Literair Nederland vroeg zijn recensenten en redacteuren twee titels te noemen van boeken die zij dit jaar hebben gelezen en die de meeste indruk op hen maakte. Boeken die werden herlezen, inspireerden, troostrijk waren, of gewoonweg zo goed dat je ze nooit meer vergeet. Meer dan dertig titels kwamen boven uit de meer dan driehonderd boeken die er op Literair Nederland gerecenseerd of getipt werden. Sommige titels werden door meerderen genoemd als beste boek. We kunnen wel zeggen dat het een goed boekenjaar was en de keuze niet eenvoudig.
Van de boeken die in 2024 een bijzondere indruk op me maakten is er een van vorig jaar dat me een nieuwe leeservaring bezorgde en een inmiddels bekroond boek is. Dat laatste is Het kleedje voor Hitler. Een imponerende familiegeschiedenis die me trof door het vermogen van auteur Bas von Benda-Beckman wel kritische vragen te stellen, maar nergens te veroordelen of op te hemelen. Mag je trots voelen op je voorouders of schaamte, verantwoordelijk zelfs?
Ik herlas De kleine prins (1943) van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) na het zien van de schitterende documentaire Het wonder van Le Petit Prince, over versies in uitstervende talen. ‘Native speakers’ van vier daarvan vertellen over de betekenis van het boek in hun leven. Ik herlas het (in de vertaling van Erik van Muiswinkel) met nieuwe ogen en zag de actualiteit, vooral om hoe het prinsje zijn roos beschermt tegen de woekerende baobab en onze zorgen om de opkomst van rechts extremisme. (Adri Altink)
Verkeerd begrepen is de Nederlandse vertaling uit 1871 door Johanna van Swinderen van de meesterlijke
tranentrekker Misunderstood (1869) van Florence Montgomery (1843-1923). Daarover schreef Vladimir Nabokov in Speak Memory dat het lot van de 7-jarige Humphrey hem een vakkundiger brok in de keel bezorgde dan wat dan ook van Dickens. Ook Lewis Carroll was een groot bewonderaar. In 2000 verscheen een Nederlandse bewerking van dit boek. Jammer. Er moet gewoon snel een serieuze nieuwe vertaling van dit prachtboek komen!
Ander woord voor moeder (2024) is het ijzersterke poëziedebuut van Auke Leistra, vertaler van Paul Theroux, John Updike, David Sedaris e.v.a.. Een zeer persoonlijke bundel die in 42 gedichten een claustrofobisch universum van verdriet oproept. Ontsnappen lukt niet, maar door de stilistische brille en de humor toch wel af en toe bijna. Gedichten als ‘Bij nader inzien’, ‘Treintje’, ‘Zelfportret met schep’, ‘Pleister op de wonde’ en ‘Moederlijke zorg’ zijn voorbestemd evergreens te worden. (Hans Heesen)
‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Dit is de aanvang van het evangelie van Johannes. Zo heet ook het hoofdpersonage in Ochtend en avond, novelle van de Noorse Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Johannes gaat dood, maar komt onder de handen van de schrijver prachtig tot leven. Vertaald door Marianne Molenaar.
Het is zo’n titel die tot in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden (2021). Weer een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, totdat ik het niet langer kon negeren. Nu weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd door een schrijver. Vertaald door Charlotte Pothuizen. (Jan Kloeze)
Vertel me alles is het vijfde boek van Elizabeth Strout over de schrijver Lucy Barton. Lucy is erin geslaagd haar armoedige afkomst achter zich te laten en toch draagt ze die altijd bij zich. Fictie is verzonnen, maar die van Strout voelt waar. Ze heeft een geweldig gevoel voor sfeer en intermenselijke verhoudingen.
Vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen.
In Koud genoeg voor sneeuw (2022) van Jessica Au reist een dochter met haar moeder naar Tokyo. Ze lopen, eten in restaurant, bekijken kunst in musea en praten over onderwerpen die er ogenschijnlijk niets of juist alles toedoen. Dat dochter en moeder van elkaar houden is voelbaar, al blijft er veel onuitgesproken. Kunnen ze elkaar werkelijk bereiken? Vertaald door Marion Hardoar. (Juno Blaauw)
Frank Nellen weet in De onzichtbaren in een zorgvuldige stijl de sfeer op te roepen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Hij treft het karakter van de twee totaal verschillende hoofdpersonen – de ik-figuur (Dani) en zijn vriend Pavel -, buitengewoon raak. Er zitten sombere en naargeestige scènes in het boek, die tegelijk op een komische manier worden verteld. Daardoor blijven ze je des te meer bij. En de surrealistische verhalen, allemaal samen vormen ze een mozaïekroman. Groots verteld.
Marjoleine de Vos schrijft in Zo hevig in leven over kanker die haar trof. Bijna een half jaar lang, van oktober 2022 tot en met maart een jaar later. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Associatief lopen herinneringen aan momenten die ze met haar overleden man, Tom van Deel beleefde, en het hier en nu in elkaar over. Haar toon is zachtmoedig en zoekend, raak en nuchter, intiem en intens. Troostrijk ook. (Els van Swol)
Alkibiades (1923) van Ilja Leonard Pfeijffer heeft iets van een omgevallen boekenkast en lijkt geschreven door een auteur die van het weggeblazen dak van het Parthenon wil schreeuwen wat hij allemaal weet van het oude Griekenland. Maar het is ook een geweldige onderdompeling in wat ooit was en de bodem legde voor onze Westerse samenleving. Het was het eerste boek dat ik in januari uitlas dat meteen de lat voor 2024 torenhoog legde.
Op vakantie in Sardinië ontdekte ik een vergeten schrijfster en Nobelprijswinnares Grazia Deledda (1871- 1936), geboren en gevormd in de ruige gebergten rondom Nouro. Terwijl ik vlak bij haar geboorteplaats verbleef las ik drie boeken van haar hand. Ze maakten allen een diepe indruk en verdiepten mijn verblijf. Vooral Elias Portolu (1901) greep me, over een verdoemde liefde en over de kerk als toevluchtsoord, waar de ziel misschien wel, of misschien geen, rust zal vinden. (Martin Lok)
Het xoanon van Jan van Aken is een breed uitwaaierende roman over het Constantinopel van na WOI, met onvoorziene plotwendingen, dubbel-ingewikkelde intriges en een bijzonder sfeervolle inkleuring van de historische achtergrond. Geschiedenisboek, spionagethriller en avonturenroman in één.
In De onzichtbaren van Frank Nellen wordt een zeer geloofwaardige, hoewel groteske weergave van de aftakeling van het Sovjetrijk beschreven, aan de hand van personages bij wie allemaal wel een stukje loszit. Spannend, vermakelijk, schokkend en overtuigend. (René Leverink)
Vijf dagen trok ik op met Rut en Gorm uit Mijn iemand van de Noorse schrijverer Herbjørg Wassmo. Vroeger waren Rut en Gorm vage vrienden, maar ze verloren elkaar steeds weer uit het oog. Tot, gepokt en gemazeld door het leven, ze elkaar opnieuw ontmoeten en dit keer echt voor elkaar kiezen. Ze zijn elkaars iemand. Een verhaal over liefde en onafhankelijkheid, zielsverwantschap, egocentrisme en kunstenaarschap. Vertaald door Paula Stevens.
Het kleedje voor Hitler van Bas von Benda-Beckmannis de gedegen onderzochte en zeer toegankelijk geschreven familiegeschiedenis van Bas von Benda-Beckmann. Aan de hand van ongelooflijk veel brieven en dagboeken beschrijft de historicus zijn Duitse familie, de generatie van zijn grootouders in de vorige eeuw. Zijn tante Luise was getrouwd met de vertrouweling van Hitler, Alfred Jodl. Hoe loyaal waren zijn oudtantes en oudooms aan het Nazi-regiem, keken ze weg of wisten ze het echt niet? (Marjet Maks)
In Woestijnpassages (2023) van Emmelien Kramer kiest de Catalaanse dichter Àngel Or voor blindheid om de wereld anders te zien. Na zijn arrestatie door de Guardia Civil en zijn daaropvolgende verdwijning probeert de journalist Rodrigo Torres het mysterie rond Ors’ leven te ontrafelen. Kramer verweeft thema’s als vrijheid, identiteit en tijd met historische Spaanse trauma’s. Haar elegante, zintuiglijke stijl en filosofische aanpak maken deze roman tot een unieke leeservaring die uitnodigt tot herlezing en reflectie.
In zijn debuutroman De maat van alle dingen verweeft Johannes Westendorp een ingenieus netwerk van personages en verhaallijnen rond een aanslag in winkelcentrum Hoog Catharijne. Via rapteksten, nieuwsberichten, innerlijke monologen en sociale media onderzoekt hij thema’s als verlies, miscommunicatie en maatschappelijke spanningen. Westendorp breekt met literaire conventies en daagt de lezer uit om zelf verbanden te leggen. Deze gedurfde en strak geconstrueerde roman biedt een unieke, complexe leeservaring die blijft verrassen. (Anna Husson)
Verhalen van Toergenjev (1818-1883) verscheen dit jaar in een nieuwe vertaling bij van Van Oorschot, 1024 pagina’s dundruk. Het bevat Notities van een jager en de novelle Eerste Liefde. Verhalen die 400 bladzijden beslaan met vlotte dialogen en mooie natuurbeschrijvingen. ‘Een van de voornaamste voordelen van het jagen, beste lezer, is dat je dwingt voortdurend van de ene naar de andere plek te reizen, wat voor een man met weinig te doen bijzonder aangenaam is.’ Je maakt kennis met mensen uit het oude Rusland, adel, boeren, dienstmeisjes en bakkersdochters. Sjoukje Slofstra tekende voor de vertaling.
Moeder na vader (2023) is het derde boek van Gerbrand Bakker in de reeks Privé-domein. Bakker beschrijft met veel oog voor detail een jaar uit het leven van zijn moeder nadat zijn vader is overleden. Ontroerend boek met liefdevolle observaties over dagelijkse dingen. De 87-jarige moeder is hulpbehoevend, Bakker belt haar vaak en gaat geregeld bij haar langs. ‘Toen we naar de auto liepen, zei ik tegen M. dat ik dit altijd het ergste moment vond. Gewoon weggaan, zo aan het einde van de middag; juist omdat we geweest waren, ineens extra leeg en stil.’ (Evert Woutersen)
A rather haunted life (2017) door Ruth Franklin is de biografie van Shirley Jackson (1916-1965). Jackson schreef verhalen vol psychologische spanning in de traditie van the American Gothic, zoals ‘The haunting of Hill House’. Franklin laat zien hoe groot haar betekenis was in het naoorlogse Amerika toen het niet gebruikelijk was dat een vrouw een literaire carriere had naast haar gezin. Maar naarmate haar carrière vorderde, werd haar huwelijk zwakker en nam haar angst toe. Deze biografie vertelt waarom Jackson thuishoort in de hoogste regionen van de Amerikaanse literatuur.
Mary Gauthier is een Amerikaanse singer-songwriter, te vondeling gelegd, geadopteerd, weggelopen, verslaafd aan alcohol en drugs en gered door folkmuziek. Saved by a song (2021) bestaat uit memoires, gedachten over kunst, hoe haar liederen tot stand kwamen en haar streven om met muziek mensen te inspireren en samen te brengen. Eenvoudig en oprecht vertelt ze hoe muziek en woorden voor haar heling en verlossing brachten en haar leerden dat empathie met alle wezens de enige manier is om te verbinden. (Hettie Marzak)
Frank Nellen maakt in De onzichtbaren via de hoofdpersonen Dani en Pavel invoelbaar hoe het is (geweest) op te groeien in het oude Oostblok. Indoctrinatie, naïef maar niet minder oprecht strijden voor de socialistische heilstaat, leugens en bedrog, ontgoocheling en een trieste en troosteloze werkelijkheid die alleen te verdragen is door heel veel wodka te drinken tekenen hun wereld. Prachtig geschreven en aangrijpend interessant.
Bep Rietveld heeft haar hele leven tegen de klippen op geschilderd en getekend. Tineke Hendriks schreef met Waar kleur is, is leven een roman over haar veelbewogen leven als dochter van de beroemde vader Gerrit, in haar strijd te mogen (leren) schilderen, over haar lessen bij Charley Toorop, haar overleven in een Jappenkamp in toenmalig Nederlands-Indië en over haar werk. Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. (Joke Aartsen)
Mijn begin-van-de-vakantie-beloning is een dikke pannenkoek met kaas en stroop. Een zalige combinatie van vet, zoet en zout. Fout! Precies die drie ingrediënten. Teun van de Keuken schrijft in De mens is een plofkip over de verleidende, verslavende en ziekmakende voedingsindustrie. Waarom zijn er wel reclames voor ongezonde producten, maar amper voor gezonde? Hoe ambachtelijk is die ‘echte Italiaanse’ tomatensaus eigenlijk? En eten we onszelf bewust obees of treft de fabrikant ook nog blaam? Inzichtelijk en confronterend leesvoer.
Een brug naar Terabithia (2007) van Katherine Paterson. Waar ligt Terabithia? Het is het geheime koninkrijk van Jess en Leslie die een ongebruikelijke vriendschap sluiten. Een zachtaardige jongen en een vrijgevochten ‘jongensmeisje’, gesitueerd op het Amerikaanse platteland van de jaren ’70. Herlezen is waardevol: lees je nieuwe dingen? Word je nog meegenomen in het verhaal, staat de taal nog overeind? Raakt de tragische gebeurtenis je nog steeds? Ja! Oorspronkelijk uit 1977, bekroond en verfilmd, maar verlies jezelf liever lezend in deze tijdloze vertelling. (Saskia M. Toussaint)
Ik was verrast door de intrige waarin aantrekkingskracht en schuldgevoel in Raam, sleutel (2021) van Robbert Welagen om voorrang strijden. Schrijfster Karlijn raakt in de ban van haar gevoelens voor een vrouw die zij onverwacht ontmoet. Kort tevoren heeft ze haar vriend bij een ongeluk verloren. Welagen weet heel knap de gevoelens van rouw gelijk op te laten gaan met de verliefdheid voor de nieuwe vriendin. Dat spanningsveld zorgt ervoor dat je wil doorlezen.
Michail Sjisjkin is een Russische schrijver die in Zwitserland woont. Hij kent Rusland van binnenuit. In Mijn Rusland geeft hij een goede inkijk in het ontstaan van het dictatoriale politieke systeem door de eeuwen heen. De wijze waarop de bevolking in de greep wordt gehouden, is van alle tijden. Het zal heel moeilijk zijn om deze eeuwenlange onderdrukking om te buigen naar een meer democratische richting. Dat biedt geen uitzicht op een betere toekomst in Rusland na Poetin. Vertaald door Jan Sietsma. (Johan Reijmerink)
De leugenaar (1950) vanMartin Hansen is een scherp psychologisch portret dat tegelijkertijd doortrokken is van een Scandinavische treurigheid van de landelijke en afgelegen omgeving waar het speelt. Met weinig woorden wordt enorm veel sfeer en karakter neergezet in een klein drama over verhoudingen op scherp en de last van het verleden, en over vogel spotten. Vertaald uit het Deens in 1984 door Gerard Cruys.
Een doodgewoon leven (2017) van Karel Capek begint in alle opzichten als een doorsnee verhaal over een stationschef en zijn kabbelende leventje en ontvouwt zich tot een ware kakofonie van stemmen. Het innerlijk orkest van de hoofdpersoon komt al twistend met elkaar met volle kracht naar voren als hij terugkijkt op zijn leven en zijn motieven. Welke afslag was de ware en wat betekende zijn leven nu echt? Vertaald door Irma Pieper. (Ben Koops)
In Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv en een sniper beschrijft Jaap Scholten – die direct na het begin van de oorlog in Oekraïne het initiatief nam er hulpgoederen naar toe te brengen – wat hem bewoog en hoe het er was. Hij schakelde daarvoor o.a. zijn rugbymaten in, waaronder ook Tommy Wieringa. Een deel van de opbrengst van beide boeken wordt gebruikt om meer hulp te kunnen bieden.
Tommy Wieringa beschrijft in Konvooi van binnenuit de ellende in Oekraïne, maar ook het optimisme en de heldenmoed van veel mensen. Het is niet altijd even prettig om te lezen wat de Russen daar allemaal uithalen; het bevestigt wat velen al vrezen. Beide boeken zijn ook te lezen als aanklacht tegen het wegkijken van veel westerse overheden en meer nog tegen de verdomming van met name radicaal rechtse partijen en/of regeringen. (Martenjan Poortinga)
Het Internaat (2022) van Serhi Zjadan is een meeslepende Oekraïense roman die jaren voor de Russische inval is geschreven en tijdens de oorlog in de Donbas. In drie dagen maakt leraar Pasja een levensgevaarlijke tocht om zijn neefje uit een internaat in een onbenoemde stad op te halen. Hij reist door dorpen in een apocalyptisch landschap met militairen legervoortuigen, bombardementen en ontheemden. Met zijn neefje op de onvoorstelbaar helse terugweg denkt Pasja: ‘Geen mens zou zoveel angst en nijd in z’ geheugen moeten meetorsen.’ Vertaald door Tobias Wals en Roman Nesterenco.
In Vinvis der Vergetelheid (2022) van Tanja Maljartsjoek vertelt de vrouwelijke Oekraïense hoofdpersoon over teringleider en kluizenaar Vjatsjeslav Lypynski (1882-1931). Hij was historicus, conservatief politiek activist en Oekraïens gezant in Wenen. De vinvis staat voor de tijd die de hoofdpersoon met haar ‘gedachten, ervaringen en herinneringen’ opslokt. De hoofdstukken spelen begin deze eeuw, waarin de ik op drie blauwogige relaties terugkijkt, en begin vorige eeuw waarin zij het leven van Lypynski in verhalende vorm beschrijft – met veel politieke ontwikkelingen in Oekraïne. Op het eind schuiven de twee verhaallijnen in elkaar en de ‘blauwe vinvis sloot zijn bek en zwom verder.’ Vertaald door Marina Snoek en Tobias Wals. (Ronald Bos)
De tweelingen trilogie bevat Het dikke schrift (1986), Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991) van Agota Kristóf (Hongarije 1935 – 2011), dit jaar opnieuw uitgeven door DasMag. Tijdens WO2 in Hongarije worden de tienjarige tweelingbroers Lucas en Klaus bij hun grootmoeder ondergebracht. In een schrift schrijven ze heel precies en objectief wat ze beleven: ‘Wij moeten opschrijven wat er is, wat wij zien, wat wij horen, wat wij doen’. Alles zonder emoties. De karakters van Kristóf bezigen een logica die onbeschoft lijkt, maar (precies) is wat het is. Verrassende en intrigerende trilogie. Vertaald door Henne van der Kooy.
De openingszin van Café Dorian(2023) van Gilles van der Loo zet je direct op scherp. ‘Het is ochtend in de stad die ik je geef. Je trekt de voordeur dicht en kijkt naar de plaat met de verlichte bellen, het bordje met de naam die ik je gaf omdat ik over je wil schrijven.’ Die je is Guillaume, eigenaar van café Dorian. Een verhaal over mensen die elkaar niet kunnen bereiken. Twee tijdlijnen die af en toe op een wonderlijke manier in elkaar overlopen. Een verhaal van troost over mensen die elkaar niet kunnen bereiken, zo goed geschreven dat het je verleidt er opnieuw in te duiken. (Ingrid van der Graaf)
Goudjakhals van Julien Ignacio is verschillend in stijl en opzet. Zes verhalen die ogenschijnlijk los van elkaar staan, maar die met elkaar verbonden zijn door de thematiek. Het gaat over mensen die buiten hun eigen land, tegen de klippen op, een bestaan moeten opbouwen. Goudjakhals is een verpletterend goed boek. Een boek dat ertoe doet. Het maakt van de onbekende, ongeliefde vreemde een mens met een verhaal, een gezicht en een stem. Waarom ligt dit boek niet in grote stapels in de boekhandels?
In Onderburen van Juli Zeh verhuist hoofdpersoon Dora in coronatijd van de stad Berlijn naar het platteland. Is ze op zoek naar afstand tot haar activistische vriend of juist naar meer rust en ruimte om zich heen? Niet alleen haar omgeving begrijpt haar vertrek en vooral haar bestemming niet, ze vraagt zichzelf ook af wat ze moet in die AfD-omgeving. Onderburen is geestig, goed geschreven en bevat rake dialogen. Vertaald door Annemarie Vlaming. (Carolien Lohmeijer)
Je zou denken dat het niet kan, maar Carolina Trujillo beschrijft in De instructiesmet hilariteit en humor hoe dierenactivisten hun soms vergaande acties voorbereiden en uitvoeren. Ook laat ze gedetailleerd weten hoe het er in slachthuizen en met het transport van de ter dood veroordeelde dieren aan toegaat. Niet altijd fijn om te lezen, wel goed voor mensen die het nog niet weten, al lezen die dit boek misschien niet. Ik-personage Mol vertelt met terugblikken het verhaal van de uit de hand gelopen brandstichting in een slachthuis. Trujillo weet voor alle personages sympathie op te wekken, al is het alleen al omdat deze de consequenties van hun actie – gevangenisstraf – zonder morren accepteren.
Het Xoanon is een heerlijk avonturenverhaal van Jan van Aken tegen een nauwgezet weergegeven historische achtergrond en speelt in 1920 in Constantinopel. Het Ottomaanse rijk is verslagen, grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië bezetten de stad en Russische vluchtelingen zijn overal. Tegelijkertijd beginnen in de betere wijken de vrolijke jaren twintig en doemt in het oosten een nieuwe oorlog op. Verteller en vrijbuiter Beaujon raakt betrokken bij de jacht op een xoanon, een antiek houten beeldje dat in dit geval het palladium zou zijn dat Pallas Athene voorstelt. In een uitmuntende couleur locale vol geheimzinnigheid bevolken kleurrijke figuren de woelige straten van de stad waar de politieke situatie voelbaar is. (Anky Mulders)
Stel je voor: een ijskoude oudejaarsavond met veel vuurwerk en een vieze sloot met een man die er niet meer uitkomt. Niet zomaar een man, maar eentje in een varkenspak, met op de achtergrond een brandend slachthuis dat langzaam maar zeker totaal wordt vernietigd. Dit is de opening van De instructies van Carolina Trujillo. Hoe is het mogelijk dat iemand in zo’n bizarre situatie terechtkomt? Heeft hij de brand gesticht? Waarom dat varkenspak? De toon is gezet en het boek grijpt je bij de keel.
Het verhaal springt heen en weer tussen heden en verleden, maar als je bereid bent mee te springen, doorgrond je al snel dat het gaat om een reeks gebeurtenissen die Mol, de man in het varkenspak, onvermijdelijk naar zijn ondergang leiden. De scène in de sloot is slechts het begin. Trujillo’s personages werken zichzelf wel meer in de nesten, zoals in de roman De terugkeer van Lupe García (2009). Waarin een viertal wraak probeert te nemen om wat hun ouders is aangedaan. Maar in haar nieuwe roman gaat hoofdpersonage Mol wel heel ver om zichzelf te bewijzen.
Conflict tussen de liefde en een ideaal
Na jaren komt Mol zijn geliefde jeugdvriendin Nora weer tegen die een gedreven dierenrechtenactivist blijkt te zijn geworden. Ze pakken hun vriendschap moeiteloos op. Nora probeert Mol te overtuigen van haar activistische idealen, maar hij twijfelt of haar radicale plannen wel zinvol zijn en of ze zich daardoor niet in de problemen zal werken. Voor haar liefde en erkenning wil hij echter alles doen: ‘Het maakte niet uit welk kooltje ze uit het complimentenvuur trok, ik zou me er zolang het gloeide aan warmen, maar diep van binnen wist ik wel hoe het zat.’ Nora gebruikt Mol louter als hulp voor haar doelen, als chauffeur of iemand die haar plannen uitvoert als ze dat zelf niet kan.
Naast de vraag hoe ver je voor een liefde gaat, behandelt de roman ook hoe ver je kunt gaan voor een ideaal, in dit geval dierenrechten. Trujillo is, na jarenlang vleeseter te zijn geweest, zelf veganist geworden en het is duidelijk dat ze grondig onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de vlees- en melkindustrie. Op indringende toon beschrijft ze gedetailleerd de misstanden die dagelijks op grote schaal plaatsvinden: van de vreselijke en bloederige activiteiten vóórdat een stuk vlees op ons bord ligt, tot het transport van gewonde dieren naar hun laatste bestemming, het slachthuis. Pijnlijk en confronterend. Zonder dat de roman een pamflet wordt, raken Trujillo’s woorden haar lezers: ‘De varkens in de laadbakken zaten onder de schrammen. Drie sterren humane slacht, biologisch, scharrel en ambachtelijk. Als ze op transport zijn, maakte het geen donder uit.’ Of Trujillo nu een liefdesverhaal wilde schrijven of een activistische roman: het is haar beide gelukt.
Herhaling van thrillerachtige acties
Het verhaal wisselt voortdurend van periode, wat de lezer meer inzicht en emotionele diepgang biedt. Deze tijdswisselingen ondermijnen echter wel het hoge tempo van de roman. Zoals in het hoofdstuk over de bezetting van een stal door Mol en zijn vrienden, dat in een thrillerachtige stijl met korte zinnen uur na uur beschrijft. Dit wordt abrupt afgewisseld met een hoofdstuk over het moment waarop Mol uit een sloot wordt gehaald tijdens nieuwjaarsnacht. Hoewel beide gebeurtenissen spannend zijn in Mols activistenleven, voelt de sprong tussen deze hoofdstukken te groot. Er gebeurt namelijk nog veel meer belangrijks in Mols bestaan tussen deze momenten.
Ook de instructies die Mol voor Nora uitschrijft, verstoren het leesritme. De ene keer beschrijft hij zijn eigen pad en hoe hij langzaam de grip op de realiteit verloor. De volgende keer, soms nog op dezelfde pagina, kunnen we midden in een scène zitten die toekomstige activisten meedeelt wat ze wel of juist niet moeten doen tijdens een protestactie. Om verwarring te voorkomen moet je goed in de gaten houden waar je je in het verhaal bevindt.
Gelukkig wordt het aan het einde van de roman duidelijk waarom Mol deze instructies heeft geschreven: ze zijn er niet om te vertellen hoe je moet handelen voor het beste resultaat tijdens bijvoorbeeld een protestactie. Ze laten juist zien dat het onmogelijk is om te zeggen wat de juiste manier van protesteren en het laten horen van je eigen stem is. De roman beschrijft de pijnlijke confrontatie die Mol moest ondergaan om in te zien dat je machteloos staat als je de vraag stelt of iets goed of juist niet goed is. Draait radicaliseren om jezelf te bewijzen of gaat alles om een groter doel waar je als individu toch weinig invloed op hebt? Is het belangrijker om in iets te geloven dan de manier waarop je dit wil bereiken? De instructies is een knap geconstrueerde roman die deze belangrijke vragen aan de orde stelt.
De Brit Mark Galeotti is historicus, politicoloog en een van de belangrijkste Ruslandkenners. Anna Arutunyan is een Russisch-Amerikaanse journalist en analist. Tot februari 2022 woonde ze in Rusland. Beide auteurs zijn verbonden aan het Nederlandse kennisplatform Raam (op Rusland, Oekraïne en Belarus).
Ondergang, Prigozjin, Poetin opent met aantekeningen van de auteurs. ‘Toen we voor het eerst over dit project begonnen na te denken wisten we geen van beiden zeker of hij, als persoon, een boek verdiende, vooral omdat zoveel over zijn leven, optreden en familie een groot, steevast fel bewaard geheim bleef.’ Toch vonden de auteurs hem als het ‘archetype van het Poetin-regime’ interessant genoeg voor nader onderzoek.
‘Zjenja – Jevgeni Viktorovitsj Prigozjin – werd in 1961 geboren (…) Hij was slim genoeg om te kunnen dromen over een specialistische carrière, maar niet zo slim of intellectueel gedisciplineerd dat een topuniversiteit hem zou verwelkomen, (…) atletisch genoeg om te kunnen dromen over de roem en weelde van een leven als topsporter, maar niet genoeg om het te bereiken. (…) Of het nu uit woede, desillusie of simpele hebzucht was, Zjenja richtte zich op de misdaad.’ In de gevangenis ontdekte hij zijn ondernemerstalent.
De hoofstuktitels typeren Prigozjin als Crimineel, Entrepreneur, Kok, Minigarch, Trollenbaas, Condottiere, Aasgier, Krijgsheer, Rebel en Spook. Hij was Poetins chef-kok, en hield zich bezig met drugs, wapens en grote witwasoperaties en lucratieve (goud, hout, diamant) militaire operaties in Afrika. Met zijn Wagnerleger werd hij een toonaangevende politieke figuur. De opstand tegen Poetin werd zijn einde, al zijn er Russen die geloven dat hij zijn eigen dood in scène heeft gezet. De auteurs beschrijven niet alleen Prigozjins opkomst en ondergang maar onderzoeken ook de impact die hij had en heeft op het Kremlin.
Auteur: Mark Galeotti, Anna Arutunyan
Uitgeverij: Prometheus 2024
De instructies
De instructies is het zevende boek van Carolina Trujillo (Montevideo, 1970). In 1991 debuteerde ze in Uruguay, waarheen ze na een verblijf van enkele jaren met moeder en zus in Nederland was teruggekeerd, met de Spaanstalige roman De exilios, maremotos y lechuzas die een eerste prijs won. Later kwam Trujillo weer terug naar Nederland waar ze aan de Filmacademie scenarioschrijven studeerde. In Nederland debuteerde ze in 2002 met de roman De bastaard van Mal Abrigo, over twee jongetjes uit een verpauperd cocaïnedorp. Trujillo laat hen president en minister van defensie worden. Behalve schrijfster is ze columniste bij de NRC.
Hoofdpersonen in De instructies zijn Mol en Nora. Nora is een geradicaliseerd dierenrechtenactiviste en Mol laat zich door haar beïnvloeden. Het komt tot het in brand steken van een slachthuis. Mol wil zich bezinnen maar het lukt hem niet zich van Nora los te maken. Hij moet van haar instructies schrijven over brandstichting in een slachthuis en welke fouten je daarbij moet vermijden.
Het is Trujillo’s specialisme om onrecht, schuldgevoel, verdriet en ander drama op laconieke en humoristische wijze te vertellen. ‘Het was oud en nieuw, een uur na middernacht toen ik, een volwassen vent met een vaste baan en in bezit van een verklaring van goed gedrag, gekleed in een zelfgemaakt varkenspak aan de rand van een industriegebied in een sloot viel. Het ijskoude water kwam meteen tot mijn borst, mijn voeten vonden geen vaste bodem en ik kon niet zien waar de wal was omdat de capuchon met varkensoren over mijn ogen was gezakt.’
Auteur: Carolina Trujillo
Uitgeverij: Koppernik 2024
Laatste cahiers 1951-1959
In negen schoolschriften maakte filosoof, journalist en schrijver Albert Camus (1913-1960) sinds 1935 aantekeningen over zijn leven en werk met de bedoeling deze cahiers ooit te publiceren. In 1962 en 1964 werden de eerste twee gepubliceerd, in 1989 de laatste cahiers. De Arbeiderspers geeft deze nu uit in de serie Privédomein onder de titel Laatste cahiers 1951-1959.
Camus is vooral bekend om zijn De mens in opstand, De pest – dat in de coronaperiode weer veel gelezen werd – De vreemdeling en De mythe van Sisyphus. In de laatste twee verwerkte hij ideeën over het existentialisme. Hij stond in contact met Sartre en De Beauvoir en hield in de VS lezingen over het existentialisme. Vaak worden de filosofen op een lijn gesteld, maar Camus verschilde in denken van Sartre. Bij Sartre ging het om het intellectuele bestaan, bij Camus om het tastbare. Uiteindelijk vervreemdden ze van elkaar.
Volgens Camus was het leven absurd en zinloos en had het geen betekenis of bedoeling. Dat absurdisme verwerkte hij in romans, essays en in theaterstukken. ‘Wat men een reden om te leven noemt, is tevens een uitstekende reden om te sterven,’ is een van zijn aforismen.
De notities uit de Laatste cahiers beslaan soms een verhalend stuk tekst, soms slechts een zin. ‘Roman. “Zijn dood was niet bepaald romanesk. Met hun twaalven werden ze in een cel voor twee gestopt. Hij kreeg geen adem en raakte bewusteloos. Hij stierf, tegen de groezelige muur gedrukt, terwijl de anderen, om bij het raam te komen, hem de rug toekeerden.” * Bij haar eiste het geluk alles, zelfs het doden. * Natuurlijkheid is geen aangeboren deugd; ze moet worden verworven.’ Het nawoord van René Puthaar werpt licht op de aantekeningen.
In 2014 verscheen het eerste verhaal van schrijfster en columnist Carolina Trujillo (geb. Uruguay) in het literair voetbaltijdschrift Hard gras. Er volgden nog zes verhalen waarin ze de rol van sport beschrijft tijdens haar integratie in Nederland. Deze werden gebundeld in Meisjes in blessuretijd (2017, Ambo|Anthos) en won deze week de grote Jan Hanlo Essayprijs (7000 euro).
De Jan Hanlo Essayprijs bestaat uit een kleine- en een grote prijs. De kleine essayprijs ging naar Tom Springveld (1500 euro) voor een nog niet eerder gepubliceerd essay met dit jaar het thema ‘Ieder is zijn eigen broer’. Hij won met zijn essay De ongewone zoon, dat binnenkort in de Groene Amsterdammer zal verschijnen.
In Meisjes in blessuretijd vertelt Trujillo, die op vijfjarige leeftijd met haar moeder en zusje vanuit Uruguay naar Nederland kwam, haar levensverhaal. Mooi is dat Trujillo een hardnekkig weetje uit de wereld heeft geholpen met een van haar verhalen. ‘En un momento dado’ (op een gegeven moment) werd gemunt als uitspraak van Cruyff en zou in het Spaans niet bestaan. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Wie van buiten komt kijkt met andere ogen en kan de boel nog wel eens op een heerlijke manier wakker schudden. Haar humor wordt geroemd en ook wordt gezegd dat ze altijd een ‘doelpunt’ maakt met haar verhalen. Dagblad Trouw over Meisjes in blessuretijd: ‘Een proza van graniet, intensiteit en talent.’
Sinds januari dit jaar is Trujillo sportcolumnist bij het NRC.
De overige vijf genomineerden waren: Kester Freriks – Stilte, ruimte, duisternis (Athenaeum), Thomas Heerma van Vos – Plaatsvervangers (Thomas Rap), Jan Postma – Vroege werken (Das Mag), Marja Pruis – Genoeg nu over mij (Nijgh & Van Ditmar), Simon(e) van Saarloos – Enz. Het Wildersproces (Atlas Contact).
De Jan Hanlo Essayprijs is een tweejaarlijkse prijs die in 1999 voor het eerst werd uitgereikt, na de dertigste sterfdag van de schrijver.
Zomaar een passage aan het begin van de nieuwe roman van Carolina Trujillo, die achteraf een sleutelrol blijkt te spelen: ‘Ik zocht mezelf in de weerspiegeling in het raam. Het was een truc die mijn psychiater me geleerd had. In het bestek, in een glas, in elk spiegelend vlak kon je jezelf terugvinden als het nodig was. Dat bood houvast.’
Houvast is nodig, als je vader door het regime in Uruguay gevangen is gezet, je twee oudere broers zijn vermoord, je moeder zelfmoord pleegde en je alle vertrouwen in de medemens verloren hebt. De hoofdpersoon, Jaime Castro schrijft dat hij uiteindelijk een ‘wantrouwige paranoïde praatjesmaker’ was geworden die van dat laatste uiteindelijk zijn werk van maakte: ‘Ik werd journalist.’
Pubers in legeruniformen
Alle ellende wordt op een licht absurdistische toon, vol zwarte humor beschreven. Toen de oma van Jaime bijvoorbeeld in 1969 in haar huis werd opgepakt ‘door pubers in legeruniformen’, kreeg haar man een hartaanval, zodat hij ‘tot een van de weinigen in de familie behoorde die een natuurlijke dood was gestorven.’
De ik-figuur werd op het slechte pad gebracht door toedoen van zijn vriendje Gas (afkorting van Gastón). Jaime raakte aan de hard drugs en ze stichtten samen brand. Veel speelt zich ook in het hoofd van de ik-persoon af, zodat de grens tussen werkelijkheid en fantasie vervaagt. Waar nog bij komt dat – zoals Gas leert – ‘als je dingen eerst in je geest doet, het makkelijker wordt ze in het echt te doen.’ Waarna je ze in gedachten ook nog eens vele malen kunt herhalen, zoals het afscheid nemen van iedereen toen Jaime enige tijd na de zelfmoord van zijn moeder naar Amsterdam vertrok, waar zijn grootmoeder woonde.
Emoties
Het gevolg van deze manier van beleven van de tijd en van herinneringen, is dat het boek niet chronologisch is opgebouwd maar heen-en-weer beweegt tussen Nederland en Uruguay, heden en verleden. Emoties, en lsd, bepalen het taalgebruik, zoals na de dood (ook zelfmoord?) van de oma in Nederland: ‘Ik dacht dat als zij iets van de toekomst had geweten was ze niet met sluitende spoorwegbomen was gaan oversteken.’ En dan volgt een zin die niet alleen aan de Zuid-Amerikaanse literatuur van een Isabel Allende doet denken, maar ook weer als sleutelzin voor het hele boek kan gelden: ‘Het is moeilijk om te weten wanneer iemand er niet meer is.’
Fantasie en werkelijkheid
Realiteit en wat in de geest voortleeft, iets doen voor de armen (zoals Gas doet) of iets van je eigen leven maken (zoals Jaime probeert), vrij en radicaal, staan tegenover elkaar. Daarin lijken ook pars pro toto de Latijns-Amerikaanse en Nederlandse mentaliteit tegenover elkaar te staan. Die van een land waar de guerrilla aan de macht is en van een liberale samenleving in West-Europa.
De dubbelheid van het leven in Uruguay en Nederland, van het je uitdrukken in twee verschillende talen, leidt bij Jaime tot gespletenheid en psychoses en niet tot een verrijking, zoals die bijvoorbeeld werd beschreven en ervaren door de onlangs overleden ideeënhistoricus Tzvetan Todorov, die het totalitaire Bulgarije verruilde voor Parijs.
De psychoses beginnen ermee dat Jaime het eten op zijn bord niet meer vertrouwt, het daglicht niet meer kan velen uit angst voor schadelijke straling, pleinvrees heeft en wat hij zelf heliofobie noemt (angst voor de zon), zodat hij alleen nog ’s avonds de straat op gaat. In elk, meestal kort hoofdstuk lijkt er een euvel bij te komen. Totdat Jaime wordt opgenomen in een psychiatrische inrichting, nadat Maria, een vriendin uit Uruguay was overgekomen en van de trap viel of was geduwd. ‘Ik moest mezelf dwingen naar het trapgat te lopen en naar beneden te kijken. Maria lag tegen de voordeur op de grond, haar rok als een plas om haar heen, haar benen ontbloot en haar armen in een vreemde bocht onder haar gebogen.’
Komen en gaan
Na thuiskomst uit de inrichting krijgt Jaime er geen nieuwe angsten meer bij. Maar wel is er sprake van geldgebrek. Gas komt Jaime te hulp. Jaime vertelt aan Gas alles over zijn angsten en komt al pratend uit op de conclusie, dat hij niet naar zijn oma in Amsterdam had moeten gaan. ‘Thuis was niet per se waar je geboren was, maar wel waar je doden begraven lagen. Alle keren daarna dat ik terug was gegaan, had ik thuis moeten blijven. Ik was het weg zijn moe. Als je van huis gaat moet je overal waar je komt wat geven. Je lichaam, je ziel, je kunstje, iets. Iets om binnen te mogen komen, iets om te mogen blijven, iets om erbij te horen. Thuis vragen ze dat niet. Thuis hebben ze je toch al.’
Uitgerekend de dag dat Jaime met Gas voor het eerst na twee jaar weer overdag de straat op durft, is het spekglad. Dit is één van de metaforen waarvan er meer in het boek zitten. Duidt bijvoorbeeld de witte nevel die het trapgat vult, wanneer Jaime naar beneden wil, niet op de dolende ziel die hij is, tussen Uruguay en Nederland? Het kwaad zit, lijken de personages van Trujillo te zeggen, niet alleen in de mens zelf, primair in de mens zelf, maar komt ook van buiten. Bij Jaime’s eerste tochtje naar buiten, naar een café, rijdt een zoutstrooimachine door de gladheid het café binnen en richt een enorme ravage aan. Jaime raakt gewond door een glasscherf, wat een trauma oplevert dat zijn psychiater, Wallburgh, verklaart als: ‘Het zijn pleisters die jouw geest heeft gemaakt voor de gaten van de mensen die verdwenen.’ Wallburgh laat, door geruime tijd naar Suriname te gaan, ‘zien dat teruggaan naar Zuid-Amerika een mogelijkheid was.’ Als hij maar lef zou hebben.
Weer een dode
Eenzelfde soort mist als in het trapgat, ziet Jaime als hij in een taxi door de stad rijdt, met zijn stervende hond in een doos op weg naar een dierenarts. Wéér een dode, maar ‘je kon sterven wat je wilde, het leven bleef gewoon doorgaan.’
De dood van het hondje deed zijn vriend Gas veel meer dan de gevolgen van een aanslag die hij pleegde op ‘rijke mensen op een luxefestijn.’ De vraag is dan: wie is hier de psychopaat: Jaime of Gas? Wie had of hadden de dood van zowel Maria als het hondje op zijn geweten? Of zijn Jaime en Gas één persoon die ’s nachts slaapwandelt?
Dergelijke vragen en diepere lagen leveren, samen met een prachtige, beeldende stijl vol zwarte humor en metaforen, een rijke, licht absurdistische en meerlagige roman op waarvoor de al met eerder werk gelauwerde schrijfster nog één of meer prijzen verdient.
Streng afgerichte duivelse wezens, roekeloze mensen en de dood gaan met elkaar aan de haal in Trujillo’s (1970) derde roman. Geweld en misère worden wederom niet geschuwd. Op geraffineerde en nietsontziende wijze wordt Montevideo – haar geboortestad – bedolven onder allesvernietigende shit.
De Uruguayaans-Nederlandse Trujillo schrijft het liefst over dat wat ze van dichtbij kent – ‘levend weefsel’. Als kind van guerrillastrijders – vader werd tijdens de dictatuur twaalf jaar gevangen genomen en moeder vluchtte met beide dochters, Carolina was toen vier, naar Nederland – ontbreekt het haar niet aan levendige kost. De bastaard van Mal Abrigo (2002) – haar eerste roman – werd bekroond met de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs. Zeven jaar later won ze met het autobiografische De terugkeer van Lupe Garcia (2009) – waarin ze op indrukwekkende wijze een stem geeft aan vluchtelingen die terugkeren naar hun geboorteland – de BNG literatuurprijs en sleepte ze een AKO-nominatie in de wacht. Het is niet enkel haar eigen geschiedenis waaruit ze graag put, een roofdier noemt ze zichzelf dat schaamteloos steelt uit de – veelal pijnlijke – levens van anderen. In heftigheid gedijen Trujillo’s verhalen het best.
Ook nu, in De zangbreker, ontvouwt zich al gauw de ellende. Trujillo schetst een duale wereld waarin de mens door onzichtbare wezens wordt beïnvloed en bestuurd. Waar de beslissingen vooraf zijn ingeseind en keuzes gemanipuleerd. Een bestaan waarin het lijden bewust aan zwakkeren wordt toebedeeld opdat de sterken kunnen floreren. De ‘groten’ worden opgetild door goddelijke kracht, de ‘kwetsbaren’ genadeloos beroofd van hun illusies. De lezer wordt meegesleurd in een surrealistische werkelijkheid waarin een geraffineerd spel wordt gespeeld tussen gewetenloze wezens en hun uitverkoren slachtoffers. Dwalende mensen worstelen zich een slag in de rondte, de een nog destructiever dan de ander, tot uiteindelijk – een enkeling daargelaten – de roep van de dood hen de dunne huid afrukt, tot op het bot vernielt.
Vanaf de eerste pagina volgen we de krochten van hoofdpersoon Tony, een onzichtbare gedaante uit een soort van geestesgemeenschap. Zijn wereld – zo leert hij ons – verdeelt de mensen in stijgers en dalers. Dalers zijn ‘mensen die het niet kunnen laten alles wat ze opbouwen uiteindelijk kapot te maken’. Stijgers daarentegen zijn ‘van die mensen die wat er ook gebeurt aan de weg blijven timmeren.’ Tony – zangbreker van beroep – werkt voor een wereldwijde bureaucratische organisatie die dalers en stijgers een duwtje in de juiste richting geeft: stijgers naar de top, dalers in de afgrond. Tony ‘zit in dalers’, helpt mensen ‘zo mooi mogelijk (lees gruwelijk)’ naar de kloten. ‘Schroot sorteren. Claimen. Cashen. Quota halen.’ Ofwel: slachtoffers kiezen, doden scoren en optekenen. Daar draait het om. Binnen een mum van tijd zijn we getuige van de vele kostbare levens die Tony met zijn duivelse alomtegenwoordigheid in de ‘gewone’ wereld verwoest.
Het verhaal komt traag op gang. Deel één is een ware beproeving. De lezer wordt linea recta de collegebank in geslingerd. Het verschaft een duizelingwekkende hoeveelheid informatie over de inrichting van de geesteswereld en de organisatie waarvoor Tony werkt. Wetten, regels, geboden, verboden, cursussen, coaches – een staaltje maatschappijkritiek? – vliegen je pagina’s vol om de oren. Gelukkig valt er zo nu en dan ook wat te genieten tijdens de les, zoals in het aftands bordeel ‘Jacintha’s schaduw’ waar de eigenaar zijn animeermeisjes namen van wereldsteden heeft gegeven (‘Voor de prijs van een meisje krijg je een hele stad’) en waar de wanden zijn behangen met wijsheidstegeltjes (‘Jongens beginnen onderaan, meisjes onderop’).
In deel twee verlaat Trujillo de katheder en weet ze zich goed te herpakken. Familie Mus wordt ten tonele gevoerd en Tony – met groeiende lak aan de heersende wetten en regels – lijkt zijn eigen daling glansrijk te hebben ingezet. Zowel privé als professioneel loopt het gierend uit de klauwen én niet alleen bij hem. Gruwelijkheden volgen elkaar op in rap tempo. De destructiedrift is niet meer te stuiten want ‘suïcide is mooier dan het leven uitzitten waar je alleen nog dood zou willen’. Het levert schrijnende taferelen in zelfvernietiging op waarvan die van zoon Mus – zich volledig verliezend in internetporno, sadomasochistische chatcontacten en gaming – het meest luguber en verontrustend zijn. Een pareltje in zijn shit is de prachtig beschreven, beeldende – met cynische humor doorspekte – scène van de gesmoorde zelfmoordpoging. Ongeëvenaard – in mummiepak, verijdeld aan Jezus’ kruis. ‘Hij dacht dat hij een engel was tot hij merkte dat hij in plastic gehuld badend in het zweet lag. Engelen zweten niet. Hij probeerde de folie eerst af te wikkelen, maar dat was niet te doen. […] Hij liet zich op de grond zakken en bleef daar zitten als een Jezus die van zijn kruis gedonderd was.’
Trujillo wilde met De zangbreker – zo onthult ze in een interview – een ode brengen aan de dalers want ‘ze snapt niet waarom er altijd zo negatief over dalers wordt gesproken. Succesvol zijn en dalen sluiten elkaar niet uit. Denk aan Amy Winehouse.’ Zelf ook niet gespeend van enige zelfdestructie – jarenlang coke en alchoholverslaafd, min of meer gered door een hersenbloeding – was het deze gedachte die haar inspireerde tot het schrijven van dit boek want één ding moge duidelijk zijn ‘Het is oneerlijk te denken dat de dalers de zwakkeren zijn. Het is echt niet makkelijk jezelf van kant te maken.’
Een mooi streven! Maar hoe jammer dat Trujillo voor haar loflied een onnodig complexe setting heeft gekozen waardoor de boodschap geen weerklank vindt. In tegenstelling tot het fascinerende De terugkeer van Lupe Garcia, is De zangbreker een verhaal dat niet echt beklijft. Waar het de dalers had willen eren – de schoonheid van zelfdestructie had moeten tonen – lijkt Trujillo’s meesterlijke pen zelf te zijn geofferd aan de duale werkelijkheid.
Het is goed nieuws dat er in deze tijd, tegen het tij in, nog mensen zijn die hun nek durven uitsteken en een uitgeverij oprichten! Een mooi voorbeeld daarvan is natuurlijk Uitgeverij Schokland die inmiddels met haar reeks Kritische Klassieken haar bestaansrecht meer dan heeft bewezen.
En nu is daar ook uitgeverij Koppernik, die sinds half december 2013 bestaat. Op hun website is te lezen wat zij willen uitgeven: ‘de eigenzinnige boeken, de buitenbeentjes van de literatuur, boeken die gedurfd zijn en uitdagen, in ieder geval afwijken van de momenteel overheersende cultuur van het midden.’ Op dit moment gaat dat nog maar om één titel, Zeer helder licht. Maar dat is wel gelijk een boek van Wessel te Gussinklo, winnaar van o.a. de Anton Wachter- en F. Bordewijkprijs. En een boek dat je meteen het verhaal intrekt. Het boek begint als de iets aan lager wal geraakte 31-jarige Wander zijn nog geen 20 jarige vriendinnetje – een meisje uit een keurig, welgesteld gezin – thuisbrengt. Veel te laat echter naar de zin van haar moeder. Hoe keurig ook: mama, gekleed in roze kamerjas, stormt de straat op, begint te vloeken en te tieren, slaat en bespuugt Wander en molesteert zijn toch al krakkemikkige auto. Het is een begin waarna je dóór wilt lezen. Zeer helder licht, Wessel te Gussinklo, Uitgeverij Koppernik, € 17,50
Wie met Turkeye en Istanbul kennis wil maken moet Verhalen uit Istanbul van Sait Faik Abasıyanık (1906-1954) lezen. Deze auteur geldt als een van de grondleggers van het korte verhaal in Turkije. Door zijn grote inlevingsvermogen en beeldende observaties zijn de verhalen van Sait Faik Abasıyanık verrassend tijdloos. Sait Faik Abasıyanık vertelt indringende verhalen over menselijke verlangens en frustraties. Zijn mooiste verhalen werden voor deze bundel vertaald door Hanneke van der Heijden. Verhalen uit Istanbul, Sait Faik Abasiyanik, Uitgeverij Podium, vertaling door Hanneke van der Heijden, € 19,50
Veel dichter bij huis, gewoon op het schoolplein in Alphen aan den Rijn leren Dennis Captein en Martine de Bruin elkaar kennen. Er onstaat een vriendschap. Na verloop van tijd komt Martine bij Dennis op bezoek met de vraag of hij een boek wil schrijven over haar. Martine blijkt het slachtoffer van incest, ze vertelt dat ze jarenlang door haar grootvader is misbruikt. Ze heeft tot dan gezwegen. Eerst uit angst, later uit schaamte. Onschuld is het resultaat van dit verzoek. Het is een roman geworden, gebaseerd op feiten, maar aangevuld met fictie.
Dennis Captein studeerde Journalistiek en Rechten, is in het dagelijks leven uitgever en daarnaast actief als columnist voor het AD. Onschuld is zijn eerste roman. Onschuld, Dennis Captein, Uitgeverij Nobelman, 320 pagina’s, €19,90
Tot slot is er een nieuwe roman van de van oorsprong Uruguaanse schrijfster Carolina Trujillo (40) (De terugkeer van Lupe García) verschenen. De schrijfster woont al zo’n 20 jaar in Nederland, schrijft ook in het Nederlands, maar daarmee is het Nederlandse er wel af en nemen Zuid-Amerikaanse taferelen het over.
Trujillo is een rasverteller. In De zangbreker neemt zij de lezer mee naar haar geboortestad Montevideo voor een ‘onvergetelijke ontmoeting met onalledaagse personages.’ De zangbreker,, 320 pagina’s, € 19,95