• Goed nieuws, slecht nieuws

    Goed nieuws, slecht nieuws

    Herinnert u zich de Salamanders? Een uitgestorven diersoort. Ooit kon je in elke boekwinkel terecht voor schrijvers en titels van vroeger, en vaak waren dat Salamanderpockets van Querido. Terwijl buiten de zomerjurken opwoeien en de regenwulpen overtrokken, ging je binnen fijn op zoek naar een Topper van Toen:  Marcellus Emants of Jan Mens, Daum of Menno ter Braak, Bordewijk of Willy Corsari, Vestdijk, Multatuli. Hoge en lage literatuur, ooit bestsellers, dan wel de minder bekende titels van schrijvers die ooit Groot waren.

    Contemporaine schrijvers vond je trouwens ook als Salamander, maar dan met de minder bekende titels: Mulisch met Drie verhalen, Doeschka Meising met Robinson. Het merendeel van de uitgaven was oorspronkelijk Nederlands. In 1996 was het gedaan met het sympathieke beestje.

    Waar kunnen we nog terecht voor de boeken van weleer? Enkele auteurs zijn gewoon nog verkrijgbaar (Elsschot, Nescio; wanneer is een auteur eigenlijk van vroeger?). Af en toe verschijnt met de nodige tamtam een ‘ontdekking’ (Ida Simons, Dola de Jong), de actie Nederland Leest van de Openbare Bibliotheken blaast eens per jaar een al of niet ten onrechte vergeten titel nieuw leven in (De grote zaal van Jacoba van de Velde). Maar een permanente beschikbaarheid van de boeken waarover je hoort op school en leest in de literatuurgeschiedenissen, om maar een simpel criterium te noemen voor de selectie, kennen we in Nederland niet.

    Nu het goede nieuws. Uitgeverij Aspekt is begonnen met een Klassieke Reeks. Daarin is als deel 1 verschenen De opstand van Guadalajara van J. Slauerhoff.

    Slauerhoff: de scheepsarts, de zwerver, de verdoemde dichter, bewonderd door grote namen als Ter Braak, Hermans en Nooteboom. De laatste heeft bij deze uitgave een nawoord verzorgd, waarin hij o.m. de historische achtergrond van het verhaal schetst.

    Waarom is juist voor deze kleine roman gekozen? Het gegeven is prachtig: een ontwortelde zwerver, gedroste zeeman, doorkruist als glaszetter het barre Mexicaanse platteland en wordt op een dag aangezien voor de Messias. Hij laat het zich welgevallen en valt ten prooi aan de hartstochten en de machinaties van de sloebers die van de komst van de Verlosser beter hopen te worden. Dat loopt niet goed af. Een vernietigende natuur, een achterlijke kerk, corrupte politici, revolutionairen met een dubbele agenda, heimwee naar een mythisch Mayaverleden – Slauerhoff kwam nooit verder dan de Mexicaanse havens maar hij wist zijn stof te kiezen.

    Aanvankelijk zou het boek ‘Christus in Guadalajara’ heten.

    In een nawoord bij de vijfde druk van De opstand… (1983) vertelt Kees Lekkerkerker, de bezorger van Slauerhoffs Verzameld Werk, hoe de schrijver aan zijn materiaal kwam. Slauerhoff putte voor zijn Mexico in de jaren ’20 met name uit een vervolgverhaal in De aarde en haar volken uit 1880 over Colombia. Eveneens ging hij te rade bij een ‘Mexicaanse revolutieroman’ die hij aan het vertalen was. Lekkerkerker merkt droog op: ‘geografische nauwkeurigheid mogen we van Slauerhoff allerminst verwachten’ en ‘Historische precisie streefde hij evenmin na’. Hij staaft zijn uitspraken met afdoende voorbeelden.

    We hebben hier dus te maken met de werkwijze van Karl May: een exotisch verhaal op basis van populaire lectuur, gangbare stereotypen en de dikke duim van de schrijver. Kan het resultaat iets anders zijn dan kitsch? Het veelvuldig gebruik van Spaanse woorden ter verhoging van de couleur locale maakt het er niet beter op (een verklarend woordenlijstje ontbreekt).

    Nooteboom op zijn beurt stelt dat Slauerhoff ‘een feilloos instinct (had) voor het tegelijkertijd archaïsche en anarchistische, corrupte en revolutionaire Mexico van de jaren twintig’. Zó feilloos was dit instinct, aldus Nooteboom, dat Slauerhoff ‘intuïtief het monsterverbond (heeft) aangevoeld dat zich na zijn dood in verschillende vormen zou herhalen (het Molotov-Ribbentrop-pact, mei ’68, toen de communisten weigerden de studenten te steunen (…).’

    De eerste druk van De opstand van Guadalajara verscheen nadat Slauerhoff was overleden, in 1937. Hij had er veel werk aan gehad maar, het hoge woord moet er nu maar uit, het was en blijft een mislukking. Toen hij het aanbood voor publicatie in Groot Nederland gaf Greshoff niet thuis, en terecht. De taal is lelijk, hakkelend, en niet doeltreffend. Dat laatste wreekt zich onder meer in het feit dat bij verwijzingen telkens opnieuw niet meteen duidelijk is naar wie wordt verwezen (‘Hij wist niet…’ Wie ís die ‘hij’? Even teruglezen. De priester of de hereboer? O nee, het is de glaszetter.)

    Deze vertelling lijkt niet meer dan een uiterst schetsmatige kladversie. Het verhaal bevat onvolkomenheden, Nooteboom wijst erop, en voor hem behoren ze tot ‘de aantrekkingskracht van zijn werk’ en hij wijt ze aan Slauerhoffs ‘notoire slordigheid’. Dat was inderdaad Slauerhoffs reputatie: ‘slordigheid van compositie’, waarmee hij overigens ‘bijzondere effecten’ teweegbracht, aldus Albert Helman in diens voorwoord bij het Verzameld Proza. Maar die reputatie leeft niet meer en de hedendaagse lezer ergert zich alleen maar aan het onverklaarbare gedrag van de bisschop van Guadalajara omdat niemand hem heeft verteld dat de arme man een beroerte heeft gehad, een verteltechnische stommiteit die Nooteboom grootmoedig onder de ‘bewonderenswaardige ongerijmdheden’ van het werk schaart.

    Had Slauerhoff het maar kunnen herschrijven, dan hadden we mogelijk werk gekregen van het kaliber van Het leven op aardeHet verboden rijk en Schuim en As.

    Want het centrale gegeven mag er zijn: het uitzichtloze bestaan van de verworpenen der aarde, een sprankje hoop, illusies, moedwil en misverstand, een volslagen deceptie. Van dit verhaal zou een prachtige film zijn te maken.

    De volgende delen in deze reeks zijn nog niet bekend. Laten we hopen dat het er vele zullen zijn en dat de reeks een commercieel succes wordt. Misschien dat een iets mooiere verzorging en wat minder drukfouten daaraan kunnen bijdragen. En op voor- en achterkant níet viermaal de naam van de schrijver van het nawoord tegen slechts tweemaal de naam van de auteur a.u.b.

     

     

    De opstand van Guadalajara

    Auteur: J. Slauerhoff
    Nawoord door: Cees Nooteboom
    Verschenen bij: Uitgeverij Aspekt
    Aantal pagina’s: 122
    Prijs: € 17,95

  • 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Het leven is spinrag

    Het leven is spinrag

    Recensie door Rein Swart

    Liefde en vergankelijkheid. Onder deze noemer zouden deze verhalen kunnen vallen, echter zonder de droevige toon die eerder in het werk van Nooteboom sloop. Deze bundel heeft een ongekende kracht, die ik me van zijn werk uit de jaren tachtig herinner. Opeens is er weer die vonk, opgewekt door een virtuoze manier van schrijven en een weergaloos taalspel. ‘Wat een krankzinnige werkwoordsvorm, was,’ zegt de schrijver ergens; op een andere plaats gebruikt hij het woord Mensch omdat hij andere talen nodig heeft om zichzelf duidelijk te maken. De verhalen spelen in Zuid-Europa en Nooteboom weet als een schilder met een paar streken de sfeer treffend te schetsen.

    Waarover gaat het in deze acht verhalen? Foto’s onder andere, zoals in het openingsverhaal Gondels. Een man zit in Venetië aan de oever van het water met een half verscheurde foto van hemzelf en zijn vroegere Amerikaanse geliefde. Hij denkt terug aan hun ontmoeting in Griekenland en de doorreis naar Venetië, waar de foto gemaakt is. Later heeft hij haar nog eens opgezocht in San Francisco. ‘Mensen waren fantastisch, ze zouden voortdurend prijzen moeten krijgen,’ denkt hij als hij haar op het vliegveld terugziet.

    De man en de vrouw hebben geen namen, maar de taal sprankelt als champagne, schittert op het water van Canal Grande, die ook niet met name wordt genoemd.

    In Onweer heten de geliefden Rudolf en Rosita. De beeldhouwer en de schrijfster dineren tijdens een zwaar onweer in een restaurant in Spanje. Naast hen zit een ruziënd Duits stel. De Duitse probeert de bliksem vast te leggen. Haar man is een ‘Arschloch’. Er hangt iets ergs in de lucht.

    Heinz is het langste verhaal, opgedeeld in negentien paragrafen, over een vice-consul die namens Buitenlandse Zaken de honneurs waarneemt in Ligurië, aan gene zijde van de Alpen. De verteller bekijkt een foto van een gezelschap met Heinz in het midden en doet daar nogal geheimzinnig over. Hij wendt voor dat hij de mensen niet kent, maar geeft aan het eind van de eerste paragraaf zijn bedrog prijs. ‘Waarom dan toch geprobeerd? Mag ik dat straks vertellen, aan het einde?’ Met deze vraag houdt de verteller de aandacht vast.

    ‘Eind september, maar het leek wel oktober in Spanje,’ gaat over Suzy die na de dood van haar vriendin haar plaats in het bed innam naast de oude Vice-Admiral die inmiddels ook overleden is. Suzy krijgt ’s nachts bezoek van de 63 jarige kelner Luis uit het plaatselijke café. Alles is in verval.

    ‘Plotseling was hij dood,’ luidt de eerste zin van Laatste middag, dat speelt op Sardinië. De zin heeft betrekking op de echtgenoot van de vrouw, die uit wraak een nummertje met de postbode maakte.

    Paula is een langer verhaal, weer met een foto als uitgangspunt en wel een sensuele, die ooit op de cover stond van Vogue, van een jonge vrouw naast een raam met regendruppels. Het gaat over een vriendengroep die gokte en de vrije liefde proclameerde. De mannelijke verteller ziet terug op die tijd vanuit een lege witte flat die als een Zen-klooster in de polder ligt.

    In Paula II geeft de dode zelf antwoord. Het leven is spinrag, zegt Paula. Ze herinnert zich de angst van de man om niet meer te willen leven. Die angst drukte hij uit door de zinsnede: ’s Nachts komen de vossen. Haar relaas eindigt als volgt: ‘Je hebt je raam opengezet. Windvlaag. Dat was ik. Geritsel, gefluister. Het geluid van de vossen, een nacht in de woestijn. Gedachte vossen. Geen echte. Alles is vluchtig. Zoals wij zijn. Weg.’

    Het verste punt is een kort maar prachtig sfeerbeeld van een vrouw die wordt voortgestuwd door de ‘tramontana’, een Spaanse storm, naar de kust. Ze moet over de rotspunten bij de vuurtoren gaan. Ze moet.
    Nooteboom schrijft met vaart, zoals deze zinnen tijdens een roulette spel uit Paula. ‘Ik had die duizend weg moeten halen, maar legde het fiche op rood. Zwart. Er zijn geen geheimen.’ Ook komt hij met mooie one-liners als ‘Doden hebben geen Alzheimer.’ Het is een stijl die omtrekkende bewegingen maakt, maar zonder een woord te veel alles zegt.

    Het lijkt erop dat de glossy-schrijver zijn heropstanding beleeft en in zijn nieuwe jeugd een toon voortbrengt, mooi en zuiver als nooit tevoren. Dit is literatuur van de bovenste plank. Dit is taal die heen en weer zwiept als de camera van een Dogma film die iets wezenlijks blootlegt. Dit is een lied van schijn en wezen. Dit is proza dat resoneert en opstijgt boven de woorden. Hier is een tovenaar aan het werk. Dit is niet voor niets van de winnaar van de Gouden Uil 2010.

     

  • Twee reizigers die over elkaar en zichzelf lezen

    Twee reizigers die over elkaar en zichzelf lezen

    Karl Marx predikte dat de mens niet afhankelijk was van God en het door Hem beloofde hiernamaals, om van zijn aardse ellende verlost te worden. In het arbeidersparadijs van Marx zou iedereen die hard werkte, nog in dit leven gelukkig worden. Want de arbeid was ieders onvervreemdbaar eigendom, en het product van zijn arbeid dus ook. De mens had de sleutel tot het paradijs zelf in de hand. vMaar de literair criticus Walter Benjamin, overigens een overtuigd marxist, geloofde in het ene noch het andere paradijs. Hij had daar een heel andere opvatting over. Volgens hem wacht het paradijs ons niet hier op aarde, of pas na onze dood, maar gaat het aan ons leven vooraf. Adam en Eva leefden immers aanvankelijk in het paradijs en zijn eruit verdreven nadat ze hadden gegeten van de vrucht van goed en kwaad.

    Dat is het menselijk drama: we zijn uit het paradijs verjaagd en kunnen er nooit meer terugkomen omdat we kwaad op kwaad, oorlog op oorlog stapelen. We verwoesten onze eigen levens en dat van anderen en verspelen door de wrakstukken die zich opstapelen steeds meer onze kansen om ooit nog in het paradijs terug te keren. Er is eigenlijk allang geen weg meer terug. Er waait een harde storm uit het paradijs, waar wij niet tegenop kunnen tornen.

    Nooteboom heeft als motto van Paradijs verloren een fragment uit de Notes on history van Walter Benjamin gekozen waarin dit drama het duidelijkst naar voren komt. En waar het zich nota bene voltrekt aan de engel die de mens naar de uitgang van het paradijs heeft geleid. Dit fragment vormt de leidraad voor zijn nieuwe roman.

    Al in de grote roman Allerzielen hield Nooteboom zich bezig met Benjamins wrakstukken van de geschiedenis, en liet hij de hoofdfiguur steeds op restanten van en herinneringen aan verschillende historische cultuurlagen stuiten. In Paradijs verloren doet hij dat nog eens over; nu niet in de diepte, maar in de breedte. Wat voor de geschiedenis van de westerse cultuur geldt, geldt natuurlijk ook voor alle andere culturen op deze aardbol. Of het nu de indianen of de aboriginals zijn, Nederlandse literatuurcritici met een hekel aan Hollandse bestsellers, of Braziliaanse studentjes met Duitse namen die zijn afgestudeerd op engelen bij Botticelli, men is ontstaan uit zijn verleden en zit daar met duizend draden aan vast.
    Nootebooms personages zijn vervuld van heimwee, heimwee naar hun verloren paradijs. Wat dat ook mag zijn geweest. Sommigen gaan ernaar op zoek, anderen vangen er zomaar een glimp van op, worden onverhoeds ergens door aangeraakt. Een schilderij, een ontmoeting, een gebeurtenis.

    Zo is Paradijs verloren een boek over mensen op weg die zichzelf kwijtraken in de levens die ze leiden. Op de vlucht voor iets, op zoek naar iets. Het is een raamvertelling van een oude man en een jongere vrouw op reis, onbekenden voor elkaar. Ze stappen het boek uit dat de vrouw bij zich heeft, maar niet leest. En omdat de man niet kan zien welk boek het is, schrijft hij zelf maar een verhaal. Over een meisje dat haar schaduw terugvindt bij de aboriginals, en een man die dat meisje drie jaar later terugziet in een kuuroord in Oostenrijk. Waarna de vrouw naar aanleiding van het boek dat ze bij zich heeft, en waarvan we nu de titel horen, de laatste zin bedenkt.

    Ondanks de veelbetekenende citaten uit Het Verloren Paradijs van Milton leest Paradijs verloren als een terloops verzonnen vervolgverhaaltje dat is opgebouwd uit wat losse fragmenten. Een niemendalletje om je in het vliegtuig van Frankfurt naar Berlijn-Tempelhof of in de trein van Berlijn naar Moskou mee te amuseren. Dat je om de paar bladzijden weg kunt leggen. Maar het gaat om de zoektocht naar de bron, dat wat ons verbindt met het bestaan, de aarde, de schoonheid, de schepping, het paradijs dat wij verloren hebben.

    De verhaaltjes die ogenschijnlijk willekeurig bij elkaar zijn geharkt, hebben dat met elkaar gemeen. Let op de beelden, de zinnen, de tekst. Daar zit het verbindende element. De roerloze wolken waar het vliegtuig boven hangt zijn de besneeuwde bergen waarop engelen skiën, alleen nu even niet. De sneeuw in het Oostenrijkse kuuroord heet met een metafoor van Huygens ‘wit roet, gehakte veren’. Voortdurend sneeuwt het er gehakte veren, wat betekent dat er engelen vallen. De vlinderlichte, altijd in het wit geklede masseuse van het kuuroord krijgt een ongeluk bij het bergklimmen. Weer een vallende engel. De engelen van het kunstproject in Australië krijgen vleugels omgebonden van echte vogelveren, maar bevinden zich op vieze, verlaten plekken in de stad. Ze zijn backpackers zonder werkvergunning, gevallen engelen die over de aarde zwerven en zich niet aan maatschappelijke regels  houden.

    De tegenstelling tussen zwaartekracht en gewichtloosheid, tijd en eeuwigheid, heden en verleden, zwarte en witte wolken, droom en werkelijkheid, zijn de verhaalelementen waar het hier over gaat. Tijd is een uitvinding van mensen, een factor die ons in onze sterfelijkheid gevangen houdt. Een factor in productieprocessen. Alleen op reis en in de slaap wordt tijd even opgeheven, wordt men tijdloos en kan men in contact komen met zijn eigen wezen en met het collectief onderbewustzijn. Lezen de twee reizigers over zichzelf, over elkaar? Over u en mij? Wie het weet mag het zeggen.