• Oogst week 7 — 2026

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis

    In Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis bespreekt Alicja Gescinska tien toonaangevende vrouwen in tien biografische portretten. Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Vrouwen die streden tegen onderdrukking, tegen de ontmenselijking en vernietigingsdrang van de twintigste eeuw. Veel van hen werden vervolgd voor hun daden van verzet: ze stierven in kampen of leefden in ballingschap.

    Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver. Ze werd geboren in Warschau en vluchtte op zevenjarige leeftijd naar België. Daar groeide ze, na een kort verblijf in een asielcentrum in Brussel, op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Gescinska studeerde Moreelwetenschappen en promoveerde in 2012 tot Doctor in de Wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkt ze als onderzoeker, docent en schrijver. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie en in 2017 won ze de Debuutprijs voor haar roman Een soort van liefde. Vrouwen in duistere tijden is haar meest recente boek. 

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis
    Auteur: Alicja Gescinska
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Moet dwalen

    Isi Witlamm snakt naar romantische liefde, naar eeuwige zelfs. Een allesbepalend en misschien wat gevaarlijk verlangen. Want wat kun je redelijkerwijs van het leven verwachten? In Moet dwalen laat Charlotte Mutsaers hem, de titel zegt het al, dan ook hopeloos verdwalen. Met zijn visie van eeuwige liefde als baken blijft Isi geloven dat hij de weg weer zal vinden. Wellicht tevergeefs.

    Charlotte Mutsaers (1942) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlands, werkte als docent en volgde de avondopleiding tekenen en schilderen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (sinds 1968 Gerrit Rietveld Academie). Sinds de jaren tachtig verschenen er veel romans, verhalen, poëzie en essaybundels van haar hand. Haar werk werd genomineerd voor alle grote literaire prijzen, waarvan ze onder andere de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs ontving.

    Moet dwalen
    Auteur: Charlotte Mutsaers

    Uitgeverij: Prometheus

    Meester van de trommels


    In Meester van de trommels laat José Eduardo Agualusa zijn personage Leila Pinto het liefdesverhaal van haar grootouders vertellen. Dit verhaal, over Jan en Lucrécia, is verweven met de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo en het hedendaagse Angola. Agualusa doet hiermee een alternatieve werkelijkheid uit de doeken: antikoloniaal en bedoeld om te laten zien hoe veelvormig de geschiedenis van een land kan zijn.

    José Eduardo Agualusa (1960) is een Angolese schrijver en columnist van Portugees-Braziliaanse afkomst. Hij studeerde landbouwkunde en bosbouw in Lissabon en woont momenteel op Ilha de Moçambique, waar hij werkt als schrijver en journalist. Zijn eerste boek, een roman, verscheen in 1989. Sindsdien publiceerde hij een groot aantal romans, korte verhalen en novelles. Agualusa won meerdere prijzen waaronder, in 2017, de International Dublin Literary Award. Zijn boeken werden vertaald in vijfentwintig talen.

    Meester van de trommels

    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Koppernik
  • In memoriam Jan Fontijn (1936 – 2022)

    Aan wat decennialang een vertrouwd beeld was in de binnenstad van Amsterdam: een zekere man, een vrouw met rokje en een hondje, is een einde gekomen: Jan Fontijn overleed 6 januari jl. en laat Charlotte Mutsaers en het hondje achter. Fontijn was universitair docent geweest, verwierf bekendheid met zijn voorbeeldige schrijversbiografie over Frederik van Eeden in twee delen: Tweespalt: het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (1990) en Trots verbrijzeld: het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, (1996). Een prestatie waarmee hij de lat voor nakomende schrijversbiografen bepaald hoog heeft gelegd. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen achtereenvolgens zijn roman Biefstuk en benzine, waar hij fier op was, maar die naar zijn smaak te weinig weerklank vond en een boeiende lezersautobiografie onder de naam Kijk naar de vis. Een heel interessant allegaartje van vrijzinnige en bevlogen literatuurwaarnemingen is dat. Aforistisch bij tijd en wijle, of in korte notities: ‘De ontroering bij het zien van een stoel naast de tafel. Dat willen vastleggen in woorden of in beeld. Zo nauwkeurig mogelijk. Niets meer en niets minder.’ Een dialogue intérieur staat er in, herinneringen en beschouwingen. Het is divers, luchtig, verrassend veelvormig, je blijft er in lezen. Fontijn was naar mijn smaak vooral een bevlogen lezer.

    In februari 2020 vroeg uitgeverij Van Oorschot hem deel te nemen aan een ‘schrijversdiner’ in de Roode Bioscoop in Amsterdam, een lange rij tafels met damast gedekt en gasten die dineerden terwijl een uitgelezen selectie schrijvers boeiende causerieën hielden. Het thema was de leeftijd van uitgeverij van Oorschot: 75 jaar. Jan Fontijn had een hoop te vertellen vanuit zijn geschiedenis met Geert en Hillie van Oorschot, bij wie hij vaak te gast was op Donkervliet in Loenersloot. Het werd een heel mooie avond. Voorafgaand had Jan gemaild: ‘Charlotte wil graag mee, zet stoeltje maar klaar.’ In een bij tijd en wijle ook emotioneel relaas, speciaal over Hillie, voor de inhoud waarvan ik verwijs naar de passage in Arjen Fortuins mooie biografie van Geert van Oorschot (v.a. p. 356) vertelde Jan over zijn geschiedenis en waar die gelijk op liep met de uitgeverij.

    De foto hiernaast toont Jan in de eigenaardige jongensachtige charme die hij altijd had. In het eerste decennium van deze eeuw droeg Fontijn nog een aantal keer heel mooie stukken bij aan Tirade, waarvan dit over Pierre Loti en Couperus voor mij het mooiste is. Het laat zien hoe gul Fontijn kon bewonderen en hoe breed zijn kennis en interesse was.

    Daags na het diner meldde Fontijn nog hoe leuk ze de avond hadden gevonden. ‘Ik wilde je zeggen dat ik geen geld wil. Wel een lekkere fles rode Bourgogne.’ Onze gedachten zijn bij Charlotte en het hondje.

     


    Dit in memoriam is tevens geplaatst op Tiradeblog.

     

  • De zomerboeken van Stefanie Katzenbauer

    De zomerboeken van Stefanie Katzenbauer

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden. 

    Stefanie Katzenbauer gaat op vakantie en neemt mee:

    Elizabeth Kostova – Zwanenroof
    Stephen Fry – Mythos
    Hendrik Groen – Zolang er leven is
    Charlotte Mutsaers – Harnas van hansaplast

    In de zomer lees ik graag lichte boeken met een spannend verhaal, luchtige anekdotes of relatief dunne boeken omdat ik tijdens de zomervakantie ook een soort ‘leesvakantie’ heb: ik lees alleen dat waar ik niet te veel moeite voor hoef te doen.

    Van Elizabeth Kostova las ik eerder De Historicus waar ik enorm van genoten heb. Dit boek bracht me mijn ‘guilty pleasure’, namelijk historische avonturenboeken. Harnas van hansaplast kijkt me al lang verwijtend aan vanuit mijn boekenkast en deze zomer is de tijd gekomen om het boek te lezen waarover ik een paar jaar geleden een lezing van Charlotte Mutsaers bijwoonde.

    Mijn boekenkast is tot de nok gevuld, maar sinds kort heb ik ook een e-reader, iets wat onder sommige boekenliefhebbers een grote faux pas is. Hij is overigens ook een prachtige uitkomst voor hele dikke boeken, die soms zwaar of onhandig zijn om in handen te houden, zeker als je er een vakantie-ontbijtje bij neemt.

     

    Lees meer over Stefanie Katzenbauer

     

  • Broosheid en de beer

    Broosheid en de beer

    Zondagnacht was het min vier graden. Ik werd er telkens even wakker van, voelde dan aan mijn neus, die als een thermometer de omgevingstemperatuur opnam, en tjee, wat was die koud. Waarna ik onder het dekbed kroop, mijn neus  in een holletje van duim en wijsvinger warmde, verder sliep. ’s Morgens waren bomen, struiken, de auto’s in de straat met een laagje rijp bedekt. Tijd voor mijn rode, knielange trui, dacht ik. De dikste die ik ooit kocht, het minst gedragen. Ik zocht in elke kast. Dingen die je niet vaak gebruikt of nodig hebt, raken ergens achterop, tot ze op onverklaarbare wijze verdwenen zijn. Net zoals mensen uit je leven verdwijnen, al zitten ze nog zo goed geborgen in je geheugen. Pas als ze gestorven zijn, komen ze tevoorschijn, als toegift. De laatste tijd lees ik met meer dan gewone belangstelling over familie. Over broers die anders zijn, onbegrijpelijk onhandig zijn.

    Charlotte Mutsaers schreef na de dood van haar broer de roman Harnas van hansaplast. Ze heeft haar broer jaren niet gezien als ze hoort dat hij dood gevonden is, in bed, onder ontluisterende omstandigheden. Ze schrijft dat ze woest wordt als ze aan haar broer denkt, ‘Die bij de geringste tegenwerking een driftbui kreeg, in katzwijm viel of dreigde met zelfmoord. Rotzak die je was, rot op. Waarom zou ik me voor zo’n Kleingeist uit gaan sloven; ik houd toch van grandeur?’ Maar dan smelt ze, denkt, ‘godverdegodver, kon hij het ook helpen?’
    In Big Brother van Lionel Shriver leidt de broer van Pandora een onverantwoord leven. In de jaren dat ze elkaar niet zagen, is hij ongelofelijk dik geworden, en dakloos. Ze neemt hem voor een verblijf van een maand in haar gezin op. Kostbare meubels en haar huwelijk sneuvelen onder zijn gewicht. Pandora trekt met haar broer in een motel om hem 80 kilo te laten afvallen. Voor dit boek stond Shrivers eigen broer model nadat ze hem een keer met kerst bij haar ouders trof, kwaad werd om zijn door overeten verknalde leven. 

    Esther Gerritsen schreef over een broer en zus die geen contact meer met elkaar hadden, tot hij belt om te zeggen dat zijn been geamputeerd moet worden, door verwaarloosde diabetes. Woest is ze, dat hij het zover heeft laten komen. Toch laat ze alles uit haar handen vallen om bij hem te zijn. Maar het mooiste wat ik las over broers en zussen is het geweldige boek Opgebouwd uit hetzelfde, Broers en zusters in de literatuur van Jan Fontijn. Hoewel het uitgangspunt de zusterrelatie is (Fontijn had er zes), biedt het boek nieuwe zienswijzen. Zoals, ‘Een kind registreert al vroeg wat er thuis aan de hand is (…). Een goede ouder speelt daarop in. Gebeurt dat niet dan is de beer los. De relatie tussen broer en zuster is broos. Er hoeft maar iets te gebeuren of zij gaat kapot.’ Zo simpel is het, de broosheid en de beer. Nu verder.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

  • Dag huis

    Dag huis

    Van Heutszlaan 78/I
    Hertenlaan 16
    Am Lochtenberg 48
    Burgemeester van Tuyll van Serooskerkenweg 21

    Voor mijn gevoel ben ik in mijn jeugd vaak verhuisd, maar nu ik de adressen waar ik met mijn ouders woonde op een rij zet, blijkt het eigenlijk wel mee te vallen.
    Op de dag dat ik elf werd, gingen wij wonen in het huis in de straat met een voor dagelijks gebruik te lange naam. Zo er sprake is van een ouderlijk huis, dan is dat dit huis. Mijn ouders waren rond de vijftig toen zij het kochten. Het was hun eerste eigen huis. Het was bijna 44 jaar van ‘ons’.

    Was, want het is inmiddels verkocht en het moest dus leeg. Toen ik aan de klus begon, wist ik me getroost door Nicolaas Matsier, maar hij maakte met zijn Gesloten huis van mij ook een gewaarschuwde dochter. Hij bereidde mij voor op tegenstribbelende voorwerpen. ‘We wilden de dingen kwijt, terwijl de dingen nog van alles zeiden. Ze bleven maar doorpraten, al die relicten van weinig of geen waarde. Opeens werd er over hun lot beschikt.’
    Omwille van de dingen, maar ik zal niet ontkennen dat het mij ook goed uitkomt, heb ik meer bewaard dan ik kan herbergen. Ergens in een loods gaan de voorwerpen voorlopig een gesprek met elkaar aan. Binnenkort hoop ik ze te verwelkomen en te horen wat ze mij te vertellen hebben.

    Toen het onttakelen van het huis al in een vergevorderd stadium was, verscheen Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers. Haar ouderlijk huis was van een andere orde dan dat van mij. Bij ons hingen geen grote geschilderde portretten van een vader en een moeder aan de muur en niemand zal de hutkoffer uit Indië aangezien hebben voor de kist waarin Hugo de Groot uit Slot Loevestein ontsnapte.
    Een van de weinige dingen die Charlotte Mutsaers en ik gemeen hebben is een emaillen broodtrommel. Over dat ding heb ik me inmiddels ontfermd. Haar broer Barend bracht mij op een idee.

    Pendelend tussen mijn huis en het huis dat binnenkort het onze niet meer is, lees ik het ene boek na het andere. Deze week is De jaren van Virginia Woolf aan de beurt. De woorden waarmee Woolf duidelijk maakt hoe leeg het huis van de familie Pargiter is, komen hard aan. ‘Ook daar vertoonde de muur verkleuringen, waar de boekenkast had gestaan, waar de schrijftafel had gestaan. Ze dacht terug aan zichzelf, zoals ze daar had gezeten (…)’. Waarschijnlijk omdat ik zelf net geprobeerd heb verkleurd en gescheurd behang en de moeten in het tapijt zo mooi mogelijk te fotograferen.

    Meer dan een jaar was ik bezig met het verzamelen en genereren van ‘huishoudelijke’ herinneringen. Ik heb er nu genoeg om het verleden te reconstrueren en wezenlijke momenten op te roepen.
    Inmiddels begint de tijd te dringen: ik moet mezelf nu echt ontkoppelen van het huis. Ik moet wie ik daar was loslaten en de teugels van het leven dat ik er geleid heb laten vieren.

     

    Virginia Woolf werd vertaald door Barbara de Lange.


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Pleidooi voor onaangepastheid

    Pleidooi voor onaangepastheid

    De schrijfster met haar zus in een enorm bovenhuis. Duistere gangen, een koele kelder en een koninklijk balkon. In overalls struinen ze rond. Af en toe kijkt ze je aan en vertelt losjes haar verhaal. Soms neemt ze de tijd, de wc is daarvoor de beste plek, en filosofeert erop los.

    Charlotte Mutsaers, schrijfster van romans en essays en ook beeldend kunstenaar heeft een uitgebreid en divers oeuvre waarvoor ze in 2010 de P.C. Hooft-prijs ontving.

    Haar roman Harnas van Hansaplast leest alsof je een familieportret bekijkt met Mutsaers en haar broer Barend in het midden. Het verhaal wordt verteld in (korte) hoofdstukken waarin de schrijfster en haar zus het huis van de familie leegruimen. Alle ruimten passeren ze: van keukentje tot sterfkamer en van bibliotheek tot wc. Mutsaers wil met die zoektocht vat krijgen op de eenzaamheid in het leven van haar broer Barend om ‘nooit in dezelfde kuil te vallen.’
    Een dode broer als aanleiding voor een zelfhulpboek, lijkt het aanvankelijk. Het huis, de enorme rommel onder dikke lagen stof, de kamers en de onaangename geur als metafoor voor een heel leven.

    Mutsaers schrijft – ‘vertelt’ is een beter woord – in een vanzelf-sprekende stijl met de nodige zelfspot. In het begin van het verhaal schetst ze het einde van de boedelruiming. Samen met haar zus zet ze twee schilderijen bij het grofvuil. ‘Mijn meer dan levensgrote moeder [..] en mijn meer dan levensgrote vader.’ Beide schilderijen met zware gipsen lijsten bedekt met bladgoud. Maar ze twijfelt, portretten van je overleden ouders zet je niet op straat. ‘Als mijn eigen portret na mijn dood bij de vuilnis zou worden gepleurd, zou ik dat nauwelijks overleven.’

    Vaak is haar toon heel direct. Nadat ze door haar moeder ter verantwoording is geroepen omdat er nog steeds geen kleinkind is en dat dit, volgens haar moeder, de oorzaak is van haar bleekheid, schrijft ze: ‘Dat van dat kind, nu ja. Dat van die man, getteget. Dat van die bleekheid, grrr.’ Maar daartegenover gebruikt ze ook ‘deftige’ woorden als dolichocefaal, claviger en anhedonie. Als ze zich het gesprek met haar broer over zijn gebit – ‘een goor winterlandschap met stipjes vuile sneeuw’ – herinnert en ze met haar tong langs haar mondholte gaat, dan heet haar gehemelte ‘palatum’.
    Ze toont niet alleen de tegenstellingen in haar eigen karakter, ‘van buiten een bieteklauw maar van binnen boterzacht en kneedbaar’, haar hang naar veiligheid en avontuur, maar ook die bij haar broer, een vereenzaamd genie, ‘een mix van een beschaafde junk en een sjofele edelman.’ Wanneer is een mens rechtschapen en wanneer neemt hij een pose aan, wanneer is hij oorspronkelijk en wanneer aangepast? Vragen die de schrijfster zich voortdurend stelt. Ze geeft ook zelf het antwoord. ‘Toch kan het niet genoeg worden gewaardeerd als iemand de moed opbrengt zijn eigen weg te gaan.’ En zittend op de wc, ‘op de plee ga ik lekker de tijd nemen’ filosofeert ze verder over haar jeugd en haar ambities uit die tijd met haar broer Barend voortdurend op de achtergrond. Als je echt wat van het leven wilt maken, is een dubbelzinnige kijk op je verhouding met de werkelijkheid onvermijdelijk. ‘Pas op de rand van het ravijn kan het gevoel opkomen dat men boven zichzelf wordt uitgetild,’ concludeert ze. Haar broer stortte erin.

    ‘Een huis heeft grote invloed op je denken. Je onderwerpen worden verdeeld over het aantal kamers dat er is,’ schreef Gerrit Komrij die door Mutsaers wordt geciteerd. Ze vreest dat die opvatting voor haar broer fataal is geweest. ‘Zijn kamers bestonden in zijn gedachten alleen maar nog als zaken die hem konden worden afgenomen.’ Zo raakte haar broer ontheemd en ze is benieuwd hoe de terugkeer naar het huis in haar eigen brein zal uitwerken. Ze beseft dat ‘het huis wel eens schuw zou kunnen zijn’ doordat het alleen maar betreden werd door haar broer. Zo geeft ze het huis menselijke eigenschappen mee.
    Ze gebruikt de ruimten in het huis als aanjaagmotor voor haar herinnering.  En wat daarop volgt is ontzetting, plezier, het verdriet en aanzetten tot verwerking. Niet alleen over haar broer Barend, maar ook over de ouder-kinderliefde en haar moeder die in het boudoir de schrijfster confronteerde met haar visie op het leven. Hoe verder het verhaal vordert des te kleiner de ruimten zijn die ‘onderzocht’ worden. Van enorme bibliotheek naar wc, boekenkist, broodtrommel en uiteindelijk het apostelkastje.
    En als lezer zoek je met haar mee, steeds preciezer op een steeds kleinere oppervlakte, naar het karakter en de manier van denken van haar broer. Met het einde van die zoektocht pakt Mutsaers de lezer bij de kladden. Niet alleen met het opmaken van de eindafrekening van haar familie, maar ook met dit overtuigende pleidooi voor onaangepastheid.

     

  • Pleisters plakken

    Pleisters plakken

    Veel meer dan een titel en een toepasselijk plaatje had ik niet voor ik aan het schrijven van deze column begon. Ik wilde het per se hebben over Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers. Dat haar nieuwe roman zo zou gaan heten, maakte zij – of was het haar uitgever – al een tijd geleden bekend. Een prachtige titel waar ik me niets bij voor kon stellen. Toen kwam het boek met een ontroerend poppetje van Hansaplast op de cover, dat het ‘stroeve zelfportret’ van Barend, de broer van Charlotte Mutsaers, blijkt te zijn. De schrijfster treft het aan op een dwarsbalk op de zolder waar haar broer eenzaam en alleen de dood tegemoet getreden is.

    Ik was nog aan het bedenken welke kant dit stuk precies op moest, toen er een bom ontplofte. Naar aanleiding van een interview in de Volkskrant over haar nieuwe roman werd Charlotte Mutsaers van alles verweten, maar vooral dat zij en haar zus een opkoper lieten komen voor de (kinder)porno die ze aantroffen tijdens het ruimen van het huis van hun broer. Er waren zelfs mensen – waaronder nota bene collega-schrijvers – die graag zouden zien dat dit de zussen formeel ten laste wordt gelegd. Waarop de schrijfster zich genoodzaakt voelde om te verklaren dat zij en haar zus nooit – ‘nog geen snipper’ – kinderporno hebben doorverkocht. Terwijl het haar eigenlijk om iets anders ging: Charlotte Mutsaers ergerde zich aan het weer eens op één hoop gooien van feit en fictie.

    Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: hoe autobiografisch een roman ook lijkt, neem nooit zomaar aan dat iets waargebeurd is. Sara Berkeljon van de Volkskrant weet dat en had daar in haar vraagstelling blijk van moeten geven. Wie het betreffende deel van het interview leest, krijgt de indruk dat roman en werkelijkheid probleemloos over elkaar heen kunnen schuiven. Charlotte Mutsaers laat dat zo. Zij voelt zich, het gehengel naar wat waar is en wat niet meer dan beu, niet geroepen duidelijkheid te verschaffen. Een roman is een roman is een roman. Daar heeft ze groot gelijk in.

    Dat is zelfs haar goed recht, maar daar wringt wel de schoen. Sara Berkeljon en Charlotte Mutsaers praten tijdens het interview langs elkaar heen. Sara Berkeljon is journalist. Het gaat haar om de feiten, maar ze realiseert zich niet dat waar ze mee bezig is – een roman terugbrengen tot een verzameling autobiografische feiten – pijnlijk is. Dat Charlotte Mutsaers, die toch al een haat-liefdeverhouding heeft met het interview – omdat een ander de vragen stelt en daardoor het gesprek stuurt: daar verandert de vrijheid van antwoorden niets aan – met haar antwoord een statement maakt en stelling neemt, ziet ze niet.

    Zover ben ik als ik opnieuw word ingehaald door de actualiteit. Charlotte Mutsaers vertelt in De wereld draait door hoe het zit. Ze legt uit dat ze doorgaans heel open antwoordt op vragen. Dat ze niet hoort bij de schrijvers die er in een interview op los fabuleren, omdat ze een interview zien als het verlengde van hun oeuvre. Ze maakt daarop één uitzondering. ‘Als ze aan mijn boek komen, zeg ik het gewoon zoals het in mijn boek staat.’ Opnieuw neemt ze de roman die haar aan het hart gaat in bescherming. Ten koste van zichzelf.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Hoe dan ook – over Charlotte Mutsaers

    Essay door: Koen Schouwenburg

    Plezier, daar gaat het om. Zonder plezier geen enthousiasme, en daarom zou eigenlijk elk boek met dit woord moeten beginnen, vindt Charlotte Mutsaers. Plezier, (com-)passie en enthousiasme. Als iemand me zou vragen de literatuur van Mutsaers samen te vatten in drie woorden, het moet snel want de wereld draait door en de camera wordt op me gericht als een pistool, dan met deze woorden.

    Zeventig is Mutsaers geworden, maar leeftijd vormt voor haar geen onderwerp, zegt ze tegen Blanche de Craeyencour. En waarom zou het ook een onderwerp zijn? Leeftijd is iets wat in je paspoort staat, of op Wikipedia staat als je een bekende schrijfster bent. In de week dat Mutsaers zeventig werd, verscheen haar dichtbundel Dooier op drift, een bundel die afsluit met het gedicht ‘Zeventig’. En, toch, leeftijd is geen onderwerp, het is wel vreemd.

    ‘Zo sliep ik in
    mijn bed op open zee
    alles normaal alleen
    mijn leeftijd vreemd’

    Ik ken de literatuur van Mutsaers pas enkele maanden, maar kort of lang, goed of redelijk: enthousiasme moet je met enthousiasme terug betalen. Vandaar deze lofrede. Niet omdat ze jarig is geweest, dan zou het een verjaardagscadeau zijn en ik doe niet aan verjaardagen. Nee, haar verjaardag is een mooi excuus om te zeggen wat ik moet zeggen. Moeten, omdat enthousiasme dwangmatig is, het moet naar buiten zoals drugs naar binnen moeten.

    Nederlandse recensenten en essayisten zijn altijd wat gereserveerd, kritiek is tegenwoordig het equivalent van kennis en intelligentie. Worden er superlatieven gebezigd, verderop volgt altijd een maar, een mits, een kanttekening. Niets wordt beschreven als schitterend. Mutsaers doet dat wel, gelukkig. Daarom las ik haar essaybundel Paardejam zo graag. De literatuur van Francis Ponge is schitterend, en Mutsaers is fan. Een uitleg volgt. Immer bevlogen, nooit gemaar.

    De essay’s van  Mutsaers zijn eigenlijk geen essay’s, maar iets waarvoor nog een genre-aanduiding gevonden moet worden. Een essay van haar is vaak tegelijk poëtisch, verhalend, beschrijvend, beschouwend en betogend. Het is nooit hetzelfde. ‘Fik & Snik’ is het eerste essay van Paardejam, over kunst en ontroering. Snikken is een zwaktebod voor de kunstbeschouwer. ‘En wat is er zo zwak aan een zwaktebod?’ Ja, wat eigenlijk? ‘Types die nooit huilen, daaraan zijn kunst en liefde niet welbesteed. Maar dat terzijde.’ Het is slechts een terzijde, maar wel een belangrijke. Aangrijpend is vandaag een holle term, op sentiment rust een verbod, en wie huilt om een boek krijgt een tik met de kritische boekenbijlage van het NRC.

    Ze is maar een alter ego, toch heeft Blanche de Craeyencour Mutsaers een paar keer geïnterviewd, onder andere in Pendante pendules en andere wekkers en in Zeepijn. Blanche vraagt in Zeepijn naar het doel van haar boek. ‘Hetzelfde als altijd: wie ben ik. Achterhalen waarom ik bepaalde verbindingen leg. (…) Met uiteraard de hoop dat het de lezer raken zal zodat hij misschien ook iets over zichzelf ontdekt.’ Haar doel als schrijver is mijn doel als lezer.

    In haar schrijversschap gaat het om het hoe dan ook-principe. In het hoofdstuk ‘Hoe dan ook’ uit haar debuutroman De markiezin maakt het ik een tekening op het raam ‘dichtgegroeid met beslag van de ijzeligheid buiten’. Haar vader vindt het een mooie tekening, maar vindt ze het niet zonde als het straks weg is? Nee, hoor dan maakt ze gewoon een nieuwe tekening. ‘Dat is nu wat ik je laatst heb proberen uit te leggen over Kunst om de Kunst’, zegt haar vader, ‘je doet het hoe dan ook, omdat je er plezier in hebt.’ Het hoe dan ook is noodzaak, want schrijven is de ‘verbeelding als noodzaak’.

    Postmoderne metafictie, het wordt in ons land niet altijd even gewaardeerd. Die rare fratsen. Het past niet bij ons nationale motto: doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. (Even een terzijde: metafictie is grofgezegd de reflectie op de fictionaliteit van het eigen verhaal, d.w.z., het blootleggen van fictie als een constructie.) Een bekende literatuurwetenschapper schreef eens dat als sommige critici hun zin kregen, postmoderne romans werden voorzien van een waarschuwende sticker: pas op, dit is een postmoderne roman! Maar deze sticker hoeft niet op Rachels Rokje. Zelfs de grootste postmodernisme haters hebben een knieval gemaakt voor Rachel en haar rokje. Terecht, want postmoderne metafictie is wél leuk. Al moet de auteur wel een taalvirtuoos zijn, zoals John Barth, of Gilbert Sorrentino of Charlotte Mutsaers.

    Rachels Rokje is net zo veel vorm als vent. De vorm is de inhoud en de inhoud is de vorm. Het is geen ‘recht-op-en-neer-roman’. Het is romaneske poëzie of een poëtische roman, wat u wilt. Een roman zonder literaire beschrijvingen, want ‘een literaire beschrijving, wat moet men zich daarbij voorstellen?’

    ‘Het beschrevene losmaken van het geschrevene, is dat niet even bizar als het onderscheid tussen kunst en kunde, kind en badwater, tekst en context, teen en voet? Kun je niet evengoed aan een spin vragen: weef eens een weeffout zonder web?

    Nee, beschrijven dat doe je bij de politie (de boef), op een reisbureau (de zon in diverse prijsklassen), op de schrijversvakschool (je gevoel), op de ijsbaan (een acht), om de aarde (een baan), maar niet in een boek. Zoals je beschilderen doet op handenarbeid (een eierdop), in de schoonheidssalon (nagels, wenkbrauwen, oogharen, lippen), in de wieg (je luier), en niet op het doek.

    Daarom rijmen doek en boek ook op elkaar, als dragers van betekenis.’

    Mutsaers houdt van Vladimir Nabokov, Julio Cortázar, Robert Walser, maar het meeste van Francis Ponge. Ponge is God voor Mutsaers. Naast alle loftuitingen over deze Franse dingendichter in haar essay’s, is de invloed van Ponge gemakkelijk op te sporen in haar romans. (Ik ben haar naam nergens tegengekomen, maar ik vraag me hardnekkig af of ze ook van Getrude Stein houdt en haar portret van objecten, Tender Buttons.) Het is geen watervaste conclusie, want ik kende Ponge niet voordat ik de lofredes van Mutsaers las. De gevolgtrekking is gebaseerd op de paar vertaalde gedichten die ik las in de anthologie De moderne Franse poëzie. Ponge dicht over dingen, het is lyriek over een oester, een deur, of een boomstam. Ik denk dat dit de verwantschap is tussen Mutsaers en Ponge: ‘We ervaren het grote het snelst via het kleine. Geen bonzend hart maar een klokje dat tikt naast je bed. De pendante pendule. Het gillende wekkertje.’ Via de lyriek over een boomstam naar de vergangelijkheid, de verandering, die je op de golf van de tijd meevoert naar de dood.

    ‘Zo forceert zich een boom om nog onder de schors
    De tronk levend te tonen die de dood zal voltooien.’

    De mensheid is niet alles. Maurice Maillot keert zich af van de mensen. Terecht. Hij kan niet meer schrijven vanwege het overlijden van zijn geliefde kat Grappa. En de mensen vinden het maar overdreven. Zo van slag door de dood van een kat? Hij is niet goed wijs. Maillot is klaar met mensen, altijd maar die oordelen. Die andere schrijver, een dagboekschrijver wel te verstaan, werd er eveneens gek van al die oordelen. Op 12 augustus schrijft Werther:

    ‘Dat jullie zodra je ergens over praat, riep ik, meteen moeten zeggen: het is gek, het is verstandig, het is goed, het is verkeerd! Wat betekent dat eigenlijk? Heb je daarmee de ware toedracht doorgrond? Weten jullie met zekerheid om welke reden iets gebeurt, om welke reden het moest gebeuren? Als jullie dat wisten zou je niet zo gauw klaarstaan met je oordeel.’

    Maurice krijgt een relatie met een telefoon die hij vindt, een Nokia. Het is de veiligheid van een object. (Zie de verhalenbundel van A. M. Homes The Safety of Objects en met name het laatste verhaal ‘A Real Doll’ waarin de ik-verteller een relatie heeft met een barbie.)

    En Koetsier Herfst is geëngageerd, maar het is niet een pamflet. De roman is esthetisch alswel geëngageerd. Dat kan bij Mutsaers, want beiden vallen samen met het hoe dan ook-principe. Het is de samenvoeging van het plezier, het enthousiasme en de drive, de persoonlijke betrokkenheid. Alles komt voort uit die drive: ‘je filosofie, je verbeelding, je overtuigingskracht. De hele bliksemse boel berust op die drive en op niets anders.’ En de drive is hetzelfde als het hoe dan ook-principe, daar zit alles in: plezier, enthousiasme, persoonlijke betrokkenheid, en natuurlijk de verbeelding als noodzaak.

    Het gaat in Koetsier Herfst over de kreeften. Dat is de persoonlijke betrokkenheid: consider the lobster. De vertelling is speels, geen spel! Want het spel kent geen ernst, en Koetsier Herfst is wel degelijk ernstig. Het ernstige is de deridiaanse deconstructie, want Mutsaers onttroont de mens als koning van de schepping. In de hiërachische oppositie mens-dier is de mens de kern, de belangrijkste drager van betekenis. Het dier is slechts het supplement, een aanvulling op de kern –  de mens. Mutsaers maakt deze oppositie onbeslisbaar. Elk leven is evenveel waard, dat van de mens net zo veel als van de kreeft en dat van de kreeft net zo veel als van een paard en van een hond. En, opdat we het niet vergeten, het leven van een hond is evenveel waard als van een insect.

    Het gaat om de dieren. Paarden en honden in haar essay’s, paarden in Rachels rokje, de kat Grappa, de hond Slava en de kreeften in Koetsier Herfst.

    ‘En de
    dieren dan’

    Een strofe als wanhopige vraag. De strofe komt uit een gedicht uit de bundel Dooier op drift. Eigenlijk gaf ze mij, en natuurlijk de andere fans, een verjaardagscadeau met deze bundel. Sentimenteel? Suck it up, bewondering is ernstig sentimenteel.

     

    Gebruikte literatuur van Charlotte Mutsaers:

    • Dooier op drift. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012.
    • Pendante pendules en andere wekkers. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010.
    • Koetsier Herfst. Amsterdam: De Bezige Bij, 2008.
    • Zeepijn. 2e dr. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 2000.
    • Paardejam. 8e dr. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010.
    • Rachels rokje. 11e dr. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006.
    • De Markiezin. 9e dr. deVolkskrant, 2011.

     

     

  • Koetsier Herfst gebaseerd op een dichtregel van Osama bin Laden

    Koetsier Herfst gebaseerd op een dichtregel van Osama bin Laden

    door Kate Eaton

    Ontucht met dieren wordt strafbaar. Het PvdA-voorstel daartoe is in maart 2008 aangenomen door de Tweede Kamer. Overigens niet uit compassie met het dier, maar om de goede zeden te handhaven. De Partij voor de Dieren vond het een marginaal gebaar. Wél onverdoofd varkens castreren en couperen ? om maar wat te noemen ? maar geen seks met diezelfde varkens. Charlotte Mutsaers stond bij de landelijke verkiezingen in 2006 op de kandidatenlijst voor de PvdD. In haar nieuwe roman Koetsier Herfst helpen respectievelijk poes en poedel de hoofdpersonen zo nu en dan een hoogtepunt te bereiken. Kan ‘En wat je nog meer likte met je kleine raspje’ straks nog blijven staan?

    Veertien jaar na haar spraakmakend postmoderne Rachels Rokje staat de auteur, met hond en kek rood mutsje poserend voor etablissement Polaris te Oostende, op de achterflap van Koetsier Herfst. In de tussenliggende jaren verschenen verhalen- en essaybundels en beeldend werk van haar hand. En nu dus weer een roman. Het is met 460 bladzijden een dikke pil geworden die in vlot geschreven proza een keur aan nevengeschikte onderwerpen op een levendige manier onder de aandacht brengt. De gefortuneerde Amsterdamse schrijver Maurice Maillot is van middelbare leeftijd. Na de dood van zijn kat heeft hij zich met een writer’s block teruggetrokken uit het bruisende literaire leven van de hoofdstad. Met een afkeer voor dikdoenerij en alle vormen van spel en een voorliefde voor luxe pyjama’s en gymnasiastenlatijn (‘Ante Portas!’), handhaaft Maillot een routineuze dagindeling. Wandelingetjes in het Vondelpark, regelmatige masturbatie en het diner in een louche grillbar worden een enkele keer onderbroken door het aanroepen van Jorma Ollilla (connecting people, als bovenbaas van Nokia). Tijdens een van zijn wandelingen vindt de getroebleerde auteur een mobieltje dat vriendschap, liefde, levenslust en stof voor een nieuwe roman op zijn pad brengt. Hij raakt bevriend met Freddy, een ritselaar uit de heffe van de grillbar, en wordt verliefd op Do, een jonge dierenactiviste.

    De raadselachtige titel Koetsier Herfst is gebaseerd op een dichtregel van Osama bin Laden, het idool van Maillots geliefde.
    Na de introductie van Maurice Maillot volgt in het eerste deel van het boek het levensverhaal van Maillot zoals hij dat aan Freddy vertelt, na een nachtelijk avontuur waarbij hij de gevonden mobiel weer kwijtraakt. Het tweede deel van het boek bestaat uit het Belgische avontuur van Maillot en zijn ‘vrouw’ Do in en om Oostende: ‘Doordringende kou. Er hangt een zeemist. De stad is in nevelen gehuld. Nog vrijwel niemand op straat. Ik keer me nog even om naar Polaris. “Adieu, Polaris! Het ga je goed!”.’

    Mutsaers geeft in Koetsier Herfst informatie over de meest uiteenlopende onderwerpen: van de ins en outs van uropodia (ofwel plasseks) en vegetarisme tot de activiteiten van het Lobster Liberation Front en de mogelijkheden om met een mobiel (‘de telefoonengel’) iemand in het graf toe te spreken. Het is allemaal het weten waard, maar echt veel wijzer word je niet van Koetsier Herfst. Het leuke van de roman is dat de vele aangesneden onderwerpen van eenzelfde belang zijn. Het vervelende van de roman is eveneens dat de vele aangesneden onderwerpen van eenzelfde belang zijn. Na enige overpeinzingen lijken ultieme eenzaamheid en dierenliefde de meest belangwekkende thema’s in Mutsaers nieuwe boek. Maar die twee zaken laten zich dus niet veel langer meer straffeloos verenigen in postpostmodern Nederland.

     

     

  • Biografiegegevens Charlotte Mutsaers

    Charlotte Jacoba Maria Mutsaers (Utrecht, 2 november 1942) is schrijfster, essayiste en schilderes. ‘Vaak word ik getypeerd als liefhebber van details. Meestal is dat goed bedoeld maar het is geen juiste voorstelling van zaken. Er bestaan geen details. Alles is via causale ketens met elkaar verbonden en je hoeft geen speurneus te zijn zoals ik om er achter te komen dat de haar van een rups van niet minder importantie is dan het Vrijheidsbeeld.’

    Persoonlijk

    Charlotte Mutsaers wordt geboren in Utrecht. Haar moeder is – als we van haar verhalen, essays en interviews uitgaan – een dominante vrouw die haar sterk het gevoel geeft lastig en luidruchtig te zijn. Haar vader is kunsthistoricus: ‘Hij werkte als documentalist op het kunsthistorisch instituut in Utrecht en had ook voor zichzelf een gigantische verzameling van duizenden plaatjes aangelegd. Die knipte hij uit de jaarlijkse kunstkalenders en de kerstnummers van luxebladen als L’Oeil en Du. Summum summarum zo’n knippende en plakkende vader. Af en toe mocht ik bij hem op schoot zitten en dan liet hij me “examen” doen. Ik moest dan raden uit welke tijd een bepaald kunstwerk stamde en van welke hand het was. Op die manier heb ik een enorme kennis van de schilderkunst verworven. Zijn verzameling bevindt zich thans in het NKD (Nederlands Kunsthistorisch Documentatiecentrum) te Den Haag’ (www.charlottemutsaers.nl).

    Na haar middelbare schooltijd studeert Mutsaers eerst Nederlands, vervolgens gaat ze – via enige omwegen op haar negenentwintigste naar de Rietveldacademie in Amsterdam. Veel exposities heeft ze daarna niet, maar haar werk wordt wel veelvuldig gekocht door verzamelaars.

    In 1994 breekt ze als schrijfster door met Rachels rokje, een persoonlijk universum van verhalen, herinneringen, uitweidingen en associaties rond een radicale verliefdheid.

    Mutsaers is getrouwd met de neerlandicus Jan Fontijn en woont met man en hond afwisselend in Amsterdam, Frankrijk en Oostende.

    Bron: www.charlottemutsaers.nl en www.literairnederland.nl

    Bijzonderheden

    • Het werk van Mutsaers wordt als postmodernistisch beschouwd. Anthony Mertens: ‘De ruis in de teksten van Charlotte Mutsaers is geruststellend en onrustbarend tegelijkertijd, want het weer kan daar van het ene op het ander moment omslaan.’
    • Mutsaers stond voor de Tweede Kamerverkiezingen 2006 en 2017 op de lijst van de Partij voor de Dieren.
    • In een interview met Adriaan van Dis uit 1983, illustreert Mutsaers dat ze vloeiend woorden andersom blijkt te kunnen uitspreken en zingen.
    • In 2004 werden op initiatief van Charlotte Mutsaers tien bijzondere edities van haar boek Bont (2002) bij opbod verkocht middels een speciale internetveiling ten bate van de Stichting Bont voor Dieren.
    • In 1987 ontwerpt ze een serie kinderpostzegels. In 2000 stelde ze een aantal werken tentoon in de Vleeshal voor de tentoonstelling Schilderen en schrijven.

    Links

    www.charlottemutsaers.nl

    Werken

    • Het circus van de geest (1983, emblemata)
    • Hazepeper gevolgd door Napoleon, Sunt pueri pueri… en Varia (1985, essays)
    • Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw (1986, beeldverhaal)
    • De markiezin (1988, roman)
    • Hanegeschrei (1988, beeldverhaal)
    • Kersebloed (1990, essays)
    • Rachels rokje (1994, roman)
    • Paardejam (1996, essays)
    • Zeepijn (1999, verhalenbundel)
    • Bont. Uit de zoo van Charlotte Mutsaers (2002)
    • Cheese! (2003, boek en cd)
    • Koetsier Herfst (2008, roman)
    • 2010 – Pedante pendules en andere wekkers (essays)
    • 2012 – Dooier op drift (poëzie)
    • 2012 – Sodom revisited (poëzie, uitgave in de Matchboox-serie met artwork van Louis Gauthier)
    • 2015 – Tongetje in de Bijenkorf
    • 2017 – Harnas van Hansaplast

    Prijzen en benoemingen

    Bron: www.literaireprijzen.nl