• Alles gebeurt tegelijkertijd

    Alles gebeurt tegelijkertijd

    Nu de wereld in een herhaling van zetten vervalt, er minder dan niets geleerd lijkt van het verleden, weet je niet waar te kijken. Zelfgenoegzame leiders die online hun gelijk halen, wil je de weg versperren. Spreeuwen vliegen schetterend op uit de meidoornhaag. Dat alles tegelijkertijd gebeurt. Terwijl de deurbel gaat, worden op de radio uitspraken van politici herhaald, overhandigt de postbode je een stapel platte dozen, stapt de buurman in zijn auto, verdwijnt de buurkat met gestrekte staart door een gat in de heg, zeg je lachend dankuwel. Denk, spreeuwen, deurbel, radio, meidoorn, politici, kat. Denk buurman, postbode, auto, heg. Denk klein en kijk naar een beeldessay van Mexicaanse kunstenaressen, samengesteld door Fernanda Ramos Mena getiteld, ‘Echo’s van een tijd / Die ontwricht / Aan het ontwrichten is / werd ontwricht’. Zie in de ontwrichting een mogelijkheid. Een reeks afbeeldingen met tekstregels, zie het als een poëtische oefening.

    Je loopt door het huis, een collega appt je dat de voorgenomen btw-verhoging op cultuur niet doorgaat. Je voelt je als een kind met huisarrest dat weer mag buitenspelen. Kijkt naar de opgekrulde kat op de bank, de toegeknepen ogen. Luistert naar de stem van Jimena Casas, ‘no estamos solos, estamos aquí’, op de website van Terras. En leest over een piramide die uit het wegdek steekt, hoe geschiedenis door de aardkorst heen puilt. 

    ‘Telkens als ik terug ben in Mexico’, schrijft Chloe Aridjis (vertaling Caroline Meijer), ‘valt me weer op hoeveel elementen uit het dagelijkse leven je kunt omschrijven als barok: onze zonsondergangen, onze keuken,onze vervuiling, onze corruptie.’ 

    Buiten reinigt een buurman met een hogedrukspuit zijn kant van de schutting.

    Lees Maricela Guerrero (vertaling Lisa Thunnissen), ‘Soms lijkt het knullig en klein om te zoeken naar een taal in bekende termen. / Het geeft moed om problemen te formuleren in inheemse en onbekende talen.’ Getiteld ‘De droom van elke cel’ in de betekenis van een ‘lege ruimte: als een blad dat kan worden beschreven.’

    Er is behoefte aan een verhaal, aan bladzijden omslaan, verder gaan.

    Over  die piramide in Mexico-stad. Het gebeurde in 1978, toen elektriciens een stuk weg openbraken om bedrading weg te werken, ‘stuitten ze op een loodzware, stenen schijf waarop Coyolxauhqui stond afgebeeld. Ze hadden de godin van de Maan gevonden, een belangrijke godin uit de Mexica-cultuur, die wij kennen van de Azteken.’, schrijft gastredacteur Bernke Klein Zandvoort (die sinds zeven jaar deels in Mexico woont), in haar inleiding. En hoe in Mexico verleden, heden en toekomst door elkaar lopen.

    Zoveel meer dat je lezen wilt. ‘Gradaties van bijziendheid’ van Andrea Chapela (vertaling Lies Doms):
    ’49. Wetende dat ik binnenkort op reis ga, pak ik het schrijven weer op. Ik lees Glass (Object Lessons) van John Garrison en bewonder zijn poging om glas te plaatsen binnen de kunst van het verleden en de verbeelding van de toekomst. (…)
    50. Mijn eerste dagen in Madrid gaan voorbij in een waas van de ergste jetlag van mijn leven. Het kost me een week om mijn aankomst te verwerken, mijn koffer uit te pakken en mijn nieuwe kamer op orde te brengen.’

    De hogedrukspuit van de buurman werkt de schutting met geweld tegen de grond (niet echt, maar het zou kunnen). De kat drukt zichzelf in het groene kussen van de bank. Je kunt niet alles lezen, maar dan toch van Gloria Gervitz (vertaling Bart Vonck) nog dit:

    ‘En mijn grootmoeder speelde altijd dezelfde sonate
    Een meisje eet een waterijsje op de zonovergoten straathoek
    Een man wacht op een vrachtwagen en leest de krant
    Het licht breekt
    En het wasgoed hangt in de zon. Ondoorgrondelijk is grootmoeders sonate
    Jij zie dat het zomer was. O, muziek’.

    Het leven in fragmenten. Maar denk niet dat citaten genoeg zijn om het geheel te bevatten. Het is een vleugje van iets goeds, iets dat gelezen moet worden. Werk van zesentwintig Mexicaanse of in Mexico wonende vrouwelijke auteurs (waaronder . Of, zoals Bernke Klein Zandvoort haar inleiding beëindigt: ‘(…) je mee te laten voeren door de scherpe, tedere, kolkende, rauwe en rouwende, zichzelf bekijkende taal – in de hoop dat tijdens het lezen elk woord bloem mag worden.’ Doe maar, kijk maar, lees maar. Verlaat Nederland voor even en zie de dingen in perspectief.

     

    Terras #26 Magia/No Magia



    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.



     

     

  • Oogst week 49 – 2021

    Een geest in de keel

    Caoineadh Airt O Laoghaire is een gedicht van de Ierse Eibhlín Dubh Ní Chonaill uit de 18de eeuw. Het is een ‘keen’, een traditionele klaagzang over de dood zoals die in de Schotse en Ierse orale literatuur bekend zijn. De ‘Airt O Laoghaire’ uit de titel is de man van de dichteres, die in 1773 werd doodgeschoten. De 21ste eeuwse Ierse Doireann Ní Ghríofa (1981) kende het als kind al van school.

    In haar debuutroman Een geest in de keel is ze een moeder van vier kinderen die tussen het stofzuigen en kolven door een verweerde kopie van de klaagzang terugvindt. Ze herleest en het gedicht gaat steeds meer spoken in haar keel. Ze zet zich aan een vertaling, maar verdiept zich ook in het leven van de dichteres en zet dat af tegen dat van haar zelf. Zo wordt Een geest in de keel een confrontatie tussen twee levens die in tijd twee eeuwen uit elkaar liggen en toch een verwantschap hebben. Het boek begint en eindigt met de diverse malen als een mantra herhaalde zin: ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

    Een geest in de keel
    Auteur: Doireann Ní Ghríofa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Altijd weer opstaan

    Helga Schubert was tachtig jaar toen ze in 2020 de Ingeborg-Bachmann-Preis kreeg voor haar autobiografische verhalenbundel Vom Aufstehen. Ein Leben in Geschichten. Het opvallende was niet zozeer deze bekroning, want voor eerder werk sleepte ze ook al eens prijzen in de wacht, maar dat deze bundel het eerste boek van haar is dat na een stilte van achttien jaar weer eens verscheen. Ze noemde in een interview dat deze verhalen het beste waren dat ze geschreven heeft. Helga Schubert is het pseudoniem van Helga Helm.

    De verhalen in de bundel die nu in het Nederlands zijn vertaald als Altijd weer opstaan (ook de titel van het laatste verhaal) bestrijken een periode van ongeveer haar hele leven. Ze beschrijven in de ik-vorm haar tijd in de DDR en na de Wende in het nieuwe Duitsland en geven daarmee ook een persoonlijke schets van acht decennia Duitse geschiedenis. Sommige (jeugd)verhalen zijn verschrikkelijk (over haar liefdeloze moeder en over de controle door de Stasi bijvoorbeeld), andere juist poëtisch en begripvol. 

     

    Altijd weer opstaan
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika

    In Om het hart terug te brengen gaat de sinds 2004 in Nederland wonende Annemarié van Niekerk terug naar haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze heeft op 15 augustus 2015 bericht gekregen dat haar vriend Ruben Gouws en diens moeder Tannie Hermien zijn vermoord. De twee moordenaars, twintigers, waren bekenden van Ruben. De reis terug is er niet alleen één in geografische zin, maar ook naar de tijd van haar jeugd.

    Het eerste deel van deze ‘memoir’ zet de schijnwerpers, onder de titel Die dag, op de dag van de moord in het onooglijke boerengehucht Ida in de Oostelijke Kaapprovincie. Op die 15de augustus wordt er op de deur geklopt van de woning bij het winkeltje van de moeder. Schoolhoofd Ruben woont bij haar in huis: ‘”Wie in vredesnaam kan dat zijn op de late zaterdagmiddag?” hoort Ruben zijn moeder roepen. “Dat komt wel heel erg ongelegen”. Nu is het hún tijd samen en die laat ze zich niet zomaar afpakken.
    “Blijf maar, Mammie, ik ga wel even kijken.” Als hij langs het keukenraam loopt ziet hij ze staan, Lucy en Matoni. Een paar jaar geleden had hij ze nog in de klas.’

     

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika
    Auteur: Annemarié van Niekerk
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Verbinden zonder te versmelten

    Verbinden zonder te versmelten

    De Amerikaanse Vivian Gornick (1935), bekend als feministe, criticus, journalist en essayist, heeft verschillende werken geschreven. Voor haar essaybundel uit 1997, in het Nederlands vertaald in 2020, Het einde van de liefdesroman, werd zij genomineerd voor de National Book Critics Circle Award. Dit interessante werk, dat werd vertaald door Caroline Meijer en wordt ingeleid door journalist en schrijver Marja Pruis, laat je nadenken over de relatie tussen vrouwen en mannen, leven en werk, over het huwelijk, en over deze thema’s in de literatuur.

    Los van het huwelijk

    Het einde van de liefdesroman is opgedeeld in hoofdstukken of essays en in ieder hoofdstuk staat een roman, een auteur of een thema zoals ‘Teerhartige mannen’ centraal. De bundel begint met Diana of the Crossways, een roman van George Meredith uit de late negentiende eeuw. In deze roman wordt niet het traditionele verhaal verteld over ontluikende liefdesgevoelens tussen een intelligente vrouw en een wilskrachtige man waarbij de strijd pas is beslecht als de vrouw zwicht voor haar gevoelens voor hem, maar juist het tegenovergestelde. Hetzelfde zien we in bijvoorbeeld The House of Mirth van Edith Wharton en Mrs. Dalloway van Virginia Woolf. In deze romans vechten vrouwen zich los van het huwelijk. Ze streven naar onafhankelijkheid, in plaats van romantische verbondenheid. Gornick stelt dat deze romans, en die van Meredith in het bijzonder, opvallend goed aansluiten bij de actualiteit. Maar wij kennen tegenwoordig toch heel andere sociale omstandigheden en een meer egalitaire verhouding tussen man en vrouw? Allemaal waar, maar waar het Gornick om gaat, is dat de sprong die hoofdpersoon Diana naar zichzélf maakt, ook een kenmerk is van onze eigen tijd: de gerichtheid op de individuele behoeften en ontwikkeling, en het besef dat de liefde daar niet voor nodig is.

    Literatuur als reflectie van het leven

    Veel van de werken die Gornick bespreekt, verbindt ze aan het leven van de auteur van het desbetreffende werk. Deze biografische inslag, die voor Gornick gerechtvaardigd is in de verbondenheid tussen het leven en werk van een kunstenaar, geeft een extra laag aan het geheel en zorgt daarmee voor meer diepgang. Zo gaat ze in op het huwelijk van Marian Hooper Adams (Clover) en Henry Adams, Henry’s boeken en de zelfmoord van Clover, of de beruchte relatie tussen de filosofen Hannah Arendt en Martin Heidegger. Gornick poogt te laten zien dat veel liefdesromans gebaseerd zijn op de eigen ervaring; literatuur als reflectie van het leven. De essaybundel is daarmee een vlechtwerk van biografische gegevens van auteurs en narratieven van de romans, die samen vertellen over gebroken huwelijken, affaires, passiviteit en bovenal: de zoektocht naar je innerlijke persoonlijkheid. Gornick zelf is tevens onherroepelijk aanwezig in iedere analyse die ze schrijft; ieder inzicht laat zich lezen als een zelfonderzoek van de auteur.

    Moeder-dochterrelaties

    Als feministe hadden we van Gornick ook niet anders verwacht: ‘de vrouw’ staat in haar werk centraal. Zij gaat in Het einde van de liefdesroman op zoek naar de manier waarop voornamelijk vrouwen, echte en fictionele, liefdesrelaties aangaan, en stelt daarbij dat álle intieme banden die mensen onderhouden geërotiseerd zijn. Het gaat er altijd om hoe je je met de ander kan verbinden zonder volledig in elkaar op te gaan, ‘hoe je tot de ander te verhouden zonder opgeslokt te worden, hoe afstand te nemen zonder je terug te trekken.’ En daarmee is het, zoals altijd, ook een zoektocht naar en worsteling met de eigen identiteit. Het gaat om de vrouw in relatie tot de man in het huwelijk, maar interessant genoeg gaat Gornick ook in op de meedogenloze verhouding tussen moeder en dochter. ‘Van Oedipus tot Freud wordt de strijd om een plaats in de wereld naar ons idee bepaald door een vader-zoonconflict, een geschiedenis van geweld en dadendrang die de verbeeldingsvolle handeling die zelfbeschrijving heet eeuwenlang heeft gevoed.’

    Gornick laat, eerdere denkers zoals D.H. Lawrence volgend, zien dat juist de moeder-dochterrelatie, in het bijzonder het (niet of moeizaam) loskomen van de dochter van de moeder, betekenisvol is in de literatuur. Volgens Gornick ligt dit aan de ‘dubbelzinnigheid’ die de vrouw eigen is. Hier schiet haar analyse wat tekort. Deze bestempeling doet geen recht aan de vrouw, het duwt haar weer in het hokje met connotaties als ‘onpeilbaar’, ‘grillig’ en ‘mysterieus’, waar we juist zo graag vanaf willen. Hoewel Gornick zich ervan bewust is dat er nog heel wat vastgeroeste patronen tussen man- en vrouwbeeld bestaan, stelt ze op andere momenten in de bundel de scheiding tussen man en vrouw strikter voor dan nodig, wat afbreuk doet aan haar algehele analyse.

    Betwistbaar standpunt

    De prikkelende titel van de bundel zien we terug in de titel van het laatste hoofdstuk, waarin ze betoogt waarom de liefdesroman niet langer zal bestaan. Het hele werk beweegt namelijk richting deze stelling: de liefde had niet het effect op ons dat we verwacht hadden, of waar we op hadden gehoopt, en daar getuigen vele romans van. De liefde maakte ons niet zachtaardig of empathisch, zij belemmerde ons in de zoektocht naar onszelf. We moeten volgens Gornick onder ogen zien dat het liefdesverhaal ons geen inzicht oplevert; het is niet het enige verhaal dat ertoe doet.

    Hoewel Gornick goede punten aandraagt, helder schrijft en meestal goed te volgen is, is het goed mogelijk dat ze je niet overtuigt van haar standpunt over de stand van de liefdesroman en de liefde in het algemeen. Het werk laat immers maar één zijde van de munt zien: die van ongelukkige huwelijken en relaties, van voornamelijk vrouwen (uit bijna louter Engelstalige literatuur) die er niet in slagen zichzelf te vinden dankzij de ander. Ook is het karakter van de hedendaagse literatuur met Gornicks inzicht in tegenspraak, omdat deze jongste literatuur juist laat zien dat personages op zoek zijn naar (niet zelden romantische) verbinding met anderen. De liefde leidt wellicht inderdaad niet altijd tot een geïntegreerde persoonlijkheid, toch is het vaak de relatie met anderen die tot zelfinzicht leidt.

    Denken als doel

    Het einde van de liefdesroman stelt interessante vragen, waarop Gornick gewaagde antwoorden geeft. Naast het feit dat je veel leert over Engelstalige auteurs en hun romans, leer je ook veel over Gornick. De zoektocht naar jezelf, en de realisatie van je innerlijke zelf, wordt volgens haar niet langer gevonden in de romantische liefde: eeuwenoude romans getuigen daar van. Een interessante stelling, en of je het er mee eens bent of niet het zet je hoe dan ook tot denken aan. En dat kan nooit kwaad.

     

     

  • Scherpe observaties in memoirs van Vivian Gornick

    Scherpe observaties in memoirs van Vivian Gornick

    Recensie door Jacques van den Berg

    Van de New Yorkse schrijver en journalist Vivian Gornick is haar boek The Odd Woman and The City. A memoir uit 2015, onlangs ook in Nederland verschenen. Het is door Caroline Meijer vertaald onder de titel Een vrouw apart. En de stad. Een memoir. Het boek is genoemd naar een roman van de Engelse schrijver George Gissing (1857 -1903 ), The Odd Women.
    Het memoir van Gornick brengt ons naar haar leven in New York, waar zij met haar homoseksuele vriend en  collega-schrijver, Leonard, regelmatig wandelt en waar ze samen uit eten gaan. Dit doen ze al zo’n twintig jaar, ze observeren de gebeurtenissen in de stad, de maatschappij, de kunsten.

    Feminisme

    Gornick heeft ervoor gekozen om alleen en onafhankelijk door het leven te gaan. In haar stukjes schrijft ze over dagelijkse situaties en dat doet ze op associatieve wijze. Kleine gebeurtenissen over bijvoorbeeld menselijke verhoudingen en tekortkomingen, feminisme, Engelse literatuur uit de negentiende eeuw, schrijven, bezoek aan musea, theater of musicals en de stad New York. Eén van haar waarnemingen: ‘Goedgeklede matrone op Park Avenue tegen haar vriendin zegt: ‘Toen ik jong was, waren mannen het hoofdgerecht, tegenwoordig zijn ze een bijgerechtje.’ Soms kan ze vilein uit de hoek komen en af en toe lijken de stukje op een zkv.

    Vivian Gornick is opgegroeid in een joods arbeidersgezin in The Bronx. Zij heeft zich door een universitaire studie een betere sociale positie weten te verwerven en zich ontwikkeld tot een scherpzinnig journaliste en schrijfster met als groot onderwerp het feminisme. Ze schreef voor diverse gerenommeerde kranten en tijdschriften als The Nation en The New York Times over dat onderwerp. Dit heeft zij ongeveer de helft van haar werkzame leven gedaan. Politiek gezien komt ze uit de communistische hoek. Ze heeft het proces van afstand nemen van het communisme in haar eerste  boek, The Romance of American Communism (1977), beschreven. Ze is nog steeds sociaal bewogen en feministe.

    Schrijven

    Gornick heeft inmiddels elf boeken geschreven en er is er een onderweg, Unfinished Business: Notes of A Chronic Re-Reader. In het algemeen publiceerde ze essays over feminisme, schrijven en politiek. Nu heeft ze dan ook twee memoirs uitgebracht. Het eerste was Verstrengeld (Fierce Attachment uit 1987), een memoir dat over haar moeder gaat, de liefde en New York. Met haar moeder had ze jarenlang een complexe verhouding. In dit memoir zijn de herinneringen aan haar jeugd, haar volwassenheid en de wandelingen door New York met haar moeder vastgelegd. Bij dit boek, zo meende ze zelf, had ze haar juiste toon als auteur gevonden. Door de critici van The New York Times is het uitgeroepen tot de beste memoir van de afgelopen vijftig jaar. Daarnaast is ze enkele malen bekroond met belangrijke prijzen voor haar essays en memoirs.

    Schrijfproces

    Gornick heeft altijd de ambitie gehad schrijfster te willen worden. In Een vrouw apart wordt ook het schrijfproces en de worsteling ermee beschreven. Naast het schrijven heeft ze altijd les gegeven in creatief schrijven aan universiteiten. Haar boek The Situation and The Story is verplichte lesstof voor docenten en studenten aan schrijfopleidingen.
    Vivian Gornick heeft een voortreffelijk geschreven memoir laten verschijnen. Het is een genot haar messcherpe observaties, commentaren en gebeeldhouwde taal te lezen. En wie Een vrouw apart. En de stad. heeft gelezen, wil zeker ook haar eerste memoir, Verstrengeld lezen.

     

  • Moeder en dochter als enige constante in elkaars leven

    Moeder en dochter als enige constante in elkaars leven

    Vivian Gornick (1935) noemt het erotiek, datgene wat bij moeder en dochter een aanzienlijke rol in het leven speelt. Haar leven lang worstelt ze met de hang naar liefde en geborgenheid plus de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid. Haar moeder is een romanticus die dertig jaar blijft treuren over de dood van haar grote liefde, Vivians vader. Wat hen bindt is het gevoel niet volledig door het leven te zijn bedeeld, aan de kant te zijn blijven staan.

    Met haar moeder heeft de schrijfster een haat-liefde verhouding. Ze irriteren elkaar, willen allebei gelijk hebben en zijn niet echt op elkaar gesteld. Toch kunnen ze niet zonder elkaar. Op hun gezamenlijke lange wandelingen door New York, als Vivian een jaar of vijftig is en haar moeder in de zeventig, gaat het vaak over ‘vroeger’, toen ze in een huurkazerne in de Bronx woonden. Aan de hand van deze herinneringen verhaalt Gornick in Verstrengeld (Fierce Attachements. A Memoir, 1987) over haar jeugd en de latere jaren toen ze studeerde, ging werken en de liefde ontdekte.

    De moeder is een vrouw met weinig opleiding en een geringe kennis van de wereld, maar wel toegerust met de nodige emotionele intelligentie. Ze kan niet bogen op een degelijke maatschappelijke functie. Ooit zocht en vond ze een baan, gaf die na acht maanden op omdat haar echtgenoot bleef protesteren, want ‘getrouwde vrouwen werken niet,’ vond hij. ‘Ik kon kiezen tussen het leven thuis in een hel veranderen of gelukkig worden. Ik wilde gelukkig worden,’ vertelt ze haar dochter op een van de wandelingen. Wat overbleef, schrijft Gornick, was het minachten van anderen om zichzelf te verheffen. Ook jaren nadat haar man is overleden blijft haar moeder de liefde missen en doet ze niets om haar leven inhoud te geven. Dat gooit Vivian haar voor de voeten: ‘Het was jouw keus… […] Je hebt dertig jaar doorgebracht met je vast te klampen aan een voorbije liefde. Je had een leven kunnen hebben.’

    Zelf zit Gornick – journalist, recensent, memoirist, essayist en representant van de eerste feministische golf – opgesloten in zichzelf. Al discussieert ze nog zoveel met vrienden, studiegenoten en minnaars, meestal voelt ze zich alleen, tekortschieten, buiten het dagelijks leven staan. Met haar jonge echtgenoot is er geen enkele dialoog, geïsoleerd van de ander door gevoelens die ze nauwelijks kennen en waar ze geen raad mee weten. Alleen seks brengt verlichting, reden waarom ze het nog zes jaar volhouden.

    Op de momenten dat Gornick zich werkelijk vrij voelt, manifesteert dat vrijheidsgevoel zich fysiek. Ze ervaart het in haar lichaam ‘als een rechthoekige ruimte van haar keel tot haar kruis’. Dan komen ook de woorden en stromen haar gedachten het papier op, totdat de ruimte zich sluit en de beperking weer optreedt. Als de rechthoekige ruimte open is ontstaat ‘eenheid van denken en taal’. Hierin vindt Gornick haar schrijverschap.

    Grandioos is de pagina’s lange beschrijving van de week van vaders dood en begrafenis waarin Gornick haar moeders theatrale verdriet beschrijft. ‘Rond het middaguur stroomde het huis plotseling over van mensen […] Deze mensen brachten ons tot aan de afgrond. Bij elk nieuw gezicht dat in haar directe blikveld verscheen, vond mijn moeder het nodig om in een nieuwe storm van tranen en weeklachten uit te barsten. Mijn angst groeide. Weldra zou ze zich verliezen in een hysterie waaruit geen terugkeer mogelijk was. […] Er waren tijdens de begrafenis nog meer momenten die het verdienden geboekstaafd te worden […] In mijn herinnering verbleken ze bij de briljante meedogenloosheid van mama’s waanzin.’ Met dezelfde scherpzinnige, efficiënte formuleringen, waar de humor in besloten ligt, vertelt Gornick over de buren en andere bekenden in de huurkazerne in de Bronx en over haar eigen gevoelens en minnaars.

    De relatie met de getrouwde Joe beantwoordt in eerste instantie aan haar verlangen naar geborgenheid én onafhankelijkheid. Ze kan met hem over alles praten, vooral over zichzelf, haar gevoel van afzondering, alleen zijn, onbeduidendheid. En de erotiek weegt zwaar. ‘Om te beginnen was daar de enorme reikwijdte van de seksuele liefde zelf. Begeerte garandeerde tederheid. Tederheid voorkwam gevaar. Eenmaal buiten gevaar was ik vrij om mezelf terug te trekken in het fascinerende geheime leven van mijn eigen overgave. In bed hoefde ik mezelf niet te zijn.’ Maar na twee jaar ervaart ze wederom zowel letterlijk als figuurlijk de begrenzing van de ruimte als Joe behalve zijn vrouw ook haar bedriegt.

    Het verlangen naar de nabijheid van een man blijft, een intimiteit die ze tegelijkertijd afwijst omdat ze haar onafhankelijkheid wil behouden, of liever omdat ze onafhankelijk ìs. In een interview in The Paris Review zei ze ooit: ‘Ik heb niet het leven gehad dat ik wilde. Ik had gehoopt meer midden in de wereld, in het leven te staan, voor betere feestjes te worden gevraagd.’

    Ondanks de wederzijdse irritaties en nietsontziend commentaar hebben moeder en dochter een vertrouwelijke band met elkaar. Ze hebben geen geheimen, kennen elkaar door en door. In beider leven is hun relatie de enige constante. Alleen heeft Vivian een bredere kijk op de wereld en op menselijk gedrag ontwikkeld, en is de moeder in haar eigen beperkte wereldbeeld blijven steken. Althans, in de visie van de dochter.

    Dit boek is geen volledige autobiografie, het behelst slechts dat deel van Gornicks leven waarin de nadruk op haar moeder ligt. Als ‘memoir-schrijver’ behandelt zij in vele andere verhalen en essays haar carrière, vriendschappen en relaties, met de stad New York alomtegenwoordig op de achtergrond. Dat zij daarover niet uitgeschreven raakt, bewijst de publicatie van haar laatste boek The Odd Woman and the City uit 2015. Op haar 81e laat Gornick nog steeds zien dat worstelen met mens-zijn een eeuwige bron van verhalen is.

     

  • Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

    Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

    Het is 1851, in Californië is dat de tijd van de Koorts. De alom aanwezige Amerikaanse cowboys worden wild van goudzucht. Door deze contreien trekken de titelbroers in De gebroeders Sisters. Hun doel is simpel: Hermann Kermit Warm moet dood.

    Charlie en Eli Sisters zijn beruchte moordenaars, met een faam à la Buffalo Bill. Het verschil is dat de broers Sisters in loondienst zijn, en wel bij de Commodore, een autoritaire en zelfgenoegzame rijkaard. Hun doelwit, Warm, is goud aan het zoeken in de buurt van San Francisco en wordt daar in de gaten gehouden door een andere medewerker van de Commodore. Om bij Warm in de buurt te komen reizen de broers door het koortsige cowboyland.

    Nu heeft de Canadees Patrick DeWitt (1975) met dit boek twee belangwekkende Canadese literaire prijzen gewonnen, de Governor General’s Literary Award en de Writers Trust Prize. Eveneens was hij vorig jaar genomineerd voor de Man Booker Prize. Tijdens het lezen van pakweg de eerste tientallen pagina’s kan deze wetenschap bevreemden: het lijkt een doorsnee western, en aanvankelijk is onduidelijk waarom DeWitts roman het literaire niveau van pakweg Karl May ontstijgt – laat staan dat het in de buurt komt van de romans van de hedendaagse meester Cormac McCarthy.

    Maar gestaag begint het boek te bevallen, en dat in steeds grotere mate. Er zit veel meer in dan de eerste lezersblik bevroedt. En dan niet alleen de amusante manier waarop DeWitt zowel de tandenborstel als de telefoon introduceert.

    Ja, de gebroeders Sisters moorden, en dat kunnen ze verdomd goed. Zonder enig literair voor- of naspel vallen de doden. Maar deze ogenschijnlijk gebroederlijk moordende mannen zijn allerminst hetzelfde: ‘Ons bloed is hetzelfde, we gebruiken het alleen verschillend.’ Hebben ze daarom van DeWitt de zo contradictoir op gebroeders volgende achternaam Sisters meegekregen? Anders dan de harte- en achteloos moordende Charlie, een drinker, blijkt de ik-persoon Eli helemaal geen kille moordenaar. Juist niet: alleen op drift kan hij moorden.

    Maar wanneer hij eenmaal in zo’n driftbui verkeert, dan is hij al briesend tot alles in staat. Natuurlijk weet Charlie dit en evenzo weet hij, broer als hij is, precies hoe Eli zo te manipuleren dat hij, als ware hij een opwindpoppetje, tot gebries en gemoord overgaat: ‘Mijn naam is Eli Sisters, jij hoerenjong, en als je niet opschiet en me brengt wat ik gevraagd heb schiet ik je ter plekke overhoop.’

    Dit is Eli Sisters, en het is eigenlijk een ontzettend sympathieke man. Het is een opmerkelijke prestatie van DeWitt dat waarschijnlijk elke lezer met Eli zal meeleven, ondanks zijn waarlijk moordlustige drift: ‘De hersens van de man kleurden paars van het bloed en schuim borrelde tussen de plooien omhoog. Ik trok mijn been op en stampte met mijn volle gewicht de hiel van mijn laars in het gat van zijn schedel, waardoor wat ervan over was verbrijzelde en zo compleet werd platgewalst dat het niet meer als menselijk hoofd herkenbaar was. Toen ik mijn voet weer optilde, voelde het alsof ik hem uit de natte modder trok.’

    De sympathie van de lezer wordt namelijk opgewekt door Eli’s gemijmer. Steeds meer begint hij te peinzen over het leven en over vrouwen. Het leidt hem tot alleszins terechte vragen: waarom moord ik eigenlijk, en zou ik er niet mee stoppen? De antwoorden volgen beetje bij beetje. Deze deelantwoorden worden afgewisseld met bijna-verliefdheden, maar toch vooral met moorden, waarmee Eli varieert op het ‘eerst schieten, dan vragen stellen’.

    Af en toe, en zeker in het begin, lijkt DeWitt teveel een procedé te volgen. Dit gaat als volgt: in ieder kort hoofdstuk speelt zich een opvallende situatie af, waarin de broers hun ruige reputatie versterken, en dan eindigt het met een quasi-reflectieve mijmer van Eli Sisters. Maar ook wat dit betreft komt het boek op gang, worden Eli’s kronkels prikkelender en laat het boek de voorspelbare trant los.

    Terwijl zijn broer zich iedere avond ongans drinkt aan de brandewijn, raakt de peinzende Eli vervuld van walging van zijn professie – en daarmee vervuld van zelfhaat. Het lijkt erop dat de moord op Warm zijn laatste klus voor de Commodore zal zijn. Eli’s mentale ontwikkeling en de reis van de gebroeders Sisters wordt afgewisseld met twee vreemde, enkele pagina’s tellende ‘intermezzo’s’. In het eerste treft Eli een zeven- of achtjarig meisje, die hem in haar droom had gezien: ‘“Ik kwam voor in je droom?” “Er kwam een man in voor. Een man die ik niet kende en niet mocht.” “Was het een goede of een slechte man?” Ze fluisterde: “Het was een beschermde man.”’

    Is Eli beschermd, en zo ja, wat houdt dat dan in? Zowel Eli als de lezer mogen hierop broeden. Zo ook op de verschillende passages, net over de helft van de roman, waarin de broers en Hermann Kermit Warm samen optreden. De naam van Warm mag haast opgevat worden als een onomatopee: Hermann Kermit Warm is een opmerkelijke figuur. Zijn karakter straalt onafhankelijkheid uit, en is aangekleed met een aantal verwonderlijke tics. Zo begint hij, terwijl hij zich in een levensbedreigende situatie bevindt, te fluiten. De melancholicus Eli raakt direct gecharmeerd: ‘Ik herkende het wijsje niet, maar het was zo’n deuntje als ik altijd graag hoorde: traag en sentimenteel en ongetwijfeld met een bijbehorende tekst die over hartzeer en de dood handelde. (…) Hij was een uiterst getalenteerde fluiter; het lied daalde en steeg, kwinkeleerde in de lucht en verdween toen in de ruisende rivier.’

    Maar waarom zitten de gebroeders Sisters achter deze figuur aan? Er blijkt iets met Warm te zijn dat op velen een koortsverhogende uitwerking heeft. Verklapt mag worden dat het plan van de broers, ondanks hun onmiskenbare moordenaarskwaliteiten, anders loopt dan gedacht. Wat volgt onthutst, amuseert ondanks de dood en weet soms zelfs te vertederen. Dit maakt De gebroeders Sisters niet tot een klassieker, maar wel tot een verrassend prettige roman.

     

  • BUtterfield 8

    BUtterfield 8

    In de zomer van 1931 houdt een gruwelijk drama de stad New York wekenlang in zijn greep. Op het chique strand van Long Beach spoelt het zwaar beschadigde lichaam van een jonge vrouw aan. Haar naam is Starr Faithfull. In de weken die volgen, duiken van haar hand twee dagboeken en een vermeende zelfmoordbrief op en de kranten spinnen het verhaal breed uit: hoogopgeleid meisje uit gegoede kringen houdt zich op in de wereld van seks, drugs en rock en roll en heeft affaires met meerdere prominente figuren, waaronder een bekend politicus. Starr sterft wanneer ze, onder invloed van drugs, over de reling van een schip valt. Haar dood wordt nooit opgehelderd.

    Het is dit drama waarop BUtterfield 8, het tweede boek van de Amerikaanse schrijver John O‘Hara (1905-1970), losjes is gebaseerd. In de roman, daterend uit 1935, wordt de rol van Starr vertolkt door Gloria Wandrous, een glamourgirl in de jaren dertig wiens karakter en levenswijze zijn gemodelleerd naar die van haar onfortuinlijke voorbeeld. Tussen de ochtend waarop Gloria op pagina 1 ontwaakt in het appartement van een onbekende man ? ‘Veel te vroeg voor de nacht die achter haar lag, ontwaakte op deze zondagmorgen in mei dit meisje dat later in New York een sensatie zou veroorzaken’ ? en het moment dat zij over de reling van een oude raderboot haar dood tegemoet valt, laat O‘Hara ons zien dat mensen bovenal slachtoffer van zichzelf zijn: zij dragen allen een lot in zich dat zich hoe dan ook zal realiseren.

    Toch zijn het niet de lotgevallen van Gloria die de aandacht van de lezer opeisen. Plot en personages lijken slechts bijzaak ? de zangeressen in het achtergrondkoortje. Hoofdrolspeelster is zonder twijfel de stad New York, gehuld in een frivool jaren dertig-jurkje, wankelend op halfhoge hakken, met een smeulende sigaret tussen haar gestifte lippen. De personages dansen hun choreografie tussen de verwoestende gevolgen van de beurskrach op Wall Street van 1929, de ijzeren greep van de Drooglegging (1920-1933) en een rijkgeschakeerd decor van contemporaine figuren en gebeurtenissen. Van woordgrapjes over burgemeester Walker tot gedetailleerde aandacht voor de omgangsvormen in het maatschappelijk leven: O‘Hara heeft het New York van begin jaren dertig van de vorige eeuw onder een glazen stolp geplaatst en levensecht geconserveerd.

    Precies die zaken die BUtterfield 8 destijds tot een populaire roman maakten bij het grote publiek ? het spel met de actualiteit, met als resultaat een gevoel van ‘erbij horen’ ? maken het boek moeilijk toegankelijk voor de lezer anno nu. Het verhaal leest vaak moeizaam, niet alleen doordat actuele situaties van toen voor lezers van nu veelal onbekend zijn, maar ook door de overvloedige beschrijvingen, de rijkheid aan details en de wijze waarop de dialogen van de hak op de tak springen. Hierdoor verlies je als moderne lezer de plot en de thematiek ? menselijke vrijheid is een illusie ? makkelijk uit het oog.

    BUtterfield 8 verwijst naar de nieuwe codering van de New Yorkse telefooncentrales in 1930: alle centrales kregen een code die bestond uit een naam en een cijfer. BUtterfield werd zo BUtterfield 8. Het boek wemelt van dit soort grappige weetjes, maar die zijn voor de lezer van nu jammer genoeg niet altijd even duidelijk herkenbaar en daardoor mis je veel. Als levendig portret van een stad en een tijd is BUtterfield 8 wel zeker de moeite waard. Wil je echt in het verhaal doordringen, dan moet je het boek echter meerdere keren en met toelichtend materiaal lezen. Geen tijd of geen zin? Dan is er altijd nog de verfilming uit 1960, met Elisabeth Taylor in de hoofdrol. Ook zeker de moeite waard.