• Het verlangen naar oneerbiedigheid

    Het verlangen naar oneerbiedigheid

    Van de Amerikaanse dichter Charles Simic is door Wiljan van den Akker een flink aantal gedichten en enige korte prozafragmenten geselecteerd en in het Nederlands vertaald. Al vanaf zijn  poëziedebuut What the grass says uit 1967 combineert Charles Simic in heldere, verstaanbare gedichten de verheven verwondering met de prozaïsche werkelijkheid. Niet eerder werd in Nederlandse vertaling het dichterschap van deze dichter, die al vele internationale prijzen in de wacht sleepte, met zo’n ruime bloemlezing geëerd.

    Charles Simic werd in 1938 in Belgrado geboren en maakte als kind de naziterreur van de Tweede Wereldoorlog mee, een periode die zijn hele oeuvre kleurt.  Het zal weinig verbazen dat zijn poëzie geen geflatteerd portret van de menselijke soort laat zien. In zijn door verwondering geprikkelde verbeelding pendelt Simic op en neer tussen de van dreiging zwangere wereld uit zijn Balkankinderjaren en de volwassen wereld van nu. Wellicht dat de Engelse taal als kogelwerendvest diende om ongeschonden in zijn herinneringen af te dalen om zo de beelden als buitenstaander te kunnen becommentariëren. Alsof men luistert naar de voice-over van een balling, ‘iemand die in twee werelden leeft / waarvan er een onzegbaar is.’

    Een soort non-genre

    Aan de bloemlezing gaat een citaat van Simic zelf vooraf: ‘Ik streef naar het scheppen van een soort non-genre, gemaakt van fictie, autobiografie, essay, poëzie en, natuurlijk, humor!’ Het associatieve van jazz, waarmee zijn nieuwe vaderland hem als 16 jarige liet kennismaken, kenmerkt zijn poëzie. En die poëzie is steevast geworteld in zijn levenservaring en de getrainde blik het essentiële detail te ontwaren in de blinde vlek van onze grootste gemene delers. Een filmische, verhalende stem, kort gehouden door woorden die alleen het noodzakelijke verbeelden, op een laconieke, maar niet van de menselijke maat gespeende toon. Een wijze toon ook. 

    In zijn rede Defence of Poetry uit 1997 liet hij zijn licht schijnen over nut en noodzaak van gedichten: ‘Lyrische poëzie is niets anders dan een eeuwenoude poging om onze onsterfelijke zielen met onze genitaliën te verzoenen’. En: ‘De ontdekking dat het tragische en het komische altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, deed me over de vloer rollen van geluk’. Hier en daar weet Simic á la Breugel een petite histoire de existentiële dimensie van het ware leven mee te geven, waarvan hij de gruwelijkheden naar de uiteinden van het gedicht verbant. Daar waar ze in eerste instantie niet, maar uiteindelijk des te onoverkomelijker tevoorschijn treden. Zoals in het gedicht ‘Bijbelles’, waarin een groepje sherry nippende ‘gezegenden’ zich zelfgenoegzaam warmt aan het geloof in een ‘andere, betere wereld / vol hemelse liefde en goedheid’. Maar ‘over het nieuws dat lange vrachttreinen / vrouwen en mannen dieper/ en dieper deze duistere eeuw insleuren’ geeft ieder van hen slechts ‘tactvol zijn mening’, zoals Simic in het bittere slot fijntjes opmerkt. Prettige bijkomstigheid in het werk van deze dichter is dat hij nergens dingen al te zeer bij naam noemt, maar uitwisselbare ervaringen oproept die iedereen met zijn eigen verbeelding kan inkleuren.

    Om helder te denken 

     Ik heb een varken en een engel nodig.
    Het varken om zijn snuit in een slobberbak te steken,
    de engel om zijn rug te krabben
    en lieve woordjes in zijn oor te fluisteren.

    Het varken weet wat hem te wachten staat.
    Geef hem hoop, engelenkind,
    met dat eeuwigheidsspul.
    Ga jezelf niet bewonderen
    in het slagersmes
    alsof het een hoerenspiegel is
    of hem pesten door een bloedbevlekt
    schort tot boven je knieën te tillen.

    Het varken is getopt met eten
    en staat peinzend tussen ons in.
    De kam van de haan vlamt al
    in de ochtendduisternis.
    Hij kraait nog niet maar zijn ogen staan woest
    wanneer hij over het erf paradeert. 

    Soepel lezende vertaling

    De door Wiljan van den Akker gekozen en vertaalde selectie gedichten worden in deze royale uitgave chronologisch gepresenteerd en gelardeerd met korte, titelloze prozafragmenten uit The monster loves his labyrinth; Notebooks van 2008. Deze laatste variëren van een ontnuchterende anekdote, soms ronduit waarschuwend van toon, tot pure belijdenis van de alles overstijgende kracht van poëzie. Naar het einde van deze bloemlezing oogt Simics werk zo mogelijk nog iets ongedwongener dan in het begin, alsof hij met het klimmen der jaren nog iets geraffineerder werd in het uitspelen van zijn troeven. 

    De Reddingboot

    Keek de koe die vannacht
    alleen in de wei werd achtergelaten
    naar de sterren?
    Hoe zit het met de krekel
    die zojuist is gaan zwijgen?
    Was hij verbijsterd over wat hij zag?

    De nachthemel is dol op mensen
    de bergen willen verzetten om dan
    iets vertrouwelijks omhoog te fluisteren.
    Ach, wat ik hem allemaal zou vertellen
    als ik in mijn eentje op zee
    in een reddingsboot zou zitten.

    Simics licht filosofische toon, die nergens routinematig wordt, komt voorbeeldig tot zijn recht in deze soepel lezende vertaling. Een eenmaal begonnen lezing breekt men niet makkelijk af.

    ‘Meerdanietsandersstaathetverlangennaaroneerbiedigheid aan de wieg van mijn poëzie. De behoefte om elke autoriteit voor schut te zetten. (…) in één adem door beweren dat je engelen hebt gezien en dat er geen god bestaat.’ Met zo’n credo is het goed voor de dag komen, maar je moet ermee uit de voeten kunnen om er aanstekelijke poëzie van te maken. En dat doet Simic!

     

     

  • Oogst week 23 – 2018

    Tussen Lenin en Lucebert

    Igor Cornelissen (1935) schreef als journalist voor Het Vrije Volk, Het Parool enVrij Nederland over onderwerpen als de sociale strijd, Oost-Europa, communisme, spionage en de Tweede Wereldoorlog.

    In Tussen Lenin en Lucebert schrijft hij over de opmerkelijke Nederlandse kunstcritica en communiste Mathilde Visser (1900 – 1985). Visser werd geboren in een welgesteld joods-liberaal milieu. Voor de oorlog woonde zij na een mislukt huwelijk een tijd alleen in Berlijn. Toen het haar daar te heet onder de voeten werd verhuisde ze naar Parijs waar ze de kunstenaars Pablo Picasso, Salvador Dali en Max Ernst leerde kennen. Die vriendenkring vormde haar verder en was de basis voor haar carrière als kunstcritica.

    Hoewel ze na de oorlog veel geld gaf aan de Communistische Partij van Nederland kostte het haar veel moeite om het lidmaatschap te verkrijgen. De partijleiding vertrouwde de rijke, in bontjas gehulde bourgeoisdame niet helemaal.
    Cornelissen reconstrueerde het levensverhaal van Mathilde Visser aan de hand van brieven, dagboeken en gesprekken met tijdgenoten.

     

    Tussen Lenin en Lucebert
    Auteur: Igor Cornelissen
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tokio mon amour

    In het eerste hoofdstuk van Tokio mon amour toont Ian Buruma zich nog onzeker:

    ‘…Mijn vlucht met Pakistan International Airlines was geboekt. Ik stond ingeschreven bij de filmacademie van de Nihon-universiteit in Tokio en had een studiebeurs toegekend gekregen van de Japanse overheid, waarmee ik de kosten voor mijn levensonderhoud kon betalen. Ik vond het spannend om voor een flink aantal jaren naar Tokio te verhuizen, maar ook een beetje eng. Zou ik geen heimwee krijgen en me zo eenzaam voelen dat ik de hele tijd brieven ging zitten schrijven aan mensen die zich op bijna tienduizend kilometer van Tokio bevonden? Zou ik binnen enkele maanden terug zijn, vernederd omdat ik een morele nederlaag had geleden? Ik had een Japanse vriendin, Sumie, die mee naar Japan zou verhuizen, maar toch.’ …

    Buruma kwam in 1975 aan in Tokio, en had geen idee wat hem te wachten stond. Hij was in Amsterdam en Parijs gefascineerd geraakt door Japanse films en theater en dus reisde hij naar de bron. In Tokio mon amour doet hij daar verslag van.

    Tokio mon amour
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Amsterdam

    Eva Cossee over haar boek:

    ‘Mijn Amsterdam is een stad van immigranten. Dat ik zo denk, is niet zo vreemd. Mijn voorvaderen Cossée waren Hugenoten en kwamen in de zeventiende eeuw vanuit het Loire gebied naar Amsterdam, waar op dat moment bijna 10% van de bevolking van Franse herkomst was. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht op handelaren en kunstenaars gehad. Nu is Amsterdam de meest multiculturele stad ter wereld met nog meer verschillende nationaliteiten dan New York.

    Amsterdam. Stad van aankomst schetst een beeld van de bevolkingsopbouw na 1945. En Amsterdam is ook altijd een rebelse stad geweest, met rookbommen en protesten, door Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden prachtig verwoord. De handel op het Waterlooplein wordt beschreven door Saskia Goldschmidt en de spreekwoordelijke vrije liefde in de hoofdstad door Cees Nooteboom, en het multiculturele straatbeeld door Robert Vuijsje. Tot slot krijgen ook de neushoorns en andere bewoners van de diergaarde Artis een stem.’

     

    Amsterdam
    Auteur: Eva Cossée
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2018)

    Waarom schrijven?

    De onlangs overleden Philip Roth heeft naast fictie ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in één band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels Lectuur van mijzelf en anderen en Over het vak, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika’s grootste schrijvers.

     

    Waarom schrijven?
    Auteur: Philip Roth
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2018)

    Tijdschrift Terras

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur dat gemaakt wordt door medewerkers verspreid over de hele wereld. Het veertiende nummer, Elders, onderzoekt de tegenstellingen van stad en platteland, centrum en periferie, en brengt plekken in kaart waar iets bijzonders aan de hand is en waar op een mooie manier over geschreven kan worden.
    Het nummer bevat nieuwe ontdekkingen, niet eerder in het Nederlands vertaalde proza-auteurs die worden ingeleid door Annelies Verbeke, dichters zoals de Spaanse Sandra Santana en essayisten. Van Jon Fosse, die in het Nederlands taalgebied al naam heeft als toneelschrijver, worden gedichten en een essay gebracht. Daarnaast is er een hommage aan de dichter Charles Simic die dit jaar 80 wordt, verzorgd door K. Michel en Wiljan van den Akker en zijn er bijdragen van onder meer Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Tomas Lieske, H.C. ten Berge en Joseph Zoderer. Menno Wigman figureert postuum in dit nummer als vertaler (naast Hélène Gelèns en Elma van Haren) van het Poettrio-project met Sean O’Brien, W.N. Herbert en Fiona Sampson.

     

     

  • De uit de duim gezogen biografie van een charmante fantast

    De uit de duim gezogen biografie van een charmante fantast

    Twee van de mooiste poëzie-uitgaves van dit jaar, die niet (oorspronkelijk) Nederlands zijn, zijn van de Amerikaanse dichter Charles Simic (1938). Begin dit jaar verscheen New and Selected Poems: 1962-2012, een uitgebreide keuze uit zijn oeuvre. Bovendien verscheen in oktober Aan de wereld komt geen eind, een integrale vertaling van The World Doesn’t End (1989).

    De vorm van het prozagedicht die Simic vrijwel de hele bundel lang hanteert, heeft veel weg van het zogeheten zeer korte verhaal. De vaak titelloze gedichten zijn korte blokjes proza en delen hun suggestieve minimalisme en anekdotische inslag met het zkv, maar tegelijkertijd hebben ze iets lyrisch dat ze onmiskenbaar tot poëzie maakt. Eigenlijk is de op de loer liggende vraag of dit wel gedichten zijn, niet relevant. De kwaliteit van de teksten blijft constant op hoog niveau en zijn stuk voor stuk intrigerend. Het maakt dan ook niet uit in welk hokje ze geplaatst kunnen worden. Neem nu het derde gedicht, dat de indruk wekt  dat Simic zijn eigen biografie probeert te herschrijven:

    ‘Ik werd gestolen door de zigeuners. Mijn ouders stalen me direct weer terug. Daarna stalen de zigeuners me weer terug. Dat ging een poosje zo door. De ene minuut zat ik in een caravan aan de donkere tepel van mijn nieuwe moeder te zuigen, de andere zat ik aan een lange eetkamertafel met een zilveren lepel mijn ontbijt te nuttigen.

        Het was de eerste lentedag. Eén van mijn vaders was in de badkuip aan het zingen; de andere was een levende mus aan het schilderen in de kleuren van een tropische vogel.’

    Simic is een dichter die duidelijk een eigen stijl heeft, maar daarbinnen bijna achteloos divers is. Hij schrijft even gemakkelijk een helder gedicht over excentrieke toneelacteurs, als bizarre taferelen over een hond die op dansles gaat, of een dode man die het schavot afloopt. De wereld eindigt niet is zeer uiteenlopend qua onderwerpen en gebeurtenissen. Tegenover het hierboven geciteerde gedicht staat bijvoorbeeld het associatieve, raadselachtige Eerst wist ik het, toen niet meer:

    ‘Eerst wist ik het, toen niet meer. Het was alsof ik alleen op het veldje in slaap was gevallen om bij het ontwaken te ontdekken dat er een groep bomen om me heen was gegroeid.

    ‘Twijfel aan niets en geloof alles,’ zo dacht mijn vriend over metafysica, hoewel zijn broer er met zijn vrouw vandoor ging. Hij kocht nog steeds iedere dag een roos voor haar, zat in het lege huis nog twintig jaar met haar over het weer te praten.

    Ik was al aan het wegzakken in de schaduw en droomde dat de ritselende bomen mijn verschillende persoonlijkheden waren die zichzelf allemaal tegelijkertijd openbaarden zodat ik er geen woord van begreep. Mijn leven was een prachtig geheim dat op het punt stond om onthuld te worden, steeds maar op het punt! Moet je nagaan!

    Het lege huis van mijn vriend waar achter alle ramen licht brandt. De donkere bomen die er omheen blijven groeien.’

    Ofschoon de auteur nooit mag worden aangezien voor de ik-persoon van zijn vertellingen, doet de verteller in deze gedichten zeer persoonlijk en menselijk aan. Hoe vreemd de gebeurtenissen soms zijn, je gelooft ze, omdat het lijkt of Simic naast je in het café zit en vertelt wat hij nu weer mee heeft gemaakt. De vorm van het prozagedicht verleidt hem blijkbaar tot een vertrouwelijke verteltoon.

    Eerlijk is eerlijk: in niet alle gedichten van de bundel is sprake van een ik-persoon en als die er wel is, verschilt die ook per gedicht. Een echt verhalende opbouw door het boek heen ontbreekt ook. De autobiografie herschrijvende gedichten aan het begin van de bundel maken het echter heel verleidelijk om dit als een gefictionaliseerd levensverhaal te lezen. Simic laat je daar toch mooi intuimelen. Door zijn charmante parlandotoon vergeef je de dichter ook gemakkelijk dat hij zijn belevenissen aan elkaar fantaseert en het ene moment de zoon van een zwarte rooksliert zegt te zijn en het volgende moment de laatste soldaat uit Napoleons leger is.

    Vertaler Ivo Kievenaar verdient lof voor zijn soepele vertaling, die het praterige van Simic goed weergeeft. Enerzijds lijken de gedichten oorspronkelijk Nederlandse teksten te zijn, en anderzijds ademen ze ook in deze taal de onmiskenbare geest van Simic. En dat alles gebeurt dus tegelijkertijd, een mooie prestatie. Het is jammer dat de bundel geen tweetalige uitgave is geworden, maar voor een keuze uit de oorspronkelijke teksten kun je terecht bij het al eerder genoemde New and Selected Poems: 1962-2012.

    Simic is een fantast, maar een heel charmante fantast. Dat levert een schat aan opmerkelijke situaties op. Zo krijgt het aan elkaar verzonnen levensverhaal van de onbetrouwbare, maar o zo boeiende verteller vorm. De wereld van de verbeelding kent, getuige Aan de wereld komt geen eind, duidelijk geen einde. Het is niet moeilijk om hier twee guitige pretoogjes van de dichter bij te bedenken.