• De stijl tekent de man

    De stijl tekent de man

    Er is een beroemde uitspraak van de 18de-eeuwse Franse natuuronderzoeker Georges-Louis Leclerc, graaf de Buffon: Le style est l’homme même. Aan de stijl herken je de man; het is de manier waarop iemand zich uitdrukt die zijn persoonlijkheid tekent. Buffon doelde daarmee op zichzelf, en op auteurs in het algemeen, maar je kunt het citaat evengoed overdrachtelijk toepassen: op de verteller in een roman. Het is niet gek dat die gedachte opkomt bij lezing van Mijn grote appartement van de Franse schrijver Christian Oster (Parijs, 1949). In zekere zin is zelfs niet de ik-figuur Gavarin de hoofdpersoon, maar de taal en de stijl die Oster hem als verteller in de mond legt.

    Christian Oster heeft al een flink oeuvre op zijn naam staan en is een bekende schrijver in Frankrijk. In Nederland is echter pas één keer eerder een vertaalde roman van hem verschenenDat was in 2015 In de trein (destijds op Literair Nederland eveneens om zijn stijl lovend besproken). Oster, die in de traditie van de Nouveau roman staat, is dan ook niet in brede kring bekend. Wikipedia kent slechts een (erg kort) Frans lemma, maar een Duitse, Engelse of Nederlandse pagina bestaat niet. Zowel In de trein als Mijn grote appartement verschenen dan ook bij kleine uitgevers. Beide vertalingen zijn overigens van Kiki Coumans (nu samen met Katrien Vandenberghe).

    Tas
    ‘Mijn naam is Gavarin en ik wil graag iets zeggen.’ Zo begint de verteller (die zich zelden bij zijn voornaam Luc noemt) zijn verhaal. Hij kan zijn appartement niet in omdat de sleutels zoek zijn. Ze moeten in zijn aktetas hebben gezeten, maar die is hij ook kwijt. En dat is erger: ‘Zonder mijn tas was ik niets. Voelde ik me naakt.’ De verwarring wordt voor de lezer nog groter als Gavarin een paar alinea’s verder laat weten dat er behalve die sleutels niets zat in zijn tas die voor hem zo’n grote betekenis heeft. De protagonist begint zich daarmee meteen af te tekenen als een eenzame door twijfels en onheil bezeten narcist: ‘Het ergste verwachten, iets ergers dan onderuitgaan, en intussen op je gezicht gaan, dat was zo’n beetje mijn visie op het leven.’ Verderop geeft hij varianten op die kijk op zijn leven: ‘Droefheid was mijn habitat’.

    Het blijft niet bij zijn sleutels. Hij is ook zijn werk kwijt. En hoogstwaarschijnlijk (helemaal zeker wordt dat niet) ook zijn vriendin Anne Lebedel, die sinds kort bij hem in zijn appartement woonde. Als hij een keer naar huis belt blijkt op het antwoordapparaat de stem te staan van Marge, een geliefde van tien jaar geleden, met wie hij afspreekt in een zwembad. Daar ontmoet hij echter niet haar, maar een zwangere vrouw, Flore, die op het punt staat te bevallen. Hij spreekt haar aan, ‘besluit’ verliefd op haar te worden en trekt met haar naar haar broer Jean in de Corrèze. Daar bevalt ze in het ziekenhuis van een dochter, Maud. Gavarin doet het voor iedereen voorkomen dat hij de vader is.
    Gavarin overnacht na de bevalling bij Jean, die een grot beheert waarin hij rondleidingen verzorgt voor toeristen. Omdat op een dag de gids niet op komt dagen ontvangt hij de sleutel van de poort om de toeristen rond te leiden.

    Tegengestelde beweging
    Het is een opvallende tegenbeweging in de roman. Gavarins weg voert vanuit zijn grote appartement in (vermoedelijk) Parijs naar een benauwde natte grot op het platteland; van de woning verliest hij de sleutel, maar hij krijgt hem van de grot. Zijn ‘persoonlijke groei’ volgt de omgekeerde weg: de volstrekt eenzame man die niet eens zeker weet of hij wel een relatie met Anne had wordt iemand met een groeiende kring mensen om zich heen. Eerst is er Flore, op wie hij verliefd raakt en vervolgens haar broer Jean, het kind van Flore van wie hij zich als de vader ziet – kan het intiemer? – en tenslotte de toeristen.

    We beleven dit alles in het hoofd van Gavarin. Hij doet zijn relaas in de ik-vorm, maar wij zijn als lezer niet de enig aangesprokenen. Gavarin spreekt voortdurend ook zichzelf aan in de tweede persoon. En alle andere personen in zijn relaas komen tot ons via zijn hoofd. Vaak horen we niet hún woorden, maar wat Gavarin denkt dat zij denken. Dat is meestal niet in zijn voordeel. Hij is immers voor het ongeluk geboren. Als Marge hem heeft gebeld, verzucht hij bijvoorbeeld dat het ergste is ‘dat ik, het lot zij dank, best een knappe verschijning ben, en nog stevig gebouwd ook, en dat me vast liefde zou zijn vergund als ik dit karakter niet had.’ Het is de lege aktetas die door mensen gezien moet worden, niet hijzelf: ‘Ik ging er al geruime tijd van uit dat alleen ik, Gavarin, onopgemerkt bleef. In tegenstelling tot mijn tas.’
    Gavarin houdt van dat soort paradoxen. Dat hij Anne niet meer kan bereiken, maakt dat zijn appartement ‘vervuld is van haar afwezigheid.’ En als hij bedenkt dat ze misschien wel een afscheidsbriefje in zijn lege tas heeft gestopt dat hij nu niet kent omdat zijn tas zoek is, noemt hij dat ‘een perfecte mislukking’.

    Staccato
    Maar vooral doet de taal zijn werk in de karakterisering van Gavarin. Zoals in de obsessieve verontschuldigingen: ‘Met twee vingers zocht ik het muntstuk, in mijn portemonnee, die ik met een derde vinger openhield. Zodra ik het juiste muntje te pakken had, klapte de portemonnee weer dicht. Het was een model dat vanzelf dichtklapte. Een portemonnee die ik in de gauwigheid had gekocht. Ik had er niet bij nagedacht, die dag. Ik was net mijn portemonnee kwijt, een model dat niet vanzelf dichtklapte, en had een nieuwe nodig. Het was dus een noodportemonnee’.
    Zijn verlegenheid komt tot uitdrukking in staccato zinnen, zoals in de scène waarin de verloskundige hem de navelstreng van Maud laat doorknippen: ‘Het was een voorstel. Ik keek Flore aan. Ze knikte bemoedigend. Aha, dacht ik. Echt. Goed, zei ik. En meteen daarop ja. Ik reikte meteen naar de schaar. Eh, zei ik.’ Korte zinnen die bij nog grotere onzekerheid zelfs anakoloeten worden: ‘Omdat ik het niet gemaakt had, dit kind. En het toch in mijn handen had. Alsof. Haast net alsof. Net niet. Niet wat zij hebben meegemaakt. Helemaal niet, zelfs. Ik vind ze grappig, vaders. Hoe ze erin geloven. Verbaasd staan. Dan algauw. Mijn dochter. Terwijl ik. Dat besefte ik heel goed.’

    Die onhandigheden, als we die zo mogen noemen, leiden tot lachwekkende taferelen vol ironie. Prachtige voorbeelden daarvan zijn de scènes in het zwembad als Gavarin zich omkleedt in het hokje ‘waarvan de kleur, oker met fecale tinten’ zijn kindertijd oproept en hij het clipje van zijn badmuts niet vastgemaakt krijgt. Of het aantrekken van zijn sokken na het zwemmen. Of zijn zoektocht naar een zwemband zonder eendje erop.

    Absurdistisch zijn ook zijn redeneringen soms: ‘Van de twee uur die ik nog had voordat het tijd was om naar het stationsloket te gaan, doodde ik er maar één. Het beet kranig van zich af. Trots en tartend ding, dat uur.’
    Het is goed dat er in een tijd waarin auteurs hun grote uitgeverijen ontvluchten, omdat die hun boeken alleen nog interessant vinden als er handel in zit, kleine durvers opstaan die experimenten en vernieuwers een kans geven.

     

     

  • Op de tast naar liefde

    Op de tast naar liefde

    ‘Op een dag stond een man van gemiddelde lengte op een perron met een heel zware tas in zijn hand. Die man was ik, maar het was niet mijn tas. Die was van een vrouw. En de tas was zwaar omdat er boeken in zaten.’ Zo ontwapenend simpel zet In de trein van de Franse schrijver Christian Oster (1949) in. De twee staan op het perron van Saint Lazare in Parijs te wachten op een trein. Zij met haar zware boekentas op weg naar haar zus, hij naar een verzonnen kennis die als alibi moet dienen. Hij had besloten ‘zich een beetje voor haar te interesseren (…) Bovendien zag ze er leuk uit, in ieder geval best leuk, voor mij dan, ik wil niet beweren dat iedere man iets in haar zou zien, die ambitie heb ik niet. Maar voor mij, ja voor mij kon dit meisje eventueel geschikt zijn.’ Bij het uitstappen besluit hij haar dan ook te volgen en boekt een kamer in het hotel dat hij haar ziet binnengaan. Daarna verliest hij haar even uit het oog, maar vindt haar terug door systematisch alle kamerdeuren uit te proberen. Eenmaal weer in haar gezelschap, moet hij lijdzaam toezien hoe zij zich lijkt te willen geven aan een literaire schrijver. Maar als dat voor haar teleurstellend afloopt, keren zijn kansen. De vertelling is schriel, maar omdat het zich allemaal niet zo vlot ontvouwt kan het uitgroeien tot het formaat van een kleine roman. De namen van de twee, Frank en Anne, krijgen we haast indirect mee, want er wordt bepaald niet scheutig gedaan met stoffering en aankleding van dit verhaal. Het laat meer ruimte aan overwegingen dan aan situatiebeschrijvingen. Maar ondanks of dankzij dat ontspint zich een duidelijk verhaal dat zich traag voortsleept en naar de afloop waarvan je als lezer toch nieuwsgierig bent: blijken ze nu wel of niet voor elkaar bestemd?

    Het boek kenmerkt zich door een perfecte eenheid van stijl en wie zich daardoor laat meeslepen beleeft een even groot leesavontuur als bij een super spannend boek. De stijl is aftastend en schraagt het verhaal. De zinnen zijn wisselend van lengte, maar eenvoudig te volgen en komen voor rekening van de ik-figuur, die zich een even scherpzinnig als subtiel observator betoont. Hij overweegt wat is gezegd en wat onuitgesproken blijft; wikt en weegt zijn handelingen en berekent daarvan de consequenties door. Hier en daar leidt dat tot loepzuivere logica: ’Maar al gauw merkte ik dat het helemaal niet zo makkelijk is je in een kamer te installeren als je geen bagage bij je hebt.’ Of: ‘Een stilte met z’n drieën is zwaarder dan een stilte met z’n tweeën, dat is een kwestie van wiskunde, tenzij je in een wachtkamer zit.’ De zinnen hebben het ritme van iemand die in zichzelf praat. Dichter op de huid van een personage kun je niet raken. Het is geen boek van een man die een vrouw wil scoren. Daarvoor is de hoofdpersoon te zeer een anti-held. De uitkomst van zijn veroveringstocht – als je zijn strategieloze onhandigheid zo mag noemen – blijft lang ongewis en de lezer krijgt met hem te doen. ‘Ik wilde je iets vragen, zei ze. Het enige waar ik bang voor was, was dat ze zou vragen om elkaar niet meer te zien. Al het andere kon ik aan. Ze mocht losbranden.’ Wanneer ze halverwege even uit zicht raakt en weer opduikt, taxeert de ik-figuur de situatie: ‘Ik vroeg me af of we vooruitgang hadden geboekt. Ik dacht van wel. Want tot ziens zeggen betekent nog niet dat je elkaar gaat terugzien, dat niet. Maar je went eraan. Aan het wachten op elkaar, in zekere zin. Aan het elkaar niet geheel verlaten. Zo, dacht ik. We beginnen elkaar al niet helemaal te verlaten, wij twee.’ Of die twee elkaar nu wel of niet gaan krijgen, daar gaat het niet echt om. Althans, dit boek straalt uit dat het daar niet om draait. Dat je het als lezer desalniettemin graag wilt weten, valt het boek in positieve zin aan te rekenen. Wanneer ze inderdaad samen de nacht dreigen door te brengen, staat er: ‘Het is geen slecht begin, bij iemand willen slapen. Het is misschien een begin. Of een einde. Misschien begint ze met mij bij het einde. Is dat bemoedigend voor het vervolg, vroeg ik mij af.’ Oster heeft zijn vinger weten te leggen op de gevoelige materie van de schuchtere toenaderingspoging, het verkennen van de ander als liefdespartner.

    Christian Oster is als auteur in Frankrijk geen onbekende en zijn onderkoelde, niet van droge humor gespeende stijl kan rekenen op een vaste schare bewonderaars. De meeste boeken van Oster zijn uitgegeven bij uitgeverij Minuit, oorspronkelijk een verzetsuitgeverij die naderhand de auteurs van de Nouveau Roman ging uitgeven: Duras, Robbe-Grillet, Sarraute en Butor. Het experimentelere werk dus, waarin de klassieke verhaalstructuur overboord werd gezet, de vertrouwde gedragspatronen gesaboteerd. Niet de verteller legde zijn wereldbeeld op aan het boek, maar de literaire vorm zelf werd onderzoeksinstrument voor de relatie tussen personage en zijn omgeving. De tastende stijl was de weerslag van diens zoektocht naar enig houvast. Hoewel de Nouveau Romanciers onderling in stijl verschilden, kenmerkten hun boeken zich door de consequentheid waarmee een eenmaal gekozen uitgangspunt werd uitgewerkt. In dat opzicht is het niet vreemd dat In de trein in 2002 bij Minuit verscheen. De speelsheid ervan doet ook denken aan het vroege werk van de eveneens bij Minuit ondergebrachte Jean-Philippe Toussaint. Zo subtiel kan experimenteel dus zijn in Franse handen, kan men al lezend denken. Deze stijl nodigt dan ook zeer uit om mee te leven met de ik-figuur. Want deze hoofdpersoon krijgt dermate weinig eigenschappen toegedicht dat iedereen zich ermee kan identificeren. Niettemin is het een verhaal dat volstrekt niet te verfilmen is dankzij zijn stijl. Is dat niet het beste compliment dat je een boek kunt geven?

     

    In de trein

    Auteur: Christian Oster
    Vertaald door: Kiki Coumans
    Verschenen bij: Studio 3005
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: €20,-