• Literaire vertolking van het triviale

    Literaire vertolking van het triviale

    De roman Poel van de Ierse Claire-Louise Bennett, is geen verhaal met een kop, middenstuk en staart. Toch sleurt de auteur de lezer haar gedachtewereld binnen en houdt hem vast dankzij onder andere haar oog voor detail. Pond, Bennetts debuut, verscheen in 2015 en kwam op de shortlist van de Dylan Thomas Prize terecht. Acht jaar later is Poel verschenen bij Koppernik in een uitstekend lezende vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer.

    Bennett beschrijft een zelfverkozen periode, een soort niemandsland, tussen twee liefdes in. De ene liaison is verbroken, want stond in een slecht gesternte, de volgende dient zich aan met een pril aftasten. In deze periode onderzoekt ze haar eenzaamheid, ze woont alleen in een cottage in the middle of nowhere en beschrijft haar allenigheid. Tragiek loert om de hoek, maar haar zelfspot is komisch en hilarisch, waardoor het nooit zwaar wordt.

    De titel verwijst naar een poel op het terrein bij de cottage. Ze ergert zich aan het lullige stukje vochtig triplex er vlak naast waar het woord poel op staat gekrabbeld, om vervolgens in te gaan op de vraag of het wel of niet erg is als kinderen erin vallen.

    Oog voor detail

    De naamloze vertelster leren we kennen via haar eindeloze gedachtestroom die associatief ingaat op de triviale details uit haar dagelijks leven. – ‘Soms is een banaan bij de koffie lekker. (…) Haverkoeken erbij kunnen ook lekker zijn, het grove soort. (…) Peren mengen niet goed.’

    Ze schrijft over de post van de buren, die vochtig wordt in de brievenbus. ‘(…) ze lijken geen van allen even vaak in de brievenbus te kijken als ik wat nogal ongebruikelijk is als je in aanmerking neemt dat ze allemaal vrij geregeld best interessante dingen lijken te krijgen.’ Soms haalt ze de brieven van de buren uit de bus, droogt ze op de radiator, waar ze rustig een week kunnen blijven liggen, of ze vergeet ze helemaal.

    De knoppen van haar oude fornuis zijn gespleten en gebroken. Bennett wijdt er een heel hoofdstuk aan, wat prachtig proza oplevert. ‘Ik ben al een hele tijd bij de laatste knop aangeland, een paar maanden denk ik zo en pas de laatste tijd ben ik gaan inzien dat dit bedrieglijk triviale defect in feite niet iets kleins is.’ Ze denkt aan de laatste vrouw op aarde, die nog duizend lucifers heeft die staan voor de duizend dagen dat ze nog leeft. En ze schrijft de fabrikant in Zuid-Afrika een aandoenlijke brief, alsof hij god is. Uiteindelijk kan ze met een tang de knoppen van haar fornuis toch nog gebruiken.
    Haar vulpennen en de kleur inkt waarmee ze schrijft zijn voer voor overpeinzing. Ze schrijft met verschillende vulpennen, die allemaal een andere kleur inkt hebben, iedere kleur heeft een eigen functie. Groen stond voor haar geheimen, tot ze begreep dat daar een stigma aankleefde. Maar het was geen reden om niet meer met groen te schrijven, juist als het stigma ongeluk betekende, tartte ze liever het lot.

    Diepgang in de lichtheid

    Maar ze meandert evenzogoed langs diepgevoelde gevoelens om tot zelfinzicht te komen. ‘Inderdaad hoe verheffend het vanbinnen ook voelt, alcohol versterkt niet bepaald het charmantste aspect van je publieke arsenaal – dus, ter verheldering tijdens deze levendige en gewiekste drinkgelagen worden niet louter zelfvertrouwen en vrolijkheid nagestreefd, maar ook het stimuleren van een verfijndere techniek.’

    Of ze houdt zich bezig met natuurverschijnselen, zoals de maan. Als ze uit de supermarkt komt, staat deze recht voor haar ‘wanneer de automatische deuren wegschuiven. De hemel is nog niet zwart dus de maan heeft een soevereiniteit die ze niet vaak bezit.’ Ze praat tegen de maan, vindt dat hij een babyface heeft, waarop de maan zijn ogen devoot neerslaat. Althans, dat gevoel heeft ze. Het is een manier om te personifiëren, wat Bennett graag doet, dingen tot leven brengen.

    Er zijn vrienden en mannen, maar vanuit haar beschrijvende denkwereld lijkt ze nauwelijks met ze in contact te zijn, behalve in beschonken toestand. Ze heeft het gevoel ‘dat de omgang met de man in kwestie over het geheel genomen beduidend beter verliep wanneer ik wat alcohol had ingenomen.’

    De rake observaties vanuit een licht lethargische staat maken het boek zo goed, en haar associatieve geest is boeiend en nooit saai, daarbij is haar taalgebruik in lange heldere zinnen weergaloos. Dat ze zich richt op de details van het kleine leven om zich heen door de dingen vaak treffend te personifiëren, schept herkenning. Het kan niet anders dan dat triviale zaken beschreven met de pen van Claire-Louise Bennett ineens literatuur worden.

     

  • Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    In 1937 tekende Salvador Dali L’arc hystériqye, de Hysterische boog. Een gedetailleerde pentekening van een vrouw in een ongemakkelijk positie, steunend op handen en voeten met haar buik hoog in de lucht. Ze is strak ingebakerd in doeken, die haar nauw omsluiten. Bij Dali en andere surrealisten was hysterie een terugkerend thema. Voor hen was het een verheven middel van expressie. Dat deze voorliefde van de culturele elite in de jaren dertig geen gemeengoed was, blijkt duidelijk uit Het luik van sneeuw, de eerste en enige roman van Emily Holmes Coleman (1899-1974, geboren in Californië). In deze roman beschrijft Coleman hoe Marthe Gail in het Gorestown State Hospital, een psychiatrische kliniek voor vrouwen, wordt behandeld aan de gevolgen van kraamkoorts. Een behandeling die door de ogen van tegenwoordig bezien, ontluisterend wreed is.

    Coleman beschrijft op indringende wijze hoe bij Marthe alle houvast wordt weggenomen. Net als de andere patiënten wordt Marthe gestaag ontmenselijkt. Als ze in bad gaan worden de patiënten strak ingezwachteld in stroken stof, van elke bewegingsvrijheid beroofd. En als ze gaan slapen worden ze vastgebonden onder een strakgespannen canvaslaken, beroofd van elke identiteit. Voor Marthe is het alsof ze in een ‘spiraalkist’ in bad moet. Maar ze is er de vrouw niet naar zich te laten kisten en bevrijdt zich als het strakke windsel haar onder water te warm wordt. Als de verpleegster terugkomt vertelt ze dat ze zich bevrijd heeft. ‘Het is hemels zonder dat ding.’ De verpleegster snapt er niets van. Geen van de patiënten had zich ooit los weten te maken.

    Onmondig zieke vrouw

    Het is Marte te voeten uit. Van het begin af aan probeert ze zich te bevrijden. Ze kan niet accepteren dat ze behandeld wordt als onmondige zieke vrouw. Door de verpleegsters, de artsen, maar uiteindelijk ook door haar man. Alhoewel die zijn best doet om het haar wat aangenamer te maken. Bijvoorbeeld door haar potlood en papier te bezorgen, zodat ze haar ervaringen kan boekstaven. Coleman’s beschrijving van hoe Marte dat doet is kenmerkend voor haar schrijfstijl. Rijke zinnen, vol beeldend taalgebruik, die om elkaar heen dansen als de losgetrokken windsels in een warm bad.
    ‘De woorden ontvouwden zich en ontstonden op het papier. Ze gleden omhoog en zweefden en landden en stonden op een rij. Zij vormde ze, ze zei dingen met een potlood op een klein vel geel papier. Het was een brief aan haar vader en daar waren de woorden, woorden die ze uit het rode licht plukte en vastprikte onder haar potlood als wriemelende motten. De motten hadden gele staarten en probeerden wanhopig aan het potlood te ontkomen.’

    Het luik van sneeuw is geen plezierig boek om te lezen. Daarvoor is de situatie waarin Marthe zich bevindt te triest, te onmenselijk. Maar het is wel een goed geschreven boek, dat in zijn grillig proza het denken van een psychotische vrouw perfect weergeeft. Coleman kon zich daar ook als geen ander in inleven. Zelf was zij gedurende twee maanden, kort na de geboorte van haar zoontje ook op vergelijkbare, choquerende wijze behandeld. Het luik van sneeuw is dan ook een autobiografische roman te noemen en het schrijven ervan was voor Coleman naar alle waarschijnlijkheid een therapeutische daad. En een aanklacht.

    Niet menswaardige behandelingen

    Alhoewel Marthe deels duidelijk psychotisch is (zo denkt ze dat ze God is), probeert ze zich voortdurend te onttrekken aan de behandelingen die volgens haar niet menswaardig zijn. ‘Dr. Brainerd’ zei Marthe ernstig, ‘dat ik toevallig een toxische uitputtingspsychose heb is dat de enige reden om me als een hond te behandelen?’ Het is een discussie met haar behandelaren (of haar man) die ze niet wint. Ze realiseert zich dat. ‘Vanavond zal er sneeuw op mijn glazige vingers liggen … en een luik van sneeuw op mijn graf’, zegt ze tegen haar man, terwijl ze met haar neus tegen de ruit gedrukt naar buiten kijkt. 

    Coleman zelf zou uiteindelijk het ziekenhuis verlaten en met haar man en zoon naar Parijs vertrekken. Ze zou er een succesvolle carrière als editor opbouwen, met een rijk sociaal leven, onder andere in de kringen van de anarchiste Emma Goldman en kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. Ze zou nog vele artikelen, gedichten en korte verhalen schrijven. Maar nooit meer een roman. Dat luik was blijkbaar echt dicht.