• Aangename verstrooiing

    Aangename verstrooiing

    Bob Beerhorst en zijn dochter hebben een geheim, liever gezegd twee geheimen, zo vernemen we op het einde van Huis Vrede Breuk, de nieuwe roman van schrijver en journalist Boudewijn Smid. Alvorens daar te komen lezen we over Bobs perikelen, waarvan het laatste hem in de gevangenis brengt, waarin hij de eerste twee pagina’s van het boek zit. Dat feit verdwijnt al snel naar de achtergrond.

    Bob, zijn vrouw Mira en hun puberkinderen Lotta en Zeb wonen in een mooi appartement midden in Amsterdam. Bob werkt op een instituut dat doet denken aan het Meertens Instituut, waar schrijver Smid zelf een aantal jaren werkte. Hij neemt ontslag om zich volledig te gaan wijden aan zijn ‘darwinistische roman (…) over homo sapiens als kroon op de evolutie tegenover homo sapiens als plaag voor de aarde’, zijn debuut waarvoor hij van de uitgever een riant voorschot krijgt. Maar eigenlijk, memoreert Bob, ‘was het een verhaal over zijn moeder, over godsdienst, waanzin, liefde,’ waarover Smid eerder schreef in zijn tweede roman Een goede zoon (2010). Deze is grotendeels autobiografisch en serieus van toon. Voor Huis Vrede Breuk – en eerder voor Op de helling (2017) – heeft de auteur gekozen voor lichtvoetigheid met stereotype personages.

    Problemen

    Bob zal aan zijn roman werken tijdens het begeleiden van de renovatie van de ‘idyllische woning’ die hij en Mira hebben gekocht net buiten Amsterdam. De vlotte, zelfverklaard architect Geert (‘De oren staan als buitenspiegels aan zijn hoofd’) fungeert als aannemer, regelt de technische en financiële kant van de verbouwing en levert de Polen aan die het uitvoerende werk komen doen.

    Zoon Zeb en dochter Lotta vertonen onbehoorlijk pubergedrag en negeren hun vader. Ze zijn boos over de aanstaande verhuizing. De verbouwing gaat gepaard met problemen en tegenvallers, vooral van financiële aard. Klussen vallen duurder uit, de Polen doen moeilijk. De nieuwe buurt is minder aangenaam dan gedacht. Er komen inbraken voor, hangjongeren deinzen niet terug voor vernielingen en geweld, de buren blijken niet zo meegaand als ze zich aanvankelijk opstelden. Intussen is Bob na een opgebouwde gewoonte aardig aan de drank en heeft last van kwaaltjes en spanningen waarvoor hij zich tot de archaïsche huisarts Van Sprengel wendt. Met hem heeft Bob kleine discussies over het leven, terwijl de arts hem in het café intieme zaken toevertrouwt.

    Mira, met een goede baan als belangrijk iemand in de kunst, heeft nergens echt last van. Ze laat de kinderen zijn wie ze zijn, eist niets, maakt zich geen zorgen over financiën, gaat luchtig naar openingen van tentoonstellingen en vertrouwt erop dat alles goedkomt. Zelfs onbehouwen gedrag van Bob, wanneer hij een restaurant waar ze gevieren zouden gaan eten ontvlucht en in de kroeg gaat zitten, kan haar nauwelijks van haar stuk brengen.

    Aardige inzichten

    Smid vertelt gemakkelijk en het verhaal zit goed in elkaar. De dialogen zijn levendig. Het is een verdienste van de welbespraakte auteur om in alle oppervlakkigheid toch aardige inzichten te debiteren, zoals: ‘te veel mensen worden grootgebracht met het idee dat ze iemand zijn. (…) Uniciteit is een idee-fixe. (…) Maar in feite zijn we helemaal niemand. (…) En dan die obsessie met geluk (…) Geluk is een verdienmodel. We moeten kinderen vanaf de geboorte meegeven dat het leven een grap is. Een samenloop van omstandigheden. Dat voorkomt trauma’s en andere ellende.’ Even stereotiep als de personages zou je denken, maar stonden deze woorden in een filosofie- of zelfhulpboek dan zouden ze wellicht als een betekenisvolle zienswijze worden omarmd.

    Na de verhuizing – Bob en Mira kamperen dan in de woonkamer omdat de aanbouw nog niet klaar is – worden Zeb en Lotta meegaander. Als Bob, de schrijver die niet erg opschiet met zijn boek, belaagd wordt door jongeren is het Zeb die hem helpt en nog een aardige zoon wordt ook. Lotta keert zich als ze hem met een andere vrouw ziet tegen Bob, maar bij een conflict met de buurman is zij de hulpvaardige dochter die het voor haar vader opneemt. Aannemer en architect Geert is een levensgenieter: ´Ik kwam er langzamerhand achter dat ik geen ambitie heb. Ja, zo aangenaam mogelijk versterven. Mediteren, seksen en dansen, en zo nu en dan een huisje renoveren. Ook bij een levenskunstenaar moet de schoorsteen roken.´Soms schemert kennis van zaken door die zo van internet lijkt te komen, bijvoorbeeld in een gesprek over tantra, en over de verbouwing.

    Netjes afgerond

    Het boek is door Smids luchtige en humoristische verteltrant aangenaam om te lezen. ‘God heeft mij geschapen naar zijn beeld: een luie donder die vanaf de zijlijn toekijkt hoe de wereld naar de ratsmodee gaat.’ Nadelig is dat de oppervlakkigheid het menselijk leed tenietdoet. Eerder zal de lezer geamuseerd kennisnemen ván dan meeleven mét de narigheid die het gezin treft. Bob noch anderen roepen medelijden of medeleven op. Het verhaal wordt wel netjes afgerond. Geert verdwijnt na een confrontatie met Mira uit zicht, de Polen hebben zich al eerder teruggetrokken, Van Sprengel houdt plotseling zijn deur voor zijn patiënten gesloten en we vernemen zelfs nog wat er van hem is geworden. De buurman overspeelt zijn hand waardoor ze van hem en zijn vrouw ook geen last meer hebben. En het gezin gaat de toekomst tevreden tegemoet, al zit Bob in de gevangenis. De twee geheimen maken nieuwsgierig naar het perspectief van de dochter op de geschiedenis – iets wat we niet te weten zullen komen. Huis Vrede Breuk is een aardig boek om ter verstrooiing te lezen, al dan niet in de vakantie.

     

     

  • De luchtigheid van een uitverkorenen

    De luchtigheid van een uitverkorenen

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    Het romandebuut van Boudewijn Smid is een familiegeschiedenis die zich afwisselend afspeelt in de polder en in Amsterdam, en loopt van 1970 tot 2003. In een boeiende en levendige stijl vertelt Smid hoe een gezin uiteen gedreven wordt door de gekte van de moeder en welke gevolgen dit heeft voor met name, de jongste zoon. Het verhaal is, zoals Smid openbaarde tijdens zijn boekpresentatie op 21 oktober, geïnspireerd op zijn inmiddels overleden moeder. Een monument voor zijn moeder die geestesziek was, wil hij Een goede zoon nu niet meteen noemen. Wel wilde hij, zoals hij het zelf zegt: zijn moeder met dit boek in zekere zin herwinnen op de gekte.

    ‘Gekke’ moeders in de literatuur: een schrijnend, maar dankbaar onderwerp. In het in 2008 in Nederlandse vertaling verschenen boek Gekkenhuis van de Franse auteur Regis Jauffret, zegt de moeder in het begin van de roman: ‘Tegelijk met het vruchtwater heb ik mijn verstand verloren.’ In haar gekte isoleert deze moeder haar gezin van de buitenwereld en is niet in staat tot liefhebben.

    Krijn heeft net zo’n type moeder. Van Lenna, zijn moeder, zou je kunnen zeggen dat ze bij de geboorte van Krijn zichzelf verloor. Ze duldt geen enkele inmenging, buiten God in  haar gezin. Zelfs een arts komt er bij haar niet in. Hoewel Stan, de oudste zoon naar de christelijke dorpschool gaat, houdt Lenna haar jongste thuis. De dienst leerplicht moet er aan te pas komen om hem, als hij de lagere schoolleeftijd heeft bereikt, naar school te laten gaan. Maar met Lenna is er meer aan de hand dan een sterke moeder-kindbinding. Ze beleeft een traumatische liefde in de oorlogsjaren, met een Duitse soldaat. En in de winter van 1970, beschreven in de proloog van het boek, valt ze door een ongelukkige zet van haar man, keihard met haar achterhoofd op het ijs. Ze raakt even buiten bewustzijn en houdt daarna geruime tijd het bed. Maar dan begint de ellende pas goed. Lenna legt zich volledig toe op de Bijbel en komt niet meer buiten haar slaapkamer. Alle ingrediënten voor een tragisch boek, maar dat is Een goede zoon absoluut niet.

    De familie Sterveling verhuist in de zomer van 1970 naar de polder. Vader Ward is ingenieur en neemt naast zijn werk vele taken van het huishouden op zich. Lenna is te druk met het duiden van de openbaringen van God. Nadat ze getracht heeft de dorpelingen, zonder succes overigens, te bekeren door het verspreiden van traktaten van de Pinkstergemeenschap, weet ze haar plaats. Ze komt niet meer in het dorp. Andersom weten de dorpelingen waarmee ze van doen hebben: de Stervelingen zijn sektariërs en zonderlingen.

    Wanneer Krijn op de middelbare school zit wordt zijn moeder steeds gekker. Op een dag vraagt ze Krijn een stapeltje brieven, gericht aan de machthebbers van Nederland en één aan Prins Bernard persoonlijk, naar de brievenbus te brengen. God heeft haar aangewezen als adviseur van de machthebbers van Nederland en Krijn als haar koerier. Wanneer Krijn oppert dat het misschien een beetje raar is om aan de prins te schrijven, reageert Lenna furieus en zegt: ’God heeft me gezegd dat prins Bernhard de macht over het leger weer op zich moet nemen. Desnoods met geweld.’ (p. 199)

    Hoewel Krijn zijn moeder adoreert, vindt hij het steeds moeilijker met haar alleen te zijn. Op een dag roept zijn moeder hem bij zich. Ze zegt dat hij is uitverkoren. Dat hij niet moet schrikken, maar dat God haar die nacht vertelde dat hij zijn vader moet vermoorden. Zijn vader is de rotte plek in hun gezin en die moet hij eruit snijden. Ze legt hem precies uit hoe hij dat moet doen. Dat het een eretaak is. Het vleesmes uit de keuken moet hij nemen. Dat mes moet hij met al zijn kracht in zijn vaders nek steken, want hij heeft een taaie nek. Voor Krijn is nu wel duidelijk hoe het met zijn moeder gesteld is. ’s Nacht begraaft hij het vleesmes in het bos.

    Twintig jaar later woont Krijn in Amsterdam. Zijn vader leeft inmiddels niet meer. Hij heeft zijn leven overzichtelijk ingericht en wil dat graag zo houden. Zijn laatste relatie is tien jaar geleden verbroken. Hij heeft een baan als naamdeskundige bij een  niet nader genoemd instituut ( Smid zelf werkte op het Meertens Instituut ). Zijn taak is het in kaart brengen en verklaren van familienamen. Dat hij deze taak tijdens zijn leven niet zou kunnen afronden, geeft hem een aangenaam rustig gevoel. Twaalf jaar geleden verbrak hij alle contact met zijn moeder. Ook dat bracht hem rust.

    Dan gebeuren er verschillende dingen tegelijk. Stan belt hem op. Hij vindt dat Krijn zijn moeder moet bezoeken. Ze heeft niet lang meer te leven volgens Stan, en ze vraagt naar hem. Maar hij gaat niet. Hij ontvangt een e-mail getiteld, ‘Project’: Vreemde blikken van een hem onbekende vrouw, Doris Vonkel. Doris heeft Krijn uitgekozen als partner om ervaringstheater in de publieke ruimte mee te maken: ‘een ontdekkingsreis langs mensen, rollen en verwachtingen.’  Hij gaat er niet op in. Stan belt hem weer; als hij niet naar zijn moeder gaat, wil Stan hem nooit meer zien. Dit gaat Krijn te ver en hij zwicht. De schok van het weerzien (een oude vrouw, lange grijze haren op heuplengte ligt vegeterend, maar opgewekt op bed). De weerzin die hij opnieuw voelt als hij weer geconfronteerd wordt met haar waandenkbeelden en het ontbreken van elke realiteitszin, doen hem bijna weer op de vlucht slaan.

    Doris belaagt hem intussen met e-mails en belt hem zelfs midden in de nacht op. Het is bizar hoe dit gesprek zich ontwikkelt tussen hen. Krijn reageert afwerend. Maar geprikkeld door haar doortastende optreden en haar hese en lage stem, blijft hij aan de lijn. En voordat Krijn er bedacht op is, verleidt Doris hem tot het bedrijven van telefoonseks. Dat levert een kostelijke beschrijving op.

    Hoe ver kan je gaan wanneer je als ‘een goede zoon’ te boek staat? Een vraag waar Krijn zijn hele leven mee geconfronteerd wordt en waar hij uiteindelijk het antwoord op vindt.

    De verteltrant van Smid is to the point zonder enig sentiment, en werkt geregeld, op op de lachspieren. Dat alle vragen die opgeroepen worden niet beantwoord worden, doet er niet toe. Want wat was er nu eigenlijk aan de hand met Lenna? Was het door de klap op het ijs, maakte het moederschap haar kwetsbaar, of  was het haar traumatische liefde in de oorlog dat ze de realiteit uit het oog verloor? De geest van een ander is ondoorgrondelijk lijkt de schrijver met dit verhaal te willen zeggen. Een heerlijk en vooral eerlijk boek.