• Ondraaglijke schoonheid

    Ondraaglijke schoonheid

    De Franstalige Zwitserse schrijver Charles Ferdinand Ramuz (1878-1947) schreef La Beauté sur la terre in 1927Schoonheid op aarde, in 2022 bewonderenswaardig mooi vertaald door Rokus Hofstede, is dus een inmiddels bijna honderdjarige roman. Ook de setting is minstens een eeuw oud: een rustieke dorpsgemeenschap aan het meer van Genève tegen de achtergrond van de prachtige, nog woeste natuur van de Zwitserse Alpen. In deze belegen context kan het niet anders dan dat ook de rollen binnen de gemeenschap vastliggen: vrouwen zijn of femme fatale of onderworpen grijze muis of feeks. Mannen zijn gewoon mannen; verder heb je vissers, boeren, dienstpersoneel, werklui, een kroegbaas, een burgermeester, een gebochelde muzikant, allemaal met eeuwenlang vastliggende taken en plichten. Dan komt helemaal uit Cuba een negentienjarige jonge vrouw in het dorp wonen. Zij is de nicht van cafébaas Milliquet, die met tegenzin heeft  ingestemd de dochter van zijn gestorven broer op te vangen.

    ‘Objet désirable’

    De mannen in het dorp vallen als een blok voor de exotische schoonheid Juliette. Ze willen haar allemaal op de één of andere manier bezitten – veroveren, beheersen, of op z’n minst bevoogden. De lezer ziet Juliette dan ook vrijwel enkel door hun ogen. Ze is immers maar een ‘objet désirable’, een ding dat hebzucht, lust opwekt. ‘Want weten wij wat we met schoonheid aan moeten onder de mensen?’ is een terugkerende vraag in het boek. ‘Hébben wil je, en anders maak je kapot.’, zegt bij wijze van antwoord het meest agressieve personage. Inderdaad lijkt het erop alsof de drang om te hebben, te domineren en te onderwerpen van schoonheid (en wellicht in ruime zin van alles dat waardevol lijkt) zich tegen de mens keert en hem tot eenzaamheid veroordeelt. Ook voor deze Esmeralda is er geen plaats tussen het gepeupel en het is wrang dat het juist een gebochelde is die het als enige, en in zekere zin onbaatzuchtig, voor haar opneemt. Daarom verdwijnt ze tenslotte met haar gebochelde Quasimodo. Schoonheid op aarde is vluchtig en als ze verdwijnt, blijft chaos over. 

    Poëtische bezieling

    Vermoedelijk zal het niet de intrige op zich zijn die de huidige lezer verleidt en boeit. Daarin schuilt niet de kracht van Ramuz’ roman. Heel erg bijzonder daarentegen zijn de beschrijvingen van de natuur, die een echo lijken te zijn voor de stemmingen en gevoelens van de personages. Je zou het een soort animisme kunnen noemen, een convergentie tussen de ziel van de mens en die van de blijkbaar eveneens bezielde dingen, zielen, die allemaal met elkaar communiceren, in elkaar overlopen en elkaar versterken. De storm die aan het einde van de roman losbarst en in zijn groeiende heftigheid van over elkaar buitelende golven de dramatische gebeurtenissen in het dorp weerspiegelt is hier een prachtig voorbeeld van. Daarnaast levert deze vervlechting ook mooie, poëtische beelden op:

    …het zonlicht…op de gloeiende weiden, was…net goudpoeder; boven de bossen warme as. Alles maakte zich mooi, alles maakte zich nog mooier, alsof er een wedijver heerste. Alle dingen die zich mooi, steeds mooier maken, het water, de bergen, de hemel, wat vloeibaar is, wat vast is, wat noch vast noch vloeibaar is, maar alles hangt met elkaar samen; er was zoiets als een verstandhouding, een aanhoudende uitwisseling tussen het ene ding en het andere, en tussen alles wat er is.’

    In zo’n wereld vol dwarsverbanden kunnen medailles hangen ‘zich op het behangpapier te vervelen in hun lijst’, bomen samenwerken ‘om met hun bladeren de hemel boven de wegen aan het oog te onttrekken’, bergen blinken ‘als omgedraaide kopjes van wit aardewerk’ of ‘kleine golfjes voortdurend speels afdalen en opklimmen, als kleine meisjes op een zandberg’ en ook kan geluid vallen ‘op de grond alsof iemand het met een schaar heeft doorgeknipt’.

    Het zijn kleine en prachtige juweeltjes van beeldend taalgebruik vol poëzie. Maar daarnaast kan deze verstrengeling van mens en natuur, deze wederzijdse afhankelijkheid van levende wezens en ogenschijnlijk levenloze dingen ook de moderne, van de natuur los geraakte mens aanspreken. In deze twee aspecten schuilt beslist de waarde van Ramuz’ roman.

    Modern 

    Bij deze bijzondere zienswijze van de wereld waarin alles met elkaar communiceert moet de schrijver ongetwijfeld een passende, vernieuwende manier van schrijven hebben gezocht. Ook zijn schrijfstijl moest grensoverschrijdend zijn en onverwachte verbindingen aangaan. In zijn tijd kreeg hij vanuit literair Frankrijk het verwijt de Franse taal in zekere zin te mishandelen door haar spreektalig, boers te laten klinken. Ook tegenwoordig is Ramuz’ stijl niet voor iedereen weggelegd. De lezer moet in ieder geval welwillend zijn en openstaan voor experimenten. 

    De auteur speelt met werkwoordstijden (tegenwoordige en verleden tijd volgen elkaar onverklaarbaar op), laat flarden zin letterlijk naast elkaar herhaald staan en gebruikt persoonlijke voornaamwoorden waarbij het duister blijft naar wie ze verwijzen: een ‘ik’ of ‘je’ en vooral de ‘we’ kan op heel verschillende personen slaan; soms zit de verteller er duidelijk bij, dan weer waarschijnlijk helemaal niet. Verwarrend is dit in elk geval. Maar wat voor de lezer de oriëntatie en het inschatten van afstanden en tijdsduur echt bemoeilijkt is het steeds en onverwacht verschuivende perspectief. Het personage door wiens ogen we als lezer naar een scène kijken kan vlakbij zitten, maar vaker nog op grote afstand en hoger gelegen plekken. Het overzicht is zo groter, maar ook fragmentarisch. 

    Montagetechniek

    Het is alsof de gebeurtenissen door een camera geregistreerd werden en vervolgens met behulp van een snelle montagetechniek achter elkaar zijn gezet. Ramuz hield van muziek en schilderkunst, misschien ook van film en fotografie. In ieder geval doet zijn stijl schilderachtig en filmisch aan, alsof hij kleurtoetsen op een doek plaatst of de kadrering van een foto bepaalt: ‘Opnieuw had een stoomboot, met zijn naam die je kon lezen (het was de Rhône), een ogenblik lang geen voor- en geen achtersteven tussen de deurposten, terwijl het uiteinde van de schoorsteen net tot de bovendorpel reikte.

    Vanaf de eerste bladzijden hangt er constant een subtiele dreiging boven het verhaal. Het zet aan tot doorlezen, maar heeft ook iets onbevredigends, omdat de lezer er geen vat op krijgt, gedesoriënteerd raakt. Maar is dat niet wat een boek tot literatuur maakt?

     

     

  • Oogst week 2 – 2023

    Schoonheid op aarde

    Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) was een eigenzinnige schrijver. Hij was een Zwitser die in het Frans schreef, maar in Franse literaire kringen op weerstand stuitte omdat zijn gebruik van de taal dichter bij het boerenmilieu lag dan bij het geciviliseerde Frans. Hoewel hij legio werken op zijn naam heeft staan werden er maar twee ooit in het Nederlands vertaald, waaronder De grote angst in de bergen uit 1926 dat in 2018, vertaald door Rokus Hofstede, bij Van Oorschot uitkwam. Dezelfde uitgever en vertaler komen nu met Schoonheid op aarde uit 1927. In deze roman belandt een Cubaanse schone in een klein Zwitsers wijndorp. Het is Juliette, een negentienjarig weesmeisje dat wordt opgenomen in het gezin van een cafébaas die haar oom is. Nadat ze voor de nodige spanningen in de hoofden van de dorpelingen heeft gezorgd, vertrekt ze na een half jaar met een Italiaanse muzikant. De waardering die de roman oogstte betrof niet alleen zijn etalering van menselijke dilemma’s, maar vooral de moderne vertelstijl met alsmaar verschuivende perspectieven.

    Schoonheid op aarde
    Auteur: Charles Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Bier in de snookerclub

    De Egyptische schrijver Waguih Ghali (1927?-1969) is, hoewel hij meer schreef, bekend door één enigszins autobiografische roman, Bier in de snookerclub. De vertaling die nu is uitgebracht door Jurgen Maas is een herziene editie van die uit 1990. De roman speelt in de postkoloniale tijd, direct nadat de Engelsen zijn verdwenen en koning Faroek is afgezet. Aan de macht is president Nasser die weinig heeft gerealiseerd van de beloften waarmee hij het politieke toneel betrad. Hoofdpersonen zijn de studenten Ram en Font, die al snookerend en drinkend de hypocrisie in hun land analyseren. Met de cocktails die ze zelf brouwen proberen ze hun verlangen naar het bier Bass uit de Engelse tijd te bevredigen. Beiden hebben ze gestudeerd en allebei zijn ze in Engeland geweest. In de snookerbar gaan hun gesprekken over wat Egypte is kwijtgeraakt en of het land daar beter van is geworden.

    Bier in de snookerclub
    Auteur: Waguih Ghali
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Heerlijk Monster

    De Vlaamse Fleur Pierets is onder andere performancekunstenaar en LGBTQ+ activist. Haar artistieke partner en vrouw, de Nederlandse Julian P. Boom, stierf op 22 januari 2018. Ze waren toen vier keer met elkaar getrouwd. Die huwelijken waren een project dat 22 landen omvatte waar het homohuwelijk is toegestaan. Over het rouwproces om de dood van haar vrouw schreef Pierets in 2019 Julian. Nu is er het nieuwste boek van Pierets, Heerlijk monster. Het is een persoonlijk boek, maar geen autobiografie, ook al is de hoofdpersoon een schrijfster die kort geleden haar vrouw heeft verloren. Een genre-aanduiding ontbreekt op het omslag. Pierets maakt in het boek online de reis die het personages Therese en Carol maken in het verfilmde Carol van Patricia Highsmith. De twee wilden zo ontdekken wat het betekende om een lesbische relatie te hebben in een wereld die daar soms vijandig tegenover staat. Op die manier gaat ze op zoek naar hoe je identiteit vorm krijgt als je deel bent van een minderheid.

    Heerlijk Monster
    Auteur: Fleur Pierets
    Uitgeverij: Das Mag
  • Herontdekte meesters

    Herontdekte meesters

    Als lezer is het ontdekken van een nieuwe schrijver het mooiste wat er is. Dat wordt alleen maar geweldiger naarmate je ouder wordt, omdat je steeds meer het gevoel hebt alles al gelezen te hebben, wat natuurlijk klinkklare onzin is. Je wilt niet blasé zijn, een lezer is nieuwsgierig en wil blijven lezen. Alleen moeten de boeken wel het niveau hebben van de romans die je fantastisch vond. Om die reden staat de Boeken-top 10 je maar matig aan. Het vermoeden bestaat dat dit niet van die geweldige boeken zijn, maar van slim gemarkete auteurs, gepusht door hippe televisieprogramma’s. Om de doorgewinterde lezer te bedienen, worden er  steeds meer ‘herontdekte meesterwerken’ uitgegeven, hoewel je daarbij ook op je hoede moet zijn. Eveneens een marketingstrategie tenslotte.

    Bekend is de ‘Schwob-serie’ met ‘de mooist vergeten klassiekers’. Hierin bevinden zich inderdaad prachtige boeken. Zo was ik bekoord door De grote angst in de bergen van de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz. En onlangs door Grote Dieven Kleine Dieven van Albert Cossery. Ik had nog nooit wat van Cossery gelezen. Het bleek een omissie: de gebeitelde stijl, humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek bevielen mij zeer. Ook de achtergrond van de schrijver sprak mij meteen aan. Dan wil ik meer van zo iemand lezen. Bij de gewone boekhandel hoef je niet te zijn als je op zoek bent naar oudere titels: de omloopsnelheid van een boek is hooguit twee jaar en ik heb wel eens gehoord dat als een boek niet binnen drie maanden aanslaat, de kans op succes verkeken is. Hoogstwaarschijnlijk ligt het dan al in januari in de uitverkoopdozen.

    Het eldorado voor de echte lezer zijn de antiquariaten. Boekwinkeltjes.nl is hiervoor de ideale wegwijzer. Al is het altijd leuker een boekwinkel binnen te lopen, is dit minder efficiënt als je al weet wat je wilt hebben. Ik vond al snel enkele titels van Cossery. Eveneens vertaald door Mirjam de Veth. Uitgegeven door de mooie kleine uitgeverij Coppens & Frenks, die ook meesterwerken aan de vergetelheid wil ontrukken en eren met een bibliofiele uitgave. Ik ben vrees ik, u voor geweest, maar er zijn nog titels van Cossery antiquarisch te verkrijgen. Zoals bijvoorbeeld het hilarische De luiaards in de vruchtbare vallei, over een nest Egyptische Oblomovs. Hét antigif tegen calvinistisch arbeidsethos.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • De natuur in verweer

    De natuur in verweer

    Eens in de zoveel jaar duikt er een literaire parel op in het Nederlands die tot dan toe raadselachtig onder de radar bleef. Bekende voorbeelden zijn Gloed (van Sándor Márai) en Stoner (John Williams), waarvan prompt tientallen herdrukken verschenen. Het zou mooi en terecht zijn als het ook zover komt met De grote angst in de bergen, een boek uit 1926 dat dit voorjaar voor het eerst in vertaling verscheen bij Van Oorschot. Weinigen slaagden er zo goed in om de Alpenwereld levensecht op papier te krijgen als hier de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz.

    Exploitatie van de alm
    De handeling begint in een klein bergdorpje, waarvan de bewoners beraadslagen over wat te doen met de hooggelegen alpenweide Sasseneire, die al twintig jaar niet meer gebruikt wordt. Vreemde verhalen doen de ronde over wat zich eertijds heeft voorgedaan; er zouden mensen zijn omgekomen, de bergen daar lijken menselijke aanwezigheid niet te tolereren. Zo zeggen de ouderen het, maar de jongeren lachen de praatjes weg en het besluit wordt genomen om de alm weer in gebruik te nemen en er in de zomer vee te hoeden. Een van de mannen die zich aanmeldt om voor enkele maanden naar boven te gaan is de jonge Joseph. Hij hoopt zo zijn trouwplannen met Victorine te kunnen bekostigen.

    Na een eerste verkenningstocht gaan uiteindelijk zeven mannen naar boven om zich met zeventig koeien te installeren op Sasseneire. Beide keren dat de route naar de alpenweide volledig belopen wordt staan gedetailleerd opgetekend, in dichtbeschreven pagina’s en vrijwel zonder onderbreking. Het meeste oog heeft Ramuz bij iedere bergtocht voor kleur en licht, dat continu verandert. Ook andere waarnemingen krijgen een plaats: het wisselende geluid van een bergbeek, het gevoel van een voet op de ondergrond of van de temperatuur op het lijf. De dag dat de zeven naar boven trekken is het mooi weer, zo staat het er met nadruk. De mannen worden uitgeleide gedaan door naasten en belangstellenden, een feestelijke tocht. Aan het eind van de middag, wanneer er iets te laat afscheid is genomen, kijkt Joseph Victorine na die afdaalt naar het dorp: ‘Alles was leeg, alles was verlaten, terwijl het tegelijk koud begon te worden en er een grote stilte intrad’.

    Geen weg terug
    Al snel zal blijken dat de oudere dorpsbewoners gelijk hebben gehad met hun waarschuwingen. Zo breekt er een gevreesde ziekte uit onder het vee. Vanwege het grote besmettingsgevaar is er geen  contact meer toegestaan met het dorp, langs het smalle pad worden wachtposten geïnstalleerd. Dit leidt vooral bij Victorine en Joseph tot wanhoop. Van beide kanten worden pogingen ondernomen om elkaar te zien of tenminste een bericht over te brengen. Hieruit ontstaat ook de mooiste alpiene passage die in het boek gevonden kan worden: Joseph bedwingt in zijn eentje de Gemzenpas, een veeleisende route die langs de gletsjer omhoog voert en dan door sneeuw en rots over de bergkam, om zo via een omweg het dorp te bereiken. Deze eenzame tocht, bijna een roes, wordt schitterend beschreven door Charles-Ferdinand Ramuz, met veel kennis van de natuur. De grote angst in de bergen bereikt in deze en navolgende gedeelten een intensiteit waar ook Sándor Márai zich niet voor zou hoeven te schamen.

    Vormvrijheid en een aloud thema
    Naast de zintuiglijke toonzetting valt er nog iets op aan de stijl. Ramuz houdt zich namelijk niet aan de regels met betrekking tot perspectief of werkwoordstijden. Alles loopt door elkaar heen in een vrije vorm, die in dienst wordt gesteld van de lezer. Over de klim van Joseph: ‘Waar gaat hij naartoe? Opnieuw vroeg je je af: ‘Waar mag hij dan naartoe op weg zijn?’, want het leek er niet op dat er op deze plek ook maar enige doorgang kon zijn, toch ging Joseph nog altijd voort. En een ogenblik later begrijpen we het inderdaad […]’. Deze vrijheid, die rotsvast overeind blijft in de soepele vertaling van routinier Rokus Hofstede, is verfrissend en geeft een innovatief accent aan het proza. Daarmee past het werk goed in de twintiger jaren, waarin vormexperimenten eerder regel dan uitzondering waren. De thema’s anderzijds zijn juist heel klassiek: uiteindelijk handelt het boek over de mens die zijn plaats moet kennen ten opzichte van de natuur.

    De grote angst in de bergen is een bijzonder fraaie vertelling die de natuur laat zien van een ongrijpbare en onverbiddelijke kant. Uiteindelijk valt de miserie die plaatsvindt in hoofdzaak toe te schrijven aan menselijke zelfoverschatting. De besognes van mensenwezens lijken binnen het imposante decors dat Ramuz oproept nietig maar de tragische liefdesgeschiedenis van Joseph en Victorine weet desondanks te ontroeren. Een prachtige ontdekking dus, deze oude maar tegelijk fonkelnieuwe Alpenroman.

     

  • Oogst week 11 -2019

    Het lange voorjaar

    Het is een origineel uitgangspunt van de Engelse bioloog Laurence Rose voor zijn boek Het lange voorjaar. Hij gaat aan de hand van de vogeltrek het voorjaar ophalen om mee te nemen naar Europa. Daarvoor reist hij in februari naar Noord-Afrika om vervolgens via Spanje en Frankrijk met de terugkerende vogels mee naar Groot-Brittannië te gaan. Vanuit Engeland reist hij vervolgens met de vogels terug naar hun broedgebieden in Zweden en Finland, om te eindigen in het midzomerlicht aan de meest noordelijke kust van Noorwegen. Vergezeld van ooievaars, zwaluwen, arenden en wilde zwanen brengt Rose de landschappen en de natuur van Europa tot leven en toont het uit zijn winterslaap ontwakende continent.

    […] ‘Het stof en het vocht van Afrika zitten in het vlees van twee miljard vogels, die aan de trek naar het noorden beginnen. Ze zijn weliswaar Europees van geboorte, naar hun aard zijn ze Afrikaans. Elke pees of spier die ze hiernaartoe heeft voortgestuwd, alle brandstof die ze voor hun reis hebben opgevet plus het grootste deel van de verentooi waaraan ze hun luchtwaar- digheid ontlenen, alle dragen ze Afrika in zich. Vogels die in een Engelse akker of Finse aapa aan hun einde komen, voeren een vleugje regenwoud naar noordelijke regionen mee, en hun na- geslacht neemt het later in het najaar weer mee terug.’ […]

    Het lange voorjaar
    Auteur: Laurence Rose
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De zaak Beukenoot

    Schrijfster en politica Marianne Philips (1886 –1951) had een bewogen leven. Ze werd geboren in een welvarend, groot joods gezin. Haar vader stierf toen ze nog heel klein was, haar moeder toen ze veertien was. Het gezin verarmde en moest verhuizen naar een kleine huurwoning. Die ervaring zou ze later gebruiken voor haar roman Henri van den overkant (1936).
    Op jonge leeftijd werd ze lid van de SDAP en werd in 1919 als een van de eerste vrouwen, gemeenteraadslid voor die partij.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog doken zij en haar man, vakbondsman Sam Goudeket, op verschillende adressen onder, eerst gezamenlijk, daarna apart. In die jaren werd ze ziek; ze heeft jaren in het ziekenhuis gelegen en ook daarna bleef ze bedlegerig.

    In 1950, een jaar voor haar dood, was haar novelle De zaak Beukenoot het Boekenweekgeschenk van dat jaar. De zaak Beukenoot gaat over een gerechtelijke dwaling en is een aanklacht tegen klassenjustitie. Uitgeverij Cossee die het nu opnieuw uitbrengt zegt hierover: ‘deze frisse, psychologische novelle blijkt na meer dan vijftig jaar nog altijd actueel.’

    De zaak Beukenoot
    Auteur: Marianne Philips
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De biecht

    Tegelijkertijd met De zaak Beukenoot geeft Cossee ook het autobiografische De biecht opnieuw uit.

    Marianne Philips beschrijft in De biecht een leven van rijkdom, vernedering, haat en liefde. Wat begint als het verhaal van een ambitieuze vrouw, die onverwachts een moederrol voor haar jongste zusje moet vervullen, verandert in een koortsachtige val van haar zelfgebouwde voetstuk.

    Uit het werk van Philips blijkt een grote belangstelling voor ethische, filosofische en sociale vraagstukken.

    Na haar dood werd tot en met 1975 jaarlijks de Marianne Philipsprijs uitgereikt voor werk van auteurs vanaf vijftig jaar die nog steeds creatief waren maar van wie het werk enigszins op de achtergrond was geraakt of dreigde te raken.

    Het is interessant om te zien welke schrijvers deze prijs hebben ontvangen en wie er heden ten dage nog lang niet vergeten zijn.

     

    De biecht
    Auteur: Marianne Philips
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Tijd van de aarde

    Mede dankzij crowdfunding kon de uitgeverij van stichting Perdu deel 7 in de Sporenreeks, Tijd van de aarde van Galina Rymboe ook daadwerkelijk laten drukken. Om hedendaagse experimentele poëzie in het Nederlands te vertalen en uit te geven is in 2013 deze reeks opgericht. In elk nieuw deel is een essay opgenomen waarin de dichter uitgebreid wordt voorgesteld.

    Galina Rymboe is een Russische dichter die opgroeide na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Perdu schrijft over deze schrijfster en haar bundel: ‘Galina Rymboe, een vernieuwende stem binnen de Russische literatuur, roept in haar gedichten postapocalyptische werelden op: oude structuren, herinneringsruïnes, verdrogende rivieren, verlaten opgravingsterreinen. Gewaarwordingen, abstracties en intieme momenten stromen in haar meeslepende taal in elkaar over. Ook het geheugen is in verval geraakt. Maar hoe verwoest, afgedankt of uitgewoond de werelden in deze bundel ook zijn, de dichter blijft zoeken naar manieren om naar huis terug te keren, een plek te vinden die ons kan behoeden. Tijd van de aarde is poëzie van het anthropoceen.’

    Tijd van de aarde
    Auteur: Galina Rymbu
    Uitgeverij: Uitgeverij Perdu

    De grote angst in de bergen

    Tot slot aandacht voor De grote angst in de bergen, een uitgave uit 1926 van Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947), een in Zwitserland bekende, maar daarbuiten onbekende schrijver.

    De grote angst in de bergen gaat over een groep herders die de koeien van het dorp voor de zomermaanden naar een braakliggende alpenweide brengt, vlak onder de gletsjer, waar zich twintig jaar eerder vreemde ongelukken hebben voorgedaan. Volgens de oudere dorpsbewoners is die weide vervloekt. Als de koeien besmet raken met de ‘ziekte’, worden vee en herders in quarantaine geplaatst. De bange, bijgelovige, van de buitenwereld afgezonderde herders verliezen gaandeweg hun menselijkheid. Dan slaat alles om – de grote angst grijpt om zich heen.
    De grote angst in de bergen 
    geldt volgens uitgeverij Van Oorschot als het meesterwerk van Ramuz.

    Vertaler Rokus Hofstede schrijft in zijn nawoord:
    […] ‘Ramuz’ schrijverschap had een paradoxale inzet: hij was een moderne anti-modernist. Ramuz mengde archaïsche thema’s met een experimentele, innovatieve stijl; omdat hij bijna uitsluitend schreef over het boerenleven en argwanend stond tegenover de zegeningen van vooruitgang en moderniteit, werd hij vaak – maar ten onrechte – aangezien voor een auteur van heimatromans en streekverhalen. Tegenwoordig wordt algemeen aanvaard dat Ramuz geen regionalist was maar een bij uitstek modern schrijver, die met zijn vernieuwingen van de romankunst zijn tijd ver vooruit was.’ […]

    En:

    […] ‘Ramuz’ ontdekking was de spreektaal: hij streefde naar een ‘grote boerse stijl’, waarvan de ritmes en klanken waren geënt op de gesproken taal van de wijnboeren en landbouwers uit zijn geboortestreek. De ruwe grootsheid van de natuur die hij beschrijft gold ook voor zijn stijl, die hardhandig brak met de Parijse canon van de goede smaak. Het ‘ramuzisme’ stond in de jaren twintig en dertig bij heel wat puristische Parijse critici voor taalverloedering (‘Als hij een Frans schrijver wil zijn, laat hij dan onze taal leren!… En als hij die niet wil leren, laat hij dan een andere taal gebruiken!’)’ […]

    De grote angst in de bergen
    Auteur: Charles-Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot