• Wat is (de) waarheid?

    Wat is (de) waarheid?

    De Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez kan niet bepaald bogen op een enthousiaste ontvangst door de Nederlandse literatuurkritiek. Enkele jaren geleden liet Maarten Steenmeijer in de Volkskrant 1* noteren bij De reputaties, een voortreffelijke roman over een spotprenttekenaar in Bogota. De aangevoerde reden was dat de schrijver filosofisch leentjebuur zou spelen bij Javier Marías, een bewering die zonder nadere uitwerking bleef. Het nieuwste boek van Vásquez, internationaal zeer goed ontvangen en dit jaar in Nederlandse vertaling verschenen, werd op twee sterren getrakteerd door Ger Groot voor NRC. De ruim vijfhonderd pagina’s tellende roman wordt volgens de criticus geruïneerd door een eindnoot van de auteur, waarin staat dat ‘de lezer zelf verantwoordelijk is voor alle overeenkomsten met het ware leven die hij in dit boek wil vinden.’ Een uitvlucht, een getuigenis van slapte, zo concludeert Groot.

    Tijd om het daarom maar op te nemen voor Juan Gabriel Vásquez, want met De vorm van ruïnes schreef hij een meesterwerk dat een groot publiek verdient. Temeer omdat het verhaal niet alleen buitengewoon meeslepend geschreven is en knap geconstrueerd, maar ook nog eens erg relevant is in tijden van fake news en post-truth politics.

    Net als de rest van het oeuvre van deze Latijns-Amerikaanse auteur handelt het boek over het verleden van Colombia (zie ook dit stuk). In dit geval gaat het om twee aanslagen die de koers van het land verlegden: de moord op generaal Uribe Uribe in 1914 en die op de populaire politicus Gaitán in 1948. De officiële lezing is dat beide moordaanslagen zijn beraamd door enkelingen die op eigen houtje opereerden. Vergelijkbaar met de geboekstaafde waarheid dat John F. Kennedy werd vermoord door een lone wolf, Lee Harvey Oswald.

    De verteller van het boek (een rol waarin Vásquez zichzelf onder zijn eigen naam opvoert) komt in aanraking met mensen die de officiële versie van de geschiedenis niet aanvaarden. Zij blijven graven, op zoek naar een verborgen werkelijkheid. Eén van hen spreekt tegen het einde van het boek de volgende woorden uit:

    Er zijn andere waarheden, Vásquez. Er zijn waarheden die de kranten niet halen. Er zijn waarheden die niet minder waar zijn alleen omdat niemand ze kent. Wellicht speelden ze zich af op een vreemde plek waar journalisten of geschiedschrijvers niet komen. En wat doen wij ermee? […] Er bestaan zwakke waarheden, Vásquez, waarheden zo fragiel als een prematuur kind, waarheden die zich niet kunnen weren in de wereld van bewezen feiten, dagbladen, geschiedenisboeken. Waarheden die bestaan, ook al zijn ze in een rechtszaak ten onder gegaan of uit het geheugen van de mensen verdwenen. Of gaat u me nu vertellen dat de geschiedenis zoals we die kennen de enige ware is?’

    Welnu, deze roman poogt dit soort prille en kwetsbare inzichten over te leveren. NRC-recensent Groot had er niet verder naast kunnen zitten wanneer hij stelt dat het ‘Vasqúez uitdrukkelijk te doen is om onthulling van wat er werkelijk gebeurd is’. Van begin tot eind maakt de verteller juist duidelijk dat hij onzekere waarheden voor het voetlicht wil brengen, dat hij zelf niet eens overtuigd is van het verhaal dat hij schrijft. Ergens in het boek laat hij een personage anderhalve pagina vullen met beschuldigingen die beginnen met de formulering ‘het is waar maar ik kan niet aantonen dat […]’. De geschiedenis zoals die naar voren komt in De vorm van ruïnes blijft tot de laatste bladzijde betwistbaar, maar de goede verstaander heeft er genoeg aan. Enkele foto’s die in het boek zijn opgenomen dienen dan ook niet als bewijsstukken, zoals Ger Groot wil doen geloven, het zijn eerder relieken waarmee de verloren tijd tastbaar wordt gemaakt (analoog aan bepaalde fysieke overblijfselen waarop de verteller stuit tijdens zijn onderzoek).

    Vásquez trekt met deze roman dus openlijk aan het doek van de voorgefabriceerde werkelijkheid. Daarmee schaart hij zich nog niet aan de kant van degenen die hun alternatieve feiten van de daken schreeuwen. Het gaat bij hem niet om het lompe en gemakkelijk te ontmaskeren nepnieuws dat op sociale media welig tiert. De vorm van ruïnes beschrijft veel subtielere en verdergaande manieren waarop een samenleving gedurende decennia kan worden gestuurd door machtige individuen of instituten. Mensen die in staat zijn om datgene wat waar is maar niet aangetoond kan worden tot de algehele vergetelheid te veroordelen.

    Waarom dan nog die noot van de auteur aan het eind? Daarmee wil Vásquez zijn lezers er waarschijnlijk nogmaals op wijzen dat de waarheid niet op een presenteerblaadje komt, niet in deze roman en ook niet op de news feed van Facebook of in het journaal om acht uur. Het zou pas vreemd zijn als hij pretendeerde een panklare openbaring op te dienen. In plaats daarvan daagt hij uit om zelf kritisch te denken. Alleen zo kunnen ook wij in ons eigen verleden en in ons eigen land ongemakkelijke waarheden achterhalen en beschermen.

     

     

  • Overleven op de armoedige hoogvlakte van Mexico

    Overleven op de armoedige hoogvlakte van Mexico

    De verwekking van Germán Alcántara Carnero is weinig zachtzinnig, zijn geboorte is rauw als een scène in een kerker van de Spaanse inquisitie en zijn leven is een aaneenschakeling van geweldserupties. Zelfs een zachte dood tussen satijnen lakens, omringd door geliefden, is hem niet gegund: hij zal eenzaam sterven in de woestijn, na een aframmeling door een stelletje ongeïnteresseerde rauwdouwers.  

    Alcántara Carnero is de hoofdpersoon in de roman De rauwe hemel van de Mexicaanse journalist Emiliano Monge (1978). Het is zijn eerste roman, verschenen in 2012, en nu buitengewoon knap vertaald. De rauwe hemel bevat de uitbundigheid die zo kenmerkend is voor Latijns-Amerikaanse schrijvers, maar valt op door de buitengewoon eigenzinnige stijl. Die doet negentiende-eeuws aan. Zo is, heel ouderwets, de verteller nadrukkelijk aanwezig. Af en toe popelt hij zelfs om deel te gaan uitmaken van het verhaal. Dan wekt hij de stellige indruk dat hij enkele alinea’s verder als personage zal opduiken. Vervolgens trekt hij zich op het laatste moment toch weer terug.  

    Bloederig
    Zoals negentiende-eeuwse schrijvers hun lezers wel aan de hand wilden nemen – ‘En nu, lezer, neem ik u mee naar de vestibule, waar u getuige zult zijn van de volgende gebeurtenis…’ – zo trekt ook Monge zijn lezers mee het verhaal in. Hij strooit kwistig met vooruitwijzingen en verklapt zonder aarzelingen hoe scènes die nog volgen zullen eindigen. Bijna zonder uitzondering bloederig.

    Aanvankelijk komt die stijl fris en verrassend over en blader je glimlachend naar de volgende pagina. Maar op een gegeven moment is het nieuwe  – of eigenlijk: het oude – er wel van af en ga je verlangen naar een meer lineaire vertelling. Dat wordt doorbijten. Wat vooral gaat vervelen is zijn omslachtige spel met namen. Zijn personages krijgen om de haverklap bijnamen die gelinkt zijn aan hun positie op dat moment in het verhaal. Dan heet Germán Alcántara Carnero ineens Gringo of Onzeman of Hijdiezoekt of Hijdieschreeuwt. En zijn moeder, tijdens de bevalling: Zijdiebinnenhoudt.

    Parallel
    Waarom is Germán Alcántara Carnero een interessant personage? Omdat zijn leven parallel verloopt aan dat van de jonge staat Mexico. Hij groeit op in een periode waarin Mexico afwisselend wordt gedomineerd door revolutionair en dictatoriaal geweld, waarvan, zeker op de hoogvlakte waar de roman zich afspeelt, de kleine man en vrouw steevast het slachtoffer zijn. Alcántara Carnero wordt al vroeg met dat geweld geconfronteerd. Als jongeman is hij met zijn hakbijltje in de weer op de nauwelijks vruchtbare grond als hij er getuige van is hoe de grootgrondbezitter, zonder met zijn ogen te knipperen, een andere landarbeider doodschiet. Alleen maar omdat die zijn mond opendeed. Wie verwacht dat ‘Onzeman’ zich aansluit bij de revolutionairen, heeft het mis. Hij ontpopt zich als een gewetenloze moordenaar, een werktuig in handen van de machthebbers, die het uiteindelijk tot districtshoofd zal brengen van een uiterst gewelddadige, repressieve organisatie.

    We hoeven dus geen medelijden te hebben met Monge’s protagonist. Maar toch… Op twee derde van zijn leven, als onze gewetenloze en anti-kerkelijke hoofdpersoon tegen een mooie vrouw aanloopt, ontwikkelt hij zich tot een ander persoon. Eén die geplaagd wordt door het gewelddadige leven achter hem, die denkt met zijn frisse echtgenote een heel ander leven te kunnen leiden. Een leven waarin het geweld wordt ingewisseld voor dat van het geluk van een gezinsleven. Maar het lot heeft anders met hem voor. Zijn eerstgeborene blijkt zeer ernstig gehandicapt te zijn en zijn vrouw wil niets van het ongelukkige kind weten.

    Geweld is in Mexico, zeker in bepaalde delen van het land, nog steeds aan de orde van de dag. Het land lijkt in de ban van een cirkel van geweld die niet te doorbreken is en De rauwe hemel is daar een afspiegeling van, maar dan geprojecteerd op de levens van eenvoudige zielen op de armoedige hoogvlakte van Mexico. De stijl van Monge zal misschien niet iedereen bekoren, maar zijn taal is adembenemend en zijn verhaal van belang voor een genuanceerde blik. Ook in een geplaagd land als Mexico zijn de keuzes niet vanzelfsprekend en zijn er veel gradaties tussen pikzwart en sneeuwwit.    

     

     

     

  • Wie schrijft de geschiedenis van Latijns-Amerika?

    Vorig jaar verscheen de Nederlandse vertaling van een nogal spraakmakende ‘reactie-roman’ getiteld Moussa, of de dood van een Arabier, waarmee debutant Kamel Daoud een literair weerwoord probeert te geven aan Camus’ klassieker De Vreemdeling. Een aantal jaar eerder deed de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez iets soortgelijks in zijn boek De geheime geschiedenis van Costaguana. Costaguana is de naam van de fictieve, Latijns-Amerikaanse republiek waarin Joseph Conrad zijn klassieke roman Nostromo situeerde.

    Nostromo
    De Pools-Britse schrijver Conrad (geboren Józef Teodor Konrad Korzeniowski) publiceerde Nostromo in 1904, slechts een paar jaar nadat hij Heart of Darkness en Lord Jim had uitgebracht. Het boek speelt zich af rond het begin van de 20e eeuw in een land ergens in Zuid-Amerika. Volgens Vásquez is het de gefictionaliseerde geschiedenis van Colombia, dat in 1903 Panama van zich af zag scheiden. Dit gebeurde mede op instigatie van de Verenigde Staten, die belang hadden in het aanleggen van het Panamakanaal. In het woord ‘Costaguana’ kunnen inderdaad de beginklanken van Colombia en Panama herkend worden.

    De tijd waarin Nostromo speelt is er een van toenemende industrialisatie en daarmee samenhangende globalisering. Spil van het boek vormt de zilvermijn die in handen is van Charles Gould, een Brit die samen met zijn vrouw naar de havenstad Sulaco in Costaguana is geëmigreerd om de mijn te kunnen exploiteren. Het zilver uit de mijn wordt echter middelpunt van allerlei politiek oproer, en dat is precies waar het personage Nostromo om de hoek komt kijken. Deze Nostromo is een Italiaanse havenopzichter wiens belangrijkste kapitaal bestaat uit zijn onkreukbare reputatie, en die daarmee de rechterhand vormt van de Westerse gezagsdragers van de stad.

    Merkwaardig genoeg komt de protagonist die de roman aan zijn titel helpt in het eerste deel van het boek nauwelijks voor. Conrad begint met beschrijvingen van de plek van handeling, vol levendige natuurbeelden in een prachtige taal, en met het voorstellen van andere personages die van belang zijn voor de verhaalontwikkeling. De plot is zelf niet verbonden aan een specifiek personage noch aan een specifieke setting: het is de schrijvershand van Conrad die de verhaallijn telkens verlegt, die bepaalt waar je als lezer bij bent en waar niet. Daarmee verschuift ook de aandacht tussen de personages. Charles Gould bijvoorbeeld neemt aanvankelijk een prominente plek in maar hij verdwijnt steeds meer naar de achtergrond, waarmee ook zijn onderwerping aan de zilvermijn gesymboliseerd wordt, die hem uitholt en uiteindelijk opslokt. Andere personages die een belangrijke rol gaan spelen worden in het begin slechts vluchtig vernoemd, alsof hier zaadjes voor hun karakter worden gezaaid die pas tegen het slot tot bloei zullen komen.

    Ook de chronologie is niet rechtlijnig. Het meest duidelijk wordt dit wanneer Conrad op het beslissende moment in het verhaal ineens een paar jaar overslaat en vanuit het perspectief van een verder onbetekenende kapitein terugkijkt op de gebeurtenissen die volgden. Zoiets kunnen maar weinig schrijvers zich veroorloven, maar Conrad is een van die schrijvers. Het trage verteltempo dat eigenlijk afleidt van de plot, de wisselingen van personages en de vervreemdende chronologie doen begrijpen waarom Joseph Conrad grote invloed heeft gehad op de schrijvers uit de 20e eeuw. Net als bijvoorbeeld het werk van Knut Hamsun vormt ook het oeuvre van Conrad een brug tussen de 19e-eeuwse roman en de modernisten.

    Inhoudelijk is Nostromo even rijk als de taal waarin het boek geschreven is. Veel van die inhoud zit in de personages, die ambigu zijn maar ook duidelijke karakteristieken vertonen en daarmee algemene zeggingskracht krijgen. Niet voor niets beschouwde Joseph Conrad zijn held als een representant van ‘the People’. In dit personage zit een hele sociale klasse vervat. De protagonist komt tijdens het verhaalverloop tot het besef dat de overwegend Europese machthebbers wel profiteren van zijn diensten maar dat hij er zelf nauwelijks beter van wordt. Dit is één van de manieren waarop Conrad in dit boek zijn kritiek verpakt op het internationaal kapitalisme als vorm van voortgezet kolonialisme.

    Een ander thema van het boek, nauw verwant aan de thematiek van Lord Jim, is dat van zelfontmaskering. De roman behandelt de strijd om als mens trouw te blijven aan jezelf en laat zien dat dit sterk afhangt van de omstandigheden waarmee je geconfronteerd wordt. De voornaamste corrumperende factor hier is rijkdom. Het zilver uit de mijn trekt Nostromo steeds verder omlaag, onverenigbaar als het bezit ervan is met de smetteloze reputatie die, vanuit een schoon geweten, voorheen het fundament vormde van zijn wezen. Ook Charles Gould wordt zoals reeds gezegd door de zilvermijn beheerst en tot een ander mens gemaakt. Een derde personage vindt zijn einde niet door geld (overigens wel met behulp van) maar doordat hij de ultieme zinloosheid van zijn denken onder ogen moet zien, en vervolgens niet meer met zichzelf kan leven. De vrouwen die van hem houden blijven met lege handen en een overlopend hart achter.

    De geheime geschiedenis van Costaguana
    Terug naar het heden, naar Juan Gabriel Vásquez en zijn literaire repliek in De geheime geschiedenis van Costaguana. De verteller die in dit boek wordt opgevoerd claimt dat zijn levensverhaal gebruikt is door Joseph Conrad en dat daarmee geen recht is gedaan aan de geschiedenis. Al was het maar omdat het treurig lot van Colombia versluierd wordt achter het fictieve Costaguana.

    De verschillen tussen de twee romans, Nostromo en De geheime geschiedenis van Costaguana, zijn op het eerste gezicht immens. Dat ligt vooral aan de schrijfstijl. Vásquez schrijft in dit boek met veel vaart en een toon die tegen het jolige aan zit. De sfeer van zijn roman is daardoor zo anders dan die van Conrads klassieker dat de overeenkomsten gemakkelijk over het hoofd kunnen worden gezien. Maar die zijn er wel degelijk en gaandeweg wordt dat steeds duidelijker.

    Allereerst natuurlijk de geschiedenissen zelf, in de literaire betekenis van het woord, waarin dezelfde sleutelelementen voorkomen: een kapitalistische onderneming, zogezegd in dienst van de vooruitgang (de zilvermijn bij Conrad, het Panamakanaal bij Vásquez), in een Latijns-Amerikaans land dat wordt verscheurd tussen conservatieve en liberale krachten, waarbij de belangrijkste spelers niet behoren tot het land waarvan ze wel het lot bepalen.

    In tweede instantie echter ook de opzet van het boek, vooral als het aankomt op de wisselingen in tijd- en plaats, maar misschien nog wel belangrijker de manier waarop de personages ondergeschikt worden gemaakt aan (en ten onder gaan in) het grotere verhaal over een land, een volk, een manier van leven.

    De geheime geschiedenis van Costaguana bereikt niet het niveau van Nostromo. Het boek is niet helemaal in balans en de humor neigt soms naar het puberale. Aan de andere kant schrijft Vásquez met lef en probeert hij niet krampachtig bij de roman te blijven die zijn uitgangspunt vormt. Het lijkt erop dat de Colombiaan, die vijftig boeken zegt te hebben gelezen van en over Joseph Conrad voordat hij deze roman schreef, zichzelf een stuk minder serieus neemt dan zijn Franse collega Daoud dat doet in Moussa, of de dood van een Arabier. Dat blijkt onder andere uit de expliciet subjectieve interrupties van de verteller, die, wanneer hij in Londen Conrad confronteert met het verwijt dat die zijn geschiedenis heeft ontvreemd, eigenlijk direct met de mond vol tanden komt te staan. Het boek eindigt symbolisch terwijl Conrad de verteller voorleest uit het manuscript van Nostromo. Alsof Vásquez zijn lezers uitnodigt de klassieker van Joseph Conrad te (her)lezen, met nieuwe ogen.