• Een stand-up-archeoloog

    Een stand-up-archeoloog

    Wie denkt dat De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts wel over humor zal gaan, wordt het op de eerste pagina ervan al duidelijk dat het ik-personage, Felix Kajuit, klaar is ‘met alle komedie’. En wie denkt dat het iets met De Goddelijke komedie van Dante heeft te maken, komt ook bedrogen uit. Waarover gaat het dan wel? Over de voorstelling Wachten op de Bataven die door de covid-19 pandemie niet door kon gaan. En alles daaromheen. Dát het niet door kon gaan, lucht Kajuit op, omdat de daaraan voorafgaande voorstellingen alleen maar een slechte pers hadden gekregen. Al was hij finalist geweest bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs, de cabaretprijs van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) die sinds 2003 jaarlijks wordt toegekend. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

    De kleine en grote wereld

    Felix was trouwens op school, in 1981, ook al niet de lolligste. Hij had een bruine juf, Joyce, voor ‘Zwarte Piet’ uitgemaakt en lachte met een vriendje mee om zijn eigen moeder, die krom liep van de pijn. Of met zijn broer als zijn vader grauw zag van duizeligheid. Dat is de kleine wereld, dicht bij huis, maar ook in de grote wereld mislukken veel dingen. Een treinongeluk in de Leidse Merenwijk, de Challenger die ontploft, de kernramp in Tsjernobyl om maar wat te noemen.

    Bovendien gaat Felix’ verhaal niet alleen de breedte in, van Leiden naar Amerika en Oekraïne, maar ook letterlijk de diepte in, naar herinneringen. Tijdens een voorstelling wil hij ‘allerlei voorwerpen opgraven die met [zijn] kindertijd in de jaren tachtig te maken hadden’. Als een stand-up-archeoloog, een beeld dat Weijts verder uitwerkt: ‘Uit scherven en fragmenten moesten we een samenhangend verhaal maken.’ Zoals zijn vader op zijn werk, een laboratorium, niet aan complete projecten mag werken ‘maar aan opgeknipte delen ervan’.

    Zo zit ook deze roman in elkaar. Afwisselend over de jeugd van Felix en zijn tijd als al dan niet werkloos cabaretier tijdens covid-19. Fantasie heeft hij altijd gehad. Zoals op school, toen hij een verhaal schreef ‘over een jongen die ’s avonds naar de overkant van de straat keek, naar een meisje. Op een dag werden ze – door tussenkomst van een Romeinse godheid – verwisseld en leefde hij in haar kamer’. Fantasie én mooie zinnen, zoals ‘Ze leefden overal tussendoor’, dat herkennen we van Weijts.

    De meeste karakters worden raak neergezet, zeker dat van Felix’ vader, die de genegenheid voor zijn zoon niet anders kan uiten dan door in zijn vrije tijd dingen voor hem in elkaar te zetten, zoals een sirene voor op zijn fietsstuur, waarover Felix uitweidt. Want dat had hij al jong van de oudejaarsconferences van Freek de Jonge geleerd: ‘De uitweiding als vormgevend principe.’ Een verhaal in de breedte, de diepte en vol uitweidingen dus. En details over de tijd waarin alles speelt: zowel de jeugd van Felix als de covid-19 tijd.

    De comedyclub en de tijdgeest

    Toch is het niet Felix die in coronatijd een illegale Comedyclub begint, maar zijn rivaal Tom, een iets minder goed uitgewerkt karakter. Tom heeft Felix’ naam nodig om in zijn subsidieaanvraag te vermelden. Hij was immers finalist bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs. In ruil mag Felix rustig in een van Toms cabinewoningen bij zijn club werken aan voorbereidingen voor comedylessen en schrijfworkshops die hij geeft in Toms comedyclub.

    Felix verzint net als in zijn jeugd verre van leuke grappen (‘Incest, ach ja, zolang het binnen de familie blijft, vind ik het allemaal best’). Maar ja, ‘the first draft of anything is shit’ citeert hij Ernest Hemingway. Daarna zou hij een uitblinker worden als cabaretier. Maar is dat zo?
    Nee en hij geeft de tijdgeest de schuld dat dit niet lukt. Een tijdgeest die in dit boek ruimschoots, en soms een beetje te veel in de vorm van opsommingen, aan bod komt. Bovendien wijt hij de mislukking ook aan zijn verknipte jeugd.
    Comedy maken in een tijd van corona is niet alles. Een goddelijke comedy nog wel. Dat wil zeggen ‘alles betekenis geven, alles wat in [de] omgeving gebeurde rangschikken tot een coherent verhaal’, zoals zijn steeds depressiever wordende vader.

    Het ontglipt Felix allemaal. Hij verwaarloost zijn cabinewoning en zichzelf, raakt zijn humor kwijt en wordt een wappie genoemd. Dat laatste geldt ook voor Tom, die ‘het virus’ oploopt bovenop onderliggend lijden. Maar dat is lang niet alles. De wereld zelf wordt een verhaal zonder samenhang. Hiermee wordt een interessante laag onder de roman blootgelegd die misschien teveel bedolven is geraakt onder de vele uitweidingen en details over de tijdgeest.

    Wat niet wegneemt dat de klassieke opbouw van het geheel, met de twee aan elkaar gerelateerde verhalen over vroeger en nu, knap is gedaan. Je moet er als lezer even inkomen om dit scherp te krijgen, maar Weijts heeft zich sinds zijn debuut Art. 285b weten te vernieuwen met deze tragische komedie. Zonder humor. Dat wel.

     

     

  • Oogst week 46 – 2024

    Oogst week 46 – 2024

    Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken

    Delphine Horvilleur verschijnt regelmatig in de Franse media waar ze tekst en uitleg geeft over allerlei Joodse kwesties. Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken is als een schijnsel in de nacht voor al diegenen die weigeren zich te laten ontmenselijken door haat. Het leven van de Franse vrouwelijke rabbijn en feministe stortte in na het bloedbad dat Hamas in Israël aanrichtte op 7 oktober 2023. In verdoofde toestand schreef zij deze verhandeling die haar bij wijze van zelfanalyse terugbrengt naar de fundamenten van het bestaan. De tekst bestaat uit tien gesprekken – sommige waarachtig, sommige denkbeeldig: over haar pijn, haar grootouders, de Joodse paranoia, antiracisten, haar kinderen, Israël en de Messias.

    De Franse versie verscheen onder de titel Comment ça va pas? In deze Nederlandse uitgave is ook de preek opgenomen waarin Horvillleur, kort voor die zevende oktober, vanuit de traditionele Joodse wijsheid kritiek uitoefende op het beleid van de Israëlische overheid jegens de Palestijnen.

     

    Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken
    Auteur: Delphine Horvilleur
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Als de zon valt

    Als de zon valt is een romance, een coming-of-ageverhaal over queer liefde en vriendschap. Het verhaal speelt zich af in 2016 op een middelbare school in Utrecht. Nederlandse Alex en Turkse Omar worden verliefd, terwijl hun omgeving niet in de gaten heeft wat voor intieme vriendschap tussen de jongens ontstaat. Vanuit wisselende perspectieven ontdekken de jongens zichzelf en elkaar. Een intiem portret over gedeelde onzekerheid en identiteit, over verbergen, verdoven en zoeken naar geluk.

    Als de zon valt is het debuut van Stijn de Vries (1998, Almelo) die ook fotograaf, presentator, journalist en schrijver is. In 2021 rondde hij de BNNVARA Academy af. Vóór Spuiten en slikken maakte hij de series Jong Geleerd, Nooit Gedaan (2021) en Mooi, Man (2022). Met Duncan Tromp maakt hij de podcast Relnichten, hij interviewt voor Jongstof en schrijft voor VogueLINDA. en LINDA.meiden.

     

    Als de zon valt
    Auteur: Stijn de Vries
    Uitgeverij: Lebowski

    De goddelijke comedyclub

    De goddelijke comedyclub, Weijts’ achtste boek, is een zoektocht naar een vader aan de hand van jeugdherinneringen tijdens de jaren tachtig. Protagonist is Felix Kajuit, een succesvol ‘stand-up-archeoloog’ en radiocolumnist. Tijdens de lockdown in de coronapandemie komt hij terecht in een clandestiene comedyclub waar hij wordt omringd door artistieke paria’s en complotdenkers. In zijn herinneringen gaat hij onder andere terug naar het circus dat naar zijn dorp kwam en de bouw van een nieuwe woonwijk. Daarnaast analyseert hij de moeizame relatie met zijn ouderwetsdenkende vader.

    Christiaan Weijts (1976) is een Nederlandse schrijver en columnist, die diverse prijzen en nominaties in de wacht sleepte voor zijn literaire werken.

     

    De goddelijke comedyclub
    Auteur: Christiaan Weijts
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

    Verwarrende poging om Picasso 150 jaar later terug te vinden in Schoorl

    In 2016 was in het Stedelijk Museum Alkmaar een expositie te zien van werk dat Pablo Picasso maakte toen hij in 1905 korte tijd in Schoorl verbleef. Hij was er naar toegelokt door de (aankomend) journalist Tom Schilperoort, die in Parijs met enkele Nederlandse schilders in de kringen van Picasso verkeerde. In Schoorl leerde Picasso Nelly Timmer, Schilperoorts vriendin, kennen. Zij zou de jonge vrouw kunnen zijn die hij op La belle Hollandaise afbeeldde. Al twintig jaar voor deze expositie schreef Kees Koomen het boekje Picasso in Holland. Daarin constateerde hij dat er de nodige vragen blijven bestaan over wat er in 1905 precies voorviel en dat onze fantasie het beeld zal moeten completeren. Christiaan Weijts vatte dat op als een uitnodiging. Het resultaat is de roman Furore.

    Op zoek naar een inbedding van die reconstructie zal Weijts op de gedachte zijn gekomen dat het in 2055 precies 150 jaar geleden zal zijn dat Picasso Schoorl bezocht. Hij hangt Furore op aan een project om dat feit in 2055 toeristisch uit te buiten. De voorbereidingen daarvoor beginnen in 2054, het jaar waarin een groot deel van de roman zich afspeelt. Het is een tijd waarin razendsnel met de hyperloop naar Parijs gereisd wordt, een deel van Nederland weer ontpolderd is, het gewoon is om je met een hololens door je werk en het leven te bewegen en de vluchtingenstroom wordt tegengehouden door elektrozones. Twee vrienden, ondernemer Freek en kunsthistoricus Kris, werken in opdracht van Fransen en Chinezen aan een Picasso Xperience, een project waarin je vanuit zelfrijdende auto via Virtual Realitybril Picasso kunt zien lopen op plekken die hij in 1905 aandeed. Menige lezer zal zich bij zo’n uitgangspunt afvragen of het wel zo sterk is: zou een minuscuul detail uit het leven van Picasso in 2055 interessant genoeg zijn om daar 150 jaar na dato een toeristisch circus voor op te tuigen dat een internationale trekpleister moet worden?

    Uitvreter

    Freek is de man achter de technische ontwikkeling, Kris stort zich op het boven water halen van het werkelijke verhaal van Picasso en Schoorl. Zijn interesse geldt oorspronkelijk Picasso maar het is al snel de Nederlander Tom Schilperoort die hem meer boeit. Weijts heeft veel research gedaan en zijn personage Kris in staat gesteld een verhelderende biografie te schrijven. De roman Furore speelt zich daarmee af in twee tijdvakken, in 1905 (meer uitgebreid de tijd van 1882 tot 1930 dat Schilperoort leefde) en in 2054. In de roman zijn ze onderscheiden door de nummering van hoofdstukken en paragrafen, respectievelijk  in Romeinse en Arabische cijfers.

    Schilperoort was de man op wie Nescio, volgens Enno Endt, De uitvreter baseerde. Hij was een bohemien die in Parijs met kunstenaars als Picasso en Nederlanders als Kees van Dongen en Otto van Rees omging. Schilperoort scharrelde in het begin zijn kostje bijeen met gelegenheidsstukjes voor kranten, maar ging later boeken schrijven, vooral over auto’s. Omdat zijn vriendschap met Picasso vrijwel meteen na ‘Schoorl’ bekoelde loopt dit biografische deel van de roman al snel weg van de aanvankelijke onderzoeksopdracht voor het Xperienceproject. Zozeer dat je je soms afvraagt wat deze Schilperoortbiografie nog te maken heeft met het 2054-verhaal. En er is meer dat dit Schilperoortdeel, hoe interessant op zich ook, niet volledig geslaagd maakt. Soms verliest Weijts zich via Kris teveel in details. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij op zoek gaat naar de omstandigheden waarin de foto is gemaakt waarop Picasso, Schilperoort en Nelly Timmer samen staan (hij is voor in de roman opgenomen). De maker ervan zou Schilperoorts broer Gijs geweest kunnen zijn, maar waarom moet daaraan worden toegevoegd ‘die later leraar Frans wordt (…) en in 1938 directeur wordt van de Gemeentelijke Handelsschool in Den Haag, in dat grote, kathedraalachtige schoolgebouw dat nog altijd op de hoek van (…) staat.’?

    Stamcellen

    Complexer is het deel van de roman dat in 2054 is gesitueerd, het jaar waarin Kris al die onderzoeken doet. Daarin tuimelen de verwikkelingen over elkaar. Met hun auto rijden Kris en Freek een jonge vrouw aan, Safa. Ze blijkt lid te zijn van de vlakbij gevestigde soefigemeenschap. Safa kan als gevolg van de aanrijding niet meer goed zien en komt terecht in de kliniek van Evy, de vriendin van Freek. Terwijl Freek en Kris zich in allerlei bochten wringen om de werkelijke toedracht van het ongeval te verhullen, ontdekt Kris ineens dat Evy bezig is met de ontwikkeling van een stamceltherapie met cellen van embryo’s die Safa’s gezichtsverlies misschien zou kunnen genezen. Daartussendoor loopt het Xperienceproject, waarvan de Chinezen uiteindelijk om ethische redenen afzien omdat ze ontdekt hebben dat Freek ook de ontwikkelaar is van Deep Undress, een techniek waarmee je op straat vrouwen virtueel kunt uitkleden. En er zijn politieke verwikkelingen waaraan partijen meedoen als de Liberale Democraten, de Digitale Democraten en Licht, de soefipartij, waarvan de leider wordt neergeschoten.

    Projectiescherm

    Zoals hiervoor gezegd: soms vraag je je af wat beide verhaallijnen die zover in tijd uit elkaar liggen met elkaar te maken hebben. Weijts doet pogingen om ze te verbinden door uitspraken als: ‘Misschien is het altijd al zo geweest dat het heden de plek lijkt waar de geschiedenis voltooid is, maar niet eerder werd dit zo versterkt doordat de wereld op zoveel plekken vooral nog het projectiescherm was van eerdere gebeurtenissen’. Of (sprekend over de soefibeweging): ‘Ik dacht opnieuw aan Tom. Ook in zijn tijd was er die drang geweest van allerlei idealisten om het anders te doen, om er uit te stappen, om terug te keren naar de natuur en aan je spirituele groei te werken’.
    Die verbinding tussen 1905 en 2054 legt Weijts ook intertekstueel door het verhaal over 2054 te doordesemen met citaten of parafrases daarvan die ontleend zijn aan Nescio (‘Ik ben goddank helemaal niets’), Kees van Dongen (‘Zien is niet alleen een kwestie van kijken’) en Picasso (‘Als ik een wild paard schilder, zie jij misschien helemaal geen paard. Maar je zult hoe dan ook de wildheid zien’). Ook zijn er een paar parallellen die mogelijk bedoeld zijn om de verhalen te verbinden. Net zoals het de vraag is of Picasso of Schilperoort de vader is van de dochter die Nelly ongeveer negen maanden na Picasso’s bezoek in 1905 krijgt, zo dient zich die kwestie in 2054 aan als Evy zwanger is: is het van Freek of van Kris?

    Ook de titel van de roman, Furore, verbindt de verhalen door de meervoudige betekenis van het woord. In het leven van de Parijse schilders staat het voor succes, furore maken. In beide geschiedenissen staat het begrip ‘furor’ ook nog eens voor woede, als Weijts zijn personages laat filosoferen over de dichtregel van Petrarca ‘Virtu contra furore prendera l’arme’ (deugd/moed zal de wapenen opnemen tegengeweld/woede). En tenslotte is er nog het plaatsje Furore in Italië, waar de soefiste Safa haar ‘bevrijding’ ervoer.

    Kogel van rechts

    Furore speelt zich dus af in geheel verschillende tijdvakken, 1905 en 2054. Maar voor de lezer is er natuurlijk nog een derde: de tijd waarin deze roman verschijnt en hij hem veelal zal lezen, en die zijn referentiekader is voor 1905 en 2054. Weijts maakt daar soms handig gebruik van door grappig aandoende verwijzingen. Zo vermeldt hij dat Kris verwekt werd in de nacht waarin de Notre-Dame in Parijs in brand stond (15 april 2019). En na de moord op de lijsttrekker – en beoogde premier – van de soefipartij, die inderdaad meteen aan de moord op Pim Fortuyn doet denken, heet het al snel dat ‘de kogel van rechts kwam’.

    Met Furore heeft Weijts een intrigerende ‘uitvreter’ ten tonele gevoerd, maar het lijkt er toch op dat hij de uitnodiging die hij zag in het boekje Picasso in Holland wat te ruim heeft opgevat om de lezer steeds vast te houden.

     

     

  • Leesdieet

    Ik geloof in de kracht van de gedachte. Beweerde Einstein niet dat elke gedachte tot leven komt en werkelijkheid wordt? Ik werd er dan ook akelig van na een week het miesmuizerige nieuws over de leesstand in ons land te hebben aangehoord. Krant en radio verkondigden in vele varianten dat Nederland ontleesd raakt. En nog wel in rap tempo. Dat komt door de jongeren, die steeds minder vaak een boek ter hand nemen. En dat komt weer doordat ze aldoor een smartphone in de hand hebben. In een stukje in dagblad ‘Trouw’ was zelfs sprake van een ‘leesdieet’. Waarbij de Nederlandstalige literatuur het meest was afgeroomd, een zogeheten mager product was geworden.

    Een medewerker van een boekenwinkel liet desgevraagd in dat stukje weten dat we in een wereld leven met teveel afleiding, dat een boek lezen een bewuste keuze is geworden. En dat die keuze niet meer gemaakt wordt. Deze boekenman illustreerde ons schamele leesgedrag met een koekje van eigen deeg. Hij bekende dat hij zelf ook steeds vaker met zijn ‘smartphone bezig was’, (het klonk als iets onbetamelijks, zoals steeds obsessiever in je neus peuteren of ander heimelijk gedrag). Tot hij opeens besefte dat hij de goden verzocht door als boekverkoper het gedrukte papier links te laten liggen. ‘Sindsdien zet ik elke woensdagavond mijn telefoon uit en ga ik lezen.’  Wat een fantastische boekenman, die zich een avond per week opoffert voor een groter doel: het boek. Al voorziet hij wel dat het te laat is, gezien zijn: ‘Ik hou mijn hart vast: voor de jongeren, (…) voor de boekwinkel.’

    Ik raakte hierdoor in een vreselijke dip en piepte tegen Mijn lief dat we zonder het lezen van boeken zouden eindigen in een geesteloze wereld. ‘En waar moeten al die schrijvers heen’, riep ik met een groot gevoel van meelevendheid. ‘Als er niet meer gelezen wordt, wat moeten die dan?’ Al die uren, dagen, jaren dat er aan een boek wordt gewerkt en geen hond die het lezen zal. Die in onbruik geraakte boeken die in boekenkasten, bibliotheken en in bananendozen op zolders zullen verblijven tot de eeuwigheid hen verstoft heeft… Mijn lief zei dat ik ook altijd alles zo overdreef. Dat het zo’n vaart niet zou lopen.

    Toen las ik de column van Christiaan Weijts (NRC 19-01-’18). Ook hem had het ‘rampnieuws’ over ontlezing bereikt. Juist op de dag van de storm was hij met de trein op weg naar een school waar hij het wilde hebben over verbeeldingskracht en hoe dat een kind aanzet tot leren. Dat verbeeldingskracht verdwijnt waar verplicht wordt te lezen. Weijts pleit voor ‘Lesuren in vrije verbeelding’. Waarbij scholieren één uur per week in een wifi-loos lokaal samenkomen waar je mag ‘ lezen, luisteren en kijken wat je maar wilt, als je er maar in opgaat.’ Wat moet dat heerlijk zijn, freewheelen door tijd en ruimte, bladerend door een boek, dat je misschien wel gaat lezen. Zo maar omdat niemand het zegt.
    Maar Weijts kwam nooit aan. Door die storm strandde hij met vele anderen in een pannenkoekenhuis. Daar zag hij zowaar dat er wel vijftien jongeren een boek zaten te lezen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Dissonanten

    Dissonanten

    In de rubriek ‘Mijn favoriet’ (NRC) las ik over iemand die een kunstwerk van Hugo Tieleman kocht. Bij zijn aankopen let hij er altijd op, scheef hij, of het werk harmonie heeft, ‘zoals muziek geen dissonanten mag hebben.’ Oké, dat is zijn opvatting. Maar net zomin als het leven altijd harmonieus verloopt, net zo goed mag – of misschien moet – muziek op z’n tijd dissonanten hebben om dit te kunnen uitdrukken.

    Deze opvatting speelde door m’n hoofd. Eerst bij een grote boekwinkel in de stad, waar tussen de ramsj een piano stond, met een zitje ernaast – om wat te lezen, te mijmeren of naar de piano te luisteren. Een sjofel uitziende, oudere heer in regenjas, stijl Carmiggelt, nam achter de piano plaats en probeerde wat toetsen in allerlei registers uit. Over de hele omvang van het klavier: ping, ping, ping. Als een atonale melodie.

    Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
    en daar is wel wat voor te zeggen. (Christiaan Weijts)

    En toen, opeens, toen ik de hoop al een beetje had opgegeven, speelde hij vloeiend achter elkaar enkele jazznummers. Bijna was hij uit het dagelijks leven gevallen, maar hij hernam zich, zonder acht te slaan op de mensen om hem heen.

    Ik ben niet mooi meer,
    ik heb in het gesticht gezeten,
    mijn vingers staan stijf van de medicijnen,
    en toch ga ik een blues spelen op de piano
    (Rogi Wieg)

    Ik verliet de boekwinkel en liep naar het theater waar studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam een stuk van Shakespeare zouden spelen: Troilus en Cressida. Eén van de studenten zat in een ochtendjas met tijgerprint achter een piano en speelde erop, tussen de bedrijven van zijn rol als Hector door; zoals we van oorlogsmisdadigers weten dat ze graag piano speelden. Tegen het einde van het toneelstuk zegt hij dat zijn dagtaak erop zit, de avond goed doet: Zwaard, rust, je bent verzaad van dood en bloed.

    Met een klappertjespistool wordt Hector gedood. Hij valt van de pianokruk, random wat toetsen aanrakend. Wanneer hij uit de tijd valt, de eeuwigheid in, klinkt weer een atonale melodie. Ping, ping, ping.

    de rest zijn
    afgevallen noten
    die aan het

    behang zijn
    blijven plakken
    (Henk Knibbeler)

    Dissonanten. Zoals het leven op z’n tijd zelf. Het bestaat wel, een geluidloos, teder akkoord / dat alle dissonanten samenvoegt
    (Peter Handke)

    Dat is een moment van stilte in verbondenheid. De mooiste muziek die er is, alles is op zijn plaats, in voorbeeldige harmonie
    (Wisława Szymborska)

     

     

  • Feest op de toetsen

    Feest op de toetsen

    Je zal maar Schubert heten en als beeldend kunstenaar ook nog eens een serie kunstwerken maken onder de titel A four hand piano piece (nog tot 3 juni te zien in de galerie van Gerhard Hofland in Amsterdam).
    Het persbericht werkt uiteindelijk toe naar de clou van de vier vlakken op de verschillende doeken. Eerst gaat het over gebalanceerde, abstracte composities van een bijna meditatieve aard. Dan over de vredige en rustige werkmethode van de Duitse kunstenaar, die klassieke materialen gebruikt, zoals ei tempera. Vervolgens zwenkt de blik naar de toeschouwer van wie concentratie en doorzettingsvermogen wordt gevraagd. De cyclus blijkt uiteindelijk bedoeld te zijn om dingen vanuit een verschillend gezichtspunt te bekijken. Zowel de bedoeling van de kunstenaar als de receptie van zijn werk door de toeschouwer spelen een even belangrijke rol.

    Enkele jaren geleden was er een concert in TivoliVredenburg in Utrecht. Twee pianisten, een Hongaarse en een Nederlander, speelden met orkest het Concert voor twee piano’s en orkest KV 242 van Wolfgang Amadeus Mozart, die het werk zelf in Wenen had gespeeld met zijn leerlinge Josepha von Auernhammer.
    De twee in Utrecht waren zowel leerling en oud-docent als, vermoedde ik toen ik ze na het concert zag lopen, geliefden. Ze speelden niet alleen prachtig; het was ook een genot om naar ze te kijken. De pianiste jutte haar pianopartner op om nóg meer te geven, wat minder introvert te spelen maar er helemaal voor te gaan. Je zag en hoorde hoe hij probeerde hier gehoor aan te geven, maar helemáál lukte het hem niet. Wat ook niet erg was, want zo bleven het – gelijk de doeken van Daniel Schubert – verschillende gezichtspunten. Dan weer een donker vlak onder aan het doek, of in de laagte van de ene piano, dan weer een licht in de rechter bovenhoek, of in het hoogste register van de andere piano.

    Iemand die mooi formuleerde hoe dat zit met zo’n duo, in zijn geval net als bij Schubert quatre-mains op één piano, is Christiaan Weijts in zijn gelauwerde debuutroman Art. 285b. Over Sebastiaan, een pianoleraar en zijn Italiaanse leerlinge Rosetta: ‘Iedereen die wel eens quatre-mains heeft gespeeld, kent de gewaarwording: de wonderlijke duplicatie waardoor jouw handenpaar zich uitbreidt met dat van een kloon waar je geen controle over hebt, maar die toch dingen doet die wonderwel blijken te passen bij wat jij speelt.’

    De duplicatie zie je bij de expositie met werk van Daniel Schubert, – de dingen die wonderwel blijken te passen hoorde ik in het concert in Utrecht: ‘Het paar stuwt elkaar (…). Nu is het feest op de toetsen en staat niets het paar nog in de weg om los te breken en los te zijn en de razendsnelle klim te maken.’ Prachtig. Om te zien en te horen. En over te lezen.

     

     

     

  • Lotgenoten op weg naar hun loutering

    Lotgenoten op weg naar hun loutering

    De linkshandigen, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, trekt in elk geval qua vormgeving meteen de aandacht. Het omslag is zo geconstrueerd, met de rugtekst rechts, dat je niet meteen ziet hoe het boek open moet – behalve als je je eventuele linkshandigheid zou volgen. En heb je het boek eenmaal open, dan blijken titel, paginanummers en colofon ook al rechts uitgelijnd. Zoals het stuur in een linksrijdende auto rechts zit.

    Inderdaad rijdt Simon Sinkelberg, de ene hoofdpersoon, een Engelse auto, met het stuur rechts dus. Hij is linkshandig (net als de schrijver zelf) en groeide op in Engeland. Daar verdiende hij zo goed en zo kwaad als dat ging zijn brood met tekeningen van straatgezichten, portretten en landschappen. Die tekende hij met zijn rechterhand omdat linkshandigheid op Engelse scholen rigoureus de kop werd ingedrukt.

    Als hij in de twintig is verhuist hij na een dramatische gebeurtenis naar Nederland, het geboorteland van zijn vader. Hij becommentarieert er, heel anders dan met zijn vriendelijke tekeningen in Engeland, voor de krant De Spiegel, op een venijnige en eigenwijze manier de actualiteit onder de cartoonistennaam Zink. Die spotprenten maakt hij met zijn linkerhand; noodgedwongen want bij het drama in Engeland is hij aan zijn rechterhand gewond geraakt.

    De roman begint als de hoofdredacteur van De Spiegel een vinnige prent van hem over de expansie van het telecombedrijf Stones & Middleton weigert. Het Britse bedrijf slaat zijn vleugels over het vasteland uit en Zink vergroot die greep bijtend uit in zijn prent. Als de hoofdredacteur bij zijn weigering blijft, neemt Zink/Sinkelberg zelf abrupt ontslag. Als hij wegrijdt pikt hij de liftster Katarina Landaart (zo verstaat hij de naam; later blijkt die Katharina l’Andart te zijn) op. Ze zeult een cellokist mee en wil naar België.

    Met elkaar geconfronteerd halen Simon en Katharina elkaars verleden naar boven, waarin de nodige parallellen zitten. Ook zij is linkshandig en ook zij is kunstenares. Zoals de cello haar verhaal met haar eigen verleden en het ongeluk van haar moeder verbindt, zo is de ene dure rechterschoen die Simon nog altijd bij zich draagt (de linker (!) heeft hij ooit kapot gestoken) de verwijzing naar het tragische einde van zijn zus Emma. Daar komt nog eens bij dat zowel Emma als Katharina een verleden hebben in een psychiatrische inrichting, maar om heel verschillende redenen.

    In de loop van het verhaal wordt duidelijk waarom de tekening van Zink die tot zijn ontslag leidde zo vol haat zat. Het blijkt alles te maken te hebben met het verleden van Simons zus Emma bij Stones & Middleton. Ook blijkt Katharina niet naar België te moeten, maar naar Frankrijk. Daar ligt haar moeder, die met de cello roem vergaarde, in coma. Katharina wil de cello nog éénmaal voor haar bespelen. Onderweg loopt Simon opnieuw een blessure op, nu aan zijn linkerhand, waardoor hij – opnieuw noodgedwongen – weer met de rechter moet gaan tekenen. Omdat hij zich daar in Engeland al in heeft bekwaamd, slaagt hij daar uitstekend in. Hij stelt vast dat hij tweehandig is en bovendien dat de tekeningen die uit zijn rechterhand vloeien weer milder zijn.

    Na de laatste ingrijpende verwikkelingen in Frankrijk, in het huis waar Katarina’s moeder wordt verzorgd, beleven zij en Simon hun loutering. Voor het zover is krijgt de lezer, tegen de achtergrond van het Carnaval dat gaande is, een cascade aan geheimzinnigheden te verwerken waarin recente maatschappelijke problemen als afluisterpraktijken, de grenzen van spotprenten (let wel: de roman is van vóór de aanslag op de burelen van Charlie Hebdo), hacking en privacyschendingen het verhaal zijn actualiteit verlenen. Weijts gebruikt daarbij zijn protagonist Simon ook nog eens om de val van de dagbladpers (de krant waarbij hij ontslag heeft genomen noemt hij ‘de slijpsteen van de geest’) voor de commercie hekelt – af en toe op een nogal obligate manier trouwens.

    De linkshandigen is knap opgebouwd en leest af en toe als een thriller. En het is onnodig te zeggen dat Christiaan Weijts kan schrijven. Toch zijn er ook mindere punten. Je wordt op den duur een beetje narrig van de grapjes met het woord ‘sinister’ (dat immers naast ‘onheilspellend’ in het Latijn ook ‘links’ betekent) en er wordt nogal wat van de goedgelovigheid van de lezer gevergd als Simon een geheim dat hij nooit met iemand heeft willen delen, wél vertelt aan Katarina, die voor hem dan nog een vreemde is en die hij nota bene voor geen cent vertrouwt!

    Er gebeurt ook wel erg veel toevallig in de roman. Al doet Weijts dat waarschijnlijk met een bedoeling. Over Simon lezen we namelijk: ‘Hij geloofde niet in God, maar had wel de overtuiging dat zijn leven de goede kant uit ging, dat het een steuntje in de rug kreeg. Vaak had het toeval hem op het juiste moment, soms op het nippertje, geholpen’, waarna een alinea volgt vol toevallige gebeurtenissen uit zijn leven tot dan toe. Dergelijke opsommingen komen trouwens vaker in de roman voor, over verschillende vormen van lachen, over mensen op straat in Parijs, over gebeurtenissen die een moment markeren, lijsten van linkshandige kunstenaars enzovoort.

    De linkshandigen is al met al een zeer onderhoudend boek over twee mensen in wier ontmoeting hun verleden voorbijtrekt in een spannend verhaal. Maar veel meer dan die spanning beklijft toch niet lang. Of het zou het liefdevolle laatste optreden van Katarina voor haar moeder moeten zijn, vlak voor haar (verwachte) dood. Of het gedicht van Wordsworth dat Simon zo graag voor zijn zus Emma had willen voordragen – wat niet kon door haar (onverwachte) dood.


    De linkshandigen

    Auteur: Chistiaan Weijts
    Verschenen bij uitgeverij: De Arbeiderspers (2014)
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 18,95

  • Weijts zet de lezer op het verkeerde been

    Weijts  zet de lezer op het verkeerde been

    Het derde boek van Christiaan Weijts werd geschreven in opdracht van het Nederlands Dans Theater. Hij zou geprobeerd hebben, volgens een interview achter in het boek, om de lezer op het ‘verkeerde been’ te zetten. Grappig gegeven voor een dansboek. Hij wilde tot in de taal, bewegelijk opereren, zodat de lezer in een plezierige verwarring door de bladzijden dwaalt. En ook inhoudelijk moest er volgens Weijts het een en ander te knabbelen zijn. Daartoe zet hij de aloude discussie voort of de belevenissen in ons leven berusten op toeval of behoren tot ons Lot. Hij laat de vraag open. Weijts schreef eerder Via Capello 23 en Art 285, waarmee hij genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs.

    Eigenlijk is de verhaallijn van deze novelle flinterdun. De etaleur, ene Victor Zuid, krijgt een belangrijke opdracht van het warenhuis Cocagne. (Cocagne stond vroeger voor Luilekkerland, een flauwe verwijzing). Hier werkt hij aan een etalage en een uitstalkraam in opdracht van Alex, cynicus en darwinist. Maar de werkzaamheden van Victor worden wreed doorkruist wanneer een oude vlam, ene Vita Lateur op de proppen komt. Naast danseres is ze inmiddels milieuactiviste ? of moeten we zeggen milieuextremiste –  geworden. Ze deinst in die laatste rol voor niets of niemand terug. We moeten onwillekeurig even aan Volkert v.d.G. denken. Waar idealisme stopt ontstaat extremisme, met vernielingen en uiteindelijk soms moord. We zien dat om ons heen helaas gebeuren.

    Victor staat als de dreamweaver, de ontwerper van illusies, aan de andere kant van het maatschappelijke spectrum. Zijn doel heiligt de middelen. Er moeten producten worden verkocht. Vita (=leven) danst door het leven maar protesteert tegen de globalisering en bespuit met verf de etalage van Cocagne. Haar leven is een dansfeest en een gevecht. Het leven van Viktor is een illusie en een leugen. Maar hij gelooft oprecht in de illusie en neemt de leugen op de koop toe. Samen verkennen ze de ontmoeting, die ze moeten hebben, als een onontkoombaar stuk van hun beider biografieën. Ze kennen elkaar nog van vroeger maar worden weer door toeval (Is het toeval?) met elkaar in contact gebracht.

    De verteller hangt als een helikopterpiloot boven de twee partijen en laat geen gelegenheid onbenut om de lezer op het verkeerde been te zetten. Dat moet je maar kunnen en Weijts is daar wonderwel toe in staat. Hij draait pirouettes met zijn taal en voert dubbele axels uit, waardoor de lezer bij de les moet blijven.

    De thema’s wisselen elkaar af. Is er sprake van een verholen wraakgedachte? Hoe verhouden de twee hoofdpersonen zich tot de rest van de hen omringende wereld? Is er leven na de consumptie of redden we ons er wel dansend en springend uit? En hoe grijpt het lot in, wanneer we daar enig houvast aan zouden mogen beleven? Vragen, die door Weijts listig worden opgeworpen, maar allerminst beantwoord. Mag de lezer het zelf doen? Dat zou een zwaktebod zijn, ware het niet dat het een tijd geleden is dat deze recensent een Nederlands boek las, waarin überhaupt werd gefilosofeerd en dat siert Weijts!

    Verrassend is ook hoe Weijts het dansen van Vita op de muziek van Elgar beschrijft. Ze weet Victor te betoveren. De man van de scherpe zinnen valt voor de irrationele schoonheid van de danseres in actie. Ze heeft ook nog een geheim voor hem in petto. Een geheim – mooi genoeg – dat met erfelijkheid te maken heeft. Want hoe we het wenden of keren, aan de stroom van erfelijkheid zullen we maar moeilijk kunnen ontsnappen of we nu darwinist zijn of in een onomkeerbaar voorbeschikkend lot geloven.