• Proeve van hardop denken

    Proeve van hardop denken

    Op de snijtafel ligt een gedicht van Chr. J. van Geel uit de bundel Onverzamelde gedichten.

    Ik spreek vanuit een donker bos
    waarin geen boom, geen tak, geen knop,
    waarin onstaan tot brandhout wordt
    gehakt, door niemand ooit gezien.

    Zag u het meteen? Er staat geen ‘ontstaan’ maar ‘on*staan’. Lastig. Moderne poëzie is bij uitstek het genre waarin je heel moeilijk kunt vaststellen of iets een toevallige druk- of taalfout is dan wel opzet. Toch is mijn eerste indruk dat het een drukfout moet zijn. We doen gewoon alsof die T er wel staat, elke regel bevat dan vier jamben.

    Maar wat is de betekenis als we ‘ontstaan’ lezen, dus mét T? Hoe kun je een abstractie als ‘ontstaan’ verbinden met zoiets concreets als ‘hakken’? Bij de woorden ‘bos’, ‘boom’ en ‘tak’ is dat geen probleem, die dingen laten zich inderdaad hakken. Maar ‘ontstaan’? Dat heb je met ‘onstaan’, zonder T, natuurlijk net zo goed. Dat woord bestaat niet eens.

    Wacht even: ‘door niemand ooit gezien’, dat kán natuurlijk op ‘ontstaan’ slaan. Wordt hier dan iets piepkleins in de kiem gesmoord, een allereerste aanvang? Maar ‘door niemand ooit gezien’ kan net zo goed op ‘brandhout’ slaan, of op de mededeling dat het bos ‘donker’ is. Hier schieten we dus niet mee op. Trouwens, hoe lang kun je eigenlijk bij bomen spreken van ‘ontstaan’? Is een eikje van drie meter een eik die nog steeds aan het ontstaan is? Een woudreus in wording? Maar ho: er staat juist ‘geen boom’.

    Nee, de lezing ‘ontstaan’ brengt ons niet verder. Als we ‘onstaan’ accepteren, gewoon zoals het er staat, dan verschuift het woordaccent en komt de klemtoon te liggen op ‘on’, net als bij ‘onzin’, ‘onbegrip’, ‘onrechtvaardig’ en zo. Maar daarmee raakt het metrum van slag. Wacht even… ‘van slag’, past dat niet uitstekend bij ‘hakken’? Jawel, bij een eigenaardigheid in de vorm van een gedicht moet de lezer alert zijn op een corresponderend element in  de betekenis. ‘Iconiciteit’ heet dat: ‘Pietje kan niet spellen, alles schrijft hij faudt’, dat idee. Dus hier hebben we misschien zo’n geval van iconiciteit: waar gehakt wordt, valt het metrum om.

    Grappig trouwens dat er geen werkwoorden zijn met het voorvoegsel ‘on-’, alleen andere woordsoorten. Het wordt bij werkwoorden meteen ‘ont-’. Nooit beseft. Maar let op, dat betekent in veel gevallen iets totaal anders dan het ‘on-’  in woorden als ‘onzin’. Denk maar aan ‘ontwaken’, ‘ontspringen’, ‘ontvangen’. Daarin betekent ‘ont-’ zoiets als ‘beginnen met’, net als in ‘ontstaan’ dus. Natuurlijk bestaan er zat werkwoorden waarin het wél hetzelfde betekent als ‘on-’, bij voorbeeld ‘ontdekken’, ‘ontvouwen’, ‘ontmannen’. Daarin is sprake van het opheffen van de betekenis van het hoofdwoord dat op het voorvoegsel volgt: ‘onbegrip’ is juist geen begrip en ‘ontdekken’ is ‘blootleggen’. Moeten we ‘onstaan’, zonder T, dan maar opvatten als het tegenovergestelde van ‘ontstaan’? ‘Beginnen met’ tegenover ‘teniet doen’?

    Hee, ‘ontstaan’ wordt door menigeen uitgesproken als ‘onstaan’, zonder de eerste T, let er maar eens op. Zo’n opeenstapeling van medeklinkers als NTST, dat bekt nu eenmaal niet lekker. Heel goed mogelijk dat Van Geel dat is opgevallen en dat hij geboeid werd door het verschijnsel dat je bij het uitspreken van dit woord eigenlijk het tegenovergestelde zegt. Twee voor de prijs van één als het ware: begin en einde, geboorte en dood, samen in één woord. Zoals je ‘vernielen’ kunt verstaan terwijl iemand ‘vernieuwen’ zegt. Misschien hebben we hier de kiemcel van het gedicht te pakken, de zandkorrel in de oester waaromheen de parel zich heeft gevormd.

    Wat ook denkbaar is: ‘onstaan’ is zijn leven begónnen als drukfout en daarna door Van Geel als zinvolle variant geaccepteerd. Over zulk dichterlijk opportunisme heeft Cees Buddingh’ het gedicht ‘Zo zijn ze wel’ geschreven:

    Auden schreef in ‘Journey to Iceland’:
    “and the poets have names for the sea”

    Het ging naar de drukker, die ervan maakte:
    “and the ports have names for the sea”

    Zo staat het nu in alle boekjes:

    dichters zijn dankbare mensen

    Verder. Wat heeft het spreken van ‘ik’ te maken met de rest van het gedicht? En wat betekent ‘Ik spreek vanuit een donker bos’ eigenlijk?

    Let op, die eerste zin is ambigu. Je kunt hem opvatten als een incidentele mededeling: ‘Luisteraar, ik bevind me in een bos en daar vandaan richt ik nu het woord tot u om u te vertellen dat …’. Een beetje zoals een verslaggever dat zou doen. Je kunt de zinsnede echter ook in algemene zin opvatten: ‘Altijd als ik spreek komen mijn woorden uit dat bos waar ik me in bevind…’.

    In de eerste interpretatie van regel 1 heeft de inhoud van het gedicht betrekking op het bos en wat daar volgens de spreker aan de hand is, en in de tweede lezing heeft de inhoud betrekking op het spreken. Die tweede lezing wordt nog versterkt doordat het hele gedicht één enkele volzin is. Syntactisch zit hij eenvoudig in elkaar: onderwerp – gezegde – bepaling. De bepaling begint bij ‘vanuit’ en bevat op zijn beurt weer verschillende beknopte zinnen die iets vertellen over het bos. Even kijken: óf de bepaling slaat op het onderwerp, dus op ‘ik’, dat is dus de spreker, óf hij gaat over het gezegde: het spreken.

    Gek beeld eigenlijk: ‘spreken vanuit een bos’. Staat daar iemand met een megafoon? We kennen natuurlijk uitdrukkingen als ‘Ik spreek vanuit de veronderstelling dat…’ en ‘hij sprak ons moed in vanuit de verwachting dat…’.

    In dit soort formuleringen betekent ‘spreken vanuit’ zoiets als ‘spreken op grond van dit of dat uitgangspunt’, spreken dus waarin wordt voortgebouwd op een premisse. Er is als het ware een fundament gelegd waarop, retorisch of logisch, wordt voortgebouwd. Nog ruimer geformuleerd: er is een bodem en er is iets wat daaruit voortkomt.

    Geeft de dichter ons hier een beeld van zijn innerlijk? Gaat het om de voedingsbodem van het dichterschap? Het poëtische magma, waarin van alles ontstaat en weer onstaat, de brandstof van het dichterlijke vuur, waarvan de vlammen oplaaien naar het bewustzijn. Van Geel gaat aan de slag, hij warmt zich aan het vuur, hij neigt zijn oor naar vreemde stemmen en noteert elke variant die bij hem opkomt. De dichterziel als composthoop; het dichterschap als dienstbaarheid; dichten als ambacht. Denk aan de etymologie van ‘poëet’ (maker) en ‘troubadour’ (vinder).

    Hoe kunnen we het gedicht parafraseren? Misschien zo: ‘Mijn poëzie ontspruit aan een mij onbekende bron, waar ik mij aan moet overgeven.’ Hm, ik zou er mijn hand niet voor in het vuur durven steken. Een andere lezing zou kunnen luiden: ‘De dichter is spreekbuis voor een stem die niet de zijne is.’

    We weten nog steeds niet of ‘onstaan’ een drukfout is. Maar mocht dat zo zijn, dan is het een fout die vrucht draagt, want hij zet de lezer aan het denken en voegt mogelijk een betekenis toe aan de mogelijke interpretaties. Iets gaat kapot en draagt vrucht – ook dat is misschien het onderwerp van dit gedicht. In de woorden van Leonard Cohen: ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’

     

     

  • Aandacht voor leven en werk van Chr. J. van Geel op website van Elly de Waard

    Dichteres Elly de Waard, die van 1962 tot 1974 samenleefde met Chris van Geel (1917-1974), richtte in 1974 de Chr. J. van Geel Stichting  op. Sinds mei 2011 beheert zij een website waar  ruim aandacht wordt geschonken aan leven en werk van Van Geel.

    Het is een mooi vorm gegeven site met veel informatie over het werk van de beeldend kunstenaar en dichter Chris van Geel. De site bevat biografische gegevens en er is onder meer een hoofdstuk over Van Geel en het surrealisme met veel bijzonder veelzeggende en onbekende tekeningen; er zijn biografische gegevens met foto’s en schilderijen te bekijken; er is een overzicht van de diverse stadia van zijn beeldende werk. En er worden dwarsverbindingen getrokken tussen de gedichten en de tekeningen.

    Aan Chris Van Geel zijn op dit moment zeven pagina’s gewijd, waarop informatie over onder andere zijn nalatenschap, de plannen daarmee en over de activiteiten van de Stichting Chr. J. van Geel.

     

    Het volgende gedicht staat op de site en is geplaatst bij een schilderij van zijn moeder.

    ZOON, BIJ DE DOOD VAN ZIJN MOEDER

    Het dood gezicht achter het glas:
    het eerste schooluur in de klas,
    de glazen deur waardoor ik tuur
    naar wie mij bracht en zag hoe het mij
    verging. – Ik houd mij strak en koel
    als zij, zo strak als toen, ik voel
    opnieuw, dit is van langer duur
    dan voor zes jaar. – En weer die schrik
    dat zij bemoedigend naar mij knikt.

     

    Tevens op haar site aandacht voor J.A Emmens, (vriend van Chris Van Geel) en de Amerikaanse dichteres Amy Clampitt.

     

    Bezoek de website van Elly de Waard op www.ellydewaard.nl