Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.
Verder kijken – Esther Kinsky
Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.
His Natural Life – Marcus Clarke
Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)
Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden
Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.
Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer
Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)
De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren
Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.
Het boek van de kinderen – A.S. Byatt
Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)
Nirwana – Tommy Wieringa
Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.
Het hart van de ever – Baltasar Porcel
Het hart van de everis de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)
Ruitjesblues – Jan Beuving
Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)
Luister – Sacha Bronwasser De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.
Een schitterend wit – Jon Fosse Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)
Das Spinnennetz – Joseph Roth Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.
De wintersoldaat – Daniël Mason
In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)
Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje
Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.
De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf Ademloos las ik dit jaar Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)
Scherven – Bret Easton Dit jaar las ik Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie.
In het huis van de dichter – Jan Brokken Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)
Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.
De laatste witte man – Mohsin Hamid Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)
Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom Als poëzierecensent wil ik allereerst deze verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden.
Balts – Luuk Gruwez In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)
Arkadia – Sipko Melissen Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,Arkadia is prachtig geschreven!
Drengr – Aron Dijkstra Een echte Viking is drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)
Jij zegt het – Connie Palmen Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’
Goudjakhals – Julien Ignacio
Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)
Marente de Moor – De schoft
Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen.
Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt
Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)
Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose
Een prachtig indrukwekkende debuutromanvan de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.
Rugzwemmen – Marc ter Horst
Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)
Een kleine weldaad – Raymond Carver
Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.
De minnaar – Marguerite Duras
Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)
Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen
‘De essentie van reizen is dat je je overgeeft aan wat je overkomt,’ schrijft Cees Nooteboom in zijn onlangs bij Koppernik verschenen Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemdedierentekeningen, bestaande uit een in 2020 geschreven essay en een gedicht. Nooteboom weet dat als geen ander: hij onderzoekt in zijn internationaal geprezen reisverhalen steeds het onbekende door zich onder te dompelen in de natuur en cultuur van de werelddelen en landen die hij aandoet. Met zijn partner, fotograaf Simone Sassen, bezocht hij in december van 2005 Kozan-ji, een kleine tempel in het noorden van Kyoto, in 1133 gesticht door de monnik Myoe. Nooteboom beschrijft de sprookjesachtige, verstilde omgeving; het verstrijken en concreet worden van de tijd in de rituelen en kunst in de tempel.
Het boek, dat een in 2020 geschreven essay en een gedicht bevat, is verfraaid met kleurenfoto’s van Sassens hand en het eerste deel van de Choji-jinbutsu-giga-rol met inkttekeningen van antropomorfe dierenfiguren, waarvan de originele onderdelen zich tegenwoordig in het Nationaal Museum van Kyoto en het Nationaal Museum van Tokyo bevinden.
Auteur: Cees Nooteboom
Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
Mijn nachten met Spinoza
‘Sinds H. en ik uit elkaar zijn, komt alles me belachelijk voor. Ik ben woedend dat ik moet blijven eten, drinken, slapen, dat wat mensen leven noemen. Wat er daadwerkelijk belachelijk geworden is, dat ben ik zelf. Maar het zijn de spelregels, zeg ik tegen mezelf, het is precies de reden waarom ik het allemaal op moet schrijven. Ik ben het aan mezelf verplicht.’ Met die confessie kondigt Els Moors in Mijn nachten met Spinoza haar literaire zelfonderzoek aan. Aan de hand van de 48 affecten, of ‘impulsen tot handelen’, die de zeventiende-eeuwse filosoof Benedictus de Spinoza (1632-1677) definieerde, beschrijft Moors zo eerlijk mogelijk haar leven en het liefdesverdriet waarmee ze worstelt. 48 affecten, in 48 dagen: die indeling kenmerkt haar filosofische autofictie-relaas.
Els Moors is dichteres en prozaïst. Ze was in 2018 en 2019 Dichter des Vaderlands van België. Haar poëziedebuut Er hangt een hoge lucht boven ons (Nieuw Amsterdam, 2006) werd bekroond met de Herman de Coninckprijs.
Auteur: Els Moors
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Het heldenpad
Nog een reisverhaal in deze Oogst, zij het dat dit boek meer weg heeft van een biografie: de Britse auteur Tim Parks trok in 2019 met zijn partner Eleonora de Apennijnen in, in navolging van de negentiende-eeuwse generaal Garibaldi. Parks tekende hun reis op in Het heldenpad. Te voet met Garibaldi van Rome naar Ravenna, dat eerder deze maand bij De Arbeiderspers verscheen in vertaling van Corine Kisling.
Tijdens zijn middelbareschooltijd kwam Parks achter het bestaan van de illustere Giuseppe Garibaldi (1807-1882). Deze guerrillastrijder fascineerde Parks zodanig dat hij een reis én een boek aan hem wijdde. Garibaldi spreekt dan ook tot de verbeelding: hij ontkwam na een terdoodveroordeling aan de executie door naar Zuid-Amerika te vluchten, hij vocht in de Uruguayaanse Burgeroorlog, overleefde volgens de overlevering zo’n twaalf kogelwonden en wist uiteindelijk inderdaad een cruciale bijdrage te leveren aan wat bekendstaat als de Risorgimento, de Italiaanse eenwording, waarbij Italië het politieke juk van onder andere Oostenrijk afwierp.
De juryleden van de Spaanse prijs, El Premio Formentor de las Letras 2020 zouden eigenlijk in Lissabon bij elkaar komen maar daar stak het Coronavirus een stokje voor. Nu overlegden ze digitaal over naar wie deze literaire prijs zou gaan. Het werd de romanschrijver, dichter, essayist, vertaler en kunstcriticus Cees Nooteboom (1933). Hij ontvangt de prijs vanwege zijn onophoudelijke creativiteit. Volgens de jury is hij een van de grootste kroniekschrijvers van deze tijd.
Cees Nooteboom geldt als een belangrijk auteur, vooral ook in het buitenland. Hij debuteerde met Philip en de anderen (1955), waarmee hij gelijk veel succes had. Na 1963 schreef hij jarenlang geen romans meer. Hij reisde veel en was enige jaren redacteur en columnist voor de Volkskrant (1961-1968). In 1980 verscheen zijn roman Rituelen. Zijn bekendste titels zijn Berlijnse notities (1990), De omweg naar Santiago (1992), de roman Allerzielen (1998) en de verhalenbundel ’s Nachts komen de vossen (2009). Nooteboom werd in Nederland onder meer bekroond met de Constantijn Huygens prijs, de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse letteren, in het buitenland nog met de Oostenrijkse Staatsprijs, de Goethe Preis en de hoogste onderscheiding in de reisliteratuur, de Chatwin-prijs. Zijn meest recente boeken zijn 533: een dagenboek (2016), Ibiza (2017) en Venetië-de leeuw, de stad en het water (2019).
De internationale prijs El Premio Formentor de las Letras werd tussen 1961 en 1967 uitgereikt aan auteurs die hun leven hadden gewijd aan de literatuur en was een initiatief van de Spaanse uitgeverij Seix Barral. De naam was ontleent aan de stad Formentor, gelegen op het Spaanse eiland Mallorca en beroemd om zijn literaire bijeenkomsten. In die periode zijn onder andere aan de schrijvers Jorge Luis Borges, Samuel Beckett, Saul Bellow, en Jorge Semprún prijzen uitgereikt. Eerst werden de prijzen uitgereikt in Spanje, maar omdat Franco de onderscheidingen verbood, werden de uitreikingen elk jaar verplaatst naar het buitenland, zo werd in 1963 de prijs in Corfu uitgereikt en in 1965 in Valescure (Zuid-Frankrijk. Toen uitgevers hun steun aan de prijs stopten, werden er na 1967 geen prijzen meer uitgedeeld. Pas in 2011 werd de prijs weer in het leven geroepen en nu als oeuvreprijs. In de afgelopen jaren werden onder meer Carlos Fuentes, Juan Goytisolo, Javier Marias en Annie Ernaux met de prijs onderscheiden.
Het is een grijze dag, regen ruist met forse regelmaat door de boombladeren achter het huis. Op spotify zingt Carole King, ‘So far away / Doesn’t anybody stay in one place anymore / It would be so fine to see your face at my door’. Gevoelens van een verlangen naar toen, naar hoe alles begon, keuzes die gemaakt werden, dingen die gezegd zijn. Heimwee naar de kindertijd van mijn kinderen, het eerste huis dat stond op een stuk opgehoogde aarde in een buurtschap langs de IJssel, dat we achterlieten voor een ander land waar we jaren woonden, waarvan ik me herinner dat in november het gemis van alles wat achterbleef het sterkst was. De maand waarin dertig jaar geleden de Berlijnse muur viel. Berlijn, een stad die volgens Cees Nooteboom ooit een beroerte had gehad. Opeens moet ik dringend op zoek naar het boek Allerzielen. Ik vind het niet bij de N in de boekenkast, wie heeft het, waar is het, ah, daar voorbij de L staat het.
Arthur Daane loopt in de jaren negentig door een koud Berlijn, begeleid door stemmen uit het verleden, door Nooteboom ‘het moeras van de voorbije tijd’ genoemd. Stemmen die je liever negeert omdat dingen die voorbij zijn niemand interesseert. Alsof je met je ziel te koop loopt en geen hond het wil hebben.‘Dat bestaat,’ schrijft Nooteboom, ‘jaren waarin de gebeurtenissen voortrazen, waarin bladzijde 398 bladzijde 395 allang vergeten is, en de werkelijkheid van een paar jaar eerder belachelijk dan dramatisch lijkt.’
Ik ga met hem mee door donkere en verlaten straten die van een naargeestigheid zijn dat het berusting brengt. Daane, voormalig cameraman die over de hele wereld interviews en de gevolgen van gruweldaden heeft gefilmd, loopt door Berlijn met een verlichte geest, Berlijn als kernpunt van de geschiedenis. De sneeuw waait in zijn gezicht, ongezien loop ik mee, voel de kou van een straffe wind die ook de sneeuw aan mijn gezicht doet kleven.
Terwijl hij de kraag van zijn jas nog eens optrekt, hoort hij de hulproep van een heilsoldate die gehurkt bij een door kou bevangen zwerver zit. Er moet een ambulance gebeld worden. Een paar straten verder, in de Otto-Suhr-Allee zit een oude vrouw in een glazen bushokje, ze zwaait naar hem, of nee, het is meer een bevelend wenken. ‘Ze was oeroud, misschien wel negentig. Hoorde binnen te zitten met dit weer. Negentig, stel je voor dat het echt waar was.’ Waarbij hij denkt een eventuele echtgenoot, of die gevallen is aan het Oostfront, of zijzelf heeft meegejubeld, of juist niet, tijdens toespraken van Goebbels in het Sportpalast. Was haar huis verpletterd door een bom uit Lancaster. ‘Niets wist je van mensen, behalve dan dat zij toen een jaar of veertig geweest moest zijn.’ Met een ‘hoge commandostem’ vraagt ze: ‘Glauben Sie, dass noch ein Bus kommt?’ Hij denkt van niet, brengt haar naar de ondergrondse en gaat verder. Een verslag van onvermijdelijke gedachten in een naoorlogs leven.
Inge Meijer leest alle dagen van de week, schrijft over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.
Levensmiddelen en boeken hebben een ding met elkaar gemeen, ze worden beide aangeschaft vanuit een niet te stuiten gretigheid: een behoefte, een smaak, een prikkel, een nooit genoeg van kunnen krijgen. Van beide wordt altijd meer in huis gehaald dan er geconsumeerd kan worden. Levensmiddelen die over datum zijn, verdwijnen in de vuilnisbak. En daar begint het wringen. Boeken kennen geen houdbaarheidsdatum, zeker ongelezen boeken niet. Ongelezen mogen ze de boekenkast niet in, bang als ik ben dat ze vergeten worden; dat wat je niet kent onthoud je niet. En ik wil de verhalen, de levens, de drama’s, de ontwikkelingen van al die schrijvers kennen, en onthouden. Ik heb ze niet voor niks in huis gehaald! Ik nam ze omdat ik er over gelezen had, iemand me erover tipte, omdat ik over een schrijver of thema meer wilde weten. Om te lezen, jawel.
En dan begint de aanwezigheid van al die boeken, waar ik maar niet aan toe komt om te lezen, aardig op mijn gemoed te werken. Je vraagt je af of jij daar alleen last van hebt, die druk van ongelezen boeken. Het was een verademing toen ik op de podcastserie ‘Castduinen’, door radio- en podcastmaker Maarten Westerveen stuitte. Een reis langs boekenkasten bij lezers (meest schrijvers) thuis, op zoek naar enige orde, een systeem.
Dat boekenbezit zwaar kan wegen, getuigt de actie die onderzoeksjournaliste en schrijfster Linda Polman ondernam. Nogal stoer zegt ze: ‘Ik heb alles weggeflikkerd. Boeken die me twintig jaar aanstaarden.’ Driekwart van haar boeken gewoon ‘weggeflikkerd’. Alsof ze een minnaar – (ook minnaars hebben een houdbaarheidsdatum) die haar teveel met een soort van ‘onvermogen’ confronteerde, bij het grof vuil had gezet. Wat een bevrijding.
In de podcast met Cees Nooteboom zegt de schrijver over zijn boekenbezit: ‘Het is vreselijk, we [zijn vrouw en hij] worden er helemaal krankzinnig van.’ Negentien dozen vol heeft hij laatst laten afvoeren.
De mooiste podcast is die met Asis Aynan. Hij heeft één boekenkast waar de boeken ongeordend zijn ingelegd. Een stapel boeken van ongeveer 1.60 m hoog staat ernaast. Westerveen lijkt geschokt: ‘Ik kan de kaften niet eens zien, de ruggen niet eens.’ Dan vertelt Aynan dat hij, afstammeling van een duizenden jaren oud geslacht, de eerste in zijn lijn is die een boekenkast bezit. ‘Ik weet niet goed hoe een boekenkast werkt.’
Aan het eind van de podcast vertelt hij over de betekenis van het boek Hongerjaren van Mohamed Choukri, de eerste schrijver in Marokko die over de realiteit schreef. Een oerboek noemt hij het. ‘De Marokkaanse literatuur ging altijd over rozen, over tuinen’, zegt Aynan, ‘niet over dood en armoede’. Hij zegt de eerste zin van de roman die in zijn hoofd gebeiteld lijkt te staan: ‘Tussen de andere kinderen in zit ik te huilen om de dood van mijn oom.’
Een zin als een mantra om te weten waar het allemaal begon. Ik weet dat ik dat boek ergens heb liggen.
Met Cees Nooteboom naar Spanje: nooit zul je een betere gids vinden. In zijn boek De omweg naar Santiago brengt hij je naar de verste uithoeken van zijn geliefde Spanje, op plaatsen waar je zelf als eenvoudig toerist nooit zou kunnen komen. Hij neemt je bij de hand op zijn reis door de geschiedenis en de cultuur, hij tovert je het landschap voor ogen, hij richt je aandacht op de kleinste details: aan de verbazing over zoveel moois komt geen einde. Nooteboom schrijft over alles wat hij beleeft en ziet en vooral voelt en hij doet dat ook nog eens op een wonderschone manier, waardoor het in je geheugen gegrift wordt. Zijn zwerftocht wordt de jouwe: als je het boek dichtslaat en opkijkt, zul je verwonderd constateren dat je in je eigen kamer zit.
‘De barre uitgestrektheid van Spanje is echt onmisbaar voor me geworden. Seelenverwandschaft, zoiets is het toch, al klinkt dat wel weer vreselijk. Ik ben gefascineerd door steen, door extreme hitte en kou. Daar is later het besef van de geschiedenis bijgekomen. Spanje is zo groot en machtig geweest en daarna weer zo diep gevallen. Vuurtijd, ijstijd.’
Auteur: Cees Nooteboom
Uitgeverij: De Bezige Bij
Het boek van Bod Pa
Quintana is het pseudoniem van Antoon Adolf Kuyten (1937 – 2017) die meerdere jeugdboeken heeft geschreven. Het verhaal speelt zich af in Centraal Azië, waarschijnlijk Mongolië, in de tijd waarin Marco Polo naar China reisde. In de uitgestrekte, eenzame steppen heeft de veertienjarige Perregrin zijn been gebroken bij het vangen van wilde paarden en omdat het maar niet genezen wil, haalt zijn vader er een sjamaan bij: de blinde, mismaakte Bod Pa, met een een raaf op zijn schouder en een wolf aan zijn zijde. In het weidse landschap van de Aziatische steppen waar eenzaamheid en stilte heersen gaan Bod Pa en Perregrin op reis om inzicht te verwerven in een innerlijke verandering die Perregrin zelf tot stand moet zien te brengen.
Quintana sleept je mee met zijn poëzie, zijn paradoxen, zijn evocatie van het landschap en de avonturen van Perregrin. Het boek van Bod Pa is een jeugdboek, waarvoor Quintana in 1996 de Woutertje Pieterseprijs won, maar zoals altijd zijn de beste kinderboeken ook een feest voor volwassenen.
‘De maan zeilde boven de aarde en haar witte licht was allerminst romantisch. Je moest wel eelt op je ziel hebben wilde dat schijnsel geen vat op je krijgen. Al was je nog zo gewend aan de verlatenheid van de steppe, bij dit onzalige licht kreeg je er toch nog last van.’
Auteur: Anton Quintana
Uitgeverij: Querido
Verzamelde gedichten
Met Kavafis reis je niet alleen naar een ander land, maar ook naar een andere tijd: de eerste eeuw van onze jaartelling, naar Alexandrië in Egypte. De glorie van de oudheid trok Kavafis aan: hij voelde zich thuis in de Byzantijnse en Helleense beschaving. Zijn gedichten zijn gesitueerd in die tijd: daarin richt hij zich vaak rechtstreeks tot een ’tijdgenoot’ uit het Griekse milieu alsof hij er werkelijk leefde. Vooral de historische figuur van keizer Julianus boeide hem. De thema’s van de gedichten zijn vaak heel persoonlijk, maar de setting is altijd pseudo-historisch. Zijn gedichten hebben een grote zeggingskracht.
Kavafis was een perfectionist die een sobere stijl hanteerde en niet gemakkelijk in een stroming onder te brengen is.
Sinds kort woont een deel van mijn familie in Noorwegen. Fjell heet het gehucht waar ze voor vier jaar zijn neergestreken. Het ligt niet ver van Bergen, maar het duurt even voor je daar bent als je aangewezen bent op het openbaar vervoer. Anders dan in Bergen regent het in Fjell niet elke dag. Toen ik er was, was het zelfs abnormaal warm voor de tijd van het jaar. Het was mijn eerste kennismaking met een land dat ik ook literair nog nauwelijks ontgonnen heb. Ik heb heel wat in te halen.
De vier jaargetijden van Karl Ove Knausgård , dé Noorse schrijver van dit moment, liggen verleidelijk te lonken, maar ik laat ze voor wat ze zijn en kies De Antitheek (1999) van Feico Houweling. Feico mag mij naar het land begeleiden waar hij heel erg van hield. Dat ook een deel van zijn familie er woont, is vast geen toeval.
De eerste keer dat Feico Houweling in Noorwegen kwam, was hij ongeveer zo oud als John Wilton, die in De Antitheek Nederland ontvlucht en naar Noorwegen lift in de hoop daar onderdak te vinden bij correspondentievrienden.
Heel erg ingenomen met zijn bezoek lijken zij niet, hoewel ze hem wegwijs maken en onderdak bieden. Als blijkt dat John zich blijvend in Geitvågen wil vestigen, krijgt hij te maken met de bureaucratische molen en moet hij terug naar huis om via daar werk in Noorwegen te vinden om zo een verblijfsvergunning af te dwingen. De Antitheek speelt zich af tegen de achtergrond van het referendum in 1972. De Noren zeiden toen ‘nee’ tegen de Europese Gemeenschappen (en later nog een keer tegen de Europese Unie). Die setting bood Feico Houweling de gelegenheid om de protectionistische politiek van de Noren te thematiseren, maar uiteindelijk gaat het in De Antitheek toch om John, die huis en haard om een heel duidelijke reden blijkt te hebben verlaten en zichzelf om dezelfde reden ook in Geitvågen onmogelijk maakt.
Feico Houweling schreef De Antitheek ver voordat ik hem leerde kennen. Ik weet zeker dat hij niet John Wilton is, maar ik vroeg me tijdens het lezen wel af in hoeverre zijn Noorse avonturen in zijn roman beland zijn. Ik kan het hem niet meer vragen. Feico overleed op 19 mei jl.
Auteur: Feico Houweling
Uitgeverij: Aristos (1999)
Haaienkoorts
Een van de naar Noorwegen vertrokken familieleden is, zo jong als hij is, geobsedeerd door haaien. Toen ik hem vertelde dat ik een boek aan het lezen was over twee mannen die hun uiterste best doen om een haai aan de haak te slaan, wilde hij van alles over dat boek maar vooral over die haai weten.
Die haai is een Groenlandse en de mannen die er veel voor over hebben om er één te vangen zijn kunstenaar Hugo Aasjord en schrijver Morten Strøksnes. De laatste doet in Haaienkoorts: de kunst van het vangen van een grote haai in een rubberbootje op de Noorse Zee (2016) niet alleen verslag van hun pogingen, maar loodst de lezer ook langs wat er in diverse opzichten geweten moet worden over de haai, zijn leefomgeving en die van de mens die, overgeleverd aan de elementen, ook in leven moet zien te blijven.
Dat het in een fjord flink kan spoken, is me inmiddels duidelijk. Ook wie op een zonnige dag argeloos het doen en laten van krabbetjes gadeslaat, dient dus op haar hoede te blijven.
Auteur: Morten A. Strøksnes
Uitgeverij: Atlas Contact (2016)
Scheepsjournaal (2010)
Als Cees Nooteboom in het gezelschap van schrijvende collega’s naar het hoge Noorse noorden – het Ultima Thule waar ook Morten Strøksnes de nodige woorden aan wijdt – vliegt, weet hij ongeveer wat hem te wachten staat. Hij heeft zich ingelezen, en deelt in Ultima Thule: een Pompei op Spitsbergen (in Scheepsjournaal: een boek van verre reizen, 2010) wat hij zo over Spitsbergen te weten kwam. Tegenover het Spitsbergen dat uit die verhalen opduikt – koud, onherbergzaam en ontoegankelijk – zet hij zijn eigen waarnemingen. Hij is gevoelig voor de sfeer die bepaald wordt door de architectonische doelmatigheid en de nabijheid van een voormalige – en inmiddels ook weer – vijandige natie.
Grijs, eenzaam en verlaten, zo ervaart hij de tweede bestemming: de Pyramiden, een op het oog van het ene op het andere moment verlaten Russische mijn. Een plek die hem aan Oostblok en Koude Oorlog doet denken.
Terwijl Cees Nooteboom na de verplichte ‘excursies’ langzaam maar zeker in zijn vertrouwde reismodus komt, blijft hij gefocust op ‘grensverhalen’.
Werd ik vrolijk van 19 Vergiftigingen (2017) van Nils Chr. Moe-Repstad? Dat niet. In de negentien gedichten die zijn bundel telt, komt een breed scala aan het leven – in de breedste zin van het woord – ontwrichtende bedreigingen voor. Ongrijpbaar grote gevaren, maar ook de dagelijkse dingen waarmee de mens de planeet en zichzelf in gevaar brengt.
Wie 19 Vergiftigingen alleen maar zo – als een aanklacht tegen de menselijke natuur – leest, doet de dichter tekort. Die geeft namelijk blijk van een enorm springerige geest en een prettige belezenheid, waardoor de lezer zich voortdurend af moet vragen waar de dichter het allemaal vandaan haalt, want Nils Chr. Moe-Repstad schuwt intertekstualiteit niet. Maar weet tegelijk ook de schijn van verwijzen op te houden.
Eén van de dingen die zijn bundel zo aangenaam ontregelend maakt, is een ik – ‘jeg’ is dat in het Noors, en niet ‘ikke’ dat betekent ‘niet’, weet ik dankzij de tweetaligheid van de bundel – waar ik geen grip op krijg. Waardoor ik steeds opnieuw op het verkeerde been gezet word.
Tijdens het lezen van 19 Vergiftigingen hoor ik Nils Chr. Moe-Repstad zijn werk getergd en langzaam voordragen. Want ik zag hem een paar jaar geleden tijdens Poetry International in Rotterdam. Daarna dacht is dat zijn werk deprimerend was, maar dat is het allerminst.
Auteur: Nils Chr. Moe-Repstad
Uitgeverij: Azul Press (2017)
Staren naar water
Nagekomen:
Recent verscheen Staren naar water van Lodewijk Ouwens. Water is het overkoepelende thema in deze bundel. Dat water kan de gedaante aannemen van neerslag in diverse gradaties, maar niet al het water is even onschuldig. Lodewijk Ouwens wijdt bijvoorbeeld twee gedichten aan Virginia Woolf en de rivier die haar hielp een einde aan haar leven te maken.
Ook Lord Byron komt ook in de vocabulaire van de dichter Lodewijk Ouwens voor. Byron zwemt overigens niet, hij houdt zich tijdens zijn Grand Tour op in Venetië.
In Staren naar water kwam ik het gedicht Fjell tegen.
Hier dwingt de poolwind de berken
tot nederigheid, kruipen
tot ook dat stokt
in rolrond graniet, trollenbrood.
Hier jaagt de sneeuwuil op sneeuwhoenders
sneeuwgorzen, sneeuwhazen
Leven uitgebeend
tot aftreksom
jagen vreet kracht
wie mist verzwakt
wie drie maal mist verliest
de macht zich te verwarmen
dan wachten
tot de kou op het bot
tot de poolvos je weet te vinden
verlost.
Ik weet niet of het over het Fjell gaat, waar ik in het voorjaar was. Fjell is niet alleen maar een gemeente en gehucht, het is ook een Noors woord. Het betekent berg.
Een essay van een gelauwerd schrijver, het debuut van een jonge schrijver die in de Oekraïne verblijft, een vertaling van een bundel korte verhalen van een Ierse schrijfster en de derde roman van een Zuid-Afrikaans schrijver maken deze week deel uit van de oogst.
De Ierse journalist en schrijver van korte verhalen Maeve Brennan (1917-1993) woonde vanaf 1934 in de Verenigde Staten waar ze van 1949 tot 1973 vaste medewerker was bij het tijdschrift The New Yorker. Haar verhalen zijn in het Italiaans en Duits vertaald en een eerdere bundel verhalen Dublin werd. Volgens uitgeverij Hoogland & Van Klaveren, waar de verhalenbundel Dublin uitkwam, worden de verhalen van Maeve Brennan in de V.S. en Engeland beschouwd als hoogtepunten in de literatuur vergeleken met het werk van Anton Tsjechov en Katherine Mansfield. Hier een klein fragment dat de uitgever vrijgaf uit het verhaal ‘Kerstavond’.
‘Ze was niet in staat enig verband te zien tussen haarzelf zoals ze vroeger was en zoals ze nu was, en ze kon niet begrijpen hoe ze eenzaam en bang kon zijn met een man en twee kinderen in huis. Ze stond daar tegen de kinderen te praten over de heerlijke dag die ze morgen zouden hebben, en ze was zich volledig bewust dat ze zich steeds somberder voelde worden.’
Auteur: Maeve Brennan
Uitgeverij: Athenaeum
Kiev op de bodem van een glas
Tobias Wals is slavist die een tijd in Kiev, Oekraïne verblijft. Van daaruit stuurde hij het verhaal, ‘Het Bykivnjabos’ naar de redactie van Tirade, waar ze direct onder de indruk waren van zijn schrijfkunst. Zijn verhaal, waarin de hoofdpersoon een mysterieus sms’je ontvangt met een uitnodiging naar de gedenkplaats van Bykivnja te komen, werd gepubliceerd, waarmee het ijs tussen uitgever en schrijver was gebroken en de weg naar een verhalenbundel open stond.
In de verhalen in Kiev op de bodem van een glas beschrijft Wals een Nigeriaanse kapper, een verzameling bewoners van Borscht Hostel en enkele uitgeweken complotdenkers en jonge alcoholisten. Volgens de uitgever zijn ‘hun portretten goed uitgebeeld, vaak waarheidsgetrouw, en met zijn bijzondere, robuuste stijl weet Wals ontegenzeggelijk te ontroeren.Uit Kiev op de bodem van een glas rijst het beeld op dat Kiev meer lijkt op West-Europese steden wij veelal denken.’
Auteur: Tobias Wals
Uitgeverij: Van Oorschot
Een basis over de grens
Krüger (1955, Zuid-Afrika) studeerde Theologie en Letteren in Stellenbosch en woont sinds 1984 in Nederland als predikant. Een basis over de grens is de derde roman van Krüger. Een oorlogsroman die zich afspeelt in het mysterieuze landschap van Mozambique en waarin verlossing meer centraal staat dan geweld.
Het gaat over zeven infanteristen die gestuurd zijn vanuit Zuid-Afrika en de opdracht kregen een vijandelijke basis uit te schakelen. Er is de wat kinderlijke radioman Rot, de armoedige Jinx, de tolk N’Tembi, de zwijgzame Grog, de gelovige Louch en Konrad die geobsedeerd is door vernietiging. De zevende is de omgekomen bevelvoerder Stanley. Met zijn zessen dragen ze het lijk met zich mee.
De eerste zin is: ‘De schemer die aanhoudt, zelfs als het nacht is.’
Auteur: Louis Krüger
Uitgeverij: Uitgeverij Bint
Karl Blossfeldt en het Oog van Allah
Karl Blossfeldt (1865-1932) was leraar kunst en liet zijn leerlingen voorbeelden uit de plantenwereld zien om hun esthetisch gevoel te ontwikkelen. Daarvoor fotografeerde hij in natuurlijk licht pas geplukte planten, vastgezet in een stellage. Hij heeft ongeveer 6000 gedetailleerde zwartwitfoto’s gemaakt van plantendelen, bladeren, stengels, bloemen, knoppen, takjes en vruchten.
Zesentwintig foto’s inspireerden Cees Nooteboom voor dit essay waarin hij filosofeert over de grens tussen natuurvorsing en kunst, vragen stelt over de schepper en de oerknal en het kunstbegrip van de vergroting aanvoert als de katalysator die structuur naar de voorgrond laat treden en het rijk van de esthetiek binnenbrengt.
Het essay gaat vergezeld van zesentwintig foto’s van Karl Blossfeldt.
Eigenlijk is het simpel. Wie iets met boeken heeft en alles wat daarmee samenhangt moet naar de Buchmesse. Al is het maar een keer in je leven. Dat de Buchmesse groot is, een duizelingwekkend gevarieerd en grensoverschrijdend aanbod presenteert is een cliché. Het zou niemand af moeten schrikken, integendeel. Opvallend zijn de typische verschillen in sfeer, stijl en publiek. Bij de Antiquarian Book Fair: meer mannen met grijs haar. Bij kunstboeken: meer stijl en gedurfd design. Bij kennismaking met nieuwe VR-toepassingen: meer kekke, hippe youngsters.
Wat zich vooral opdringt is: optimisme. Zoveel mensen spannen zich in om op even zovele verschillende manieren mooie, nieuwe, originele producten aan te bieden. Sommige namen van landen zijn synoniem voor oorlog, honger en ellende. Op de Buchmesse zijn vertegenwoordigers uit deze landen present met keurige publicaties in een smaakvolle stand.
En natuurlijk kan op talrijke plekken kennis gemaakt worden met de gastlanden Nederland en Vlaanderen. In de drukte op het Buchmesse-complex zie je ze lopen: Arnon Grunberg, Geert Mak, Cees Nooteboom.
Bij het gastlandpaviljoen is door middel van projectie een 360 graden illusie gecreëerd van strand, zee en lucht. Panorama Mesdag 2.0 zeg maar. In de schemerige ruimte zelf wordt genoten van literatuur op een opzienbarend meubelstuk voor 2 personen: één die voorleest en één die voorgelezen wordt. Er is een podium waar Tommy Wieringa in zijn beste Duits vragen beantwoordt. En de prozaïsche noot is ditmaal… een geur. Van frituurvet. Misschien wordt geprobeerd voor de echte Lage Landen-sfeer kroketten te bereiden. Of behoren die tot wat we níet delen?
Hoe het antwoord op die vraag ook luidt, simpel blijft het. Wie echt iets met boeken heeft moet naar de Buchmesse. Al is het maar één keer.
Kijken naar kunst en daarbij verrast, verwonderd of ontroerd raken en soms het gevoel krijgen bedrogen te zijn. Dat roept kunst bij Cees Nooteboom (1933) op en daar schreef hij sinds de jaren vijftig vele stukken over. In het lijvig boek Wat het oog je vertelt, zijn de mooiste stukken verzameld over beeldende kunst, fotografie, film, architectuur en ook een kleine afdeling gedichten. Hij schreef onder andere over het werk van Rembrandt, Anton Corbijn, Chirico en Max Neumann.
Wat kunst is vraagt Nooteboom zich nooit af. Hij kijkt en wat er dan met je gebeurt, daar is wat over te zeggen. In een interview met Maarten Moll in Het Parool deze week liet Nooteboom weten dat hij de titel Wat het oog je vertelt, al snel had: “Je gaat naar een tentoonstelling en dan zie je iets. Je oog werkt in op je hersens, laat ik het nu maar heel primitief zeggen, en dan wordt er iets aan je verteld, maar je bent dan al bezig dat wat je ziet te veranderen, zonder dat je weet of die schilder dat nou zo bedoeld heeft.” Nooteboom geeft een unieke kijk op kunst weer met de blik van een zorgvuldig en immer nieuwsgierige waarnemer.
Uitgeverij: Bezige Bij
Studio 3005 (2012) begon met de uitgave van een reeks sobere typografische uitgaven. Proza en poëzie van de historische en hedendaagse avant-garde die opvallen vanwege hun verfijnde stijl. De uitgaven variërden van reguliere grote oplages tot bibliofiele edities in offset en/of boekdruk. Maar de uitgeverij groeide uit zijn jasje en kreeg sinds deze week een nieuwe naam en een eigen site die vanaf vandaag (primeur) online is als Uitgeverij Vleugels. De uitgeverij heeft een Franse reeks mooie werkjes waaronder Voetbal van de Franstalige Vlaamse schrijver Jean Philippe Toussaint (1957). De schrijver van o.a. De televisie, Naakt en De waarheid omtrent Marie nu het ultieme literaire voetbalboek Football uit 2015 in Nederlandse vertaling. Observaties tijdens WK’s lopen over in beschouwingen van persoonlijke aard.
Voor wie de schrijver nog niet kent: in 2014 schreef Nina Weijers een mooi stuk over de Marie-boeken van Toussaint.
Uitgeverij: Vleugels
Een andere uitgave in de Franse reeks van dezelfde uitgever is Madeleine – Geheime gedichten van Guillaume Apollinaire (1880-1918). Twaalf ‘Geheime gedichten’ voor Madeleine, die een hoogtepunt vormen binnen het erotisch werk van Apollinaire . In een overvloed aan uiteenlopende beelden roept Apollinaire de vrouw op als een incarnatie van het heelal zelf. Zijn extatische lofzangen doen nu en dan denken aan het Hooglied, maar op de achtergrond klinken de echo’s van het rumoer van de Eerste Wereldoorlog door.
Pas in 1952 gaf Madeleine Pagès haar toestemming voor een onvolledige editie met de titel Tendre comme le souvenir (Innig als de herinnering). Een jaar na haar dood in 1965 verscheen een tweede, nog steeds onvolledige uitgave. De eerste ongecensureerde uitgave is die van Laurence Campa: Lettres à Madeleine (2005).
Op 3 april van dit jaar was Cees Nooteboom te gast in het programma Buitenhof om te praten over Een duister voorgevoel, zijn recente boek over Jheronimus Bosch.
Er ontspon zich een ongemakkelijk gesprek tussen de schrijver en presentatrice Marcia Luyten, die duidelijk niet op dezelfde golflengte zaten. Dat bleek vooral toen Nooteboom bijna verrukt de gelijkenis verduidelijkte tussen Bosch’ paneel met Sint Christoffel en de foto van de politieman die op een Turks strand het verdronken Syrische jongetje Aylan Kurdi wegdraagt.
De overeenkomst is treffend, maar niet toevallig. Jeroen Bosch schiep met zijn Christoffel een archetype. Het spreekt juist zo aan omdat het een vóórafbeelding is van een werkelijkheid die zich ten allen tijde kan voordoen. Het is invoelbaar hoe Nooteboom met een schok de overeenkomst zag, maar hij is niet uitzonderlijk.
Nog bekender is de foto van Aylan geworden waarop hij met zijn gezicht naar beneden en de armpjes langs het lichaam aan de rand van het water ligt. Dergelijke iconische beelden die we uit de werkelijkheid plukken, hebben ook een negatieve werking: ze drukken soms andere werkelijkheden weg. Want wie herinnert zich nog dat op datzelfde strand waar de agent Aylan opraapte ook zijn vijfjarige broertje Galip en hun moeder Rihan lagen. Met nog negen andere drenkelingen trouwens. Om het maar eens cru te zeggen: Galip lag er minder spectaculair bij.
Het gevaar is dat dergelijke beelden ons oog voor de werkelijkheid vernauwen tot één sentiment dat een ramp in al zijn heftigheid samenbalt, maar tegelijk afstand scheppen tot de context. In zekere zin worden we er zelfs ingeluisd. Het is niet voor niets Aylan die op de foto staat. Hij was het jongste kind, het meest kwetsbare, het meest weerloze. Juist de foto van hem werkt het beste om het sentiment dat we voelen te bewerkstelligen. Die van zijn broertje is niet dramatisch genoeg en moet het tegen die van Aylan afleggen. Dat roept de vraag op hoe een foto betekenis krijgt en wat wij als ‘waarnemers’ zien. Want we waren er niet bij. We moeten het doen met beeld dat collectief tot icoon is verklaard. Wat er omheen gebeurde zal in ons geheugen (als we het al opgenomen hebben) steeds vager worden.
Die gedachte kwam bij me op omdat ik het zelf een half jaar eerder meemaakte. We waren in september vorig jaar in Molivos (ook wel Mythimna geheten) op Lesbos. De kilometers lange kustweg van Skala Sikaminia in het oosten tot aan het stadje lag bezaaid met rubberboten en zwemvesten. Bij de school van Mythimna spraken we met enkele van de verzamelde vluchtelingen. Onder andere met de Syrische jonge vrouw met haar kind die we fotografeerden. Haar man liet ons ondertussen op zijn telefoon een filmpje zien dat hij tijdens de oversteek vanaf de Turkse kust op het zwalkende rubberbootje had gemaakt. De trillende beelden toonden de paniek in de ogen van moeder en kind.
Maar toen we thuis onze foto terugzagen trof ons dat we het archetype van de Madonna hadden vastgelegd. Zoals Rafael dat bijvoorbeeld ooit deed. En hoe meer tijd verstrijkt sinds ons verblijf op Lesbos, hoe meer de foto de liefde van moeder en kind verbeeldt en de schokkende beelden op de telefoon van haar man vervaagt.
Toch zit op haar schoot het kind dat Christoffel op zijn schouder droeg. En het kind dat de agent wegdroeg van het Turkse strand.
De Wit-Russische Svetlana Alexijevitsj won in 2015 de Nobelprijs voor de literatuur (‘voor haar meerstemmige werk, een monument voor lijden en moed in onze tijd’). De publicatie van haar eerste boek, De oorlog heeft geen vrouwengezicht kostte haar midden jaren tachtig haar baan, maar inmiddels zijn er in Rusland ruim twee miljoen exemplaren van dit boek verkocht.
Eerder verscheen van Alexijevitsj in Nederland Het einde van de rode mens (over het leven na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie). Zij schrijft vooral over de Tweede Wereldoorlog, de oorlog in Afghanistan en de ramp in Tsjernobyl.
De oorlog heeft geen vrouwengezicht vertelt de herinneringen van honderden vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dienden in het Russische leger als o.a. scherpschutter, tankbestuurder of verpleegkundige.
Alexijevitsj herzag haar boek in 2002 en voegde delen toe die eerder niet door de Sovjetcensuur waren gekomen.
Auteur: Svetlana Alexijevitsj
Uitgeverij: De Bezige Bij
Een les voor het sterven
Voor Een les voor het sterven, zijn roman over de ter dood veroordeelde jongeman Jefferson ontving Ernest J. Gaines de National Book Critics Circle Award. Dit boek verscheen in 1993, is inmiddels een internationale bestseller, maar verschijnt nu pas voor het eerst in het Nederlands.
Het boek beschrijft de relatie tussen een jonge zwarte man op death row en zijn docent in het Amerika van de jaren veertig.
Jefferson wordt ten onrechte beschuldigd van moord op een blanke. Hij word ter dood veroordeeld. Dorpsleraar Grant Wiggins neemt de taak op zich om hem begeleiden. Jefferson heeft weinig zelfrespect en Wiggins is een bitter man, maar het lukt hem wel om Jefferson uiteindelijk te doen inzien dat hij een volwaardig mens is.
Een les voor het sterven is geschreven in 1993, speelt in de jaren veertig en heeft een thema dat anno 2016 nog steeds actueel is. Het verschijnt bij de nieuwe uitgeverij Bananafish (‘een uitgeverij voor vreemd genoeg onvertaalde literatuur’).
Auteur: Ernest J. Gaines
Uitgeverij: Bananafish
Een duister voorgevoel
In Een duister voorgevoel beschrijft Cees Nooteboom zijn reizen naar zeven schilderijen van Jheronimus Bosch in Lissabon, Madrid, Gent, Rotterdam en Den Bosch. En hij vraagt zich af of hij als twintiger een andere Jheronimus Bosch zag dan nu als tachtiger. Wat heeft een schrijver uit de twintigste eeuw gemeen met een schilder uit de vijftiende eeuw? Ze komen uit hetzelfde land, maar zouden ze elkaar nog verstaan als ze met elkaar konden spreken?
De tickets voor de huidige grote Jheronimus Bosch tentoonstelling (Jheronimus Bosch – Visoenen van een genie, t/m 8 mei) zijn uitverkocht, maar er staat nog een groot aantal andere festiviteiten op het programma in dit Jheronimus Bosch-herdenkingsjaar (zie daarvoor bosch500.nl). Maar voor iedereen met of zonder kaartje is Een duister voorgevoel van Cees Nooteboom een boeiende aanrader.