• Oogst week 47 — 2025

    Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid


    Op 25 november 2025 is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Dit maakt 2025 een bigi yari, vijftig jaar srefidensi. Veel families hebben moeten kiezen: blijven we in Suriname of gaan we naar Nederland? Wat betekende deze historische gebeurtenis voor hen en hoe werkt deze vandaag nog door? In Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid, samengesteld door Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg, vertellen schrijvers met Surinaamse wortels hun verhaal. Met bijdragen van Iwan Brave, Nina Jurna, Tessa Leuwsha, Cynthia McCleod, Bodil de la Parra, Chris Polanen, Shantie Singh, Jeffrey Spalburg, Prof. Soortkill & Etchica Voorn.

    Bodil de La Parra (1963) is acteur en toneelschrijver. Na de Akademie voor Kleinkunst en een jaar Toneelschool speelt ze onder andere bij Stichting Theater Het Amsterdamse Bos, ’t Muztheater, het Theater van het Oosten, Theater Artemis, het Noord Nederlands Toneel en Toneelgroep Amsterdam. Ze schreef meerdere toneelteksten en een roman, Het verbrande huis. Een Surinaamse familiegeschiedenis.

    Jeffrey Spalburg (1971) is cabaretier, acteur, stand-upcomedian, tekstschrijver, columnist, schrijver en regisseur. Hij deed de theateropleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en begon zijn carrière in de hiphop. Sindsdien speelde hij onder andere in theatervoorstellingen en televisieseries, schreef hij voor theater- en televisieshows en werkte hij als regisseur aan verschillende (muziek)theaterprogramma’s.

    Auteur: Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg
    Uitgeverij: Atlas Contact


    Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop

    Wie het nieuws kijkt wordt dagelijks overspoeld met ellende. Voor veel mensen is dit genoeg reden zich ervoor af te sluiten. Caro Van Thuyne deed juist het tegenovergestelde. Ze keek al het wereldnieuws alsof het haarzelf overkwam in een poging te onderzoeken wat er gebeurt als je pijn echt dichtbij laat komen. In  Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop neemt ze de lezer mee in die pijn. Wat zou er gebeuren als iedereen naar het nieuws kijkt zoals Van Thuyne deed? Zou het de wereld rechtvaardiger maken?

    Caro Van Thuyne (1970) is een Belgische schrijver die in 2018 debuteerde met de verhalenbundel Wij, het schuim. Met haar roman, Lijn van wee en wens won ze een Bronzen Uil. Sindsdien verschenen er nog twee boeken van haar. Het natuurlogboek Hier begint de natuur en het moederboek Bloedzang. De opbrengst van Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop gaat naar Child Smile, een organisatie die zich inzet voor kinderen in Gaza.

    Auteur: 
Caro Van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik


    Egelskop


    In Egelskop laat Teddy Tops een naamloze verteller de geschiedenissen van diens beide grootmoeders herschrijven. De ene oma, Levi, een joodse Amsterdamse, zoekt na de hele oorlog ondergedoken te zijn geweest naar een dansschool. Ze wil eindelijk weer in het volle licht kunnen staan. De andere, Jo, wordt als dertiende kind geboren in een plaggenhut in Drenthe. Het gezin verhuist naar Eindhoven, waar ze werken in de Philips-fabriek. Ook zij stapt daarmee van een ondergronds bestaan in het licht.

    Teddy Tops (1989) is presentator, interviewer, schrijver en programmamaker. Ze interviewt gasten voor programma’s als het Marathoninterview, Nooit Meer Slapen en Een Uur Cultuur. Ook organiseert ze festivals, culturele avonden en clubnachten. Voor het platform Mensen Zeggen Dingen leidt ze spoken word. Naar eigen zeggen heeft ze talloze studies geprobeerd, omdat ze maar niet kon kiezen. Aan de Academie voor Journalistiek en de Schrijversvakschool hield ze het het langst vol.

    Auteur: Teddy Tops

    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

  • Oogst week 6 – 2024

    De kant van Ada

    Binnen afzienbare tijd zal een veroordeelde verkrachter en moordenaar vrij komen. Hoofdpersoon en ik-verteller Ada Storkema piekert in De kant van Ada van Peter Middendorp over de dertien jaar die zijn verstreken voordat de dader, een jonge boer, werd opgepakt. Noodlottige jaren, want de veroordeelde moordenaar is haar man Tille en Ada vraagt zich af of zij mede schuldig is aan de misdaad, of ze deze had kunnen voorkomen.

    De kant van Ada is een vervolg op Jij bent van mij, dat in 2018 verscheen. Daarin maakt Tille Storkema op een nacht een fietstocht en ontmoet het zestienjarige meisje Rosalinde. Hij verkracht en vermoordt haar, de volgende ochtend wordt ze naakt in een weiland gevonden. Tille, totaal buiten verdenking, zwijgt, is gewoon boer en een vader voor zijn kinderen. Ondertussen wordt hij gekweld door herinneringen. Het dorp waarin de familie woont gelooft graag dat de dader uit het asielzoekerscentrum komt. Maar door een dna-onderzoek valt Tille na dertien jaar eindelijk door de mand.

    En nu krijgt Ada het woord. Voorzichtig vertelt ze hoe ze de voorbije jaren heeft beleefd. Bij Tille’s arrestatie besefte ze dat ze het ‘al die tijd had geweten’. Verteerd door schuldgevoel confronteert zij zichzelf keer op keer met de gruwelijke waarheid. ‘Als ik hem gegeven had wat hij wilde, als ik hem had gegeven wat hij nodig had…’ Hoe heeft ze verder geleefd, hoe moet het verder als Tille vrij is?

    Van het boek is ook een toneelvoorstelling gemaakt, momenteel in diverse theaters te zien.

     

    De kant van Ada
    Auteur: Peter Middendorp
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2024)

    3lingnieuws 1937-1943

    De Tsjechische en Joods arts Felix Oestreicher (1894-1945) voelt zich door de angstaanjagende politieke ontwikkelingen in april 1938 gedwongen om met vrouw en dochters Karlsbad (nu Karlovi Vary) te verlaten. Ze belanden aan de Nederlandse kust en later in Blaricum en Amsterdam. ‘3lingnieuws 1937-1943’ is een selectie van de brieven die hij schreef aan eveneens voor het fascisme gevluchte familieleden en vrienden.

    Afschriften van de brieven worden in 1989 na de val van de muur door Oestreichers dochters Beate, Maria en Helly gevonden, als ze na het overlijden van hun tante Lisbeth haar huis opruimen. Daar ontdekken ze een map met 196 brieven van hun vader. Een groot aantal daarvan bleken de ‘Drillingsberichte’, brieven die voornamelijk over hen gaan.

    Geboeid en liefdevol beschrijft Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochters, die nooit van de brieven hadden gehoord. Ze wisten wel dat hun vader schreef, want hij hield een oorlogsdagboek bij in Westerbork en Bergen-Belsen. Dat heeft hij vlak voor zijn dood aan Beate overhandigd en zij gaf het aan Maria, historica. Maar de Drillingsberichte waren een verrassing voor hen. Het eerste 3lingnieuws is van 19 april 1937, het laatste van 25 oktober 1943. Het boek bevat een selectie van 74 brieven uit de map.

     

    3lingnieuws 1937-1943
    Auteur: Felix Oestreicher
    Uitgeverij: M10Boeken

    Bloedzang

    Caro van Thuyne (1970) denkt dat de meeste boeken van schrijvers over hun moeder rouwboeken zijn. Haar Bloedzang is het in zekere zin ook. De moeder van de ik-figuur, het literaire alter ego van Van Thuyne, heeft een herseninfarct gehad en wordt in coma gehouden. Als ze eruit komt is ze gedeeltelijk verlamd en praten kan ze alleen in onbegrijpelijke woorden en zinnen. Voor Van Thuyne is het een nachtmerrie dat haar moeder de taal is verloren. Ze vormde een eenheid met haar moeder, maar dreef door het lezen van literatuur ook van haar vandaan.

    Terwijl ze weet dat woorden immer tekortschieten om een mens volledig recht te kunnen doen, wil ze in een boek haar moeder nabij brengen. De auteur heeft een grote verbeelding en in een zintuigelijke stijl zoekt zij een weg om de moeder-dochterrelatie te beschrijven. Met haar kenmerkende animistische wereldbeeld haalt ze herinneringen op, vertelt anekdotes, kijkt naar foto’s en in spiegels, haalt er sprookjes, mythes en scheppingsverhalen bij. Ze gaat door onmacht, pijn, angst, leven, dood en ziekte.

    De moeder is haar taal verloren, maar Van Thuyne denkt aan het West-Vlaams dialect en schrijft: ‘Maar weet je, m’màtje, dat mijn taal een wildgroei is van de jouwe, dat mijn verbeelding van jouw tong is gerold. (…) Jouw taal is als bloedzang door mijn kinderlijf gegaan’. Met haar eigen bezielde taal bevrijdt ze in Bloedzang haar moeder en daarmee zichzelf.

     

    Bloedzang
    Auteur: Caro van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik (2023)
  • Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

    Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

    Een landschap van pijn, dat is waar de ‘weewandelaar’ doorheen moet in Lijn van wee en wens van Caro van Thuyne. Een intens verhaal over de lange reis naar het hart van het landschap via de diepe zwarte tunnel die rouw heet. Mari gaat op in het landschap waar ze door wandelt en leest onderweg haar kopie van de landschapsgedichten van Richard Skelton stuk. Ze probeert voorbij de taal te communiceren met haar omgeving en haar verdriet. Ze vertelt in  een eigenzinnige taal die beweegt op het ritme en de muzikaliteit van poëzie. 

    Het verhaal komt in beweging als hoofdpersoon Mari dit ook doet. Na acht jaar allesoverheersende rouw over de dood van haar zusje neemt ze een besluit. Ze wil al wandelend de loop van de rivier de Rin volgen. Haar man Felix blijft thuis. Onderweg schrijft ze Felix over haar vorderingen en belevenissen. Hierbij beweegt het verhaal zich tussen het verleden, de indrukken van de wandelingen en de stem van Felix. Gaandeweg leren we meer over haar zusje, Tully. Zij kwam met het syndroom van Warfarine ter wereld en Mari heeft haar als wettelijke voogd verzorgd. In het begin van het boek wordt de rouw vertolkt door een olifant die pontificaal in de kamer staat. Mari kan er niet omheen, dus geeft ze het beest een naam en probeert ze haar leven in te richten om deze figuurlijke olifant heen. Dit doet denken aan de roman van Max Porter, Rouw is een ding met veren, waarin de rouw de vorm aanneemt van een raaf. 

    Voorbij de taal

    Op haar wandelingen wordt Mari omringd door landschappelijke schoonheid. Het tegenwicht wordt gevormd door de constante herinnering aan het gemis. Mari ‘volgt haar olifant’, ondertussen hele passages uit het boek van Skelton citerend en vertalend. De buitenruimte en het landschap zijn voor haar tekenen en worden een veruitwendiging van verdriet, een ‘landschap van littekens’. Ze vindt haar eigen ritme in het wandelen, een therapeutische handeling waarin Mari het ‘loskomen van de tijd’ ervaart. Dat doet ze voornamelijk om haar hoofd leeg te maken en weer ruimte van binnen te krijgen.
    Van Thuyne schrijft op zinnelijke wijze en maakt inventief gebruik van de taal. Op schilderachtige wijze komen landschappen tot leven: ‘De winterse boomskeletten en hoe ze soms lijken op stakerige oude vrouwen die steun zoeken bij mekaar.’ In haar taalgebruik is het persoonlijke direct verweven met de natuur. Ze geeft een stem aan haar verbijstering door te zoeken naar wat voorbij de taal ligt. Dat is het zintuiglijke, ‘het zwijgende zelf van voor de taal’ dat één probeert te worden met het landschap.

    Voor Mari zijn woorden meer een vorm van echolocatie, ze wil liever in de puur zintuiglijke waarneming ‘het wilde zijn’ ontmoeten. Die ontmoeting is lijfelijk en vindt voornamelijk plaats door te wandelen, maar ook door alles aan te raken, van konijnenoren tot oude kleuterlaarsjes. In de woorden van Skelton: ‘It strikes me that the only way to know this place is touch. To place myself inside it’. Het presymbolische, het aftasten en zoeken wat Mari met haar doofstomme zusje deed, komt terug in het zoeken naar herkenning in het landschap. En in de regels van Skelton, waar ze constant mee in dialoog is: ‘Zijn woorden bezweren zowel Skelton zelf als mij, zijn landschap en het mijne, zijn verlies en het mijne’. Voor het verlies zelf zijn echter geen woorden: ‘Ik zal nooit de mooiste, juiste woorden vinden om te vertellen over Tully.’ 

    Muziek van het landschap

    Van Thuyne maakt gebruik van de stemmen van het land, de zee, de lucht, de vogels. Alles loopt door elkaar heen in een poging om het vergeten te stelpen. Hierbij lijkt ze grotendeels door Skelton geïnspireerd te zijn, die op vergelijkbare wijze met het landschap werkt bij het maken van zijn poëzie en muziek, door te harmoniëren met de muziek van het landschap. De natuur is ook niet altijd een vriend. De zee dreigt Mari soms mee te sleuren en de wind tekent haar gelaat. Om dit letterlijk uit te drukken laat ze drie tatoeages zetten als verbeelding van haar man en haar zusje. Tot een punt van intuïtief begrijpen lijkt ze te komen als ze zich afvraagt welke taal ze nog heeft en ze door het wandelen tot een soort zuivere aanwezigheid wordt. En ze lijkt te ‘aanvaarden dat de diepste ervaringen de taal ver voorbijsteken’. De stilte van de dood is zo absoluut dat woorden machteloos worden. ‘De nacht geeft nooit terug’, het is de onomkeerbaarheid van de dood die zo moeilijk te accepteren is. 

    Zo trekt Mari verder, ‘zichzelf overleverend aan het landschap’, onderweg naar de zee. Stoppend voor onderdak bij boerderijen en het gesprek aangaand met wie ze tegenkomt. Uiteindelijk strijkt ze neer in een huisje aan het strand. De zee is een baken en een oerfiguur voor haar, een plek waar de cirkel rond wordt. Want nadat ze door weer en wind heeft getrokken voltrekt zich in de zee een metamorfose, waarna ze haar verdriet achter kan laten. Dan komt Felix, en er lijkt weer ruimte te zijn voor hun liefde. ‘Jullie zijn weer lijven van vlees en bloed. En lijven van vlees en bloed die weer kunnen voelen,’ schrijft Van Thuyne.

    Olifantenpaadjes

    De Lijn van wee en wens is de lijn die Mari door het landschap trekt, die kruist met de weeën van verdriet waarna wandelaar en landschap in elkaar opgaan. Mari wordt alleen nog maar voeten en ogen en haar verbeelding neemt hoge vluchten. ‘Het vlammig begloeien van de lucht voelen zinderen, het capriolen van de kieviten rakelings boven de natte weilanden voelen suizen door mijn spieren, hun balts-gejuich voelen weerkaatsen, de sensuele synchrone choreografieën van de futen in mijn eigen leden voelen, het koppen van het zwartblauwe water in mijn botten’. Om vatbaar te worden voor dit wonder zou je een eigen taal moeten bedenken en op sommige plekken lijkt Van Thuyne dit ook te doen, de rivier die ‘babbelbrabbelborrelkabbelt’ bijvoorbeeld. De taal is evengoed een element.

    In de verantwoording gebruikt Van Thuyne wederom de metafoor van de olifant die perfect onthoudt waar de drenkplaats is en waar het gevaar is. De olifantenpaadjes moeten soms letterlijk gebaand worden door de wildernis en worden in het brein opgeslagen. Door die wegen te gaan vindt Mari weerklank in het landschap. Dit maakt Lijn van wee en wens tot een intens aards verhaal dat op plekken schuurt maar door Van Thuyne’s taalgebruik van een woeste schoonheid is. Het heeft een universeel thema en de duistere onderstroom bruist van het leven en viert de lijfelijkheid.