• Pannekoeken opgooien

    Pannekoeken opgooien

    Het is een zonnige zaterdagochtend, ik fietst naar het dorp voor de Volkskrant. Ik wil weten hoe deze krant eruit ziet zonder bijdragen van de verdwenen literair criticus Arjan Peters. Of hadden ze nog een recensie van hem liggen? Ik verwacht iets, een teken een sein, opheldering. In de kantoor- tevens tabaks-  en boekhandel aan het plein leg ik de Volkskrant op de toonbank. Ik zeg, ‘De krant zal anders zijn dit weekend’. ‘Ja’, zegt de zoon van de eigenaar, ‘’t is Pinksteren, dan is ie lekker dik.’ ‘Nee’, zeg ik, ‘een invloedrijk criticus is op non-actief gesteld.’ ‘oh, zegt de zoon van de eigenaar, ‘waarom is dat?’

    Er was een dichter die problemen met vrouwen had, een moord pleegde, vijf jaar tbs kreeg. Deze dichter, Achterberg is nu een van de belangrijkste dichters uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poĂ«zie. In Het bureau, bekent meneer Beerta aan Maarten Koning dat hij eens moest voorkomen op verdenking van ontuchtige handelingen met een jongen. Hij werd onschuldig bevonden, maar er was rook geweest. Die is er ook rond Arjan Peters. Peters zorgde voor reuring in de literaire wereld. Op vileine wijze kan hij in kort bestek een boek afkraken, daarvan getuigt een van zijn laatste recensies, In de wacht van Birney. Een eerlijkheid die ik bewonder. Hij interviewde twaalf jaar geleden schrijfster Frida Vogels, die de publiciteit gewoonlijk meed, in Bologna. ‘Ze praat verzorgd, makkelijk en nogal gedecideerd, waarbij soms een lachje rigoureuze uitspraken lijkt te relativeren.’

    Niet elke afgeleverde roman doet het in zijn eentje. Je kunt het internet raadplegen of je nodigt de schrijver uit om over zijn boek te praten. Over de drijfveer, waarom dit boek, welke boeken lees je. Zo ontstaat een literair profiel, dat van nut kan zijn bij het te bespreken boek. Lunchtijd is een mooi moment. Dat het jonge vrouwelijke schrijvers betreft die via een appje werden uitgenodigd, is opmerkelijk. Ieder creëert de wereld waarin hij op zijn best functioneert. 

    De krant ligt het hele weekend op tafel. Een paar keer blader ik er opnieuw doorheen, als had ik niet goed gekeken. Intussen is het Pinksterzondag, de tuin is ons uitgaansgebied. Ik pak De maan en het vuur van Cesare Pavese, leg het op de tafel onder de appelboom. Geef de jonge rijspeulen water. De kat, die in het zand ligt te zonnen, schrikt op. Bedenk dat je zonder overleg met anderen eenzelvig wordt. Zo kan het gaan. Zonder weerspraak raak je uit koers. 

    Het alter ego van Pavese zegt tegen zijn jeugdvriend Nuto, die niet praat over de dingen die hem bezighouden, ‘Als je iets voor elkaar wilt brengen, moet je voeling met de wereld houden. Heb je geen partijen die voor je werken, afgevaardigden die voor je werken? Praat met ze, zoek ze op.’
    Ik vraag me af wat Peters nu doet. Zoekt hij mensen op, leest hij een boek, of bakt hij pannenkoeken, zoals Karel van het Reve placht te doen wanneer hij niets om handen had. Schort voor, boter in de pan en dan zo hoog mogelijk opgooien. En om deze verdwijning in zijn context te kunnen plaatsen, zou ik Peters wel willen interviewen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist vanaf vandaag met mondkapje, schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Veerkracht

    Veerkracht

    Afgelopen vrijdag schreef Michel Krielaars in NRC Handelsblad dat hij Natalia Ginzburg geregeld herleest ‘om er steeds weer iets nieuws in te ontdekken en verbijsterd te staan over haar tijdloze verbeeldingskracht.’ Het verheugde me enorm en las het stuk met plezier, tenminste één iemand die haar boeken geregeld uit de kast haalt. In diezelfde week was ik haar, van wie gewoonlijk zo weinig vernomen wordt, tegengekomen in het fijne boekje Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese. De auteurs Jan Kostwinder en Hein Aalders bezochten de plaatsen waar Pavese gewoond en gewerkt heeft. Natalia Ginzburg behoorde met Pavese tot dezelfde groep bevriende intellectuelen in de jaren dertig. Ze werkten enige tijd bij dezelfde uitgeverij Einaudi in Turijn. 

    Op een van de eerste bladzijden in Een man alleen, wordt haar omschrijving van Pavese in zijn functie als hoofdredacteur weergegeven. ‘Pavese zat, met zijn pijp, aan zijn bureau in razend tempo drukproeven te corrigeren. (…) Of hij schreef aan zijn romans en maakte snel en driftig doorhalingen. Pavese ontving zelden bezoekers. Hij zei, “Ik ben bezig! Ik wil niemand zien! Laat ze barsten! Kan me geen moer schelen!” Maar de nieuwe medewerkers, de jongeren, waren erg gesteld op gesprekken met bezoekers; die konden wel eens met nieuwe ideeĂ«n komen. Pavese zei dan: “Hier hebben we geen ideeĂ«n nodig! We zitten tot over onze oren in de ideeĂ«n!”’

    Het eerste dat ik van Natalia Ginzburg las, was de bundel met drie novellen De weg naar de stad. Over familie, hang naar onafhankelijkheid, de liefde, onbestemde gevoelens. Haar taal is sober, eenvoudige woorden, maar o zo mooi. Wat zij met woorden deed wilde ik ook. Haar zinnen wilde ik schrijven. Zoals zij schreef, ‘Ons huis was rood geschilderd en had een pergola aan de voorkant. We hingen onze kleren over de leuning van de trap, want we waren met zovelen en er waren niet voldoende kasten.’ De novelle Zo is het gebeurd schreef ik met inkt in een schriftje. Zinnen van eenzaamheid en berusting, ‘Als ik ’s zaterdags in Moana aankwam, ging ik vlak naast de kachel zitten en daar bleef ik de hele zondag tot het weer tijd was om te vertrekken.’ Hopende dat er iets van haar stijl in mij zou overgaan.

    Krielaars heeft het in zijn column speciaal over het autobiografische verhaal ‘Winter in Abruzzen’, uit de bundel Mensen om mee te praten. Vijf jaar zat ze met haar man Leone Ginzburg en hun kleine kinderen ondergedoken ten tijde van Mussolini. Later, na de val van Mussolini in 1943, werd haar man om zijn joods zijn opgepakt en doodgemarteld. ‘Mijn man stierf in Rome in de gevangenis van Regina Coeli, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten.’ Haar ‘Winter in Abruzzen’, moet juist nu gelezen worden, ten tijde van leven met beperkingen, de veerkracht die daaruit voortkomt. Natalia Ginzburg schreef een prachtig oeuvre bij elkaar dat getuigt van die onnoemelijke veerkracht. Daar kunnen we het mee doen.

     

    Een man alleen, De zelfmoord van Cesare Pavese / Hein Aalders en Jan Kostwinder / Uitgeverij Aalders & Co. (1996)
    Mensen om mee te praten / Natalia Ginzburg / vertaling Etta Maris / Meulenhoff (1990)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Nasmeulend vuur 

    Nasmeulend vuur 

    Recensie door Heleen Rippen

    De opening van de roman Het grote vuur, voor het eerst in het Nederlands vertaald, lijkt een zinnelijke klassieker: ‘De laatste keer dat ik met Silvia naar zee ging, kleedde ze zich tussen de jeneverbesstruiken om. Ik zag hoe ze vooroverboog en het badpak langs haar rood-bruin verbrande benen afstroopte; haar gezicht verborgen achter haar haren’.

    Giovanni, een Italiaanse journalist beschrijft een zonnige augustusdag met Silvia. Maar al snel blijkt deze liefde een spel met het onmogelijke. Het is een verliefdheid die op een ziekte lijkt, hij lijdt eraan.
    ‘We gingen naar huis en de volgende dag zei ze dat ze niets meer van me wilde weten. Ik bleef alleen achter en dagenlang at ik niets, op fruit en kliekjes na. Het enige waar ik nog behoefte aan had was naar buiten te gaan en te wandelen’.
    Hij zal haar pas eind december terugzien. Silvia heeft dan een telegram gehad waarin ze wordt verzocht om met spoed af te reizen naar haar ouderlijk huis in Maratea, een badplaats in de provincie Basilicata.
    Ze vraagt Giovanni mee te gaan naar het zuiden. Eigenlijk beveelt ze hem met haar mee te gaan. Meegaan of niet, voor Giovanni is het niet eens een keuze. Want wat we willen wordt bepaald door hoe we diep van binnen zijn, door ’wat er in ons bloed zit’ volgens Giovanni.

    Een typerende uitspraak van Silvia is: ‘Ik kan niet verliefd worden, maar jij geeft me hoop’. Daarom nemen ze op kerstochtend de trein naar Maratea en wordt in de roman door beiden beurtelings verslag gedaan van het verblijf in het geboortedorp van Silvia.

    In het huis wonen de moeder van Silvia, haar stiefvader Dino, de tienjarige Giustino en de twee bedienden Catina en Peppe. Giovanni wordt gedurende de paar dagen die ze in het huis doorbrengen, langzaam ingewijd in de familiegeheimen van Silvia.

    De jonge Giustino blijkt op sterven te liggen en daarom is Silvia ontboden. Silvia zegt hierover:
    ‘Te veel dingen waren vermengd met die dood, waardoor ik het niet echt besefte. Geboorte, dood, alles, ook de meest ontstellende gebeurtenissen, leken willekeurig plaats te vinden. Er was een vuur dat altijd brandde en geboorte, dood, oorlogen en overstromingen gingen op in die vlammen. Ik zei: ‘Catina, hier sta je altijd in het vuur’.
    ‘Een groot, groot vuur’ zei Catina. En gedurende de nacht voelde ik dat mijn moeder brandde, dat Dino brandde en dat ik ook weer had vlamgevat’.
    Huis en haard bieden meestal beschutting en warmte. In Silvia’s familiehuis knettert niet alleen de haard, de bewoners doen dat ook.

    Als er iets ambigu is, is dat wel vuur. In het vuur kijken is het leven en tegelijkertijd de vernietiging zien. Alle kamers, de bewoners, hun maaltijden, gesprekken en hun zwijgen zijn zo beklemmend en dubbelzinnig beschreven dat je steeds meer van een spookhuis gaat spreken. Elementaire tegenstellingen als warm en koud en stad en platteland worden gebruikt om de eenzaamheid, de vervreemding en de onmacht van de bewoners voelbaar te maken.

    Stiefvader Dino, ook wel ‘de advocaat’, bestiert dit huis en noemt de familie een bolwerk tegen de dood. Door het overlijden van Giustino (betekent: ‘de rechtvaardige’!) blijkt dat hooguit een tijdelijke waarheid.
    Daags na de begrafenis van Giustino blijkt opnieuw dat het familievuur je kan verminken en dat deze familie zelfs een synoniem voor vernietiging en dood is.
    Giovanni blijft niet lijdzaam toezien. Bij wijze van test, om te zien of en hoe ze reageert, valt hij Silvia letterlijk aan en bijt haar in haar nek.

    Aan het einde van de roman is Giovanni veranderd. Zijn blik is gekanteld omdat hij doorziet dat Silvia hem heeft gebruikt om de verschrikkelijke waarheid van haar familie onder ogen te zien. Een familieschandaal heeft haar zo ingrijpend beschadigd dat ze zich aan niemand meer kan binden. Vroeg in de morgen ontvlucht Giovanni het huis richting zee.

    Deze roman heeft trekken van een psychologische thriller en zou zich uitstekend lenen voor een Fellini-achtige verfilming.
    De Nederlandse vertalers Evalien Rauws en Luc de Rooij schreven een fraai nawoord waarin zij veel achtergrondinformatie geven over Pavese en Garufi en de geschiedenis van deze roman.

    Het manuscript werd een paar jaar na de zelfmoord van Pavese in 1950, door Italo Calvino, schrijver en vriend van Pavese, gevonden. Op het omslag stond Viaggio nel sange (Reis door het bloed). Calvino zorgde voor de eerste Italiaanse uitgave in 1959, getiteld Fuoco Grande.
    De vertalers hebben er nu Het grote vuur van gemaakt. Die titel is wat beperkt. Groot vuur zou massiever en daardoor toepasselijker zijn voor het verhaal van Giovanni en Silvia dat tenslotte in meerdere opzichten allesverzengend is.

    Het co-auteurschap van Cesare Pavese en de tien jaar jongere Bianca Garufi was destijds niet bepaald een strakgepland en stabiel project.
    Ze werkten beiden voor de gerenommeerde Turijnse uitgeverij Einaudi en startten in het najaar van 1945 met de eerste hoofdstukken. Pavese schrijft de hoofdstukken waarin Giovanni aan het woord is en Garufi schrijft die waarin Silvia haar verhaal doet. Tussendoor hebben ze een stormachtige relatie, maar de liefdes van Pavese waren altijd kort en ongelukkig. Zo ook deze. Garufi wijst een huwelijksaanzoek van Pavese af en daarna corresponderen ze verder over de roman. Eind februari 1946, nadat hij van haar per post het zevende hoofdstuk heeft ontvangen, schrijft Pavese het volgende:

    ‘Lieve Bianca,

    (
) Op het ogenblik ben ik ten onrechte geobsedeerd door de persoonlijke ‘onthulling’ die jouw hoofdstuk bevat – de wrede dingen die de domme wreedheid van Silva me laat doen. Ik wist, toen ik met dit boek in zee ging, wel dat deze onderneming alle etter die wij in ons hebben, naar buiten zou brengen, en ik ben niet bang voor woorden maar ik weet ook dat die woorden een onderbewustzijn uitdrukken dat voor ons een niet alleen literaire betekenis heeft gehad en heeft.’

    Is de roman onvoltooid en dus ook ongepubliceerd gebleven omdat er tussen beide schrijvers geen ‘verder’ meer was? Die vraag maakt dit onafgemaakte boek met terugwerkende kracht zo raadselachtig en schrijnend. Andere nasmeulende vragen zijn: in hoeverre schreven de auteurs over zichzelf?
    En wat beoogden ze precies met deze roman behalve het voelbaar maken van de zwaarte van het verleden?

    Paveses oeuvre is in hoge mate autobiografisch en Garufi was een belangrijke vrouw voor Pavese; de vertalers noemen haar zelfs zijn muze. De titel van zijn lievelingsboek Gesprekken met Leuco verwijst rechtstreeks naar haar, want Leuco is ‘wit’ in het Grieks, net als Bianca wit in het Italiaans is.
    Van en over Pavese is veel terug te lezen in de postume uitgave van zijn brieven en dagboekfragmenten opgenomen in Leven als ambacht.
    Over Garufi weten we dat ze werk heeft gemaakt van haar verleden. Ze ging in psychoanalyse en werd zelf psychoanalytica.

    Bekend is dat de uitgave van Fuoco Grande destijds veel stof deed opwaaien in Italië. Of Garufi, die in 2006 overleed en Pavese dus ruim een halve eeuw overleefde, ooit de behoefte voelde om iets over hun (schrijf)relatie te openbaren is misschien te achterhalen in haar nog onvertaalde vervolgroman Il Fossile uit 1962. Haar correspondentie is onlangs ook voor het grote publiek beschikbaar gesteld.

    Wie door nasmeulende brokstukken van deze roman nog geestelijke nazorg nodig heeft, doet er goed aan het voorwoord van de filosofe Patricia de Martelaere te lezen in Leven als ambacht en haar essay over Pavese’s dagboek in Een verlangen naar ontroostbaarheid.

    Pavese zag het leven als een wreed spel waarin alles al voorbeschikt is. De Martelaere weet Paveses frustraties en de soms huiveringwekkende vooruitwijzingen naar zijn eigen dood hanteerbaar te maken en bijna troostrijk te beschrijven.

     

     

     

  • Overwegingen halverwege een boek – ItaliĂ«

    door Menno Hartman

    In de rechterbalk staat een vakje ‘Bij de buren’. Vroeger stonden daar slechts bijdragen van NRC-Handelsblad, nu zijn daar een aantal buitenlandse kranten aan toegevoegd. Het is tenslotte goed te weten wat men elders denkt en doet, speciaal in een tijdsgewricht waarin men tracht vaderlandse liederen op radio 2 aan een hoger percentage te krijgen, waarin wat van elders komt dus verdacht is. Toch is dat laatste een zeer internationaal gezichtspunt. Kijk maar bij deze link, die je ook in de rubliek ‘Bij de buren’ aantreft.

    The New York Times biedt de lezer zijn lijstje van tien beste boeken, en er is er niet een vertaald. Toch kan het zeer bevrijdend werken vooral veel vertaald werk te lezen, er is zo vreselijk veel goeds. Het kan ook zeer bevrijdend werken soms eens een buitenlandse krant in te zien, je ziet dan andere koppen en deskundigen. Ik liep anderhalve week terug met een rugzak langs Hadrian’s Wall, opgetrokken om vreemde elementen buiten het Romeinse rijk te houden. Daarom was ik van plan Hadrianus Gedenkschriften van Marguerite Yourcenar te herlezen. Maar ik ben geen herlezer. Ik had goddank meer in mijn rugzak: Laurent Binet’s HhhH, waar Machiel Jansen al een stuk over schreef en het nieuwe boek van Sandro Veronesi XY, vertaald door Rob Gerritsen. Twee van de vorige boeken van Veronesi hadden mij redelijk van mijn sokkel geblazen: Kalme chaos en In de ban van mijn vader.

    Wat is XY voor een boek? In een klein bergdorp vindt een bizar incident plaats, waarbij tien mensen de dood vinden, die achteraf door totaal verschillende doodsoorzaken gestorven te zijn. Een is zelfs gebeten door een haai die al driehonderd jaar uitgestorven is. De besneeuwde boom waaronder men de lijken vond is rood van kleur en na onderzoek blijkt dat bloed te zijn dat dna vertoont van alle gestorven aanwezigen.

    De plaatselijke pastoor gaat samen met een vrouwelijke psychiater trachten de ontwortelde dorpsbewoners bij te staan. Veronesi komt niet met een oplossing voor het drama. Het boek lees je dus vooral om de hoofdfiguren, een zeventigjarige pater en een vrouwelijke psychiater van in de dertig, en om sommige zeer snedige Veronesi passages, steeds een heel verrassende mix van filosofische waarneming en alledaagsheid.  Ik moet denken aan de De naam van de roos van Umberto Eco, een intellectuele thriller, met een standvastige kloosterling als inspecteur. Maar je kunt ook denken – als je dit boek wilt flankeren met titels die er iets van weg hebben – aan de Italiaanse klassieker Die gore klerezooi in de Via Merulana van Carlo Emilio Gadda, een detective die geen detective is, waarin het gerechtelijk onderzoek op allerlei dwaalwegen belandt en de lezer steeds helderder voor ogen krijgt dat de diefstal en de moord uit dat boek slechts aanleiding zijn om het over iets heel anders te hebben. Een modernistische klassieker vermomt als detective. XY lijkt meer te gaan over het gegeven dat je altijd je leven weer in eigen hand kunt nemen en dat het verrijkend is de werkelijkheid soms eens vanuit een andere paradigma te bezien.

    Gadda, Veronesi, Eco, de top tien van de New York Times. In het café ontdekte ik dat ‘mijn overwegingen halverwege een boek’ een vermomming waren voor mijn top tien uit de Italiaanse literatuur. Ik vulde er voor een van de andere Literair Nederland redacteurs twee bierviltjes mee.

    Hij luidt tot nader orde zo:

    Giorgio Bassani – twee keer: De tuin van de Fitzi-Contini’s – De reiger

    Dino BuzzatiDe woestijn van de tartaren

    Italo Calvinotwee keer: Als op een winternacht een reiziger – Het pad van de spinnenesten

    Carlo Emilio GaddaDe gore klerezooi in de Via Merulana

    Primo Levidrie keer: Is dit een mens, Zo niet nu wanneer dan, Het periodiek systeem

    Curzio Malaparte – Kapputt

    Alberto Moravia – De voyeur

    Cesare Pavese – drie keer: Stilte in augustus – De duivel op de heuvel – De maan en het vuur

    Tomasi di Lampedusa – De tijgerkat

    Italo Svevo De bekentenissen van Zeno

    Sandro Veronesi -twee keer: In de ban van mijn vader – Kalme Chaos

     

    Ik zie dat het elf schrijvers zijn, geen tien en dat er geen vrouwelijke auteurs bij staan, dat verbaast me zeer, maar ik kan er niet veel noemen. Van Natalia Ginzburg las ik alleen een korte biografie over Tsjechov. Wie mis ik? Zie ook de wikipedialijst.

    Volgende keer bespreek ik hoe het voelt halverwege te zijn met  Tim Harfords‘ Adapt. Why success always starts with failure en tot welke boeken dat boek  zich verhoudt.