• Bedwelmende poëzie van een jonggestorven dichter

    Bedwelmende poëzie van een jonggestorven dichter

    Wee, gij gouden huiveringen van de dood, / Als de ziel koelere bloesems droomt.

    Voor wie poëzie zoekt met overrijpe herfsttinten, purper & maanverlicht verderf kan zijn hart ophalen bij de Oostenrijkse dichter Georg Trakl (1887-1914). Van  hem verscheen onlangs – onder de titel Gedichten – de royaalste bundeling die ooit in Nederlandse vertaling van hem verschenen is. Trakls werk is vergeven van donkere schreden, gedoofde engelen en stamelende bronnen. Meestal is het herfst, vaak schemerig of al avond. De bedwelmende kerkhofhuivering, het novembergemoed en ‘het liefelijke gezang der herrezenenzijn echter niet slechts accessoires in deze poëzie.

    Trakls obsessieve symboliek van dood en vergankelijkheid volgt haar eigen wetten die niet altijd biografisch of logisch te duiden zijn. Al is de verleiding groot zijn onheilszwangere poëzie biografisch te interpreteren. Wat te denken van een vermeend incestueuze verhouding met zijn muzikaal getalenteerde zus, die hij ook nog eens aan verdovende middelen verslaafd maakt; een kunstminnende, zich afzonderende moeder die haar rol liever laat vervullen door een Franse gouvernante; een vroeg overleden vader met wie de jonge Georg een goede band had. Met de gouvernante wordt het protestante geloof van zijn ouders ingeruild voor een katholieke opvoeding. Met haar verschijnt ook Franse literatuur in huis. Als vroegrijp kind dweept hij reeds vroeg met de ondergangsstemmingen van het fin de siècle. Hij kan zich goed spiegelen aan de hoofdpersonen uit Dostojevski’s, Huysmans’, Strindbergs en Ibsens werk. Ook Nietzsche vindt een weerklank in zijn werk.

    Aankomend dichter

    Wat dichters betreft kan hij zich aanvankelijk vinden in het werk van Maeterlinck, Baudelaire en Verlaine. Op het gymnasium raakt hij in de ban van drugs en verlaat de school voortijdig. Zijn keuze voor een apothekersopleiding lijkt ingegeven door de mogelijkheid zich zo van een toegang tot verdovende middelen te verzekeren. Hij frequenteert bordelen, poseert als poète maudit en koketteert met zelfdoding. Zijn eerste, zwaar aangezette schreden op het dichterspad staan stijf van de symbolistische clichés uit zijn tijd en baren weinig opzien. Er ontstaan depressies, schizofrene stemmingen en een overstelpend schuldgevoel. 

    In 1908 gaat hij in Wenen medicijnen studeren, maar zijn eigen gezondheid laat te wensen over. Wanneer hij zich verdiept in het werk van Rimbaud krijgen zijn gedichten meer richting. Als hij najaar 1912 in het tijdschrift Der Brenner publiceert, begint zijn poëzie het niveau te bereiken waaraan zijn roem te danken is. Ofschoon behept met de kenmerken en bijverschijnselen van een obstinate eenling, bezat Trakl de gave contacten te leggen met invloedrijke figuren als Oskar Kokoschka, Karl Kraus, Laske-Schüler en Adolf Loos om zo, als aankomend dichter, voet aan de grond te krijgen. 

    In 1913 verschijnt zijn eerste bundel Gedichte. Door zijn verslaving zit hij voortdurend krap bij kas. Uit financiële nood besluit hij dienst te nemen in het Oostenrijkse leger. Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Als er een aanzienlijke geldsom van de bankierszoon Ludwig Wittgenstein – die hij overigens niet persoonlijk heeft gekend –  zijn kant opkomt lijkt zijn smeekbede om financiële steun verhoord. Maar het bereikt hem te laat.

    Overdosis cocaïne

    Totale ontreddering overvalt hem als hij in zijn eentje medische verzorging moet verlenen aan kapotgeschoten soldaten aan het front in Polen, najaar 1914. Na een mislukte zelfmoordpoging wordt hij ter observatie in een kliniek in Krakau opgenomen. Daar weet hij zich op 3 november 1914, zevenentwintig jaar oud en met een tweede bundel op de drempel van verschijnen, een fatale dosis cocaïne toe te dienen. Zijn bijna vijf jaar jongere zus zal haar broer slechts drie jaar overleven. Zij maakt in september 1917 met een kogel een eind aan haar leven. Als belangrijkste vrouw uit zijn leven leeft zij in zijn poëzie nog voort.

    Aan mijn zuster

    Waar je gaat komt herfst en avond,
    Blauw ree, dat onder bomen klinkt,
    Eenzame vijver in de avond.

    Zacht de vlucht van de vogels klinkt,
    De droefheid boven je wenkbrauwbogen,
    Je schuchtere glimlach klinkt.

    God heeft je oogleden verbogen.
    Sterren zoeken ’s nachts, Goede Vrijdagskind,
    Je wenkbrauwbogen. 

    In het circa tweehonderd gedichten tellende oeuvre wemelt het van de verwijzingen naar haar. De vele androgyne gestalten in zijn werk zijn wel gelezen als drang zich te verschonen van bloedschennende betrekkingen tot zijn zus. Trakls zinnen ademen een diepe zucht naar  rust en reinheid, maar raken niet zelden verstrikt in het dualisme tussen het ontluikende en het rottende. Bijna devoot tasten zijn woorden naar geborgenheid in taal. Vooral die van Hölderlin en de romantiek van Novalis. Het vele blauw bij Trakl vindt zijn bron in Novalis’ blaue Blume. ‘Want stralender steeds ontwaakt uit zwarte minuten van waanzin / De duldende bij de drempel van verstening / En machtig ontvangt hem het koele blauw en het lichtende sterven van de herfst, // Het stille huis en de sagen van het woud,/ Maat en wet en de maanlichtende paden der afgezonderden.’ 

    Toevluchtoord voor zichzelf

    Het motief van de met doem en zonde bezoedelde beschaving, wordt sterk polariserend uitgewerkt tegenover de onschuld van de natuur en gelocaliseerd in een tijdperk van sagen en mythen. Archetypische gestalten als Kaspar Hauser, Helian en Elis duiken hier en daar als weerloos slachtoffer op. Afschuw van de wereld om hem heen versterkte bij Trakl de noodzaak tot verinnerlijking. Dat had hij gemeen met zijn neo-romantische generatiegenoten als Roland Holst en Bloem. Zijn stijl mag wat gekunsteld zijn en een voorliefde voor archaïsche taal en curieuze exclamaties als ‘O! gij bronzen tijden/ begraven daarginds in het avondrood’ zijn kenmerkend. Toch woonde de schepper ervan niet in een Ivoren Toren. In wezen schiep Trakl met zijn poëzie waarin engelengezang weerklinkt, een toevluchtsoord voor zichzelf.

    Meestal dichtte Trakl rijmloos, zonder vast metrum en met een eigen, muzikaal ritme. Daarnaast schreef hij een aantal prozagedichten. Maar in welke vorm ook, het schizofrene in zijn beelden treft als een bliksemschicht. Gaandeweg monteerde hij die beelden rücksichtlos achter elkaar in een eigenzinnige woordvolgorde met een fragmentarische structuur als resultaat: ‘In wenkbrauwen van de vermoeide nestelen spoedig sterren / Bescheiden inkeer komt in koele kamers.’ De metafoor wordt gestript van zijn vergelijking. De geabstraheerde beeldtaal staat los van verklarende grammaticale verbanden. Een afwezig lyrisch-ik vervaagt de grens tussen subject en object en dompelt de lezer onder in een bedwelmende, verabsoluteerde metaforenroes. Een objectief afbeeldende structuur streven deze zinnen vanzelfsprekend niet meer na, de woorden zélf scheppen. Ze graven daarmee dieper dan het puur biografische. Eerder getuigen ze van de onverzoenlijke kloof tussen psyche en werkelijkheid. 

    Inspirerend voor generaties na hem

    Zijn poëzie werkte inspirerend op generaties ná hem (Marsman en Gilliams), maar hij vond ook weerklank bij experimentele dichters van na de Tweede Wereldoorlog zoals Lucebert, Hugo Claus en zelfs bij post-modernisten als Stefan Hertmans. ‘Wer mag er gewesen sein?’ vroeg Rilke zich af. En Ludwig Wittgenstein moest bekennen: ‘Ich verstehe sie nicht; aber ihr Ton beglückt mich. Es ist der Ton der wahrhaft genialen Menschen!’ 

    De Trakl-Forschung heeft boekenplanken volgeschreven over alleen al de kleursymboliek in zijn oeuvre, laat staan over de invloed van drugs op zijn metaforen. Maar hij is voor de poëzieliefhebber beslist geen dichter die pas te genieten valt na raadpleging van doorwrochte studies. Zijn zinnen trekken de lezer naar zich toe. Daarom is het fijn dat met deze tweetalige en betaalbare editie de eigenzinnige Oostenrijker binnen handbereik is van de liefhebber. De heldere inleiding door C.O. Jellema en het nawoord van de vertaler geven de lezer een goed houvast om het universum van deze dichter te verkennen. Deze poëzie achter elkaar lezen is niet aan te bevelen, maar met mate genoten komt deze dichter goed tot zijn recht en blijft de lezer ontvankelijk voor de schoonheid van zinnen als: ‘Zacht streelt het karige groen de knie van de vreemdeling, / Een milde god zijn zeer vermoeide voorhoofd, / Tasten zijn zilveren schreden terug naar de stilte.’

     

     

  • Klein en lokaal

    Tegenwoordig laven wij ons aan het grote, het internationale, het mondiale. Ook ik maak me daar veelvuldig ‘schuldig’ aan. Dat werd mij weer eens duidelijk toen ik van de zomer met vrouw en dochter op het Griekse eiland Lefkas verbleef. Op het terras van een restaurant aan een prachtige baai bestelden we iets te drinken. We wilden wat zoetigs, iets van Fanta of Sprite. De restaurateur wees ons op een lokale drank die wel wat weg had van Sprite. Het smaakte zacht zoetig, een prettig drankje. Waar we ook kwamen nadien, vroegen we om Lous, het lokale drankje dat ons even bij de Grieken deed horen. Het voelde, naast de prettige smaak, ook goed om kleine initiatieven en merken te steunen. Dat zouden we vaker moeten doen, dacht ik. Het bevordert de lokale economie: door die impuls en stimulans en oplopende consumptie, ontstaat dan hopelijk een variëteit aan lokale smaken waaruit wij als consument kunnen kiezen. De lokale bierbrouwerijen varen in ons land al wel bij deze ontwikkeling. Laten we dan ook de kleine boekhandel weer eens vaker bezoeken, zeg ik.

    Zo loop ik geregeld bij boekhandel Minotaurus, vlakbij de Amsterdamse Nieuwmarkt, binnen. Benieuwd naar welke nieuwe, kleine publicaties die ze me kunnen aanbieden. Uitgaves die je niet zomaar elders of in een reguliere boekhandel kunt vinden, maar gelimiteerd uitgegeven titels, door kleine drukkers, op een handpers gemaakt, in oplages van 10 of 25. Het liefst genummerd en gesigneerd door dichter, tekenaar of drukker.
    Hans van Daalen, de mede-eigenaar van Minotaurus en bibliofiel in hart en nieren, schoof Stroom en Woud onder mijn neus. Voltreffer. Gedichten van de Oost-Duitse schrijver Johannes Bobrowski (1917-1965), vertaald door de Nederlandse dichter C.O. Jellema (1936-2003). Gedrukt door René Hesselink van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx en Winderickx in een genummerde oplage van 65 exemplaren.

    De thematische verwantschap met bijvoorbeeld Armando is aanwezig, het verleden dat in het landschap huist. De stijl is zeker lyrischer, maar de toon is eveneens donker en refererend aan oorlog, verlatenheid, vluchtigheid en verlies. Met ook nog de laatste publicatie van Léon Hanssen over Mondriaan van uitgeverij De Buitenkant in de tas, liep ik tevreden naar buiten.

    ’s Avonds keken wij uit/ op een stenig dal. De havik zweefde/ rond de brede koepel./ Zagen de stad, oud, wirwar van huizen/ omlaag tot aan de rivier./ Zul je over de heuvel/ gaan? De grauwe kolonnes/ – grijsaards en dikwijls de jongens -/ sterven daar. De helling/ lopen zij op, voor de jakkerende wolven uit. (Uit: gedicht Kaunas 1941 van Bobrowski). Stroom en Woud van Johannes Bobrowski, te koop voor 35 euro bij Boekwinkel Minotaurus te Amsterdam  bel 020-6227748 of stuur een email naar minotaurus@xs4all.nl.

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Wie in zichzelf afdaalt en begint te graven kan daar meer dan een wereld ontdekken. Het kleine, nietige innerlijk kan zelfs een heel universum bevatten dat het eigen begrip ver te boven gaat. Een poging dat alles te beschrijven, om de grootsheid van het gevonden aan anderen duidelijk te maken, lijkt onbegonnen werk. Feitelijk beschrijven lijkt bij voorbaat zinloos want daarbij moeten we een beroep doen op de ratio, het verstand, en dat is veel te koel, afstandelijk en onpersoonlijk om recht te doen aan onze meest persoonlijke belevingswereld.

    Dan maar proberen het beeldend te beschrijven. Met woorden kun je beelden oproepen en door het gebruik van metafoor, allegorie en gelijkenissen kom je een stuk verder dan met feitelijke beschrijvingen. Maar zelfs als je met beelden werkt is de taak om de grootsheid van je ervaren innerlijk te tonen niet zo eenvoudig. Om de ratio echt de nek om te draaien kun je je nog wenden tot de paradox of botweg de contradictie. Maar zelfs dan is het niet makkelijk.

    De frustratie van het willen uitdrukken van al het groots dat je diep van binnen ervaart, is prachtig weergegeven door de schilder Bavink in Nescio’s Titaantjes:

    God roept. Het is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En overal roept-i Bavink. Overal hoor je je eigen naam, als-i zo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink ‘God’.  En zo blijven ze elkaar roepen. Voor God is het een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar één dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan is God overal behalve waar Bavink ‘m hebben wil.

    Er zijn ook mensen die de frustratie van Bavink niet delen. Zij menen woorden gevonden te hebben voor de zaken waar het hier om gaat en twijfelen is weliswaar toegestaan maar wordt niet erg op prijs gesteld. Zij gebruiken grote woorden. Grote woorden staan voor grote, alomvattende zaken zoals Alles, Niets, Zijn (in de zin van bestaan), Dood, Liefde. Grote woorden gebruik je vaak als de taal tekort schiet. In de woorden van de dichter C.O. Jellema: ‘puur beeld, verder reikend dan welk begrip ook.’

    Van kleine woorden kun je grote woorden maken door ze met een hoofdletter te schrijven en ze iets anders te gebruiken dan gewoonlijk. ‘Zijn’ is een werkwoord en om het groot te maken gebruiken we het als zelfstandig naamwoord: ‘het Zijn’ of ‘het Zijnde’. Van ‘niets’ maken we ‘het Niets’ en we kunnen er ook een werkwoord van maken: het Niets nietst. Zo voer je woorden op alsof het een motor is. ‘Alles’ wordt ‘het Al’, of ‘de Wereld’, of ‘de Werkelijkheid’. ‘Ik’ wordt ‘een ik’ of ‘het ik’. ‘Iets’ en ‘dat’ worden ‘een iets’ en ‘een dat’. Als oefening kunt u het zelf proberen met ‘hoe’, ‘waarom’ en dan proberen willekeurige zinnen te maken.

    Er is een hele traditie binnen de filosofie die zich bedient van grote woorden. De traditie komt deels voort uit een reactie tegen de rationaliteit van de Verlichting. De opkomst van de moderne wetenschap, het geloof dat de ratio de ware bron van kennis was bracht ook een anti-rationele tegenbeweging op gang. Volgens aanhangers van die beweging schiet de ratio of, om een lelijk woord te gebruiken, het discursieve denken, te kort voor het begrijpen van werkelijke belangrijke kwesties. Dat idee is natuurlijk veel ouder. Het Christendom heeft altijd al de nadruk gelegd op de irrationele kant van het goddelijke en mystieke filosofieën behoren tot de oudste ter wereld. Maar sinds de Verlichting is ook de mystiek meer individueel geworden. De band met religie, en in het Westen met Christendom, is geen noodzakelijke voorwaarde meer om op te gaan in irrationaliteit.

    De dichter C.O. Jellema staat met beide benen in de traditie van de irrationaliteit, al wordt hij als dichter vreemd genoeg vaak cerebraal genoemd. Hij is een man van grote woorden en zijn visie op het dichterschap is fundamenteel irrationeel. Hij gebruikt het liefst  woorden ‘die eigenlijk te groot zijn voor woorden, te overtreffend voor onze kennis, ons zelfinzicht.’ En over gedichten in het algemeen zegt hij: ‘het [gedicht] beschouwt zichzelf als een vrijplaats voor intuïties, voor onverdedigbare noties, niet te beargumenteren beseffen.’

    Die woorden komen uit Een open plek, essays, een verzameling van nagelaten werk. Jellema overleed in 2003 en twee jaar later verscheen zijn Verzameld werk, dat uit een deel poëzie en een dunner deel essays bestaat. In tegenstelling tot wat de ondertitel suggereert, bevat Een open plek niet alleen maar essays, maar ook notities,  fragmenten, een brief en zelfs een kort sprookje. Maar in al die teksten komt bijna voortdurend de behoefte naar voren om één te worden met het woord, het gedicht, datgene wat gezien wordt. Telkens proef je bij Jellema de mystieke behoefte om over de grenzen van de wereld heen te kijken en een waarheid te beleven die zich achter grote woorden schuil houdt. Hij doet daarbij soms een beroep op de teksten van de dertiende eeuwse Duitse mysticus Meister Reinhart die hij uitgebreid bestudeerd en vertaald heeft. De werkelijk belangrijke wereld is voor Jellema rationeel niet interessant. Het gaat hem duidelijk om meer, of beter gezegd om iets anders. En hier moeten van ‘iets’ ‘een iets’ maken om in de wereld van Jellema binnen te treden.

    In zijn poging om het goddelijke, het dichterlijke, in beelden te vangen, lijkt Jellema misschien wel een beetje op Bavink, maar bij Jellema ontbreken de humor en de klacht dat het maar niet lukken wil. Hij twijfelt niet, althans niet in de zin dat Bavink twijfelt over de haalbaarheid van zijn taak. Jellema probeert wel, hij aarzelt en twijfelt maar in het gebruik van grote woorden komt hij toch over als iemand die de poëzie twijfelloos duiden kan.

    Grote woorden gebruikt Jellema met name als het om de essentie van de poëzie gaat. Hij is ten slotte in het diepst van zijn gedachten dichter. In het essay Denkend aan de dood kan ik niet slapen spreekt hij over het poëtisch beeld: ‘in het beeld gaat het niet om een dit of dat, een dit naast dat, maar om een dit is gelijk aan dat. Dit ene is ook dat andere.’  Het zijn woorden die hij in dit geval ontleent aan Octavio Paz en wie niet bekend is met Jellema’s essays zal het al gauw onbegrijpelijk vinden. Gelukkig probeert hij met gedichten van o.a. Shakespeare, Bloem en Huygens de grote woorden te verduidelijken. De gedichten illustreren enigszins wat Jellema bedoelt met poëtische beelden en grote woorden als Dood en Liefde. Het levert het meest geslaagde essay van dit kleine boekje op. Wat het essay uiteindelijk geslaagd maakt, is dat Jellema andermans teksten citeert en daar een hoogstpersoonlijke samenhang in weet aan te brengen. Het is een essay dat wat betreft de vorm doet denken aan die van de vader van het moderne essay, Montaigne, en alleen daarom al kun je het geslaagd noemen. Het citeren van andermans poëzie brengt ook wat lucht in de zware kost die Jellema over de lezer heen stort. Bovendien toont hij met zijn keuze zijn gevoel voor poëzie en daar is niets mis mee.

    Minder geslaagd is de rest van het boekje. Behalve het zojuist besproken essay is de rest niet van het niveau van het Verzameld werk. Dieptepunt vormt een kort, titelloos sprookje dat niet zou misstaan in de happinez. Hetzelfde geldt voor de bijgaande schilderijen van Hessel Miedema, voor wiens tentoonstelling Jellema de tekst schreef. Verbazingwekkend is ook het stuk De locatie dat bestaat uit herinneringen en beschouwingen die in een experimenteel proza zijn geschreven. De zinnen zijn af en toe extreem lang en bevatten allerlei terloopse uitweidingen en bijzinnen. Herinneringen en anekdotes zijn in dit boek vluchtheuvels waar de lezer even op adem kan komen van de betogen. Maar in De locatie worden juist deze delen haast onleesbaar gemaakt. Het is een experiment dat mij slecht beviel.

    Een open plek is een klein en dun boekje van nauwelijks 125 bladzijden. De kwaliteit van de teksten varieert en als een introductie schiet het werk tekort. Wie enigszins mystiek is aangelegd, kan zich beter eerst wenden tot Jellema’s gedichten en zijn Verzamelde essays, voordat hij Een open plek opzoekt. Want in tegenstelling tot wat de titel en omvang misschien doen vermoeden, makkelijk krijgt de lezer het bepaald niet. Nu zou dat op zich niet erg zijn als we er na afloop iets mee opschieten, maar vaak leidt het gebruik van al die grote woorden tot een raadsel van onleesbaarheid. Het meest extreme voorbeeld daarvan is het afsluitende essay Een open plek. De opening begint leesbaar met de beschrijving van een herinnering hoe zijn moeder hem vroeger voorlas uit de kinderbijbel. ‘Mijn moeder was niet wat je noemt gelovig, voor theologie had zij geen belangstelling, maar voor die andere werkelijkheid die zich achter de zichtbaarheden en gangbaarheden verborgen houdt en die zich toch ook daar in soms kan manifesteren, als een open plek in het struikgewas van de normaliteit, had zij een zintuig waarvan de intensiteit zij op ons als kind al wist over te dragen.’

    De zin is wat krom, met de intensiteit van het zintuig wordt die van de waarneming bedoeld. Maar verder valt ‘de open plek in het struikgewas van de normaliteit’ op als een grotesk monster. Een bladzijde later blijkt waar Jellema die beeldspraak vandaan heeft. Namelijk van Heidegger die hij in het Duits citeert. Ik doe hier hetzelfde, houd u vast.

    Inmitten des Seienden im Ganzen west eine offene Stelle. Eine Lichtung ist. Sie ist, vom Seienden her gedacht, seiender als Seiende. Diese offene Mitte is daher nicht vom Seiend umschlossen, sondern die lichtende Mitte selbst umreist wie das Nichts, das wir kaum kennen, als Seiende.’

    Dit is geen Duits meer, eerder een soort anti-Duits. Hier wordt de taal zo ver uitgerekt dat het pijn aan de innerlijke ogen doet. Dit is de poëzie voorbij. Dit is elke verwondering wegstoppen achter een mitrailleurvuur van mishandelde woorden. Jellema merkt nog op dat deze zinnen hem ‘in hun bedoeling helder’ zijn en met nog drie pagina’s te gaan wordt het mij fysiek onmogelijk verder te lezen.

    Maar Heideggers woorden zijn niet die van Jellema. En mijn boosheid op Heidegger is niet voor Jellema bedoeld. Daarvoor is hij teveel dichter, teveel verbonden met de literatuur.  Het is een extreem citaat in een boekje dat door het voortdurend benadrukken van het opgaan in ‘de tijdloze  eenheid van zijn, zien en zin’ mij niet kwaad maakt maar me wel erg snel vermoeit en soms ergert.

    Die ergernis kan ik nog wel inslikken en mijn onvrede met Jellema’s beschouwende werk ligt dan ook dieper. In zijn essay Een wet tegen afbakeningen opgenomen in het Verzameld werk betoogt hij (naar aanleiding van Eckhart) dat een beschouwer zo op kan gaan in het zien van een object dat hij er één mee kan worden. Na meer dan honderd bladzijden van Jellema gelezen te hebben, kreeg ik de indruk dat ik eigenlijk niet meer anders kijken mocht. Op een één of andere manier benauwen mij al die hooggestemde gedachten, en komt die open plek mij duister en niet licht voor. Al lezende kom ik er achter dat ik de dingen liever in het voorbijgaan bekijk zonder er één mee te willen worden. Liever trek ik me terug van de open plek en verstop ik me in het struikgewas van de normaliteit. De zegeningen van het zijnde zien laat ik aan mij voorbij gaan. Gezegend, gebenedijd, het hoeft van mij niet zo.

    Wat zei-di ook weer?’ ‘Wie?’ vroeg ik. ‘Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars waren?’ ‘Gebenedijden, Bavink.’ ‘Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat ‘t dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden…

    Een open plek, essays

    Auteur: C.O. Jellema
    Onder redactie van: Gerben Wynia
    Verschenen bij: Uitgeverij Kleine Uil
    Prijs  € 17,50

    Een recensie door Menno Hartman van Verzameld Werk van Jellema verscheen in 2006 op Literair Nederland.