• Hoe verhalen kunnen ontstaan

    Hoe verhalen kunnen ontstaan

    In De naaister en de wind (uit 1991 en nu vertaald) laat de Argentijnse auteur César Aira (1949) opnieuw zien waarom zijn werk moeilijk in traditionele literaire categorieën valt. In De schimmen (Los fantasmas, uit 1990), combineerde hij het realistische decor van een flatgebouw in aanbouw met geestachtige verschijningen die alleen door bepaalde personages werden waargenomen. Deze onverwachte vermenging van het alledaagse en het fantastische is ook in De naaister en de wind aanwezig. De roman begint in een café in Parijs, waar Aira zichzelf als verteller opvoert en probeert te bedenken hoe hij een verhaal moet beginnen waarvan alleen de titel al vaststaat. Dit zet de toon voor een associatieve tekst die zich zonder vast plan ontwikkelt en zich niets aantrekt van conventionele logica of structuur.

    De vertelling balanceert tussen autobiografie en fictie, tussen herinnering en vergeten, droom en werkelijkheid. Het traditionele verhaal met een duidelijke plot en karakterontwikkeling maakt hier plaats voor een experiment waarin het proces van schrijven zelf centraal staat. Aira wil iets vertellen, maar wil vooral laten zien hoe verhalen ontstaan en wat vertellen überhaupt betekent.

    Vergeten als vertrekpunt

    Het uitgangspunt van de roman is een vergeten droom. Vaag herinnert Aira zich een perfect verhaal dat hij ooit droomde, maar dat bij zijn ontwaken volledig verdwenen was. In plaats van dat verhaal terug te halen, besluit hij het vergeten zelf tot onderwerp te maken. Zo schept hij een verhaal dat niet voortkomt uit herinnering of inspiratie, maar juist uit het ontbreken daarvan.

    Het eerste concrete verhaal volgt Delia, een naaister uit Pringles die werkt aan een trouwjurk. Wanneer haar zoon Omar gaat spelen in de bestelauto van de buurman die plotseling wegrijdt, zet Delia zonder aarzeling een achtervolging in die naar Patagonië voert. Haar man Ramon gaat vervolgens achter haar aan, en al snel sluit zich ook een verliefde wind zich aan als een eigenzinnig personage. Dan verschijnt er een demonisch kind, en de trouwjurk begint op mysterieuze wijze te zweven, wat leidt tot een keten van bizarre, onverwachte gebeurtenissen.

    Aira’s logica hanteert is niet die van oorzaak en gevolg, maar een droomlogica waarin het ongeloofwaardige binnen het verhaal vanzelfsprekend wordt. Uitleg of verantwoording zijn niet nodig. Wat telt, is dat het verhaal blijft bewegen en veranderen.

    Schrijven als een voortdurend experiment

    Aira, die in één jaar wel vier titels kan publiceren, schrijft zonder revisies in één vloeiende beweging. Hierdoor vervagen traditionele literaire grenzen: personages veranderen of verdwijnen plotseling en het narratief rekt de conventionele logica op zonder die te breken. Dit resulteert in een boek dat eerder voelt als een momentopname van een creatieve beweging dan als een afgerond product. Het ontbreken van een duidelijke spanningsboog of voorspelbare plot kan voor sommige lezers bevrijdend zijn, omdat het de lezer uitnodigt mee te gaan in het onvoorspelbare. Anderen kunnen het gevoel van houvast missen.  

    Een opvallend aspect is het meta-niveau van deze roman. Regelmatig keert Aira terug naar het café in Parijs, laat zijn vertelstem verdwijnen en weer opduiken, en speelt met de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. Deze zelfreflectie over het schrijfproces zorgt voor een dynamiek die het verhaal levendig houdt.

    Toch is dit geen louter intellectueel spel, nog afgezien van de mogelijkheid dat de auteur verwijst naar verdwijningen die in Argentinië onder de dictatuur niet ongewoon waren – maar zo’n boodschap laat de auteur geheel voor rekening van de lezer. In doorlopend hoog tempo bevat dit boek juist veel humor, slapstick en absurdistische situaties die aan Monty Python doen denken. Deze speelse toon voorkomt elke zwaarte, ondanks de filosofische thema’s over geheugen, identiteit en de aard van verhalen. 

    Magisch realisme zonder symboliek

    Hoewel het verhaal bovennatuurlijke elementen bevat, zoals een verliefde wind en een zwevende trouwjurk, past Aira’s stijl niet echt in het genre van het magisch realisme. Waar bij auteurs als García Márquez of Isabel Allende het magische vaak symbool is voor diepere culturele of historische thema’s, is Aira’s magie ongrijpbaar en los van betekenis.

    De wonderlijke gebeurtenissen zijn niet geladen met metaforische lagen, maar functioneren als elementen die de droomachtige sfeer van het verhaal versterken. Zijn wereld volgt de principes van het surrealisme en het groteske: personages zijn minder psychologisch uitgewerkt dan dat ze beweging en verandering belichamen.

    Toch is er ruimte voor subtiele melancholie. De passages waarin Aira terugkeert naar zijn jeugd in Pringles roepen een verlangen op naar het ongrijpbare verleden, naar dromen en herinneringen die net buiten bereik blijven. Dit spanningsveld tussen absurditeit en existentiële reflectie geeft de roman een onverwachte diepte.

    Een verhaal zonder vaste bestemming

    De naaister en de wind biedt geen traditionele afronding, catharsis of eenduidige betekenis. Het verhaal laat zich lezen als een experiment, een improvisatie met een open structuur die desoriënterend kan zijn, maar het verhaal ook verrassend rijk en gelaagd maakt.

    Voor lezers die zich kunnen overgeven aan het onvoorspelbare en onbegrensde, biedt De naaister en de wind een uniek avontuur. Het spoort aan tot nadenken over de aard van herinnering, identiteit en de rol van de schrijver. Dit boek laat zien hoe verhalen kunnen ontstaan, niet uit wat er ís maar uit wat ontbreekt. Het toont de onvermoede opbrengst uit vergeten en verdwalen.

     

     

  • Oogst week 19 – 2025

    De naaister en de wind

    De ik uit De naaister en de wind van de Argentijnse schrijver César Aira (1949) is een jaar of negen en speelt met zijn vriendje Omar op straat, waarbij ze in de lege oplegger van een vrachtwagen klimmen. ‘We probeerden elkaar angst te jagen, wat vreemd was zo midden op de dag en ook hadden we geen maskers en vermommingen (…) de angst bleek effectiever dan verwacht. Bij de eerste poging was die al buitensporig. Omar begon. Ik ging op de vloer zitten, dicht bij de rand aan de achterkant, en hij ging tegen de wand aan de andere kant staan. Hij zei “nu” en kwam met zware, trage stappen en zonder bekken te trekken of gebaren te maken (dat was niet nodig) op me af. De angst die me beving was zo groot dat ik mijn ogen moet hebben dichtgedaan. Toen ik ze weer opende was Omar er niet meer.’

    Maar het is niet Omar die verdwenen is maar de ik, wiens moeder, de naaister, denkt dat haar zoon per ongeluk ontvoerd is in een vrachtwagen. In paniek gaat ze er met een taxi achteraan. De vader gaat haar weer achterna, in een rood vrachtwagentje, en in een blauw autootje volgt ook de zwangere klant van de naaister, wat een kolderieke achtervolging oplevert. De vader vergokt zijn vrachtauto, de zwangere vrouw baart een monster en de naaister wordt de liefde verklaard door de zuidenwind, een soort opperwezen van de pampa.

    Het klinkt als een komische avonturenroman, maar het boek, oorspronkelijk uit 1994, heeft ook horror- en filosofische elementen, vleugen Zuid-Amerikaans magisch realisme, dadaïsme en surrealisme. Aira weeft er meeslepende herinneringen aan zijn jeugd en geboorteplaats Coronel Pringles (provincie Buenos Aires) en andere overpeinzingen doorheen. Hij wordt gezien als een van de origineelste Zuid-Amerikaanse schrijvers en publiceerde meer dan honderd titels.

     

    De naaister en de wind
    Auteur: César Aira
    Uitgeverij: Koppernik 2025

    Overgave op commando

    Hoofdpersoon Schelvis uit Overgave op commando van Nadia de Vries (1991) droomt ervan een meester te zijn, maar is in plaats daarvan een dienaar. Man noch vrouw is die een ‘soort avatar’ zegt Nadia de Vries in een interview met de Noord-Hollandse Dagbladcombinatie. ‘Diens identiteit wordt steeds bepaald door de manier waarop anderen hen indelen op de klassenladder.’

    Schelvis woont in een dorp aan zee onder de rook van een staalfabriek, heeft een litteken op het gezicht en blauw haar. De meeste dorpelingen werken in de zwarte wolken gruis uitstotende fabriek. Het ‘bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kende. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren. Zelfs de communiejurken werden grijs na een middag aan de waslijn.’ (…) Net als de mensen in de fabriek zagen de orderpickers zelden zonlicht. Hun levens ontvouwden zich in afgesloten ruimten zonder ramen en zonder een klok aan de muur.’ Schelvis ziet een betere toekomst voor zich en besluit naar de stad te vertrekken, weg van diens lage sociale omgeving.

    De Vries kent de omstandigheden waarin ze Schelvis plaatst – haar ouders waren arbeiders – al werd zijzelf door een auto-immuunziekte aan huis gekluisterd. ‘Dit boek is voor mij een experiment,’ zegt ze in het interview. ‘Het onderzoekt de vraag wat er van mij geworden was als ik niet de jeugd had gekregen die ik heb gehad. En ook als ik niet de motivatie had gehad om ergens uit te breken.’ Schelvis is een optimistische personage omdat die ‘wel dingen probeert, maar het ook accepteert wanneer ze niet lukken. Ik denk dat dat een grote wijsheid en kracht laat zien.’ Ondanks dat Schelvis geen geld heeft en nog niet weet hoe de wereld in elkaar zit, ondanks tegenslag, weet die toch beetje bij beetje succes te bereiken.

     

    Overgave op commando
    Auteur: Nadia de Vries
    Uitgeverij: Pluim 2025

    Het verhaal over Mevrouw Berg

    Het verhaal over Mevrouw Berg is een bundel van vijf verhalen geschreven vanuit het perspectief van een kind. Voor kinderen en jongeren is de wereld vaak nog raadselachtig en magisch. In de verhalen uit Het verhaal over Mevrouw Berg ontmoet iemand de eerste liefde, komt een ander erachter dat ze erg op Janis Joplin lijkt, is helderziendheid een onderwerp en gaat een vertelling over glimwormen en kaarten.

    Mevrouw Berg uit de titel van het boek is een hamster waarvoor het kind een grote liefde heeft opgevat. ‘Maar toen ik het weekend daarna kwam, zag ik dat Mevrouw Berg geen eten had gekregen, want ze had aan haar molentje geknaagd. Ik zei tegen mama: “Je moet niet vergeten om haar elke dag eten te geven.” “Nee,” zei mama.”’ Ze stond bij de gootsteen. Maar ze waste niet af. Ze staarde naar de muur en beet alleen op haar lip. “Zal ik je helpen afwassen?” vroeg ik, en ik pakte de theedoek. We deden de afwas. Daarna rende ik naar mijn kamer en knuffelde heel lang met Mevrouw Berg. Die avond zaten haar wangen helemaal vol met zaad.’

    De Noorse schrijver en journalist Ingvild H. Rishøi (1978) heeft in haar boeken vaak het raadselachtige en beangstigende van relaties tussen mensen tot onderwerp, vaak in melancholische sfeer. Ze schreef drie kinderboeken, drie verhalenbundels en de novelle Stargate waarvan de film in oktober van dit jaar uitkomt. Met Stargate en de bundel Winterverhalen verwierf Rishøi grote bekendheid.

     

    Het verhaal over Mevrouw Berg
    Auteur: Ingvild H. Rishøi
    Uitgeverij: Koppernik 2025