• Mooie verzameling van essays

    Mooie verzameling van essays

    Carel Peeters kan gerust een ‘eminence grise’ genoemd worden in de wereld van de literaire kritiek. Niet alleen was hij hoogleraar in deze discipline, daarnaast kent het grote publiek hem vooral van zijn vele bijdragen in ‘zijn’ Vrij Nederland. Hij was een tijd hoofdredacteur, maar het meest gekend zijn ongetwijfeld zijn kronieken of essays. 51 daarvan werden nu gebundeld in Lof van de combinatie, een eigentijdse verzameling van zijn beschouwende en persoonlijke ideeën over verschillende denkers van vroeger en nu. Opvallend is dat hij verschillende van deze essays ook herwerkte: hij was immers niet meer gebonden aan de plaatsbeperkingen die eigen zijn aan het tijdschrift.

    Ars combinatoria

    Uitgangspunt van Lof van de combinatie zijn de ideeën uit het 13e-eeuws werk Ars combinatoria van de Spaanse arts Ramon Llull. Deze deed een poging om via verschillende combinaties de grote godsdiensten (christendom, islam en jodendom) te verzoenen. Carel Peeters stelt dat het precies de prikkelende combinaties zijn die het eigenzinnige genre van het essay hebben grootgemaakt. Wanneer verschillende soorten kennis en emoties gecombineerd worden, kan men dieper doordringen tot de werkelijkheid. Door te nuanceren en te precizeren wordt het makkelijker om moeilijke zaken uit te leggen. Door te combineren wil hij verschillen laten ontstaan. Kruisbestuivingen, paradoxen en tegenstrijdigheden zorgen voor een juister begrip. Daarnaast bekritiseert hij het hyperindividuele collectivisme, maar paradoxaal genoeg niet het individualisme. Dat wordt daarentegen wel bedreigd volgens Peeters door de combinatie van sociale media en het neoliberalisme.

    Affiniteiten

    Naast een inleidend essay over de Ars combinatoria en een afsluitende Coda bestaat het werk uit verschillende delen die draaien rond een centraal thema. In het eerste deel behandelt hij denkers waarmee hij Affiniteiten heeft. Niet toevallig zijn de eerste twee essays hierin gewijd aan Menno Ter Braak waarmee Peeters lijkt te dwepen. Ter Braak noemt hij de uitzonderlijke combinatie van een rebelse puber en een gezwinde grijsaard.  Zijn reflectie over Ter Braaks Het nationaalsocialisme als rancuneleer uit 1937 is bijzonder. Daarin vergelijkt hij de rancune en boosheid over de wereld met vandaag. Hij noemt rancune een inherent onderdeel van de democratie en schetst de parallellen met de hedendaagse extreemrechtse partijen die door demagogie en simplisme de Europese cultuur bedreigen.

    Niet door één deur

    In Niet door één deur zijn de essays gewijd aan auteurs en denkers die volledig ingaan tegen Peeters’ eigen denkbeelden en waar hij een absolute hekel aan heeft. Hij schrijft rechttoe rechtaan en geeft ongezouten zijn mening. Hij verwijt Thierry Baudet het misbruik van Serotonine van Houllebecq. Baudet gebruikt het als pleidooi voor een wedergeboorte van de tradtionele waarden, weg van de vrijheid van het liberalisme en het individu. De intellectuele verleiding van Frits Bolkestein noemt Peeters weinig genuanceerd of diepgravend. De brutale uitspraken van Bolkestein bewijzen enkel dat hij vol is van zichzelf. En in Een digitale draaitol neemt hij wonderkind van de moderne essayistiek Allesendro Baricco op de korrel. Diens The Game over de digitale revolutie noemt hij populistisch en weinig consequent.

    Coda

    Oud en sterk lijkt wel een ode te zijn aan de klassiekers die hem boeien en die een blijvende invloed op hem hebben. Naast essays over Thomas More en Francis Bacon is vooral Twee soorten heersers een interessant essay. Daarin plaatst hij Erasmus en Machiavelli tegenover elkaar, elk met hun eigen tegengestelde denkbeelden over oorlog en vrede, en opnieuw maakt hij de link met vandaag. In het Innerlijk rijk exploreert Peeters het psychische vermogen van de mens, maar laat hij niet na zijn combinatieleer te gebruiken zoals Over optimistisch pessimisme duidelijk aantoont. Het poëtisch beginsel bekijkt hoe dichters doorheen de jaren de kunst van het combineren op een hoger niveau hebben gebracht zoals bijvoorbeeld het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis duidelijk aantoont.  Het laatste hoofdstuk krijgt de titel Enigma’s en is een amalgaam van essays die niet passen in de vorige delen, maar wel over het combineren gaan. Peeters sluit af met een indrukwekkend Coda, waarin hij pleit voor een individualisme dat samengaat met betrokkenheid zoals hij het zag en las bij zijn leermeesters Ter Braak en du Perron.

    Lof van de combinatie is een mooie verzameling van essays die ook vandaag nog relevant zijn en die doen stilstaan bij enkele belangrijke evoluties. Peeters leert dat we door de kunst van het  combineren zaken in een ander perspectief kunnen plaatsen en zo tot nieuwe inzichten kunnen komen. Bovendien trekt hij veel parallellen tussen vroeger en nu en waarschuwt hij voor de negatieve elementen die onze huidige maatschappij bedreigen. Het werk is geen pageturner, maar een naslagwerk om af en toe een essay na te lezen en nodigt absoluut uit om de besproken figuren en werken van naderbij te bestuderen.

  • Carel Peeters ‘leest’ twintig literaire tekenaars

    Carel Peeters ‘leest’ twintig literaire tekenaars

    In de ‘Coda’, het nawoord van Het eigenwijze potlood, legt Carel Peeters uit wat hij bedoelt met de ondertitel van zijn nieuwe boek, ‘20 literaire tekenaars’. Het gaat om tekenaars die ‘verder willen kijken’: ‘Ze tekenen met resonantie. Er klinkt humoristisch, filosofisch, psychologisch of literair iets mee dat niet vervliegt bij de eerste blik, zoals vaak met cartoons.’ En verder hebben deze tekenaars ‘ook allemaal iets met literatuur en boeken.’

    Peeters heeft ervaring met tekenaars die ‘iets’ hebben met literatuur. Hij zwaaide indertijd de scepter over de boekenbijlage van Vrij Nederland, waar ook werk van sommige van deze tekenaars werd geplaatst. Verder zijn het allemaal erkende grootheden, van wie de namen bij menigeen bekend zullen klinken: Peter Vos, Joost Swarte, Peter van Straaten, Jeroen Henneman, Siegfried Woldhek en Dick Bruna bijvoorbeeld, of van over de landsgrenzen: Glen Baxter, David Levine, Wilhelm Busch, Walter Trier en Saul Steinberg.

    Biografische elementen blijven veelal ongenoemd in de portretten die Peeters van deze tekenaars schetst: geen geboorte- en sterfdata, geen opsomming van boeken of exposities. Peeters probeert de kern van de tekenaar te raken en zegt daarbij ook wel iets over de techniek, al blijft dat meestal beperkt. De thematiek van het werk krijgt vaak meer aandacht.

    Peeters probeert dat werk te vangen in een omschrijving: ‘Bij Jeroen Henneman komt alles samen in de begrippen afstand en vernuft.’ Of: ‘ze [de tekeningen van Glen Baxter] zijn ironisch-nostalgisch-surrealistisch-anarchistisch en dadaïstisch’. Bij zo’n laatste omschrijving kun je je ook afvragen of er nog iets is wat die tekeningen niet zijn.

    Bij wat Peeters beweert, noemt hij vaak tekeningen die wat hij zegt illustreren. Maar het navertellen van tekeningen is eigenlijk nooit een goed idee en zeker niet als het gebeurt in een lange opsomming. Misschien was het dan beter geweest om meer tekeningen op te nemen. Bij Peter van Straaten, volstaat Peeters zelfs met opnoemen van de onderschriften, alsof de tekeningen er minder toe doen. Daarbij geeft hij bovendien de onderschriften niet altijd correct weer.

    Bij het beschrijven van tekeningen ontkom je niet altijd aan interpretatie. Maar als het beeld ontbreekt, kan de lezer niet controleren of de beschrijving wel klopt. Over een portret van de zangeres/actrice Björk, gemaakt door Philippe Petit-Roulet schrijft Peeters: ‘En Petit-Roulet heeft vlug door dat Björk een originele verkleedpop is en een verwende prinses. Dat laat hij in alle eenvoud zien door haar een rood jurkje aan te geven, arrogant uit twee spleetoogjes te laten kijken en een kroontje op te zetten.’

    Dat portret staat toevallig wel afgedrukt en, zonder verdere context, kan een kijker ook tot een volstrekt andere interpretatie komen: dat kroontje kan erop duiden dat Björk een vorstin is, vergeleken met anderen. De wezens om haar heen zijn dan ook stuk voor stuk veel kleiner getekend. De tekening zou daarom ook bewonderend kunnen zijn. Wellicht heeft Peeters andere informatie van buiten de tekening, maar die deelt hij dan weer niet met de lezer.

    Alle stukjes over de tekenaars zijn geïllustreerd, maar wellicht had de uitgever nog scheutiger moeten zijn met de illustraties, niet alleen om een nog betere indruk te geven van het werk van de tekenaar, maar ook opdat er meegekeken kan worden met wat Peeters beweert.
    Stuk voor stuk zijn de geschreven portretten aardig om te lezen, al zijn ze niet verrassend voor mensen die het werk van de tekenaars een beetje kennen. Het best is Peeters op dreef als hij ook over literatuur kan schrijven, zoals bij de tragische Henry Darger, die niet alleen veel tekeningen, maar ook een gigantisch manuscript naliet.

    Aangenaam in Het eigenwijze potlood is de waarderende en vaak ook bewonderende manier waarop de tekenaars gepresenteerd worden. Het is te merken dat het werk van dit twintigtal na aan Peeters’ hart ligt. Natuurlijk zijn er tekenaars die gemist worden, maar dat zal altijd geval zijn bij een zo persoonlijke keuze. Peeters spreekt bepaald niet het laatste woord over het oeuvre van de literaire tekenaars, maar zijn twintig stukken zijn aardige inleidingen. Na het lezen ervan kan de lezer zelf besluiten of hij zich nog verder in het werk wil verdiepen.

    Uitgeverij De Harmonie heeft van Het eigenwijze potlood een mooi gebonden uitgave gemaakt waarin de tekeningen in kleur zijn afgedrukt. Een boek dat het goed zal doen op de salontafel en in de boekenkast.

     

     

  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

    Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

    Literair criticus Carel Peeters (1944) schrijft tweewekelijks een literaire kroniek voor Vrij Nederland online. Op papier doet hij, na jaren de Republiek der Letteren te hebben gediend, niet meer mee sinds het blad de oplage zag teruglopen. Gelukkig schrijft hij nog vijf keer per jaar de Kroniek van de roman voor Tirade. Een tijdschrift waarmee je iets in handen hebt en dat bij het openslaan de geur van vers papier en drukinkt verspreidt. Geen pagina’s weg klikken maar er doorheen bladerend, naar de bedoelde Kroniek. In deze nieuwe editie doorgrondt Peeters de roman Wil van Jeroen Olyslaegers. Waarbij als eerste de Vlaamse taal van Louis Paul Boon en Hugo Claus wordt geduid als ‘bedacht authentiek’. En dat Olyslaegers een milde variant van Boon beoefent in zijn romanpersonage die uit verschillende personages bestaat. Een personage dat een ’tweezak’ wordt genoemd omdat hij  in oorlogstijd evengoed heult met de vijand als met het verzet. Peeters noemt Olyslaegers roman een snijdende roman om de ‘hoge mate van onverstoorbare neutraliteit die Olyslaegers de oude Wilfried laat betrachten.’ In zijn kronieken kom je van die belangwekkende inzichten tegen waar geen andere criticus het over heeft.

    Verder naar achteren, naar het podium van De tirade van…. Deze keer betreden door romanschrijver en redactielid van Tirade, Anja Sicking. Een tirade over een neiging tot een tirade die maar geen tirade wil worden. De ontvangst op een camping in Italië door een Nederlands echtpaar, Toon en Eefje. Man in een knaloranje korte broek die haar met haar vriendin en kinderen, met ‘zijn vakantievierende handen’ in zijn zij staat op te wachten. Waarna hij en zijn vrouw zich zo voorkomend en behulpzaam opstelden dat het haar woede wekt. Waarvoor ze zich dan weer schaamt. Want ze was toch niet zo iemand ‘die een ander zomaar op z’n gezicht wil timmeren alleen omdat het me niet aanstaat?’ Schaamtevolle situaties rijgen zich aaneen en bieden genoeg momenten om de tenenkrommende vragen en voorstellen van het echtpaar, met een tirade te beantwoorden. Herkenbaar, juist daar waar gezwegen wordt.

    Sipko Melissen, schrijver van de romans Een kamer in Rome en Oud Loosdrecht, werkt  aan een essaybundel over Franz Kafka. In zijn essay Kafka in Merano gebruikt hij o.a. artikelen en essays van W.F. Hermans die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Merano waar hij op zoek was naar verhalen over schrijvers die daar gekuurd hebben of aan tbc waren overleden. Dat Hermans geen sporen van Kafka tegenkwam, die ooit in Merano drie maanden als tuberculose patiënt verbleef, heeft volgens Melissen te maken met het feit dat Hermans daar was op het moment dat er nog geen gedenktekens e.d. geplaatst waren. Mooi samen komt de veronderstelling dat Kafka een zoon heeft gehad (die op kinderleeftijd zou zij overleden) en dat Hermans een meisje in Merano zag dat voor hem een reïncarnatie van Kafka is. Waarbij Melissen zich afvraagt of er niet enig nageslacht van Kafka zou kunnen rondlopen.

    Joost Baars vertaalde de Verschrikkelijke sonnetten van de experimentele en religieuze Britse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889). In een mooie inleiding tot de sonnetten schrijft Baars over de geloofscrisis waarin Hopkins verkeerde toen hij deze sonnetten schreef. Zes sonnetten die zich niet gemakkelijk laten verklaren maar wel een sterk innerlijke worsteling tonen.

    Sander Kollaard, schrijver van verhalen en de roman Stadium IV vertaalde het verhaal The Death of the Moth, van Virginia Woolf. Verheugend dat er van Woolf een niet eerder vertaald verhaal gepubliceerd wordt. In een inleiding schrijft Kollaard hoe Woolf tot dit verhaal kwam naar aanleiding van een brief van haar zus Vanessa. De inleiding van Kollaard en het verhaal van Woolf, eindigen met vrijwel dezelfde zin: Het ligt stilletjes op de vensterbank, heel netjes, heel bescheiden. ‘O yes, he seemed to say, death is stronger than I am.’ Oh ja, leek het te zeggen, de dood is steker dan ik.

    Misschien gaat hij vanzelf van Anneke van Wolfswinkel vertelt in eenvoudig maar sterk beeldend taalgebruik het verhaal van een oude man en zijn stervende hond. ‘De oude man graaft een kuil. Op het erf, aan de rand van het weitje waar hij elke ochtend even staat (…).’ Die hond wil hij uit zijn lijden verlossen maar telkens wanneer hij zijn vinger om de trekker legt beweegt de hond en wordt het vonnis uitgesteld. ‘Sterven in je slaap is een vorm van genade, maar een hond afmaken in zijn slaap is een laffe, liefdeloze daad.’ Een knap en verstild verhaal.
    Verder werk van onder meer Idwer de la Parra (poëzie), Roos van Rijswijk (redactioneel), Walter Tevis (proza vertaald door Anna Visser), Lia Tilon (proza). De illustraties, waaronder de cover afbeelding, zijn van JurgenWinkler.


    Tirade
    kun je kopen bij de betere boekhandel of neem een abonnement.
    Jaarlijks vijf nummers; € 50,00 (studenten € 35,00)
    Kijk ook op Tirade.nu.

     

     

  • Op sterven na dood

    Als je niet oplet drijft het verleden ongemerkt uit beeld tot er niets van over blijft en neemt het heden het volledig van je over. Tot je door iets dat je ziet of hoort met dat verleden geconfronteerd wordt. Gistermorgen viel mijn oog op een kopje boven een kort bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Ik las: ‘Vrij Nederland op sterven na dood.’ In werkelijkheid stond er: ‘Vrij Nederland gaat verder als maandblad.’ Door de schok had ik het bericht misvormd. Door de crue berichtgeving werd ik enkele decennia teruggeworpen in de tijd.

    In bed met een stapel kranten in een historisch pand in de binnenstad van Deventer waarvan mijn Lief en ik de verbouwing nooit helemaal voltooid kregen. Wanneer het cementstof was neergedaald en de kou door iets te enthousiast gesloopte tussenmuurtjes door het pand kroop en mijn Lief de kroeg om de hoek indook, was Vrij Nederland mijn baken.

    Met Bibeb, Dichters & Denkers, Boek van de maand, Nederlands proza, de stukjes van Rinus Ferdinandusse (die ik nooit helemaal begreep of gewoon geen geduld voor had), essays en veel, veel ruimte voor recensies. En op de achterkant het feuilleton Agnes, beslommeringen van een alleenstaande bijstandsmoeder met opgroeiende zoon, door Peter van Straaten. In mijn herinnering stonden er geen nieuws of opiniestukken in. Wat natuurlijk wel het geval was en ik zal er voor de vorm ook wel met mijn ogen overheen zijn gegaan, al staat me daar niets meer van bij.

    Boven in mijn werkkamer, die dit weekend als logeerkamer was gebruikt en er nogal aangedaan uitzag, trok ik een grote zwarte koffer onder mijn tafel vandaan en klikte de twee sloten open. Gravend door bergen correspondentie van vrienden en geliefden vond ik op de bodem twee dikke mappen met knipsels en vergeelde VN krantenbladen. Ik vond een recensie van Carel Peeters van De vriendschap, de tweede roman van Connie Palmen, 4 maart 1995. Peeters vond het boek een genadeloos filosofisch meisjesboek dat met niets te vergelijken was: ‘De roman ontwikkelt zich van meisjesboek tot filosofisch essay.’

    In de rubriek Ter zake, uit dezelfde editie een stuk over de taak van de openbare bibliotheken bij de verspreiding van literatuur. Het geval wilde dat de spraakmakende bundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker veel lovende recensies had ontvangen maar van de elfhonderd bibliotheken die Nederland toen rijk was, bestelden er maar elf een bundel! Het was een schande. De uitgever van Duinker, Maarten Asscher schreef een boze brief naar de directie van de NBD (Nederlandse Bibliothekendienst) waarin hij klaagde over het feit dat er van de meer commerciële literatuur altijd veel meer werd aangekocht. Een regelrechte schande voor de poëzie was het.

    Er stonden namen in waar ik toen nog nooit van gehoord had en ook later nooit meer iets van vernomen heb. Eendagsvliegen zoals Sammi Landweer die met de verhalenbundel Woestijn debuteerde. En op 3 februari 1990 besprak Frans de Rover De psychologie van de zwavel van Atte Jongstra, waarin feit en fictie een belangrijke rol spelen. In de serie Privé-domein was net Mijn leven door Alma Mahler-Werfel uitgekomen. Beide boeken staan nog steeds in mijn boekenkast en mijn heimwee naar de dagen dat literatuur er nog toe deed in de media, wordt meer en meer aangewakkerd.

    Maar hoe moet dat nu met de literatuur en zijn besprekingen nu VN, na een feestelijk gevierd 75 jarig bestaan op het punt staat te verdwijnen? Want maandelijks verschijnen nadat je decennia lang een wekelijkse gast was, wil zeggen dat je langzaam uit beeld verdwijnt.

     

     

     

  • Paradoxaal

    Paradoxaal

    Silence out loud is de titel van de tentoonstelling die de schrijver Joost Zwagerman vlak voor zijn dood samenstelde. Het is een luidruchtige ode aan de stilte, zoals een bevriende kunstpaus de onderneming typeerde. Voor wie het werk van Zwagerman kent is zo’n paradox niet verrassend. Zwagerman had twee gezichten, schrijft Carel Peeters in zijn zojuist verschenen essaybundel De cultuur van de paradox: aan de ene kant het gezicht van de Bekende Nederlander, niet van het tv-scherm weg te branden en altijd het hoogste woord, aan de andere kant een schaduw-ik die gedreven werd door de wens liever niet te willen bestaan. Zijn hele oeuvre is in dat licht te zien, of zoals Peeters zegt: Het wemelde van tegenstellingen in Zwagermans hoofd. Hij wilde altijd twee dingen tegelijk: deelnemen en toekijken, een grens over en thuisblijven, het alles en het niets.

    Cultuur van de paradox
    Maar de paradox geldt niet alleen voor Zwagerman, Peeters heeft een cultuur van de paradox ontdekt–Bas Heijne is radicaal in het midden, Michaël Zeeman een flexibel absolutist, Gerrit Komrij een gelukkige schizo, Patricia de Martelaere bevindt zich in de hitte van de kou. Een uitdagende gedachte. Peeters lijkt bij uitstek degene die zo’n gedachte kan formuleren en uitwerken, hij is een wandelende encyclopedie. De oud-redacteur van de ooit befaamde Boekenbijlage van Vrij Nederland heeft hele bibliotheken in zijn hoofd, kent de Nederlandse literatuur als geen ander en is op de hoogte van het internationale literaire discours. Met het grootste gemak schudt hij een stuk of twintig intellectuele portretten uit zijn mouw van schrijvers, essayisten, filosofen en zelfs economen; dit alles in korte stukken waarin het werk van de besproken personen tot de kern wordt teruggebracht.

    Verhelderend?
    Maar hoe geleerd Carel Peeters ook mag zijn, de vraag is of zijn perspectief werkt: is deze benadering verhelderend? Bij een paradox gaat het om tegenstellingen waarvan de polen van gelijk gewicht zijn, daar valt eigenlijk niet tussen te kiezen, zoals Peeters zegt. Het gaat om zaken als emotie en verstand, gelijkheid en ongelijkheid, lichaam en geest, schijn en wezen. De paradox is zelf een paradox, aldus de auteur, waar geleefd en nagedacht wordt ontstaan paradoxen. Zo bezien is een paradox zo’n beetje alles en daarmee loop je het risico dat het begrip zijn onderscheidend vermogen verliest. Is de Zwagermanparadox, waarbij de behoefte aan publieke aandacht en commercieel succes ondermijnd werd door een ongecontroleerde doodsdrift, eenzelfde soort paradox als die van dichter en nar, volgens Peeters karakteristiek voor Gerrit Komrij? Bij de een is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis, zou je denken, bij de ander van een pose; de een heeft betrekking op de kern van iemands bestaan, de ander op een bepaalde, literaire, levensstijl. In andere portretten is het nog moeilijker om aan te wijzen waarin precies het paradoxale schuilt, soms denk je aan dilemma’s, soms aan intellectuele beperkingen. Susan Sontag’s paradox, if any, had toch vooral te maken met haar volstrekte warhoofdigheid en politieke verdwazing.

    Zijspoor
    Af en toe lijkt de ingang van de paradox zelfs een beetje naar een zijspoor te leiden. Wellicht is het werk van Zwagerman, de Martelaere of Zeeman aan de hand van een simpele tegenstelling te verduidelijken, het gaat tenslotte om doorsnee auteurs of denkers, die niet boven de middelmaat uitstijgen. Maar bij intellectuele hoogvliegers als Amartya Sen, Isaiah Berlin, Charles Darwin of Alexis de Tocqueville raak je de weg kwijt: hun werk is te complex, gelaagd en veelzijdig om er een simpele formule op toe te passen. Er kleeft misschien iets paradoxaals aan de aristocraat Tocqueville die met bewondering schrijft over de Amerikaanse democratie, maar zijn rijke observaties en etnografische beschrijvingen vormen uiteindelijk het fundament waarop zijn visie berust en daar is niets paradoxaals aan te ontdekken. En het is maar de vraag of Amartya Sen zelf zijn pleidooi voor een ‘sociaal bewogen kapitalisme’ paradoxaal zou vinden, je dwingt de auteur daarmee in een korset dat hem niet past. Peeters’ bewering dat India dankzij Sen een bloeiende economie en een werkende democratie zou hebben is ridicuul.

    Peeters is het best op dreef in zijn stuk over de opkomst van de romantiek: Authentiek kunstmatig. Ook stilistisch – er klinkt plezier en bevlogenheid door in het betoog, een welkome afwisseling van het soms nogal knarsende proza in de rest van het boek. Hij beschrijft de opborreling van het verzet tegen de Verlichting omstreeks 1800. Het binnenste van de mens werd aangepakt, schrijft hij: de ziel, de fantasie, de droom, het spirituele, het ik, het verlangen, het demonische, het bovenzinnelijke, de diepte en het oneindige. Deze door de Romantiek blootgelegde verzameling van menselijke gevoeligheden werd geconfronteerd met de permanente antithese van het rationalisme, van de logica, de wetten, de regels, het systematische. Het was een bron voor het ontstaan van paradoxen.
    Het onderzoeken van de tegenstelling tussen ‘wet en werkelijkheid’ is een veelbelovende strategie om door te dringen in een cultuur, om diepere lagen aan te boren en grenzen vast te stellen, maar wie alles ophangt aan de paradox verliest makkelijk de nuance uit het oog.

     

     

  • De nieuwe Tirade en twee voorgaande edities hier belicht

    In de laatste drie edities van Tirade zetten dichters en literatuurbeschouwers de toon en schrijft Joop Goudsblom verder aan zijn memoires. De tijdschriften bevatten een fijn aanbod van onlangs gedebuteerde – en debuterende auteurs, vertaalde literatuur en persoonlijke literaire verslagen. Tirade onderscheidt zich wel degelijk door plaats te bieden aan een mengeling van prille en doorgewinterde auteurs die in hun stijl verrassen en aan het denken zetten. 

    De nieuwste Tirade (nr. 443) is een themanummer over de auto in de wereldliteratuur: Het Tirade-autonummer, ‘speciaal gemaakt voor hoedenplank en dashboard’. ‘Hoedenplank’ en ‘dashboard’ roepen nostalgische gevoelens op aan vervlogen tijden. Hoofddeksels worden er tegenwoordig in alle soorten en modellen gedragen maar wie legt nu nog zijn hoed op de hoedenplank sinds het veelkleurige gehaakte hoedje (om de aanwezigheid van de onvergetelijke closetrol te camoufleren), de respect afdwingende hoed van vader of opa daarvan verdreef? Ook die closetrol is inmiddels van zijn plaats verdreven. Ruimte genoeg dus voor Tirade.

    Jeroen van Kan vraagt zich af in Dichters rijden niet, waar de mythe vandaan komt dat dichters niet geschikt zijn voor het autorijden en zo ja, waarom dat zo is. Is het simpel omdat ze dan ongelimiteerd drank tot zich kunnen nemen? Met behulp van een enquête kwam Van Kan tot de hem verbazende conclusie dat de helft van de geënquêteerde dichters wel autorijdt.

    De crash, vier keer is een bijdrage van Menno Hartman. Waarin op tamelijk willekeurige manier, zoals je een mooi veldboeket samenstelt, auto gerelateerde ervaringen uit de wereldliteratuur zijn samengebracht. Waaronder literaire werken als Machines en emoties van Hermans en Kousbroek, (Hermans schrijft over zijn ‘gesneuvelde lieveling’). De door een verkeersongeval omgekomen schrijvers Italo Svevo, Albert Camus en Roland Barthes als ook de eerste verkeersdode in Engeland (1869) vinden een plek in dit boeket aan autoleed op wereldniveau.

    Van Vrouwkje Tuinman het gedicht LiveHammer, dat welhaast voor zichzelf spreekt. In Autogedichten droomt Delphine Lecompte dat ze verkracht wordt op de achterbank van een taxi door een imker. ‘De taxi heeft geen chauffeur / De taxi heeft een dode chauffeur.’ Geheel des Lecomptes is het dat ‘de verkrachting’ leest als stond er bijvoorbeeld ‘ze dronken een kopje thee’.

    De invariant van M.G. Jansen gaat over de ervaringen van een perfectionistische treinreiziger die de tijd en zichzelf volledig onder controle lijkt te hebben. Als hij in een treincoupé zijn overbuurman observeert, corrigeert hij zichzelf direct: ‘Bekijk hem niet te lang, kijk naar buiten, met een hand op je tas.’ Jansen schrijft in een dwingende ritmische stijl die, tussen de observaties door, doen geloven dat de man vrij is, dat hij elk moment uit de trein kan stappen waar hij maar wil. ‘Je wilt iets groters, iets onmogelijks. Je wilt de coupé ontstijgen, boven je lucht zien en niet geleid worden (…).’ Het verhaal toont zich in eerste instantie langdradig, je denkt, ‘laat die man uitstappen, zijn vrijheid vinden’. Maar dan, de titel De Invariant indachtig is het duidelijk. Deze man zal nooit veranderen. Een knap beklemmend verhaal.

    In een bijdrage van Geerten Meijsing Eerste rit heeft hij het over zijn relatie met zijn onlangs overleden zus, Doeschka Meijsing. Herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren die hij begint met: ‘Ter begrafenis van mijn onlosmakelijke zuster was mij door de familie een spreekverbod opgelegd, (…).’ Geerten Meijsing deelt beslist geen pluimen uit en leeft, zoals hij zelf zegt, geheel afzijdig van de Nederlandse literatuur. Eerste rit is een eigenzinnige en daardoor ontroerende hommage aan Doeschka Meijsing.

    Van Tsead Bruinja het gedicht Fennema. Een gedicht, waar achter de ogenschijnlijk simpele strofen, weemoed en wraak op de loer liggen.
    ‘fennema had een zuur hoofd en met dat hoofd / en dat wijf zou hij in ons huis wonen / (…) / fennema had twee zonen ze keken / gemeen uit hun ogen maar niet zo zuur als hun vader /op mijn slaapkamer lachtte de ene me uit / hier zal ik me wel vermaken / maar ik geloof niet dat hij uren door het raam / de weilanden over vloog of brood met aardbeien/ en suiker in de tuin opat’
    De weemoed om het huis van de jeugd, met al zijn toekomstverwachtingen, dat verlaten werd, zal nooit slijten. De dichter wil er naar terug, de sterfelijkheid trotserend.
    ‘(…) maar moeder is allang dood / en het huis staat er nog / als ik dood ben zoek ik haar op / gaan we samen terug / jagen we fennema er uit’

    Meer poëzie van Sylvia Hubers, Gerard van Hameren, Kreek Daey Ouwens en proza van Thomas Heerma van Voss, de Schotse schrijver Norman Douglas (1935). Herinneringen aan het kopen van een Dinky Toys van Joop Goudsblom en Joris van Casteren schreef een reisverslag Het glas van Casanova. Met zijn vierjarige dochtertje reisde hij naar het graafschap Suffolk om daar de locaties uit De ringen van saturnus van de schrijver W.G. Sebald (die overigens in 2001 bij een auto ongeluk om het leven kwam), te gaan bekijken. Per fiets reisde Van Casteren door het graafschap en schreef er een mooi verslag over.

    In Kroniek van de roman onderwerpt Carel Peeters de nieuwe roman van Gerrit Komrij De loopjongen aan een diepgaander onderzoek onderwerpt dan de meeste recensenten deden (die het vooral een ‘echte’ Komrij vinden) en noemt Komrij liefkozend een ‘scheppende schizo’ zoals W.F. Hermans een ‘scheppende nihilist’ was.

    In Tirade – 442 – (Februari 2012) proza van Gilles van der Loo. Dag, Bert over een prettig gestoorde oudere vrouw die zich onweerstaanbaar  gedraagt in een smoezelige echtscheidingsprocedure. Van Daan Heerma van Voss het verhaal Veldkinderen, een ontmoeting tussen twee vrienden. Heerma van Voss heeft een indringengde en bewegende stijl: ‘Rennende kinderen trekken onze blikken mee, (…) Onwillekeurig lacht hij even, mijn vriend. Dan, alsof betrapt, staat hij op om koffie te halen.’ Mooie beschrijving van twee mensen die elkaar alles al gezegd hebben.

    Esther Naomi Perquin componeerde Boekarest, een éénpersoons reisadvies. Perquin is in eerste instantie dichteres en dat is terug te vinden in haar proza. In korte hoofdstukken, waarin ze afstand neemt tot de gebeurtenissen, beschrijft ze haar verblijf in Roemenië. Zinnen als: ‘Kom er aan op een doordeweekse dag.’ of ‘Dat het toeteren dat je hier hoort een andere betekenis heeft dan thuis.’ en ‘Er is een lunch waarbij je aan twee Roemeense schrijvers zult worden voorgesteld.’ geven een gecomprimeerd beeld van Perquins waarneming. Fijne literatuur die zich graag opnieuw laat lezen.

    Willem Otterspeer werkt aan een biografie over W.F. Hermans waarbij hij een correspondentie tegenkwam tussen Hermans en Jan Emmens die ooit een essay over Hermans schreef dat om een of andere reden publicatie steeds misliep. Volgens Otterspeer ‘(…) een van de beste essays ooit over Hermans geschreven.’

    Verder een verhandeling van W.I.M. van Calcar over Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief, schreef Arnold Heumakers een goed stuk over De verthrillering van de literatuur aan de hand van Bonita Avenue en Merijn de Boer de bijdrage De bril van Campert. Het debuutverhaal van Isaac Babel De oude Sjloime werd vertaald door Froukje Slofstra. Een sfeervol wintersprookje Victor Halfnar van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) en proza van Sander Kollaard.

    Gedichten zijn er van Hans Mirck, Mees Hartog, Tjarda Eskes, Anton Korteweg, Adrienne Rich, Linda Greg, Adam Clay en Richard Sikken, de laatste vier in een vertaling van Lieke Marsman. En is Carel Peeters in Kroniek van een roman vol lof over de roman Grip van Stephan Enter.

    In Tirade – 441 – (december 2011) een bijdrage van socioloog Joop Goudsblom (1932). Zijn memoires startte hij in Tirade nr. 429 (2009) en zet hij voort in dit nummer. Een beter podium voor de (voorpublicaties?) van de memoires van Goudsblom (1932) kan men niet bedenken. Goudsblom was ooit (1957) medeoprichter en kwam met de naam ‘Tirade’. In een portretinterview in de Groene Amsterdammer (2-02-2012) sprak Goudsblom onder andere over zijn memoires en dat het een moeilijk genre is. Ze moeten goed geschreven zijn, geen woord teveel bevatten en je moet geloven in wat er aan herinneringen is bij gebleven. ‘(…) ik geloof er ook echt in. Zo moet het gegaan zijn. Ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken’, aldus Goudsblom over zijn memoires. Scholier in oorlogsrijd (memoires, deel II) is een sobere weergave van herinneringen die, doordat ze dus goed opgeschreven zijn, niet anders gebeurd kunnen zijn. Het is zoals het was en niet anders. Goudsblom wil met deze memoires geen tijdsbeeld schetsen, dat dit toch gebeurt komt door het zodanig componeren van de herinneringen dat de tijd waarin het speelt, als een soort couleur locale vanzelf verschijnt. ‘(…) zoals op een oud familiefilmpje, opgenomen om het gedrag van kinderen vast te leggen, onbedoeld nog te zien is hoe de tuin er toen bijstond.’ Mooi is dat.

    Merijn de Boer reisde In het kielzog van Albert Helman door het Surinaamse binnenland. In zes weken voer de schrijver Helman in een uitgeholde boomstam en met drieëndertig man personeel over de Surinaamse rivieren. De Boer en zijn familie passen zich aan de tijdgeest aan en reizen met twee bootsmannen en twee gidsen.

    Verder een in memoriam in briefvorm van de hand van Jeroen van Kan aan de vorig jaar overleden literatuur- en toneelwetenschapper Hans van den Bergh (1932-2011). Debuteert Sebastiene Postma met de twee proza gedichten; Hulp II en De Jakobsladder. En verhalen van Julien Ignacio, Edith Wharton, Victor Frölke, Michiel Heijungs en Marijke Schemer. Meer poëzie van Jan Kruizinga, Hedwig Selles en Nicky Theunissen.

    Carel Peeters schreef in zijn Kroniek een verhandeling over de rol van de grootvader als beschermheer in de werken van Jeroen Brouwers aan de hand van Bittere bloemen.

    Uitgever Wouter van Oorschot plaatste een ‘kadertje’ in deze editie. Hiermee een initiatief van zijn vader, Geert van Oorschot volgend waarin hij jaarlijks lezers opriep nieuwe abonnees te werven en wanbetalers verzocht hun achterstallige betalingen te voldoen. De huidige uitgever, achtte het tijd voor een kadertje nu het voortbestaan van Tirade afhangt van ‘kapitaalkrachtige abonnees met een onbedwingbare mecenaatwens’. Welnu, die mogen zich, wat Van Oorschot betreft, laten gelden om het voortbestaan van Tirade te waarborgen.

    Welke auteur in welke editie precies publiceert, is na te zien op de site van Tirade. Een site die er nogal stilletjes uitziet maar waar maandelijks een auteur resideert die bijna dagelijks een blog schrijft. In het verleden waren dit o.a. Maartje Wortel, Jan van Mersbergen en Menno Wigman. Op dit moment is Sander Kollaard de Tirade blogger. Kollaard woont in Zweden en debuteerde onlangs met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde bij Van Oorschot. Lees zijn blogs en speciaal de bijdrage van 2 juni, het kan wat teweeg brengen, zo’n blog.

     

    Lees en bestel hier:

    Tirade 443 – mei 2012
    Tirade 442 – februari 2012
    Tirade 441 – december 2011
    Onder redactie van: Ester Naomi Perquin, Merijn de Boer, Menno Hartman en Jeroen van Kan
    Uitgeverij Van Oorschot

    Verschijnt vijf maal per jaar. € 12,50 losse nummers € 40,00 abonnement (vijf nummers) € 34,00 voor studenten en CJP-houders

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00

     

     

  • Tirade – nieuwste nummer – maart 2011

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    In het eerste nummer van Tirade van dit jaar is het schotschrift Te licht bevonden van historicus en publicist Ronald Havenaar opgenomen. In 1990 promoveerde Havenaar op een studie over het politieke denken van Jacques de Kadt (1897-1988). Havenaar geeft inhoudelijk kritiek op De schijn-elite van de valsmunters (2010) van PVV ideoloog Martin Bosma, die zich gretig beroept op het gedachtegoed van De Kadt. Bosma ontleende de titel van zijn boek aan een passage uit Het fascisme van de nieuwe vrijheid (1939) van Jacques de Kadt.

    Havenaar toont aan dat de zo onontbeerlijke kenmerken voor een politicus als kennis en inzicht – die Bosma in zijn leermeester De Kadt zo bevallen – bij Bosma zelf ontbreken. Daarentegen is er bij Bosma sprake van schrille dogmatiek, geloofsijver en missiedrang. Ronald Havenaar laat zien dat Bosma uit zijn nek kletst.
    Carel Peeters bewerkte Huid en haar, de laatste roman van Arnon Grunberg met een fijn scalpeermesje en legt ‘de schrijver als sofist’ bloot. Peeters vindt dat Grunberg zijn hoofdpersoon, Roland Oberstein te veel heeft gesouffleerd. Grunberg is als verteller en commentator voortdurend aanwezig waardoor Oberstein geen echt romanfiguur wordt maar een speler in een soap. En dat is tot daar aan toe maar een soap van 523 pagina’s is te veel van het goede, aldus Peeters.
    Kiki Coumans vertaalde werk van de Franse dichter Yves Bonnefoy (1923), Verre stem, Uit: Les Planches courbes, Mercure de France, 2001.
    Bonnefoy geldt in Frankrijk en in de rest van Europa als de belangrijkste levende Franse dichter. In Nederland zijn sporadisch teksten van hem vertaald. Naast dichter is hij een veelgeprezen essayist en vertaler van Shakespeare en Yeats.
    Van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (1923-1952) vertaalde Bernlef het verhaal Een partijtje zakschaak dat pas na de dood van de schrijver werd gepubliceerd en nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt. Bernlef vertaalde eerder van dezelfde schrijver de roman Het verbrande kind en de verhalenbundel Natte sneeuw.
    Lodewijk Pessers (1984) studeert Italiaanse taal- en letterkunde aan de UvA en rondt dit jaar zijn master af. Hij publiceert een stuk over: De tenzone tussen Dante Alighieri en Forese Donati, getiteld Ruzie op rijm. De poëtische correspondentie uit omstreeks 1295 tussen Dante Alighieri en zijn jeugdvriend Forese is een relatief onbekend werk. ‘Tenzone’ is een Italiaanse aanduiding voor poëtische correspondentie, in het Nederlands zou het strijdgedicht genoemd kunnen worden.
    ‘Twee gedichten’ van de dichter Willem Thies (1973), die in dichterlijke taal pijnlijk realistische beelden neerzet.
    Nico Dros (1956) als blogger in residence vraagt zich in Acteur, auteur, malheur af wat Adriaan van Dis er toe bewoog op het Boekenbal 2010 een act op te voeren . En wat een marteling het voor de toeschouwers was dit te moeten aanzien. Een auteur moet zich bij zijn ’leest’ houden, al zijn er uitzonderingen. In het tweede blog een klein eerbetoon aan de op 14 augustus 2010 overleden schrijver Herman Franke. Zijn laatste roman Traag licht werd vorig jaar oktober ten kantore van uitgeverij Podium gepresenteerd.
    In een kort verhaal van toneelschrijver en regisseur Marijke Schermer(1975) De microbiologe, vindt de hoofdpersoon zichzelf terug in een roman.

    Verder bijdragen van: Dichter en schrijver Lloyd Haft (Wisconsin 1946): Kelong: drie zeegezichten; Neerlandicus en tekstschrijver Joris van Groningen (1962) schrijft in Gerrit Krol verbetert de Turingtest over machines als mens en met name over de roman De man achter het raam van Krol uit 1982 waarin een robot figureert en hoe Krol de turingtest verbeterd; Van de Schotse schrijver Norman Douglas (1868-1952) Rome in een vertaling van Astrid Huisman en Inge van Balgooij.
    Gedichten van Kreek Daey Ouwens (1942), haar bundel De achterkant werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2011.
    Van Manet van Montfrans (1944) Terug naar de oorsprong. Geschiedenis en voorgeschiedenis bij Jean Rouaud. Montfrans publiceert regelmatig over hedendaagse Franse literatuur en is redacteur van het tijdschrift Marcel Proust ajour’hui.

    www.Tirade.nu
    Tirade is een uitgave van Uitgeverij G.A. van Oorschot en verschijnt vijf keer per jaar.
    Losse nummers 12,50 Abonnement (vijf nummers) 40,00
    Studenten en CJP-houders, 34,00