• Eenzame teksten, ambivalente gevoelens

    Eenzame teksten, ambivalente gevoelens

    Zolang de stad maar vrolijk is, is de vierde bundel van Co Woudsma sinds hij zijn debuut maakte in 1997 met de sterk visuele bundel Viewmaster. Zijn nieuwe werk bevat veertig gedichten verspreid over vier afdelingen die thematisch op elkaar aansluiten (‘Een grasveld is een woestijn’, ‘Ik vergeef dat je een lichaam hebt’, ‘De doden: ze bestaan’ en ‘Frisse elementen’). Woudsma laat in zijn gedichten de sereniteit en dufheid van het ‘simpele leven’ in herkenbare en soms absurde situaties naar voren komen. De eenvoud waarmee Woudsma schrijft maakt de bundel makkelijk leesbaar en wekt de schijn dat zijn gedichten niet altijd een diepere laag bevatten. De aandachtige lezer ontdekt wel een diepere laag, maar van de bedoelde betekenis zijn er, zoals poëzie dat vaak betaamt, meerdere interpretaties mogelijk.

    De eerste afdeling ‘Een grasveld is een woestijn’ begint met het gedicht ‘De werkelijkheid’ en bevat meerdere elementen die we in de rest van de bundel vaker zullen tegenkomen:

    Een grasveld is een woestijn, maar dan van gras
    en een geschilderde schedel is een schedel.

    Gooi de dorre bladeren in de afvalbak,
    overwin je schaamte en schrijf wat regels op.

    Op de tien, elf bankjes zit niemand,
    de toestellen worden niet bespeeld.

    Kijk uit voor rennende kinderen
    zonder handen en voeten.

    Een dode duif met levende vliegen,
    uit het heuveltje groeit een boom.

    Een vies pak watten?
    Helaas een zwaan.

    Het eerste distichon schetst een beeld dat doet denken aan de té geordende Nederlandse homogene tuintjes of hockeyvelden. Allebei de velden laten een erg magere biodiversiteit toe en ogen daardoor net zoals woestijnen ‘dood’. De zin: ‘en een geschilderde schedel is een schedel.’ kan geïnterpreteerd worden als het idee dat een simulacrum – in dit geval een gedicht – dezelfde eigenschappen als die van het archetype behoudt. Zo kan deze bundel ook geïnterpreteerd worden als de reflectie van de realiteit, namelijk: de verteller en de maker zijn een en dezelfde.

    Ambigu

    De opeenvolgende distichons vertellen chronologisch over elementen die we vaker in de bundel zullen tegenkomen, namelijk eenzaamheid, schaamte, verval, teleurstelling, groei en acceptatie. Zo vormt het eerste gedicht bondig de ontwikkelingen die de verteller in deze bundel zal meemaken. De andere acht gedichten van deze afdeling illustreren het gevoel van dorpse verveeldheid en de honger naar avontuur, naar iets nieuws en onbekends. Een honger die zich voornamelijk laat beperken tot de verre nabijheid van de stad. Zo illustreren zinnen als ‘De lente wil graag zomer worden.’ mooi het verlangen naar verandering. Verder verbeeldt het einde van het gedicht ‘Winterdag’ op humoristische wijze de eenzame bestemmingsloosheid: ‘/ het herinnert me aan oudere winters, // eenzaam maar gezellig. Ook mijn jongere ik / had, langs winkels lopend, zoals altijd glurend, // niet echt een bestemming.’

    Waar het eerste gedeelte van de bundel sterk begon, zwakt de kwaliteit in de tweede afdeling ‘Ik vergeef dat je een lichaam hebt’ enigszins af. De gedichten gaan onder andere over liefde en verlangen. Het is echter onnodig onduidelijk over wat voor verlangens het hier precies gaat. Zo heeft de verteller het in meerdere gedichten over puberteit, jeugd en het verlangen naar de liefde, die voornamelijk wordt toegekend aan tienerjongens. We weten niet wat voor soort liefde dit is en in welke levensfase de verteller zich bevindt, hierin blijft de verteller namelijk erg ambigu:

    ‘Jullie weten niet hoe het is / om naast een heldere jongen te zitten / die heel erg veertien ligt te zijn. (…) Om tegen hem te zeggen: / ‘Ik vergeef dat je een lichaam hebt: / al dat vuil, door volmaaktheid omhuld. // Met het topje van je rechter wijsvinger / het puntje van zijn neus aan te raken, / als hij dat wil. // Ik weet het ook niet.’

    Het bovenstaande fragment doet onder andere denken aan iemand die nooit het ouderschap heeft meegemaakt, maar hier wel over heeft gefantaseerd, al blijft ‘al dat vuil, in volmaaktheid omhuld.’ een aparte omschrijving.

    Interpretatie

    ‘// Een jongen in een etalage. / O zoon des snackbars! / Hij draagt met trots zijn sleutelhanger / maar niemand streelt zijn tweekleurige haren. // Samen patat gaan eten, / op bouwplaatsen en in de regen, / heel vaak het woordje man gebruiken / aan het einde van verliefde zinnen.’

    Net als in het vorige gedicht, is in dit fragment de relatie tussen de verteller en de liefde onduidelijk. Zijn de verliefde zinnen een interpretatie van de verteller? Of zijn de verliefde zinnen gericht aan de verteller? Het is onduidelijk wat voor rol de verteller hier precies inneemt. Aan de ene kant geeft dit het gedicht meerdere interpretatiemogelijkheden, maar aan de andere kant vervaagt daardoor ook de eventueel diepere laag die meer duidelijkheid had kunnen bewerkstelligen.

    Verder is de beoogde humor of betekenis soms ver te zoeken in deze tweede afdeling. In het gedicht ‘Experiment’ wordt de vergelijking gemaakt tussen room uit zoete meisjes prikken en puisten uitknijpen. Het gedicht voegt weinig toe aan de rest van het narratief dat Woudsma probeert te schrijven en is verder ook niet erg grappig of mooi geschreven.

    In het gedicht ‘Voordat je het weet heb je een naam’ wordt een spanning tussen verlangen en consent gecreëerd: ‘// Dus die zonnebriljongen, / een groenbak voortduwend – // niet zomaar strelen. / Niet zomaar je rose handpalm // over die gladde, lichtbruine huid. / En al helemaal niet slaan’. Het verlangen is aanwezig en de boodschap lijkt helder, maar het gedicht brengt niks in beweging.

    Het ongemak en de ambigue verlangens van de tweede afdeling zouden minder storend zijn geweest als ze slechts een enkele keer zouden voorkomen. Dit is echter niet het geval. Zo drukt het ongemak en de soms matige kwaliteit van dit hoofdstuk nogal een stempel op de rest van de bundel en dat is zonde, want Woudsma kan ook fraaie gedichten schrijven.

    Ontroerend

    In de derde en sterkste afdeling: ‘De doden: ze bestaan’, richt de verteller zich voornamelijk op gevoelens van eenzaamheid en verlies. Deze afdeling bevat oprechte en invoelbare gedichten die ook qua poëtisch taalgebruik de bundel ten goede komt. Een voorbeeld vinden we in het gedicht ‘Hospitum’ waar het levenseinde in een ziekenhuis tragisch omschreven wordt: ‘/ Verteerd door naastenliefde slinkt men weg, / mild door morfine en vol dank voor vla / of moes als maal.’ De gedichten over het sterven en de leegte zijn veelal ontroerend en met fijn beeldgebruik geschreven.

    De verteller reflecteert in deze afdeling ook op vroeger en verwijst mogelijk naar gebeurtenissen uit de tweede afdeling waardoor deze iets meer inhoud krijgt: ‘Open de kast, dan zie je heel mijn leven, / verborgen is mijn traag bestaan gebleven. (…) // Het vrolijk spel uit verre jongensjaren / kwam in bestofte dozen tot bedaren. // En afgepeigerd door verbeelde feesten / slaapt op een schap mijn harem knuffelbeesten.’ Hier is de ambiguïteit die de tweede afdeling poogde op te wekken verfijnder uitgevoerd.

    De vierde afdeling ‘Frisse elementen’ begint waar de derde afdeling mee eindigt, namelijk met groei en de acceptatie van verandering. De afdeling vormt een passend einde met soms (on)bedoeld clichématige poëzie: ‘was ik maar een kamerplant’, en soms komische poëzie, zoals in het gedicht waar Co naar de kapper gaat en er ‘stukjes Co vallen op de vloer.’ Dit is een leuke bevinding die een dubbele laag creëert tussen een eenvoudige handeling, zoals haren knippen, en de ontwikkeling en verandering van iemands persoonlijkheid.

    Hoewel het vierde deel meerdere knappe gedichten bevat, valt het te betwisten of al deze gedichten nodig zijn voor het overbrengen van het algehele narratief. Niet ieder gedicht hoeft natuurlijk bij te dragen aan een groter geheel, maar als het gedicht op zichzelf verder niets opwekt rest de vraag waarom is dit gedicht hier? Helaas zijn er meerdere gedichten in de bundel die deze vraag doen rijzen. Daarnaast zijn er ook gedichten die bijdragen aan het narratief, maar verder stranden in vergetelheid. Zo maakt het gedicht ‘Ondertussen’ gebruik van een goedkoop riedeltje over ons geluk dat ook mag bestaan: ‘// Het geeft dat het buiten regent / en men een miljoen Oeigoeren concentreert, / toch mag ook dít geluk bestaan.’

    Het oogt nogal smakeloos en makkelijk om het leed van miljoenen Oeigoeren (en regen!) even kort als ‘jammer, maar helaas’ te bestempelen om het feit dat wij geluk mogen ervaren een zwaardere lading te geven. Als je graag maatschappelijke onderwerpen in gedichten wilt behandelen, doe dat dan subtiel of in meer dan één regel, maar doe het niet voor het shockeffect.

    Illusie van eenvoud

    De bundel eindigt met een gedicht waarin de verteller wijzer overkomt en meerdere verwijzingen maakt naar de eerste drie afdelingen, waaronder een verwijzing naar de tweede afdeling die een herkenbaar ongemak op laat waaien: ‘Elke dag ontdek ik wel een jongen, / waar ik dan onverstoorbaar langs loop / zonder mijn trage vaart te verminderen.’ Wat er precies wordt gezegd weet de lezer nog steeds niet zeker, behalve dat de verteller heeft geleerd om zijn lusten te controleren of onderdrukken.

    Zolang de stad maar vrolijk is presenteert een in veelal klare taal geschreven narratief dat vol zit met ontroerende, ambigue en soms absurdistische beelden. Er staan zowel gevoelige als overbodige gedichten in, waardoor het eindresultaat de lezer met gemixte gevoelens achterlaat. Het is in ieder geval een bundel waar je, ondanks de illusie van eenvoud, lang over kunt nadenken en die je moet herlezen om zowel het overkoepelende narratief als de individuele betekenis te kunnen analyseren, voor zover dat al mogelijk is. Of het dan ook daadwerkelijk de moeite waard is om de gedichten meermaals te lezen laat ik in het midden. Woudsma is er in ieder geval in geslaagd om het verhaal over de stille ontwikkeling van iemands leven in veertig gedichten te vertellen.

     

  • Pat en de dichter

    Pat en de dichter

    Voor me zat een jongen met een petje. Hij was verreweg de jongste in een publiek van grijsaards en kaalkoppen dat op deze natte en herfstige zaterdagmiddag naar de boekpresentatie van dichter Co Woudsma was gekomen. Ik dacht even dat de jongen er tegen zijn zin of onder dwang zat.
    Tussen de voordrachten en muziekmomenten door zond zijn moeder met haar ogen en glimlach bemoedigende signalen naar hem. Later zag ik hem toch vrolijk stralen toen het notabene zijn moeder was die uit het publiek opstond om het zogeheten eerste exemplaar van de dichter in ontvangst te nemen. Of misschien straalde hij al de hele tijd, dat weet ik eigenlijk niet, want ik zat, als gezegd, direct achter hem en ik zag alleen de achterkant van zijn petje (dat eigenlijk de voorkant was maar dan achterstevoren opgezet).

    Het was een vrolijke presentatie. Op de eerste verdieping van boekhandel Broese was een hoekje vrijgemaakt voor een halve cirkel aan opklapbare stoelen, een tafel met bundels en een beeldscherm. Natuurlijk vertelde Co zijn vaste grap over Weesp. Er gebeurt daar zo weinig, dat het de plaatselijk krant verleidde tot de kop, Man valt bijna van fiets

    Zeven jaar zitten er tussen zijn vorige bundel, Hoogste zomer, en zijn nieuweling, Zolang de stad maar vrolijk is. Het is een bundel met intieme en pakkende poëzie: 

    KIJKJE

     Open de kast, dan zie je heel mijn leven,
     verborgen in mijn traag bestaan gebleven.

     Je kunt in stapels witte onderbroeken
     naar onvergankelijke vlekken zoeken.

     Ik ben een leefeenheid met veel gebreken:
     zakdoeken, sokken liggen ongestreken.

     Het vrolijk spel uit verre jongensjaren
     kwam in bestofte dozen tot bedaren.

     En afgepeigerd door verbeelde feesten
     slaapt op een schap mijn harem knuffelbeesten.

     Gesloten is het aanzicht weer normaal:
     een openbare deur, grijs en egaal.’

    Er vormt zich na afloop een rij aan mensen voor een handtekening. Als ik de tafel nader zie ik naast Co een van de twee Buurmannen van Buurman en Buurman op zijn tafel staan. Het lijkt verdorie wel de Buurman die ik aan mijn sleutelbos heb hangen, die ene waar de meeste verf, door wrijving in mijn broekzak, vanaf is. Ik tast in mijn zakken en vind wel mijn sleutels maar niet mijn Buurman. Welke tovenaar kreeg hem bij Co op tafel? ‘Een boekhandelaar vond hem op de grond,’ zegt Co. ‘Ze vonden hem wel passen bij mij.’ Hij gelooft me in eerste instantie niet als ik zeg dat Buurman van mij is. Maar ik draai Buurmans kopje met gemak in het schroefje dat aan mijn sleutelbos bungelt. Daarna draai ik Buurman weer los en zet hem terug naast Co op tafel. Het voelde namelijk, alsof ik hun anders iets ontnam – ze hoorden dit signeren samen door te brengen. 

    De jongen met petje wist dat het Pat was. Buurman Pat, niet Mat. Co mailde me erover. ‘Ik zag tot mijn ontzetting dat je was verdwenen zonder Buurman mee te nemen! Ik durfde hem me niet toe te eigenen en heb hem op de tafel laten staan.’ Hopelijk staat hij daar nog steeds of keert hij terug bij volgende schrijvers die in Broese komen signeren. 

     

     

     

    Zolang de stad maar vrolijk is / Co Woudsma / 64 blz. / Uitgeverij Magonia
    Op YouTube wordt het gedicht Kijkje gezongen door Ymkje de Boer


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen daar zijn tweede roman Augustus.