• Niet te negeren

    Niet te negeren

    Het boek verscheen in het Nederlands in 2020. Toen heb ik het niet gelezen. Soms ben ik allergisch voor een hype. Uit een soort recalcitrantie wil ik dan niet lezen wat iedereen leest. Maar de titel is me bijgebleven. Zo’n titel die iets in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden. En dan ook nog van een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, ik kon het niet langer negeren.

    Op de omslag wordt het een gothic detective genoemd. Het hoofdpersonage zou doen denken aan Miss Marple, de bejaarde hobbyspeurder van Agatha Christie. Onzin wat mij betreft. Het is gewoon een grote, zo niet briljante ‘Roman’. De hoofdletter is geciteerd. Tokarczuk gebruikt namelijk op een ongebruikelijke manier hoofdletters in haar tekst. Hoewel, eigenlijk doet het vertellende personage dat, mevrouw Duszejko. Een stevige vrouw van een jaar of zestig, geregeld gekweld door ‘Kwalen’, nauw verbonden met de ‘Natuur’, de ‘Dieren’ en de ‘Sterren’: ‘Ik geloofde niet dat iemand het überhaupt zou afdrukken, maar misschien dat iemand erover zou Nadenken’.

    Het nadenken betreft hier haar ‘Theorie’ dat er overeenkomsten bestaan tussen de stand van de sterren en de filmprogrammering van televisiezenders. Mevrouw Duszejko heeft vele theorieën, allemaal tamelijk wezensvreemd, vaak gebaseerd op haar fenomenale astrologische kennis. Dat maakt haar een buitenstaander. In de ogen van anderen een gek maar ongevaarlijk oud wijf. Toch zijn sommige van haar overwegingen zo gek nog niet. Bijvoorbeeld als ze aankomt met de theorie dat het cerebellum niet correct is verbonden met de hersenen: ‘Was die verbinding goed aangelegd, dan zouden we volledige kennis hebben van onze anatomie, van wat er in ons lichaam gebeurt. Het kaliumgehalte in mijn bloed is gedaald. De derde halswervel staat wat onder spanning. Lage bloeddruk vandaag, ik moet bewegen, en na die eieren met mayonaise gisteren is het cholesterolniveau te hoog, dus moet ik letten op wat ik eet.’

    Haar belangrijkste theorie is dat de ‘Dieren’ wraak nemen op de mens, op de vaak gedachteloos wrede mens die reeën en zwijnen naar believen dood schiet, die bomen omhakt en vossen in een pelsfokkerij opsluit. Die wraak bestaat uit moord, vandaar de annotatie met een detective of thriller. En inderdaad, de moorden vormen een voortstuwend element in het boek; ze zijn in eerste instantie een aanleiding om mensen en gebeurtenissen in een afgelegen en geïsoleerd gebied van Polen te beschrijven. Zonder nadruk is het boek ook nog eens buitengewoon geestig. ‘Eunjer was waarschijnlijk geschapen voor een leven in eenzaamheid, net als ik, maar onze eenzaamheden waren op geen enkele manier verenigbaar’, schrijft mevrouw Duszejko bijvoorbeeld. Ze heeft trouwens een hekel aan haar naam, aan de meeste namen. Daarom verzint ze voor iedereen een treffende bijnaam. Eunjer is zo’n bijnaam, net als Grootvoet en Goednieuws.

    Nu het boek uit heb, weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd geraakt door een schrijver. Als ik twee alinea’s had gelezen dan wilde ik al naar mijn eigen schrijftafel rennen. Niet om een pastiche op Tokarczuk te maken (dat zou niet alleen onmogelijk, maar zelfs potsierlijk zijn), maar wel om te proberen eveneens een meeslepend verhaal te vertellen. Om ook origineel te zijn, theorieën tot leven te wekken en personages te laten schitteren in hun eigen universum.

     

    Jaag je ploeg over de botten van de doden / Olga Tokarczuk / vertaling: Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra / De Geus



    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.

  • Fictie als medicijn tegen complexe wereld

    Fictie als medicijn tegen complexe wereld

    Er waren eens twee kikkers, een pessimistische en een optimistische. Ze waren allebei in een pan met room beland en hadden grondig geanalyseerd dat hun overlevingskansen vrijwel nihil waren. De pessimistische kikker deed geen moeite meer en verdronk. De optimistische bleef spartelend vechten voor zijn leven zolang hij de kracht daartoe had. Op een gegeven moment bleek hij de room door al zijn gedraai en gespetter tot boter te hebben geklopt. Hij klauterde gladjes de pan uit en overleefde zo.
    Deze anekdote wordt door Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, in 1962 geboren in Sulechów in Polen, verteld als een metafoor voor haar werk aan Jaag je ploeg over de botten van de doden uit 2009. Die roman leek lang op een ontzettende warboel: ‘door chaotisch te schrijven, eerst hier en dan weer daar, door van een beeld naar een dialoog, van een beschrijving naar een notitie te springen, door verhaallijnen te creëren en personages op te bouwen, heb ik de chaos tot een roman geklopt. Daarvoor is onuitputtelijk optimisme nodig en dat is veel belangrijker dan vaak overschat talent of ijver’.

    De passage komt voor in één van de drie lezingen die zij in 2018 gaf aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Lódź. Ze zijn opgenomen in De tedere verteller. Aan die trits is nog een vierde lezing toegevoegd die ze klaar had, maar nooit heeft uitgesproken. Daarnaast zijn er nog acht essays opgenomen die deels ook op voordrachten zijn gebaseerd en als laatste de tekst die ze uitsprak bij de uitreiking van de Nobelprijs voor Literatuur (2018). Die rede droeg de titel De tedere verteller, net als deze bundel.

    Zoekmachine

    De essays gaan allemaal (op één na, dat over film gaat), over het belang van literatuur, van lezen en van de verbeelding, en over het scheppingsproces van fictie. Daartoe neemt ze een aanloop in het eerste essay, Ognosie (ognosie is het vermogen om op zoek te gaan naar ordening van problemen). Daarin schetst ze de wereld waarin de literatuur het nu moet zien te rooien. Onze voorouders lieten hun verbeelding de vrije loop als ze zich een voorstelling van de wereld maakten omdat veel daarvan hen nog niet bekend was: ‘Nu hebben we onze verbeelding niet meer nodig, we hebben alles binnen handbereik via onze smartphone’. Tegelijk verliezen we het overzicht door alles wat te koop is, ook aan intellectuele goederen. We ‘zetten er onze schamele zoekmachines tegenover om de indruk te hebben dat we [alles] nog steeds onder controle hebben’. Op allerlei fronten wordt de complexiteit van de wereld gezien als een stoornis. Om die de baas te worden, grijpen we terug naar nostalgie en tradities en naar zwart-witindelingen. Daar staat tegenover, zegt Tokarczuk, dat we door de pandemie ons zelf niet langer kunnen zien als kroon van de schepping, verheven boven planten en dieren. We staan niet los van de rest van de wereld. We zullen ons méér dan op feiten en gebeurtenissen moeten richten op betekenis. En daar hebben we verhalen voor nodig die laten zien hoe oneindig gedifferentieerd de wereld is en hoe we onze ervaringen kunnen ordenen en overdragen.

    Ondraaglijke vreemdheid

    Voor Tokarczuk is excentriciteit daarbij een belangrijk begrip. We moeten buiten ons ‘centrische’ gezichtspunt treden, buiten de platgetreden paden en zekerheden. Literatuur durft dat te doen.
    Fictie draait in alle essays in deze bundel om dat vermogen vertaler te zijn van andere, diepere, verbanden en inzichten. Daarvoor zijn schrijvers nodig, maar ook lezers. Aan die laatste besteedt Tokarczuk vooral aandacht in het essay Een vinger in het zout ofwel Een korte geschiedenis van mijn lezen en in haar Nobelprijsrede. Hier duikt het excentrische opnieuw op: haar begon als lezer ‘alles te fascineren wat geheimzinnig, onduidelijk is, wat verwondering of dreiging opwekt’. Ze vond dat bij Poe, Kafka, Tsjechov, Dostojevski, Meyrink, Huysmans, Topor en anderen die romans schreven die gingen over de ‘ondraaglijke vreemdheid van de wereld’.

    Van Tokarczuk werden, vóór haar de Nobelprijs werd toegekend, al een aantal werken vertaald, zoals Huis voor de dag, huis voor de nacht (in 2000) en De rustelozen (in 2011). Na de Nobelprijs kwamen daar De Jacobsboeken en Jaag je ploeg over de botten van de doden bij. Haar schrijfproces geeft Tokcarczuk weer in het zevende essay, ‘Over het daimon en andere drijfveren om te schrijven’ en in haar vier lezingen. In ‘Hoe de Jacobsboeken zijn ontstaan’ spitst ze dat toe op die specifieke roman die haar het meest intensief in beslag nam. In haar Nobelprijsrede stelt ze (door haarzelf onderstreept): ‘Fictie is altijd een soort waarheid’. En: ‘Literatuur stelt vragen waarop je niet kunt antwoorden met behulp van Wikipedia, ze gaat bovendien verder dan de feiten en de gebeurtenissen, en beroept zich daarbij rechtstreeks op onze ervaring ervan’. Die ervaring kan zowel voor de lezer als voor de schrijver van heel ver komen.

    Knoopsgaten

    Een fraai voorbeeld daarvan geeft Tokarczuk naar aanleiding van haar boek, Huis voor de dag, huis voor de nacht. Daarin creëerde ze het personage Marta, een oudere vrouw. In contact met lezers viel haar op dat één detail, de uitgelubberde knoopsgaten van Marta’s vest, bij velen beklijfde. Jaren later lieten kleinkinderen van de bouwers van het huis dat Tokarczuk had gekocht, haar foto’s zien uit de tijd waarin ze zelf nog in het dorp woonden waar de roman zich afspeelt. Op één ervan stond een oude vrouw met uitgelubberde knoopsgaten in haar vest. Het bleek de oma van één van de kleinkinderen te zijn. Haar naam was Marta. Tokarczuk was met stomheid geslagen – ze had de vrouw voor zover ze wist nooit gekend. Toch moest ze de figuur ooit als beeld opgepakt hebben. Ze ontdekte iets dergelijks over een andere figuur in die roman, de monnik Paschalis. Ze wist niet hoe ze aan die figuur was gekomen. Maar na voltooiing van het boek stuit ze in oude schoolschriften van haarzelf, op aantekeningen over een monnik die het karakter had dat zij Paschalis had toegedicht. Ze was hem vergeten, maar blijkbaar hadden elementen in het verhaal dat ze bedacht had hem uit haar eigen onderbewuste naar boven gehaald.

    Ze noemt het ‘de kracht van het creatieve proces – het in tijd en ruimte gelijktijdig optreden van niet-gerelateerde gebeurtenissen’. Dat is wat Jung, naar wie ze herhaaldelijk verwijst, inventieve synchroniciteit noemt. Volgens Tokarczuk maken ook lezers het mee dat fictie ineens iets wakker schudt dat van de lezer altijd als iets strikt persoonlijks had beschouwd.
    De tedere verteller is rijk en inspirerend. Niet alleen voor wie schrijver wil worden, maar ook voor lezers die verder willen kijken dan Wikipedia.

     

     

  • Oogst week 11 – 2023

    is daar iemand

    Bij het grote publiek is Micha Hamel bekend vanwege Maestro, een tv-programma waarin BN’ers orkesten dirigeren. Met wisselend succes. Zijn eigen succes is allesbehalve wisselend. Als componist verzorgt hij wereldwijd muziekvoorstellingen en hij is sinds 2015 voorzitter van de werkgroep Kunst en Wetenschap voor de KNAW. Ook als dichter heeft hij zijn sporen verdiend. Zo werden zijn poëziebundels Alle enen opgeteld en Bewegend doel beloond met meerdere prijzen. Hamels zesde bundel, is daar iemand, heeft een GGZ-instelling als decor.

    In 2009 verkeert Hamel in een psychose, waarvoor hij wordt opgenomen in het ziekenhuis. Veertien jaar later vindt hij eindelijk de juiste woorden om die periode te verdichten. Zelf noemt Hamel is daar iemand een psychografie, het verhaal van een geest. Tijdens die wazige dagen bij de GGZ vormt de hoofdmaaltijd het enige hoogtepunt. Het ansichtkaart-zinnetje ‘het eten was er lekker’ keert geregeld terug in zijn 101 gedichten. Net als een paard, een leeuw en een makreel. Poëzie over waanideeën? Een waanzinnig idee!

    is daar iemand
    Auteur: Micha Hamel
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De tedere verteller (essays)

    Olga Tokarczuk vermorzelt de superioriteitsgevoelens van westerse reizigers: ‘De toerist wil dat het exotisch is, maar niet té. Hij wil dat het authentiek is, maar wil onder geen beding afzien van zijn ochtenddouche. Hij wil een lichte huivering van emotie, maar niet in die mate dat hij er onrustig van wordt. Hij wil contact met de plaatselijke bewoners, maar niet dat het hem ergens toe verplicht en te serieus wordt.’ Zou I.L. Pfeijffer Grand Hotel Europa op Tokarczuks essays hebben gebaseerd? In De tedere verteller bewijst Tokarczuk dat de bevoorrechte mens geen échte empathie meer heeft, en hoe gevaarlijk dat is.

    Nederland schermt al jaren met zijn meest geëngageerde schrijver aller tijden: Eduard Douwes Dekker. Zijn Max Havelaar was zo’n oproep tot empathie, maar inmiddels doet die naam hooguit denken aan goeie koffie en ‘iets met Indonesië’. Dan heeft Polen met de Nobelprijswinnares van de Literatuur een serieuzere krachtpatser in huis. Tokarczuk krijgt het zelfs voor elkaar dat haar fictieve romanpersonages (Janina Duszejko) op echte spandoeken van demonstranten staan. Zij laat ons geloven dat literatuur de wereld inderdaad ten goede kan veranderen. Zolang we maar teder en kritisch durven te zijn.

    De tedere verteller (essays)
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    DealersDochter

    Astrid Roemer geldt als een grand dame van de Nederlandse literatuur. In 2016 en 2021 ontvangt zij respectievelijk de P.C.-Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren voor haar gehele oeuvre. De laatste onderscheiding wordt met calvinistische soberheid toegekend vanwege haar openlijke steun aan Desi Bouterse. De Belgische koning woont de uitreiking niet bij. Als nasleep van deze affaire verschijnt nu DealersDochter anderhalf jaar later dan de bedoeling was. Gecanceld te worden, dat verdienen alleen middelmatige makers. Gelukkig maar.

    Roemers nieuwe roman volgt vijf personages wier levensloop wordt bepaald door hun geboortegrond: Suriname. Allen hebben zij zijdelings iets te maken met een personage uit Roemers roman Gebroken wit (2019). Via vervreemding, criminaliteit en racisme laat Roemer zien wat de gevolgen kunnen zijn van een zelf gekozen exodus. Bovendien zet Roemer de lezer aan het denken over hoe geschiedenis generaties lang doorwerkt in individuen. Kan iemand, wiens voorouders van continent naar continent zijn gesleurd, zich ooit ergens écht thuis voelen?

    DealersDochter
    Auteur: Astrid H. Roemer
    Uitgeverij: Prometheus
  • De hel van Tadeusz Borowski

    De hel van Tadeusz Borowski

    De lezer die dacht dat hij na schrijvers als Primo Levi, Imre Kertesz en Curzio Malaparte de meest gruwelijke Holocaust literatuur wel onder ogen zou hebben gehad, heeft niet gerekend op Tadeusz Borowski’s Hierheen naar het gas, dames en heren. Een titel zo wrang en cynisch dat je als lezer direct aanvoelt welke gruwelen je kunt verwachten. Borowski beschrijft in zijn verhalen de hel. Erger nog, hij beschrijft een hel waarvan we ons zelfs met onze kennis omtrent de meest duistere aspecten van de geschiedenis van de 20e eeuw geen voorstelling kunnen maken. Het resultaat is zowel trefzeker als ontstellend.

    In het – net zoals vrijwel alles uit deze bundel, autobiografische – titelverhaal vertelt de ik-persoon hoe hij samen met een groep medegevangenen verantwoordelijk is voor het leeghalen en schoonmaken van de wagons nadat er een nieuwe groep Joden in Auschwitz is aangekomen. ‘De grendels knarsen, de wagons worden geopend. Een golf frisse lucht dringt naar binnen en slaat de mensen als mijngas tegemoet. Dicht op elkaar geperst, geplet door een enorme hoeveelheid bagage, koffers, koffertjes, rugzakken, bundels van alle soorten en maten (…) zitten ze in vreselijke krapte; ze vallen flauw van de hitte, stikken en laten anderen stikken. Nu verdringen ze zich bij de open deur, hijgend als vissen op het zand.’ Nadat alle overlevenden van de reis zijn uitgestapt en naar de plek zijn gevoerd waar de selectie zal plaatsvinden, moet de groep de wagons legen. ‘We springen naar binnen. In de hoeken tussen de menselijke uitwerpselen en verloren horloges slingeren gestikte, vertrapte baby’s rond, naakte monstertjes met enorme hoofden en uitpuilende buiken. We dragen ze naar buiten als kippen, een paar tegelijk in elke hand.’

    Ieder voor zich
    Met zijn kille beschrijving toont Borowski aan waartoe ontmenselijking leidt. Een moeder verloochent haar kind omdat ze onder de levenden wil blijven, een groep uitgehongerde gevangenen rent naar de plek waar zojuist een groep jonge Russen is geëxecuteerd want de volgende dag ‘verzekerde de Joodse muzelman uit Estland […] me ervan dat mensenhersenen zo mals zijn dat je ze zonder te koken volstrekt rauw kunt eten,’ een lid van het sonderkommando vertelt enthousiast over een nieuwe efficiënte manier om zoveel mogelijk lichamen tegelijk te verbranden. ‘We pakken vier kinderen met haar, leggen die met de hoofden bij elkaar en steken het haar in brand. Dan brandt het verder vanzelf en is het gemacht.’ Het doet denken aan de efficiëntie van de fabrikant van de verbrandingsovens, die enthousiast bij de nazi’s aankwam met nóg betere ovens waarin de lichamen nóg sneller konden worden verbrand. De nazi’s waren er uitermate vernuftig in van de slachtoffers daders te maken, met als resultaat dat de ontmenselijking ook tot ongevoeligheid bij de gevangenen leidt. ‘Zie je, vriend, ik voel een volstrekt onbegrijpelijke woede tegenover die mensen in me opkomen, omdat ik door hen hier moet zijn. Ik heb helemaal geen medelijden met ze dat ze naar het gas gaan. Dat de aarde onder hen uiteen moge splijten. Ik zou me met mijn vuisten op hen kunnen werpen. Dat is toch ziekelijk, ik kan het maar niet begrijpen.’ In de hel van Auschwitz is het in de drang om te overleven ieder voor zich. ‘Het belangrijkste is om vandaag te overleven. Ik wil terug naar mijn vrouw, naar mijn kind, ik heb al genoeg oorlog lopen voeren.’

    Vertalers Karol Lesman en Charlotte Pothuizen zijn erin geslaagd de zo kil beschreven hel van Borowski in helder Nederlands te vertalen, voorwaar geen geringe prestatie. Naast de verhalen uit Hierheen naar het gas, dames en heren, bevat deze bundel een aantal verspreide verhalen en gedichten, die deels ook na de oorlog spelen. Een wereld waar nog altijd de chaos regeert, waar het nog steeds ieder voor zich is en waar het antisemitisme nog springlevend blijkt.

    Moraliteit
    Wat de verhalen van Borowksi zo sterk en tegelijkertijd schokkend maakt is de afstand tussen de moraliteit waar wij ondanks alle mogelijke ellende in de 21e eeuwse maatschappij van uitgaan en de hel van Auschwitz. ‘Borowski speculeert op een moreel besef waarvan hij vermoedt dat dat nog aanwezig is bij de lezer; vooral daaraan is het effect van deze tekst te danken, de botsing tussen het residu aan moraliteit in de lezer en het universum waar de moraal de absurditeit bij uitstek is geworden,’ zo zegt Arnon Grunberg treffend in zijn zeer sterke inleiding. Het zorgt er steeds weer voor dat de gebeurtenissen uit deze verhalen aankomen als een mokerslag.

    Tadeusz Borowski en zijn vriendin overleefden beiden de oorlog. Ze hadden het geluk dat drie weken voor hun arrestatie in 1943 de nazi’s de gang naar de gaskamer voor ‘Ariërs’ hadden afgeschaft, waardoor ze aan een vroege dood waren ontsnapt. Na de oorlog en omzwervingen van zijn vriendin naar onder andere Zweden, trouwden ze. Maar eenmaal getrouwd kon Borowksi zijn draai niet vinden en begon hij een buitenechtelijke relatie. Gedesillusioneerd in de Communistische Partij in Polen, waar hij aanvankelijk zijn hoop op had gevestigd, pleegde hij op 1 juli 1951, daags na de geboorte van zijn dochter, zelfmoord, ironisch genoeg door de gaskraan open te draaien. Hij liet geen briefje na waarin hij een motief gaf voor zijn daad. Tadeusz Borowski was nog geen 30 jaar oud.

  • Een gecompliceerde en machtige roman

    Een gecompliceerde en machtige roman

    De Poolse auteur Olga Tokarczuk (1962) won de Nobelprijs Literatuur 2018, die in 2019 bekend werd gemaakt. Eerder werd haar werk bekroond met de Man Booker International Prize en meerdere malen met de Nike-prijs, de belangrijkste literaire prijs van Polen. Jaag je ploeg over de botten van de doden, haar tiende roman, is een feministische en ecokritische roman met thrillerelementen.
    Het verhaal wordt verteld door Janina, een oudere vrouw die in een afgelegen dorp woont. De eerste zin zet meteen de toon, ‘Ik ben al op zo’n leeftijd en er bovendien zo aan toe dat ik voor het slapen altijd goed mijn voeten hoor te wassen voor het geval de ambulance me ’s Nachts moet komen halen.’ De hoofdletter in deze zin is niet verdwaald, Janina is gul met hoofdletters. Zo krijgen ook woorden als Mens, Schemering en Teefje een hoofdletter. 

    Meerdere moorden

    Op een nacht maakt de buurman haar wakker, hij heeft een andere buurman, door Janina Grootvoet genoemd, dood gevonden. Dat is het startschot voor meerdere moorden in het dorp. Alle slachtoffers vormden een bedreiging voor de dieren in de omgeving. Over Grootvoet vertelt Janina, ‘Heel wat keren was ik achter hem aan gelopen en had ik de primitieve stroppen van ijzerdraad voor de Dieren weggehaald, de lussen die zo aan de kromgespannen jonge boompjes waren vastgemaakt dat het gevangen Dier als gekatapulteerd omhoogvloog en in de lucht bleef hangen.’
    De politie doet weinig, dus Janina begint met haar eigen onderzoek en houdt de politie op de hoogte, ‘[…] ik heb besloten om bepaalde, heel karakteristieke informatie die we uit de kosmogrammen (beter bekend als Horoscopen) van de slachtoffers kunnen halen, wat beter te bekijken, en zowel in het ene als in het andere geval lijkt het duidelijk dat een aanval van Dieren hun fataal is geworden.’ Het lijkt alsof de dieren wraak nemen op de mensen, dat is in ieder geval wat Janina gelooft. Maar is dat wel zo? 

    Mens en dier

    Janina is een excentrieke, zorgzame verteller. Ze rouwt om dode dieren, denkt constant aan haar overleden dorpsgenoten en vermenselijkt zelfs de vakantiehuizen waar ze een oogje in het zeil houdt als de bewoners er niet zijn: ‘Nu ik er gerust op was dat de huizen weer waren toevertrouwd aan de zorg van hun eigenaren, schiep ik er plezier in om steeds verder te lopen en die wandelingen nog steeds mijn rondes te noemen.’ Ze heeft moeite met mensen die vlees eten en nog meer moeite met het feit dat niemand haar serieus neemt als ze er iets van zegt. Toch heeft Jaag je ploeg over de botten niet altijd een serieuze toon, bijvoorbeeld wanneer Janina meekijkt met de openluchttandarts en diens patiënt:
    ‘”Wat is er loos?” vroeg de Tandarts. Als antwoord deed hij zijn mond open, en de Tandarts keek erin. Hij sprong direct terug en zei ‘Sodeju’, wat waarschijnlijk de beknoptste beoordeling van de staat van het gebit van de patiënt was.’

    Maatschappijkritiek

    Jaag je ploeg over de botten is sterker als roman dan als thriller. Wie de moorden heeft gepleegd, is voor de geoefende detectivelezer gauw duidelijk. Toch is dat niet erg, het verhaal is zo bijzonder en gelaagd dat de ‘whodunnit’ slechts één element is van het geheel. Er blijft genoeg over, met name in de verhouding tussen mens en dier, oud en jong, man en vrouw. Het boek vormt een sterke maatschappijkritiek.
    Ook tegenover godsdienst staat Janina sceptisch, bijvoorbeeld in de scène die zich afspeelt in de kerk: ‘Pastoor Geruis liep nu in het gezelschap van een misdienaar langs de ballustrade en voedde hen weer met vlees, deze keer in symbolische vorm, maar toch vlees, het lichaam van een levend Wezen.’ Tijdens zijn preek, waarin hij jagers verheerlijkt, loopt Janina naar hem toe en vraagt ze hem op te houden. Zijn reactie: ‘Nou, nou.’

    Oud en onschuldig

    Omdat ze een oude vrouw is, is niemand bang voor haar, maar kan ze ook niets veranderen. Dit wordt geïllustreerd door de manier waarop de gemeente haar behandelt: ‘Elk jaar protesteer ik bij de burgemeester tegen de rally’s met die vreselijke wagens en stuur ik petities. Ik krijg dan een nietszeggend antwoord dat de burgemeester mijn opmerkingen te zijner tijd zal behandelen, en dan is het stil.’ Ondertussen leeft Janina in haar eigen werkelijkheid, waarin ze zelfs haar auto Samurai vermenselijkt, ‘Samurai gedroeg zich alsof hij reukvermogen had – hij bleef staan.’ Toch heeft ze hobby’s, zo vertaalt ze bijvoorbeeld poëzie, en maakt ze tijdens het verhaal vrienden, niet in de minste plaats bij de lezer zelf.

    Dit gecompliceerde verhaal levert een machtige, verrassend vlot lezende roman op. Janina is uitermate sympathiek, haar stem is een kaarslichtje in de koude, Poolse bossen. Juist doordat zij als oude vrouw niet bedreigend is, slaagt zij erin je bij de hand te pakken en je de misstanden van haar wereld te laten zien. Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra hebben Jaag je ploeg over de botten meesterlijk vertaald, waardoor dit een onvergetelijk verhaal is geworden.

     

    Lees hier een interview met Olga Tokarczuk voor Literair Nederland.

     

  • Oogst week 18 – 2020

    In de wacht

    Het nieuwste boek van Alfred Birney, vooral bekend van zijn prijswinnende De tolk van Java, zal stof doen opwaaien. In In de wacht ligt zijn hoofdpersoon Alan Noland in een ziekenhuisbed te wachten op een operatie. Politieke correctheid is Noland niet gegeven en zonder scrupules geeft hij zich over aan het becommentariëren van mensen met een multiculturele achtergrond. Maar dat is niet het centrale thema. Birney liet zijn hoofdpersoon fantaseren over het loslaten van een ziekte om het grote taboe onder de taboes aan te snijden: de overbevolking. De auteur dacht dat hij een toekomstboek had geschreven, getuige de zin: ‘Verspreid anders op de gok een uitgekiende bacterie over de wereld, ergens in Centraal China, dat tikt lekker aan. Die bacterie lift gewoon mee op de jaarlijkse griepgolf totdat de aarde weer wordt bevolkt door zo’n anderhalf miljard mensen.’ Het manuscript was al persklaar toen covid-19 uitbrak. Birney schrok en stond op een voetnoot bij de zin die door de realiteit is ingehaald.

    In de wacht
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Geus

    De republiek of de dood

    Van de beroemde redenaar, politicus, filosoof en advocaat Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) is een omvangrijke briefwisseling bewaard gebleven. Staatsman Cicero correspondeerde met veel andere invloedrijke Romeinen, en deze brieven plus fragmenten daaruit dienen in De republiek of de dood als context voor de veertien vlijmscherpe redevoeringen die bekend staan als de Philippicae. Cicero zag de republiek als de beste staatsvorm en beoogde met deze redevoeringen de senaat op te zetten tegen Marcus Antonius die na de moord op Caesar de macht en alleenheerschappij naar zich toe poogde te trekken. Cicero’s bedoelingen faalden en hij moest zijn optreden met de dood bekopen. Uit de brieven blijkt dat Cicero helemaal niet zo zeker van zichzelf was als hij in zijn venijnige redevoeringen deed voorkomen.

    De republiek of de dood
    Auteur: Cicero
    Uitgeverij: Athenaeum

    Jaag je ploeg over de botten van de doden

    De Poolse Olga Tokarczuk (1962), oorspronkelijk psycholoog, staat bekend als feministisch schrijfster. Ze won de Nobelprijs voor Literatuur 2018, wat in 2019 bekend werd gemaakt.

    Vertaler Karol Lesman introduceerde Tokarczuk in de jaren negentig in de Nederlandstalige literatuur. En nu is daar haar eerste thriller boek, Jaag je ploeg over de botten van de doden. Dat de schrijfster bij Poolse nationalisten niet geliefd is ligt misschien aan het feit dat haar personages bepaald niet alledaags zijn. Haar huidige hoofdpersoon Janina is een oudere nogal buitenissige vrouw, vertaalt poëzie van William Blake, is geïnteresseerd in astrologie en houdt van de natuur. In het afgezonderde dorp waar ze woont vinden vreemde gebeurtenissen plaats, zoals de dood van haar buurman waar ze vraagtekens bij zet. Ze raakt betrokken bij het politieonderzoek dat start als enkele leden van de lokale jachtvereniging dood worden gevonden.

    Jaag je ploeg over de botten van de doden
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus
  • La vita è bella in een Poolse kelder

    La vita è bella in een Poolse kelder

    Op 1 september 1939 viel Hitler Polen binnen. Kort ervoor was tussen Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact gesloten, waarbij de twee landen in het geheim Polen onder elkaar hadden verdeeld. Tegen deze achtergrond speelt het leven zich af in de onlangs vertaalde roman Een zomer in Venetië van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski (1930-2016). De roman verscheen in 2000 in Polen en is het eerste in het Nederlands vertaalde werk van de hier onbekende Odojewski.

    We zien door de ogen van de tienjarige argeloze Marek hoe de oorlog een kinderwereld binnendringt. Er zijn gebeurtenissen die naar de Duitse inval vooruitwijzen, tekens die wij als lezer direct herkennen, maar die de jonge Marek niet weet te duiden. Ze roepen alleen vragen en onzekerheden bij hem op.

    Excentrieke tante
    We maken kennis met Marek als hij klaar is om voor het eerst naar Venetië op vakantie te gaan. Hij verlangt erg naar die stad waar hij, bijna als enige van zijn familie, nog nooit is geweest en die hij romantiseert door het vele dat hij er over heeft gelezen, daartoe aangezet door zijn liefste tante, Barbara.
    De teleurstelling is groot voor Marek als die vakantie niet doorgaat; zijn vader vertrekt en zijn moeder heeft geen tijd meer. De ouders bereiden zich voor op de komende Duitse invasie, maar dat ontgaat de kleine jongen volkomen. Als alternatief voor de reis naar Italië wordt hij met enkele andere kinderen ondergebracht in het dorp P op het landgoed van tante Weronika. Daar valt hem op dat er vooral vrouwen zijn; de mannen zijn gemobiliseerd. Hij verwacht niet veel van die tante, zij staat als excentriek bekend: ze rent elke morgen, naar de adviezen van dokter Kneipp, naakt door bedauwd gras, wandelt bij maanlicht, verzamelt kruiden en hangt de leer van de 16de-eeuwse arts en astroloog Paracelsus aan.

    Ooit heeft Weronika een kuuroord willen maken van haar landhuis, maar zover is het nooit gekomen. De eenzaamheid en teleurstelling van Marek worden geleidelijk aan draaglijker als hij meisjes van zijn leeftijd treft en zijn liefste nichtje en later zelfs tante Barbara naar het landgoed komen. Toch loopt de jongen hier opnieuw tegen de tekenen van een oorlog op, zoals wanneer zijn oudere broer Wiktor met verhalen terug komt van een kamp en enkele dagen later zijn vader met piepende banden het erf op komt rijden, maar ook meteen weer verdwijnt. In P ziet Marek soms drommen vluchtelingen langs trekken, de ene keer op de vlucht voor de Duitsers en de andere keer voor de bolsjewieken.

    Pingpongtafel
    Het verhaal neemt een wending als Marek, een van de katten van tante Weronika achterna rennend, in de grote kelder onder het huis terecht komt en daar water ziet opborrelen. Hij roept naar de anderen dat hij een bron heeft ontdekt. De erop volgende dagen wordt de plas water in de kelder alsmaar hoger en hoger tot tante Barbara roept: ‘Morgen gaan we naar Venetië’. Er groeit dan een fantasie die in de verte doet denken aan de film La vita è bella van van Roberto Benigni uit 1997 waarin een vader zijn zoontje voor de verschrikkingen van een concentratiekamp probeert te beschermen door te doen alsof alles een spel is. Iedereen gaat mee in de fantasie van een Venetië in de kelder. Er worden planken neergelegd op het water, bruggen gemaakt van stoelen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein en er worden lampions opgehangen. Er wordt zelfs muziek gemaakt door het jongetje Naumek, die iedereen betovert.

    Ook tante Weronika speelt het spel mee. Ze vertelt over haar geloof in de theorieën van Paracelsus naar aanleiding van een droom die ze had. Daarin werd ze uit een storm gered door muziek. Op de vraag van Marek hoe muziek je kan redden, zegt ze: ‘Muziek, beste jongen, is in dit geval onze verbeelding. Het had ook poëzie kunnen zijn. Of de sterren, de zonsonder- en zonsopgangen die elkaar opvolgen, zonder dat we daar invloed op hebben’. Het meisje Zuzia begrijpt haar: ‘Het is oorlog. We zouden eigenlijk moeten huilen. Maar wij bezoeken Venetië.’ Marek is daarmee ook overtuigd en besluit zich te verdiepen in de leer van Paracelsus van wie Weronika haar wijsheid heeft. En passant stelt hij zijn mening over die excentrieke tante bij: iemand die zulke wijze dingen leest kan niet gek zijn.

    Een zomer in Venetië is een vertederend boekje over de argeloosheid van een kind in een wereld vol dreiging en de redding die de verbeelding biedt. Het is mooi dat het negentien jaar na de verschijning in Polen nu in het Nederlands te lezen is.

     

  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum