelenbos

    De roman On the road van Jack Kerouac is voor sommige lezers een ijkpunt in hun literaire ontwikkeling. Sal Paradise en zijn aan drugs en seks verslaafde vriend Dean Moriarty rijden kris kras door Amerika. Wat het boek uitademde was een hang naar vrijheid op seksueel en intellectueel gebied. In Nederland is het boek vertaald onder de veel minder aansprekende titel Onderweg (on the road klinkt toch wat rauwer, opa en oma zijn ‘onderweg’).
    Kerouac was een schrijver die aan één onderwerp genoeg had: zichzelf. Zijn meest bekende boek, maar ook de andere boeken hebben zijn eigen leven als vertrek- en eindpunt.

    Wat de aanleiding was om juist nu een biografie(tje) uit te brengen over Kerouac is onduidelijk, maar Karel Wasch maakte een 148 bladzijden tellend boekje over een van de prominentste leden van de zogenaamde Beat Generation.
    Het beeld dat daaruit opdoemt is niet erg positief. Kerouac is zijn hele leven aan het klooien met vrouwen (trouwen, scheiden, als er een kind van komt erkent hij het kind niet), drank , drugs, religie (katholicisme, boeddhisme) en het slijten van zijn manuscripten. Pas vrij laat krijgt hij succes. Aan het eind van zijn leven wordt hij ook nog eens antisemitisch. Leuk mannetje.

    Wie het boek van Wasch leest en er achter probeert te komen waar de boeken Kerouac over gaan, komt bedrogen uit. Wasch is meer geïnteresseerd in de ontmoetingen met andere literaire grootheden, zoals Allen Ginsberg en William Burroughs.
    Er is wat raars aan de hand met dit boekje over Kerouac. Het wemelt van de slordigheden. Er worden rare gedachtesprongen gemaakt. ‘In de tussentijd werd het duidelijk dat Jacks vader leed aan ongeneeslijke maagkanker. Jack, net als Dylan Thomas de dichter uit Wales die er een gedicht aan wijdde, moest werkeloos toezien hoe zijn vader steeds meer een wrak werd.’ Een merkwaardige zin over Dylan Thomas. Begrijp ik nu goed dat Dylan Thomas een gedicht schreef over de vader van Kerouac? Het is niet het enige voorbeeld waarbij je even met de ogen knippert.

    Je vraagt je af wat Wasch bedoelt met deze zin over Jacks boezemvriend Neal: ‘Hij had een 38 pistool gekocht en had geprobeerd zich dood te laten vriezen bij de snelweg. Toen dit laatste te lang duurde bleek dat de radiator was bevroren. Thuisgekomen nam Carolyn het pistool van hem af.’ Het bevriezen lukt niet omdat de radiator bevroren was? En wat te denken van: ‘De snelheidsmeter op het dashboard begeeft het en Kerouac belandt uiteindelijk op de achterbank en stelt zich voor dat ze een ongeluk krijgen.’

    Los van de spelfouten, het ontbreken van woorden in een zin, boeken die opeens een andere spelling krijgen ( De Diamanten Soetra en De Diamanten Sutra), fout hoofdlettergebruik (na een dubbele punt komt er bij Wasch altijd een hoofdletter) en een merkwaardige zinsbouw (‘Op het adres 212 Orizaba Street huurt Kerouac een kleine dakhut waar Bill Garver, een junkievriend van Burroughs woont een etage lager.’) zijn er nog meer in het oog springende slordigheden. Zinnen sluiten niet op elkaar aan, informatie wordt niet uitgelegd. Wasch heeft het opeens over de poging van Ginsberg om het echtpaar Rosenberg te redden van de doodstraf. Niet duidelijk is wat die mededeling met Kerouac te maken heeft. Daarnaast is het de vraag of iedere lezer weet wat dat echtpaar gedaan heeft.

    Wasch citeert ook erg merkwaardig. Zo haalt hij bijvoorbeeld Johnnie van Doorn aan die over Kerouac zei: ‘King of the Beats, reizend van zijn bankstel naar de ijskast, wat een einde.’ Meer dan honderd bladzijden verder zegt Johnnie opeens: The King of the Beats, de schrijver van On the Road maakte alleen nog maar de gang van het bankstel naar de ijskast.’ Als zelfs dat citaat al niet zo betrouwbaar is, hoe zit het dan met de rest van de citaten? Het zou interessant zijn om dat uit te zoeken. Wasch heeft behoorlijk geknipt en geplakt in biografieën over Kerouac, maar nergens verwijst hij daar direct naar. Achterin staat een lijstje boeken en artikelen, maar in het boekje staat nergens waar hij een citaat heeft weggeplukt. Ook de rest van de informatie is met schaar en lijmpot in deze lor van een biografie terechtgekomen, slecht vertaald en daarom vaak zo onleesbaar.

    Een paar keer heeft Wasch zelf iemand gesproken. Dat wordt dan meteen in cursief opgetekend. Zo weet hij bijvoorbeeld Burroughs een nietszeggend zinnetje te ontlokken. Zijn eigen naspeuringen leveren niet meer dan een bladzijde eigen materiaal op. Binnen die bladzijde eigen materiaal zitten ook niet relevante opmerkingen over het leven van Wasch (‘Ook in Nederland bestond de politie uit reactionairen. Toen ik eens tegen een agent een opmerking plaatste moest ik direct mee naar het hoofdbureau.’). Voor de rest is het jatwerk. Naar de papierversnipperaar ermee.

     

  • Zwervende zenuwen en voorspanning

    Zwervende zenuwen en voorspanning

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Stel: je pakt vier willekeurige zelfstandige naamwoorden uit de krant. Generaal, oven, buien, loflied. Onwillekeurig gaan je hersens dan aan de gang om een samenhang tussen die woorden te vinden. Alhoewel ze hun context kwijt zijn, krijgen ze door de nieuwe woorden vanzelf een nieuwe context. In het titelgedicht ‘Prime time’ in de laatste bundel van Erik Menkveld gebeurt hetzelfde. Je hebt eerst niet door wat er precies staat, want het gedicht springt van een nieuwsitem over naar een documentaire, naar een kookprogramma, terug naar de documentaire etc. Kortom: de lezer zapt met de dichter mee de kanalen langs waar tv-programma’s op prime time worden uitgezonden. Gewend als je bent om de betekenis te zoeken, komen er rare verbindingen tot stand.

    ‘Monsterlijke reus ontpopt zich als messias, wordt later / samen met ontsnapte gevangene voor homostel gehouden / in Texaans dorp. De tomaten. Dompel ze in kokend water.’

    Je houdt je hart vast voor dat vermeende homostel.
    Erik Menkveld was jarenlang redacteur bij de Bezige Bij en programmamaker bij Poetry International. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in zijn gedichten andere dichters opduiken. Zoals Gerrit Kouwenaar en K. Schippers. Voor de overleden dichter Kees Ouwens maakt hij een Ouwens-gedicht, met de vele typische herhalingen. Elke zin begint met ‘Geen’ en vertelt wat er gemist wordt door de dood van Ouwens. ‘Geen doorwandeld goed meer zonder deze woorden, / zonder suizeling die huivert van zichzelf.’
    Maar ook de overleden vertaler Gerard Rasch herdenkt hij in een gedicht waarin hij een herinnering ophaalt aan een gezamenlijk uitje met de dichter Zbigniew Herbert. In dit gedicht leggen de woorden het af in de laatste strofe:

    ‘ach Gerard wat sprak ik wat sprak jij
    toen nog vanzelf elk in ons eigen
    achterbakse lijf dat ons nog even
    niet de mond ging snoeren dacht ik
    denk ik dacht jij.’

    Iets vrolijker is een soort pastiche op een gedicht van Bloem. Een dichter die je als je jong bent goed vindt omdat de somberte zo heerlijk is om in weg te kwijnen. Maar bij Menkveld viel ‘de bitterheid best mee’.
    Menkveld schrijft zo op het eerste gezicht vrij makkelijke gedichten. De beelden die hij gebruikt zijn niet heel erg apart, de woorden niet heel erg uitzonderlijk en ook zijn versvormen zijn vaak bedrieglijk simpel. Soms lijkt het ook proza-achtig te beginnen, alsof hij een verhaaltje vertelt, maar het veelvuldig gebruik van enjambementen dwingt je om terug te gaan, opnieuw te lezen en te kijken waar je gedachten het spoor bijster raakten. Menkveld is geen grote ontregelaar en dat is ook wel eens prettig in de huidige poëziewereld.

    Het mooiste gedicht in de bundel vind ik ‘Voorspanning’. De ik-figuur zit te wachten op een geliefde en heeft last van ‘zwervende zenuwen’ en dan leest hij ook nog in een blad het woord ‘voorspanning’. ‘Toevallige taal die gaat vonken’ noemt de dichter het en hij schrijft het ook gewoon zo op en het is ook precies wat er op dat moment in zijn leven gebeurt. Sterker nog: als ik in de toekomst zal wachten op een geliefde zal ik ook last krijgen van voorspanning en zwervende zenuwen. Die woorden gaan niet meer uit mijn systeem.

    ‘En dan sta je aan mijn tafel: lachend
    ontspannen, nauwelijks te laat. Ik ga je

    maar niet onder woorden brengen.
    Al mijn organen in lichterlaaie, probeer

    ik me nog uit de vuurzee te redden
    met iets vanzelfsprekends op je kaak.’