• Eeuwige veelbelovendheid

    Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • Grensverleggende poëzie en poëtica

    Grensverleggende poëzie en poëtica

    Literatuur op internet, essayist Hans Groenewegen – die er beslist geen tegenstander van was – noemde het verschijnsel een onderwereld, zo meldt Samuel Vriezen in zijn inleiding van Netwerk in eclips. De titel van zijn boek benoemt die literaire wereld eveneens als een onofficiële, als een die ondanks de interesse van talloze lezers (ver)duister(d) is. Er kleeft iets inferieurs aan literatuur op internet doordat iedereen er zijn zegje kan doen en serieus wordt genomen. Dat er geen poortwachters zijn in de gedaante van een redactie is wel het opvallendste verschil met de werkwijze bij vertrouwde media als tijdschriften en kranten. Geen reden om het fenomeen te kleineren. Integendeel, elke zons- of maansverduistering is het waard om in de gaten te worden gehouden.

    Internet poëtica
    Het blog Vriezen vindt (2006-2013) – waar Netwerk in eclips de neerslag van vormt – bevat maar liefst 120.000 woorden aan ‘posts’ en 100.000 aan reacties. Ook slibden er creatieve teksten aan waarmee de site een publicatiemogelijkheid bood voor poëzie die zelden of nooit in literaire bladen als Tirade of Hollands Maandblad worden aangetroffen. Poëzie die in de weidse beslotenheid van het internet geboren is en die zich daarvan zelfs bedruipt. Zo kan een gedicht uit een mengsel bestaan van op Google geplukte woorden of fragmenten.

    Volgens Vriezen zijn discussiërende bloggers – over bij voorbeeld de invloed van poëzie op de samenleving – zich bewust van hun activiteit als een alternatief platform voor traditionele media. Contact met die media is binnen de cultuur van posten en reageren op internet niet aan de orde. Wel hoopt men dat vroeg of laat een internet poëtica tot de bovengrondse doordringt en er wortel schiet. De kans daarop is altijd erg klein geweest volgens Vriezen. De interactie die de blogsites uniek maakte was tegelijk een zwakte: ‘de overmatige directheid’ van de mening liet geen ‘denktijd’ en werkte ‘verstikkend’. Een doortimmerde poëtica zoals in literaire tijdschriften werd dan ook niet gegenereerd op bekende sites zoals die van Jeroen Mettes (Poëzienotities) en van Chrétien Breukers (De Contrabas). Maar ook niet op sites waar een eenling victorie kraaide of kraait. Bij Lucifer in het hooi van Gerrit Komrij of bij ene A.IJ. van de Bergh die al vele jaren een ‘boeklog’ als een ‘eigen plaats’ in de lucht houdt.

    Poëzie als tekstkunst
    De essays die Vriezen in Netwerk in eclips bijeengebracht heeft, zijn ontstegen aan de vluchtige  internetcultuur. De posts zijn na intensief bewerken en opschonen een boek geworden en in het volle licht getreden. Het gevolgde traject voor Netwerk in eclips heeft zelfs geleid tot een internetpoëtica. “Ongetwijfeld, stelt Vriezen vast, ís er wel iets buiten tekst, netwerk, internet, alleen kan de wereld van tekst, netwerk, internet er zelf geen verbinding mee leggen. […] We mogen aannemen dat iets als ‘de werkelijkheid’ sporen trekt door de tekst (of door het netwerk). Maar het weefsel heeft alleen toegang tot wat er direct mee verbonden is.”
    In Vriezens beschouwingen draait het om ‘taal als complex van bemiddelende zones’ zoals woorden en zinnen niet alleen maar ook liedjes, boeken, kranten, flarden, kreten zijn. Dat alles is met elkaar verweven. De vorm en ‘de werkelijkheid waarover ze gaan zijn limieten van dit weefsel’. Taal is ‘zelf een medium voor verbinding, en poëzie als tekstkunst is een kunst van het verbinden. Deze taalopvatting kun je een internetpoëtica noemen.’

    Poëzie als beïnvloedend medium
    De posts zijn essays geworden en losgeweekt van de verlammende interactie. Veel van de stukken gaan over vrienden, in enkele stukken komen vrienden aan het woord, weer andere zijn geschreven als antwoord op vrienden. Onduidelijk blijft welke invloed die reacties op de uiteindelijke versie van de essays hebben uitgeoefend. De kiemcel – zo blijft niet in de mist – vinden de essays in de tussenkomst van Vriezen in een discussie die volgens hem al zo vaak gevoerd was in literaire kringen en zelden iets had opgeleverd. Het debat namelijk over de keuze tussen poëzie als ‘vrijblijvend spel’ of als een op de samenleving ingrijpend medium.

    Voorbij vorm versus inhoud
    Al in zijn eerste blog propageerde Vriezen vorm en inhoud als onafscheidbaar. Daarop voortbordurend in de zeven jaar dat hij met zijn site actief was, ontwikkelde hij een internet poëtica die voorbij was aan de aloude opvatting van vorm versus inhoud.
    De creatieve teksten in Netwerk in eclips van Vriezen zelf en van andere internet-dichters zijn in de jas gestoken van wat het meest nog herinnert aan de ‘readymade’. Dit is uiteraard geen terugkeer naar een vertrouwd procedé. Zelfs als er Roland Holst-achtige taal klinkt omarmt de dichter niet de traditie maar breekt hij ermee.

    Vriezen neemt zijn lezers bij de hand en informeert over de inhoud van de vorm en de vorm van de inhoud. In het commentaar laat hij vaak zijn muzikale onderlegdheid meespreken. Misschien had hij in zijn essays die ook andere kunstdisciplines – zoals fotografie – tot onderwerp hebben, de internet poëtica van de dichtkunst meer reliëf kunnen geven door haar te confronteren met de kritische principes van de postmodernen en hun voorgangers. Het laat zich waarschijnlijk makkelijk raden wat Vriezen van de vorm of vent-discussie vindt die in het tijdschrift Forum (1931-1935) en nog lang daarna is gevoerd. Hoe dan ook Netwerk in eclips is een boek dat er zijn mag en volop in de schijnwerpers van de ‘bovenwereld’ kan staan.

     

     

     

  • Zwelgend hart

    Zwelgend hart

    Liefdesverdriet is een ongesteldheid, onvergelijkbaar met andere kwalen van het menselijk hart. Een heftige, zelfmedelijdende golf van eigenwaan overspoelt onze gewoonlijk medemenselijke houding en zorgt voor een vervreemding van alles wat neigt naar helderheid en relativering. Dit moet bij schrijver/dichter Chrétien Breukers (1965) met factor twee vermenigvuldigd worden, gezien de mededeling op de achterflap van zijn jongste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Breukers kijkt terug op maar liefst twee liefdes die voorbijgingen. Of dit feit een krachtiger impuls zou moeten geven aan de impact van zijn verdriet, en mogelijk aan de kwaliteit van de hier gepubliceerde gedichten, is de vraag die zich meteen opdringt. Wel is vast te stellen dat twee voorbije liefdes een grotere stroom aan zwelgende woorden teweegbrengen dan slechts een enkele.

    Het eerste gedicht uit deze bundel handelt over de verse herinnering aan het gezamenlijk liefdesspel. Op een bijtende toon haalt Breukers uit, de intimiteit vermorzelend onder de woorden:

    Hoe zal ik je beminnen? Haal ik de harde hand
    van stal of heb je liever eerst muziek en wijn
    en ruis van nepsatijnen lakens?

    Zal ik een bok doen toebereiden
    in zijn eigen melk? Mijn hoeven zet ik
    in je vlees. Mijn woede reageer ik
    af op officieren uit mijn leger.

    Dit is een boosheid die het ergste doet verwachten. Gelukkig gaat het er in de volgende verzen wat rustiger aan toe. De dichter mijmert over de eerste ontmoeting en vindt de juiste woorden om zijn passie te beschrijven: ‘Ik gromde van geluk’. Om te vervolgen met een wat uitgekauwde banketbakkersmetafoor: ‘Ik kneedde mij/ een lichaam naar gelijkenis. Ik tekende je ledematen/ in het deeg. Daar was je dan’.

    Breukers weet met zijn korte, afgeknepen zinnetjes een gevoelige wereld te boetseren. Liefde, teleurstelling en eenzaamheid worden vermengd met spontane observaties uit het dagelijks leven: een klussende buurman, een voorbijrijdende vuilniswagen of wandelend door de stad Utrecht. De samensmelting van die externe alledaagsheid met de persoonlijke zielenpijn vormt een goede basis voor deze poëzie maar wordt na een tiental gedichten ook wat clichématig. Er wordt doorlopend gereflecteerd op wat de dichter zelf voelt en ziet, er is geen sprake van een oorzaak, of een aanleiding, die tot deze toestand heeft geleid. Nog maar eens een gevoelige herinnering:

    Ochtend. De haag der dagen groeit per centimeter.
    De zon is grijs. De kade wordt gebezemd door het licht.
    De eerste auto’s maken geen geluid. Ik trek mijn kleren uit.
    Je slaapt. Ik ga de kamer in en sla het dekbed iets opzij.

    Mooi verwoord, hoewel de worsteling van de dichter langzamerhand wel erg overheersend wordt. Breukers laat met doeltreffende zinnen zijn verdriet de vrije loop, maar wil ook niet helemaal toegeven aan die treurige gesteldheid. Er is verzet, hij probeert het weg te duwen, het zit hem hoog dat hij in deze situatie is gemanoeuvreerd:

    Soms graaft het zich een weg door hersenstam en ruggenmerg,
    en ik, veel eenzamer dan God, doe net alsof het er niet is.

    Het is er niet. Het is er bij mijn weten nooit geweest. Nog even
    en ik hef op doordeweekse dagen tol op zaken van het hart.

    De herinnering aan de liefde én het besef dat hij slachtoffer van zijn eigen pijn is, wordt hem te veel (‘veeg het met één beweging van je hand bij mij vandaan’). Dan schiet hij uit zijn slof en vervalt in een rancuneuze stemming die het gemis omzet in regelrechte woede: ‘Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht’. Het wordt moeilijk om de lijdende dichter te blijven volgen, zijn taal is afgepast en vol beeldende waarnemingen, maar de uitwerking van zijn gedichten brengt steeds meer ongemak. ‘Geef nooit het hele hart, dat is dan weg’ neemt hij zichzelf voor.

    Tegen het einde van de bundel ziet Breukers, in een nostalgische bespiegeling van ‘mijn oude buurt’, zijn dochters in de verte fietsen. Het daaropvolgende vers is een niet mis te verstane boodschap aan het adres van de moeder van zijn kinderen:

    Voed mijn dochters op en lever hellevegen af.
    Pook het vuur dat in hen sluimert op. Het kan,

    het lukt je wel. Je moederhaat als aanmaakblok,
    je vrouwentoorn als lucifer. Je minnaressenhoon.

    Het is niet de zomer, maar Chrétien Breukers zelf die nog één keer uithaalt. Op een steeds geforceerder wordende toon getuigt hij van zijn liefde, gemis, verontwaardiging en woede. Dat hij daarbij mooie plaatjes uit zijn omgeving en zijn herinnering schetst, is slechts een verzachtende omstandigheid: zonder enige vorm van introspectie wordt de wereld beschouwd, en vooral zijn eigen positie daarin. Hier is een boze dichter aan het woord.

     

  • Sleutelroman met opengebroken sloten

    Sleutelroman met opengebroken sloten

    Het zal niet vaak voorkomen dat iemand, die voor het eerst van zijn leven een lot koopt, gelijk de jackpot wint. Het overkomt de ik-figuur (Chrétien Breukers genaamd) in de debuutroman Lot van Chrétien Breukers (1965). De ik-figuur wil het geld echter niet hebben, hij wil er vanaf. In goede doelen gelooft hij niet, iets nalaten wil hij niet dus moet hij het zelf uitgeven.

    Hij gaat in een hotel wonen, veroorlooft zich escortdames en rekent ondertussen af met zijn dichterschap, (‘ooit’ was hij dichter) en de poëzie in zijn geheel. Het was immers uit ‘luiheid’ dat hij poëzie schreef. Na een fietstocht door de Achterhoek, om het huis van Jeroen Brouwers in Exel op te zoeken, besluit hij in die streek een huis te kopen waar hij zich vervolgens ingraaft met tweehonderd flessen jenever en vijftig dozen wijn. Zijn eten laat hij bezorgen, boeken bestelt hij via e-mail bij boekhandel Lieftinck in Lochem (gelukkig vermeldt de achterflap niet dat het boekhandel Lovink betreft) en huurt zo nu en dan een vrouw in voor de lijfelijke liefde. Dat zijn de gegevens. De actie bestaat uit een briefwisseling met de eigenares van de boekhandel, Leonie en de bezoeken van vriend R..

    De openingszin van Lot, ‘Ik zat op de middelbare school en las Walging van Sartre.’, zet gelijk de toon, want het gaat hier om een existentialistische roman, (hint de achterflap). Vriend R. raadde hem al eens aan zich op generlei wijze met Sartre of Camus in te laten: (…) Camus was een veel te groot genie, ook stilistisch, om te emuleren. Red je niet, leidt alleen maar tot frustratie en zelfverachting.

    De in 2013 overleden Joris van Groningen (uitgever en tekstschrijver) staat model voor vriend R. (achterflap) en waart als het alter ego van de ik-figuur door het boek. De gesprekken die ze voeren zijn recht op de man. R. begeleidt de ik-figuur op zijn schrijfexpeditie en is daarmee het enige constante in de roman. De ik-figuur laat een stroom aan herinneringen, literaire weetjes, meningen en overige losse flarden op de lezer los zoals: Wat is een dichter? Daar wordt soms behoorlijk zweterig en zweverig over gedaan. Dichtbundels worden nauwelijks verkocht, maar om de dichters hangt nog steeds dat merkwaardige fluïdum van heiligheid … en zo voort. Het is de herkenbare weblogstijl van de auteur die licht vervelen gaat. Na 35 blz. wordt het wat interessanter en lijkt het ergens heen te gaan. Maar dat is schijn, er ontstaat geen lijn in en er wordt geen punt gemaakt. Het kabbelt wat aan. Het enige wat eruit komt is dat de ik-figuur tot de conclusie komt dat je je niet kunt verbergen voor je verleden.

    ‘Dat ik, door naar deze uithoek te kruipen, alle problemen achter me kon laten. Het is niet waar, daar ben ik dezer dagen (…) voorgoed achter gekomen.’

    Zoals gezegd meldt de achterflap dat het hier om een ‘existentialistische roman in de traditie van Sartre en Camus’ gaat. De auteur zegt daarover: ‘Ik sluit me bewust bij deze traditie aan’. In een mengeling van verhalen, zijsprongen, brieven en korte mijmeringen over literatuur wil hij een ‘ode aan de verbeeldingskracht’ brengen. Hiermee zal de onsamenhangendheid in het boek verantwoord zijn. Maar het is, alsof er een gebreid  echtpaartje bij je aan tafel zit, waarvan de één een verhaal vertelt en de ander zich genoodzaakt voelt er commentaar bij te leveren, en ze maar door en door babbelen, uit angst niet goed begrepen te zullen worden.

    Schrijfster Elena Ferrante is van mening dat boeken, als ze eenmaal geschreven zijn, ‘hun auteur niet meer nodig hebben’. Ook Jeroen Brouwers, waarmee de ik-figuur op meerdere vlakken koketteert, heeft niets toe te voegen aan zijn boeken. Daarvan getuige nog eens het laatste interview dat Wim Brands met hem had in Brands met Boeken, waar Brouwers zich een onwillige geïnterviewde toonde en niets nader verklaarde omdat alles in zijn boeken te vinden is. En dat is het ware schrijverschap: zonder pronken en ronken in de media.

    Er zitten mooie stukken in Lot, zoals een kort verhaal over zijn eerste reis alleen, naar Duitsland toen hij achttien was. Uit de briefwisseling (tussen de ik-figuur en de eigenares van de boekhandel), spreekt een klassieke afstand zoals tussen geliefden in vroeger tijden, (hier komen de brievenboeken van Jeroen Brouwers om de hoek kijken). Maar het is mooi. Breukers kan schrijven, dat is zeker. De dialogen die er in staan zijn onbevangen en treffend.

    Weer volgens de achterflap moeten we het boek zien als een antwoord van de auteur op een, voor hem zeer bewogen jaar 2014, ‘waarin bijna alles wat in een mensenleven kan gebeuren ook echt gebeurde‘, wat een nogal dramatische vertekening geeft van hoe het in het leven kan verkeren. Alsof heel lezend Nederland Breukers kent, en weet wat hem is overkomen (aannemend dat hem íets is overkomen). Dat zijn antwoord daarop dit boek is maakt het alleen maar ingewikkeld. Het hele boek kan dan ook gezien worden als een farce. Maar wel een mooie farce. Blijven we echter benieuwd naar een echte roman van Breukers.

     

  • Niet zozeer een schrijver als wel iemand die elke dag schrijft

    Niet zozeer een schrijver als wel iemand die elke dag schrijft

    Ooit ondernam dichter en uitgever Chrétien Breukers drie pogingen om een roman af te leveren. De eerste verdween in de kast, de tweede verstuurde hij naar vijf uitgevers waarvan één hem onomwonden verklaarde dat hij een amateur was en hem schreef: ‘Ik wil u tegen u zelf in bescherming nemen; stop met schrijven, dat is de beste raad die ik u kan geven.’ Hij ondernam nog een derde poging waarvan het resultaat hem met schaamte vervulde en dat hij volgens eigen zeggen verdrong en het later, bij aanschaf van een nieuwe computer, niet overzette naar de nieuwe harde schijf. Exit romanschrijven omdat; ‘ik gewoonweg niet in staat ben om een tekst van een zo grote omvang te structureren (p. 205). En dan toch ligt hier het prozadebuut van deze auteur ter bespreking.

    Breukers schreef met Een zoon van Limburg dan ook geen roman of verhalenbundel maar een bundeling fragmentarische teksten. Sommige stukken zijn eerder verschenen op zijn veelbezochte site De Contrabas en in verschillende literaire bladen waaronder Hollands Maandblad, Extaze en De Brakke Hond. De eerste acht fragmenten, die over Limburg handelen (carnaval, volkslied, vlaai, geloof) zeggen niet zoveel over de aard van het boek. Maar gaandeweg ontstaat er een beeld van de zoekende schrijver; waar hij heen wil, waar hij naar op zoek is.

    Wie zijn blogs leest weet dat Breukers niet veel op heeft met het werk van Connie Palmen, ook niet met dat van Oek de Jong. Is het de kift omdat hij zelf geen roman kan schrijven? Welnee, je krijgt eerder de indruk dat hij structureel niet de kant kiest van de juichende en gepolijste literatuur. Hij komt op voor de laten we zeggen, de meer in de schaduw levende schrijvers. Zoals Maarten ’t Hart die volgens hem aan de PC Hooftprijs toe is en Jeroen Brouwers, die de prijs allang had moeten hebben. Bij Palmen komt nog het feit dat zij is opgenomen in het Limburgs Literatuur Lexicon van Adri Gorissen (p. 32), en Breukers niet. Dat steekt toch, bekent hij: ‘Ooit, (…) was ik zelf een Limburgs auteur, vanwege mijn afkomst. Op een gegeven moment werd ik nergens meer voor uitgenodigd. (…) Ik was Limburgs auteur af.’(p. 30). Maar dan, en dat is het genereuze van Breukers, laat hij zich van zijn zwakste kant zien om zich daar vervolgens doorheen te bijten, zichzelf tot de orde roepend, en vindt dat hij: ‘richting minder persoonlijke overwegingen’ moet schrijven. En dat lukt hem verrassend goed.

    Zoals in Zwemles, dat uit dertien kleine tekstfragmenten bestaat waarin hij tot mooie observaties komt en dat het meest de verhaalvorm benadert. ‘Mijn dochter heeft zwemles, en daar zit ik dan, ik kan niet anders. Met een notitieboek tussen de Nederlandse moeders, middenin de loopgraven van de moderne opvoeding. Oorlogscorrespondent van het moderne leven. De kinderen zijn aan de winnende hand.’ In de laatste regel van Zwemles bekent hij, dat hij hoewel hij zwemmen kan, nooit zijn zwemdiploma heeft gehaald. ‘Bang om te zwemmen en bang om iets af te maken.’ Als lezer denk je; bang om ergens bij te horen.

    Breukers als outcast; hij hoort niet bij de Limburgers en niet bij de romanschrijvers. En dan te bekennen; ‘Hoe graag ik, blijkbaar, bij de romanschrijvers wil horen (…): ik hoor er niet bij. Dat heeft me, zonder dat ik het doorhad, lang dwarsgezeten.’ Maar een goed verstaander begrijpt dat Breukers eigenlijk nergens bij wil, bij kàn horen. Daar is hij veel te eigen voor. Wat Breukers wel wil, is zich gekend weten, door de Limburgers maar ook en vooral door zichzelf. Daarvoor zijn die bekentenissen nodig, om zich te confronteren met zichzelf.  Dat hij toegeeft dat het schrijven van een roman niet voor hem is weggelegd. Al kun je je afvragen of er dan niet een verhalenbundel inzit. Maar tegelijkertijd is het niet voor te stellen dat deze zoekende en bij tijden tegen schenen schoppende schrijver tot zijn recht komt in prozaïsche verhalen. Een schrijver die als lezer het meest geniet van fragmentarische literatuur, zoals de dagboeken van Paul Léautaud en de brieven van Jeroen Brouwers. Een zoon van Limburg leest uiteindelijk als een roman in zijn meest ruwe vorm. Mooi is, en dat komt door de wijze waarop de schrijver zichzelf op de waagschaal legt, dat  de lezer alle ruimte krijgt hem te bekritiseren zonder dat je het gevoel krijgt dat hij met zijn bekentenissen het gras voor je voeten wegmaait: het is oprecht proza.

    Dat Breukers toch vooral dichter is, blijkt uit, Begraaf mijn hart in Limburg dat het sluitstuk vormt van het boek. Een gedicht vol overgave en een uit het hart geschreven ode aan het Limburgs land.

    Begraaf mijn hart in Limburg. Zet mijn handen bij
    aan de boorden van de Leveroyse beek.
    Geef mijn voeten rust in de parochiekerk.
    Leg mijn ledematen onder deze struik
    en zegen ze met takken uit de palmentuin.

    Mijn romp mag rusten bij de oude school. Laat
    mijn hoofd voorovervallen van het hakblok
    van de slager met zijn zwarte schort. Mijn milt
    blijft eeuwig kloppen op het voetbalveld.
    Mijn nieren worden opgediend met fijne saus.

    Begraaf mijn hart in Limburg. Bak mijn lever in
    een mengelmoes van ui, rozijn en kruiderij.
    Draai van mijn darmen worst. Doe mijn prostaat aan
    rovers van de hand. Vouw mijn geslacht sereen,
    onzichtbaar, in de plooien van dit akkerland.

    Doe mijn longen maar niet weg. Blaasbalgachtigen.
    En laat ook strottenhoofd en stemband in dat
    lege land hun riedel zingen. Mijn hart dat ik bij leven
    en uit vrije wil begroef, ver weg, in Limburg.

     

     

     

  • Poëzie volgens Chrétien Breukers

    Poëzie volgens Chrétien Breukers

    Gedichtenbundels gaan niet in groten getale en zeker niet dagelijks over de toonbank. Toch worden festivals rondom poëzie veelvuldig bezocht en was de Gedichtenweek (voorheen Gedichtendag) in januari van dit jaar een succes. Evenals de Nacht van de Poëzie. En jaarlijks blijken er duizenden dichters in spe mee te doen aan de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Poëzie leeft maar aan de aantallen verkochte bundels is dat niet te merken, constateert Chrétien Breukers.

    Breukers is een veellezer/schrijver. Naast zijn werk als dichter, uitgever, redacteur en internetpublicist schreef hij tussen april 2009 en april van dit jaar onder andere 61 poëzie besprekingen die hij publiceerde op literair weblog De Contrabas. Veertig uit deze reeks bundelde Breukers in Het eerste gedicht, Over het lezen van poëzie. Deze bundeling wordt vooraf gegaan door een inleiding waarin hij de staat van de poëzie aan de orde stelt (het gaat belabberd met de poëzie). Opvallend is de restrictie die Breukers zichzelf oplegde bij aanvang van het schrijven van deze reeks: alleen het openingsgedicht bespreken zonder beïnvloeding door andere bronnen. Maar dat werkt niet echt, gezien de vele besprekingen waarbij Breukers meer uit de kast trekt dan het te behandelen openingsgedicht.

    Het is een mooie reeks Nederlandstalige dichters die Breukers onder handen neemt. Van ‘zeer bekend’ tot ‘weinig van vernomen’ zoals: Robert Anker, Roland Joris, Willy Roggeman, Esther Jansma, Cees Nooteboom, Meindert Talma, Toon Tellegen (2x), Willem Jan Otten, Ester Naomi Perquin (2x), Maria van Daalen en Lieke Marsman. Een van de besprekingen handelt over het gedicht Gare Liege-Guillemins van Frans Budé. Als dichter zit Breukers dicht op de huid van Budé en als kritisch lezer blijft hij erboven hangen. Nadat hij het gedicht geroemd heeft om de treffende beschrijving van station Luik-Guillemis en erover schrijft alsof hij er bij was, sluit hij af met de volgende distantie: ‘Ondertussen merk ik dat ik net deed of ik het genoemde station in Luik ken. Dat is niet zo. Ik ben er nooit geweest, tot vandaag, tot ik het gedicht dat ik hier besprak begon te lezen.’ Een mooiere aanbeveling om een gedicht te gaan lezen is er natuurlijk niet.

    Bij elke bespreking laat hij zich uit over de staat van de dichter en zijn werk, zoals: dat Mark Boogs bundel Er moet sprake zijn van een misverstand, wisselend werd ontvangen, dat Anton Ent in het echt Henk van der Ent heet en ook publiceert onder het pseudoniem Marieke Jonkman en dat niet al zijn werk geschikt lijkt voor een breed publiek, dat Nachoem M. Wijnberg de lieveling is van menig criticus, maar dat Breukers geen vat op diens werk krijgt. En dat Fred Papenhove een fenomeen is die vier bundels eigenzinnige poëzie schreef.

    Breukers lardeert zijn besprekingen met opmerkingen over zijn eigen persoon die wat pedanterig, een enkele keer charmant overkomen. Boude uitspraken die alleen dienen als stemmingmakerij, vloeien zo vanzelfsprekend uit zijn ‘pen’ dat je mag aannemen dat hij graag polemiseert (zie ook de drie artikelen over Gerrit Komrij, Breukers zelf en de literatuur, die als een soort toegift achter in het boek zijn opgenomen ). Wat op zich natuurlijk niet erg is maar in deze bundel werkt het afleidend van de (meestens) boeiende uitleg die hij aan de gedichten geeft. Uitspraken als: ‘(…) Tonnus Oosterhoff, Anne Vegter of Astrid Lampe, dichters die door critici (snurkende recensenten) hogelijk gewaardeerd worden, maar die nog nooit een lezer langer dan drie minuten hebben weten te boeien.’, zijn in wezen niet relevant voor wat hij wil zeggen. Ook als hij ergens schrijft dat iedereen het boek Waar wij voor zijn en tegen van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes zou moeten lezen en dan vervolgt: ‘al weet ik niet meer waarover het ging’, vraag je je af waarom dit vermeld moet worden.

    Het is geen bundel, hoewel de indruk even gewekt wordt, waarbij de lezer een les krijgt in gedichten lezen: ontsluit een gedicht zich beter bij het lezen op je nuchtere maag of juist na een copieuze maaltijd, of verschilt dit per gedicht? Dat is dus niet te leren. Wel geeft Breukers de lezer veel van zijn belezenheid over de Nederlandstalige poëzie door en geeft hij een inzicht in het fenomeen dichter. En misschien dat Het eerste gedicht dusdanig uitnodigend werkt dat liefhebbers nu echt eens die bundels gaan kopen van de dichters die op het podium zo bewonderd worden. Nog dit: Een gedicht kent evenzovele betekenissen als de verschillende mensen die het lezen. De poëzielezingen van Breukers zijn van een boeiend gehalte, hij levert zich er helemaal aan uit. En dat is zijn charme als auteur.

     

     

  • De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    Het Vlaamse literaire tijdschrift De Brakke Hond verschijnt sinds vorig jaar zomer als stevig en mooi uitgevoerd magazine. Opvallend is dat er meer ‘grotere’ namen aan het blad meewerken dan voorheen. Ex-journalist en boekhandelaar van De Zondvloed Johan Vandenbroucke heeft zich over het blad ontfermt als hoofdredacteur. Sindsdien zijn er vier nummers in de hernieuwde vormgeving verschenen. In plaats van driemaandelijks verschijnt De Brakke Hond tegenwoordig tweemaandelijks.

    In het voorlaatste nummer van De Brakke Hond wederom een aantal fraaie bijdragen: De kroniek Restletsels (2) van Jeroen Brouwers over woorden die je nooit meer hoort, zoals ‘Matsig’ in de betekenis van een drukkende, benauwde dag. Een dialectwoord uit Limburg of Brabant dat opeens weer bij hem bovenkomt  sinds hij het in zijn ‘prille jongentjesjaren’ voor het eerst hoorde. En over gemeenplaatsen als: ‘Er viel een stilte, zij was de schok nog niet te boven’ etcetra. Een type taal dat uitblinkt in saaiheid, Brouwers zou dit type het liefst een schop geven.

    In de  kroniek van Chretien Breukers De redding van de poezie legt Breukers op pamfletachtige toon uit hoe het uitgeven van poëziebundels kan worden gestimuleerd. Breukers stelt voor de uitgave van een dichtbundel te honoreren met een bedrag van 1500 euro. Aldus richt hij zich tot ministers en staatssecretarissen: ‘Mocht u komen met het argument dat er geen budget kan worden vrijgemaakt omdat het ‘crisis’ is, dan wil ik u toch even iets anders voorleggen. (…) bedenk ook, dat de poezie (of de taal) niet alleen ‘gansch het volk’ is, maar ook het geweten van ‘gansch het volk. 1500 euro voor elk brokje geweten is een koopje.’

    Een stuk van Ann Meskens over Dieren in de kunst: van de jacht op neushoorns tot hamsters als speelbal, waarin ze zich afvraagt wat er met ons en onze maatschappij aan de hand is dat we storm lopen voor een hamster of een varken. De antwoorden jagen haar bij voorbaat angst aan. En over kunstenares Tinkebell, die in januari van dit jaar werd vrijgsproken van het martelen van hamsters. Meskens weet het uiteindelijk wel. Als zij een varken was zou zij liever in handen vallen van kunstenaar Wim Delvoye (die graag een aantal varkens zou willen tatoeren) dan in handen van de voedselindustrie.

    Stevige gedichten van dichteres en kinderboekenschrijfster Reine De Pelseneer met titels als: Wrong, Kering, Zwier en Opvlucht. Voor de voetballiefhebbers: een twintig pagina lang – overigens prachtig relaas van een voetbalfan in hart en nieren – van sportjournalist Dirk Deferme, Raymond ‘zoals in Goethals’. Verder poezie van Anna De Bruyckere: Hackeschermarkt, Berlin en Bart Janssen met: Onderling. En een essay van Joris Note getiteld: Alle die talen, over teksten die nooit eenduidig zijn.

    Verder  een exclusieve vertaling van het verhaal ‘Huiswerk’ van Japans best bewaarde geheim Shotaro Yasuoka (1920), een door Haruki Murakami op handen gedragen schrijver. Een kortverhaal van pseudoloog A.H.J. Dautzenberg  en van de jonge talenten Y.M. Dangre en Anna De Bruyckere. Y.M. Dangre is onlangs genomineerd voor de C. Budding- prijs voor zijn dichtbundel Meisje dat ik nog moet. En verhalen van Christophe van Gerrewey De erfenis van Esther en Frank Adam schreef De bastaard van Brugge.

     

  • Moderne poëzie als baken tegen de moderniteit

    Moderne poëzie als baken tegen de moderniteit

    Vorig jaar verscheen van Thomas Vaessens een studie naar het poëtische klimaat van de meest recente periode, Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd. Hoewel het in dat boek niet om de poëzie, maar om haar voorwaarden en omstandigheden ging, leek Vaessens het onpoëtische van onze tijd ook in de opzet van zijn boek uit te drukken door er maar één gedicht in op te nemen. Nu Chrétien Breukers uit de poëzie van dezelfde periode een dikke bloemlezing heeft samengesteld, maakt dat dan ook een polemische indruk: zo onpoëtisch is deze tijd kennelijk niet. En wanneer we vervolgens bedenken dat Breukers moderator is van het weblog De Contrabas, de dorpspomp van het door Vaessens beschreven veld, dan lijken beide heren en hun boeken zich om zo te zeggen chiastisch tot elkaar te verhouden: waar de man van wetenschap op het onpoëtische karakter van het huidige veld wijst, daar trakteert een van de voornaamste exponenten van dat veld ons op een dikke verzameling van de meest actuele poëzie. Daarmee is het verhaal van de recente periode in onze poëzie nu althans formeel gezien compleet: we kunnen nu met beide boeken de werkelijkheid én de poëzie van vandaag te lijf.

    Breukers heeft, net als Komrij en de Spiegel der Nederlandse poëzie voor hem, voor zijn bloemlezing uit de hele Nederlandstalige poëzieproductie geput, dus in principe zonder acht te slaan op bepaalde vormen van poëziebeoefening. Om die reden heeft hij zichzelf een tijdgrens opgelegd, en deze vastgesteld tussen de jaartallen 1980-2005. Zelf legitimeert hij die periode doordat zij aansluit op het jaar 1979, waarin de eerste editie van Komrij’s bloemlezing verscheen. Dat is een niet erg steekhoudend argument, want Komrij heeft zijn bloemlezing bij elke nieuwe editie bijgewerkt, waardoor hij het hem gestelde natuurlijke grensjaar 1980 al ruimschoots heeft overschreden. Het betekent ook dat hij al in een deel van de taak die Breukers zich stelde, heeft voorzien. Omgekeerd heeft Breukers het zichzelf en de poëzie niet toegestaan om dat grensjaar ook maar met een halve seconde te overschrijden, en bovendien heeft hij zich beperkt tot het werk van dichters die in de genoemde periode debuteerden. Daardoor ontbreekt er niet alleen een hoop belangrijke poëzie, maar is ook het beeld van die periode incompleet. Zo beleefde de poëzie in 1981 juist de wederkomst van Lucebert, die, hoewel dezelfde gebleven, na twintig jaar zwijgen toch andere poëzie ging schrijven dan tijdens de periode waarvan men hem Keizer noemde. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor het werk van vooraanstaande dichters als Kouwenaar, Faverey, Ouwens, enz., van wie het werk uit die tijd, hoe men zich ook wendt of keert, ook in dat tijdvak is gesitueerd en er uitdrukking aan geeft. Anders dan Vaessens heeft Breukers door zijn keuze kennelijk geen beeld van een tijd willen geven, en daardoor is aan de bloemlezing de kans ontnomen zichzelf op dit punt te legitimeren: de grondslag van de tijd ontbreekt voor een belangrijk deel; het is of de gedichten in isolement van hun tijd en van elkaar zijn ontstaan. De conclusie moet dan luiden dat poëzie en de werkelijkheid voor Breukers twee gescheiden werelden zijn, en dat is in verband met juist deze poëzie in meer dan één opzicht opmerkelijk.

    Bij kritiek op het ontbreken van onderlinge samenhang wordt vaak, en ook door Breukers, gewezen op de rijkdom van het materiaal zelf, waarvan het veelsoortige karakter verloren zou gaan wanneer men daarin al te naarstig op zoek zou gaan naar lijnen, relaties en verbanden. Als hoofdkenmerk van de poëzie uit de door hem gebloemleesde periode noemt Breukers dan ook die veelzijdigheid, en hij wijst daarbij op de doodgeboren kindjes van de laatste avant-gardes die zijn periode inleidden: de Nieuwe Wilden en Maximaal. Het is alsof die veelzijdigheid zelf hem ontslaat van de taak haar te verklaren: er is eenvoudig geen beginnen aan. Bijgevolg is poëzie ‘een zaak van individuele dichters’ zoals hij in zijn voorwoord zegt, die vooral niet tot groepen, stromingen of bewegingen mogen worden gereduceerd. Dat is een postmodern, eclectisch standpunt, waarbij men zich voor de onderhavige poëzie gemakkelijk zou kunnen beroepen op het uitgebreide, nevengeschikte universum van Arjen Duinker, de knip- en plaktechniek van Dirk van Bastelaere, de wisselende registers van Kurt de Boodt, de recapitulerende poëzie van Ilja Leonard Pfeijffer of de wezenloosheid van Bart FM Droog – om een paar dichters te noemen met wie Breukers in zijn voorwoord de veelzijdigheid van de periode aanschouwelijk wil maken.

    Maar het is ook een bij uitstek anti-intellectualistische positie, die een onderzoek naar de voorwaarden van deze poëzie, haar verklaringsgronden, haar ‘ontologie’, kortweg het deel Vaessens, brutaalweg opoffert aan de retoriek van de eigen smaak, die zichzelf vanzelfsprekend niet hoeft te legitimeren. Zulk anti-intellectualisme bevordert daardoor een opvatting van poëzie als pure esthetiek, waarin de conflicten die haar in het leven riepen worden gesmoord. Poëzie niet als bestaanswijze, maar als vluchtheuvel.

    Breukers staat dan ook een poëzie voor die ‘klinkt als een klok en staat als een huis (…). Het ontregelen van de lezer, in sommige theorieën voorschrift, zie ik eerder als zinloze pesterij dan als toegevoegde waarde’, zegt hij. Of er theorieën bestaan die ontregeling voorschrijven weet ik niet, maar Breukers ontkomt er niet aan om Tonnus Oosterhoff, kampioen van de hedendaagse poëzie maar óók kampioen van de ontregeling en schrijver van de regel ‘Toe breek mijn huis af’, het volle pond van zes gedichten toe te kennen. Hier blijkt de betrekkelijkheid van het smaakoordeel van de bloemlezer, en wordt duidelijk dat Breukers’ expliciet beleden anti-intellectualisme in dienst staat van het eclecticisme dat hem zijn arbeid als bloemlezer pas mogelijk maakt. Ideologische en programmatische verschillen dienen daartoe eerst te worden geneutraliseerd; pas daarna kan dan (met behulp van het systeem van nul tot zes gedichten per dichter) een waardering op basis van het smaakoordeel worden gegeven. Alleen heeft dat dan geen betrekking meer op het object van die poëzie, de ideologische bestaansvoorwaarde ervan, maar alleen nog op de vormgeving ervan, de eerder genoemde esthetiek – die daarmee met een overmaat aan ideologie wordt geladen: ze houdt buiten de deur wat haar niet welgevallig is.

    Bij de verschijning van overzichtswerken als deze doet zich een merkwaardig fenomeen voor: men vraagt niet naar het eigen, specifieke karakter van de bloemlezing, maar gaat meteen na wat de overeenkomsten zijn met ándere overzichtswerken. Op basis daarvan wordt dan besloten tot het canonvormende vermogen ervan, – waarbij er dus van wordt uitgegaan dat de al bestaande werken wél een canon vertegenwoordigen, terwijl die dat natuurlijk alleen maar kunnen doen bij gebrek aan concurrentie. De vraag naar een canon wijst op een idealistisch streven naar een synthese, dat wil zeggen naar een eindpunt, terwijl bloemlezingen als deze primair een inleidende, verwijzende functie hebben: de lezer, wanneer hij geen beroepslezer is, wordt immers aan een dichterkeur voorgesteld. Maar terwijl het hele veld over elkaar heen buitelt en er de meest barokke formules worden opgesteld om tot een norm voor het enige ware, goede en schone te komen, blijft onduidelijk waarop die absolute norm berust. Cijferkunst als poëziekritiek.

    Breukers, die in de titel van zijn bloemlezing naar Komrij verwijst en zijn werk uitdrukkelijk op het zijne wil laten aansluiten, doet geen poging zich aan dit spel te onttrekken; zonder meer is het zijn ambitie poortwachter te zijn van een – de actualiteit van het materiaal in aanmerking genomen – instant-pantheon. Natuurlijk zou van een norm door het gebrek aan afstand in de tijd niet al te veel verwacht kunnen word
    en, en anders dan Komrij en de Spiegel moet Breukers’ overzicht het stellen zonder een geschiedenis, waarvan hij een of meer lijnen zou kunnen doortrekken. Bovendien wordt de toepassing van zo’n norm, als die er al zou zijn, bepaald door de omvang van de bloemlezing, en in dat opzicht is de bijnaam ‘Vette Breukers’ misleidend, want wat voor de man geldt, geldt niet voor zijn boek: hoe vetter immers de bloemlezing, hoe minder Breukers we krijgen. Ten slotte staat ook zijn ideologisch neutrale benadering – die niet neutraal is, maar daarover straks – een normerend criterium in de weg. Het gevolg van een en ander is dat de canon die hij ons wil presenteren alleen maar in sociologische termen gevat kan worden.

    Op een aantal punten onderscheidt zijn bloemlezing zich duidelijk van Komrij en de Spiegel. Zo is het aandeel Vlamingen en Friezen bij Breukers aanzienlijk hoger dan bij de andere twee, waarbij nog opgemerkt kan worden dat Breukers als redacteur van de Contrabasreeks Friese dichters ook ruim de kans geeft. Maar het meest positief onderscheidende kenmerk van deze bloemlezing, waar hij zelf niet op wijst, is dat ze behalve uit bundels en tijdschriften ook uit een nieuwe bron put: die van het internet. Dat pleit zeer voor Breukers als ambassadeur van die poëzie (en natuurlijk voor de Nijmeegse uitgeverij BnM, die ook de Contrabasreeks onder haar hoede genomen heeft). Deze dichters, waarvan nog geen bundel is verschenen en die mogelijk ook in tijdschriften nog niet zijn gepubliceerd, zijn met deze bloemlezing praktisch en formeel gesproken in één klap gecanoniseerd. Breukers draagt daarmee bij aan de verdere ontwikkeling van wat door Vaessens als een van de fundamentele veranderingen van het literaire veld is aangemerkt: de herschikking van de literaire boven- en onderwereld – met het internet als spreekwoordelijke krocht van de laatste. Wat we hier kortom zien is dat iemand die zichzelf op het internet een podium heeft verschaft – het Contrabasweblog – nu dankzij het daar verworven symbolisch kapitaal (Bourdieu) de poëzie die op dat medium verschijnt zelf heeft weten te consacreren (opnieuw Bourdieu).

    In dit opzicht is de bloemlezing een exponent van zijn tijd, en lijkt de gekozen periode zich althans hierin te kunnen legitimeren. Maar zoals gezegd, Breukers is daar niet op uit, en voor het subversieve karakter van deze gang van zaken lijkt hij zich niet te interesseren. Zijn ideologisch neutrale houding – ‘er zijn alleen individuele dichters’ – verhindert hem in te zien dat dichters weliswaar niet meer op basis van ideologische tegenstellingen tegenover elkaar staan, maar wel op basis van sociaal ongelijkwaardige posities. Er zijn dus nog wel degelijk stromingen en bewegingen, en het geval wil dat Breukers aan dit sociologische machtsspel van in- en uitsluiting met zijn bloemlezing een flinke bijdrage levert.

    Zo komt een andere door Vaessens gesignaleerde ontwikkeling, die van de podium- of slampoëzie – en daarmee de devaluatie van poëzie op papier – in de bloemlezing nauwelijks aan bod. Reden: Breukers houdt er niet van. ‘Ik vat poëzie op als een kunstvorm die het best gedijt op papier. Gemakkelijke, snel in elkaar geflanste woordreeksen, vaak voorzien van enige grove effecten, heb ik buiten beschouwing gelaten’. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar het komt mij voor dat zijn uitsluiting van een centrale figuur als de slampoëet Serge van Duijnhoven, die in Vaessens’ boek een hoofdrol speelt, niet op dezelfde manier kan worden begrepen als Komrij’s negatieve herwaardering van een aantal Vijftigers destijds. Ten eerste sloot Komrij de Vijftigers niet volledig uit; Lucebert bedeelde hij zelfs met het maximum aantal. Maar hij meende dat de balans van de waardering van hun poëzie te ver was doorgeschoten in vergelijking met de in zijn ogen werkelijke betekenis van de Vijftigers. Daarmee pleegde hij een correctie op de canon, maar zonder met zijn smaakoordeel het zicht op de wording van het literaire veld (laatste maal Bourdieu) te belemmeren. In zijn voorwoord schreef Komrij dan ook: ‘Ik heb steeds geprobeerd gedichten op te nemen die, naast hun kwaliteit, typerend waren voor een bepaalde economische of technische ontwikkeling, voor de omstandigheden in een bepaald tijdperk, “tijdsbeelden” dus. Poëzie staat niet boven de tijd, zij geeft daar uitdrukking aan’.

    Dit is het fundamentele manco van Breukers’ bloemlezing. Hij heeft met zijn bloemlezing, hoezeer ook afgepaald tussen stringente tijdsgrenzen, geen tijdsbeeld willen presenteren. Hij heeft dan ook niet hetzelfde op het oog gehad als Ruben van Gogh destijds met zijn bloemlezing Sprong naar de sterren (1999), waarin deze een nieuwe generatie dichters in zijn inleiding wél van een gemeenschappelijk poëticaal kenmerk voorzag (‘gebeurende poëzie’). Ook hierin wreekt zich Breukers’ schijnbaar neutrale positie: door het debuut-criterium gaat het in zijn bloemlezing eveneens om een generatie, maar waar die generatie zich mee bezig heeft gehouden, mag verder geen rol spelen. Dat zou hem immers tot een keuze hebben gedwongen, waardoor hij zijn aanspraken op die vermaledijde canon op had moeten geven. Het averechtse gevolg van dit anti-intellectualisme is dat hij zich alleen nog op zijn smaak kan verlaten – maar daarmee maakt men geen canon. Er is op het moment bepaald geen sprake van een overwaardering van slampoëzie, eerder integendeel. Een correctie daarop was dan ook niet nodig geweest. Zij hadden, wanneer ook Breukers een tijdsbeeld had willen presenteren, en niet alleen maar een beeld van zichzelf, volop in zijn bloemlezing vertegenwoordigd moeten zijn. Dan had men kunnen zeggen: dit is de nieuwe poëzie; weg met de oude (tot nader order)!

    Een en ander betekent dat Vaessens in Breukers geen handlanger vindt. Hij lijkt er met deze bloemlezing op uit te zijn geweest om de overwegend postmoderne poëzie van de afgelopen periode los te koppelen van de wereldse inbedding die ze volgens Dirk van Bastelaere zoekt. In zijn voorwoord gewaagt hij van ‘de snelheid van de ontwikkelingen op allerlei gebied’ en van de behoefte ‘uitgebreid stil te staan bij wat er is geschreven’. Immers: ‘poëzie is een genre waar je geduld voor moet hebben’. Ziedaar het uiteindelijke motief van zijn anti-intellectualisme en van de hele onderneming: het is één poging om de stroom te keren. Zijn bloemlezing is wat betreft opzet, selectiecriteria en pretentie een monument van conservatisme, van verzet tegen de tijd. Dat is een onverwachte constatering voor iemand die als redacteur van de Contrabasreeks en van het gelijknamige weblog vooraan staat bij de huidige ontwikkelingen. Aan de andere kant moet het ook niet worden overdreven: de gedichten zelf zijn er ook nog, 666 en nog wat in totaal. Het is Breukers’ verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept níet heeft willen opbrengen voor deze poëzie, die van het internet in het bijzonder, om ons te trakteren op het grootste en meest complete overzicht van de poëzie in deze onzekere tijden, – al is het duidelijk dat deze poëzie voor hemzelf een baken is tegen de moderniteit die ze uitdrukt.