• Verzinsels

    Verzinsels

    Voor je het weet wijkt de waarheid af naar een leugen. Dat heeft te maken met hoe je iets brengt, belangrijke feiten verdraait of weglaat. Enthousiasme speelt daarbij een rol. De vis is altijd groter dan toen die gevangen werd. De geest verzint er lustig op los als het om afmetingen, aantallen en vermogens gaat.
    ‘Dichtung und Wahrheit’, het hield me bezig nadat ik de biografie van Boudewijn Büch had gelezen. Hij sierde zijn leven met verzinsels. Leugens eigenlijk. Maar dat klinkt weer zo hard. Liegen als een soort ‘met voorbedachten rade’. Plannetjes maken om er zo voordelig mogelijk mee weg te komen. Hij decoreerde zijn leven met verschillende verzonnen levens.

    Ik heb wel een idee hoe een van de mythen, rond het vermeende kind van Büch, is ontstaan. Het begon tamelijk onschuldig. Hij raakt als begin twintiger bevriend met zijn voormalige en tien jaar oudere lerares Nederlands, en haar man. Hij komt bij hen thuis, vermaakt ze met zijn verhalen en humor, blijft eten, slaapt op de bank. Het is gezellig al verlangt hij wel haar onverdeelde aandacht. Als ze zwanger is, verbreekt Büch alle contact met haar. Dan ontvangt hij een brief van haar, waarin ze schrijft dat ze een zoontje heeft gekregen. Dat ze het kind naar hem hebben vernoemd; Boudewijn. Ze besluit met de wens het kind graag aan hem te willen laten zien want ‘hij is ook een beetje van jou’. Waarop Boudewijn extatisch van vreugde zijn vrienden meedeelt dat hij ‘vader’ is geworden.

    Daar begon de waarheid af te wijken van de werkelijkheid. Hij is overweldigd dat het kind ook ‘een beetje van hem is’. Alsof die mededeling hem een licence to live gaf. Zijn vrienden zijn oprecht verrast, feliciteren hem met zijn zoon. Die felicitaties maakten hem pas echt tot vader. Op dit punt zeg je niet: ‘Oh nee, wacht. Het is niet écht mijn kind’. Dat doe je niet, je wilt dat verzinsel laten voortduren. Er staan vele verzinsels in de roman De kleine blonde dood beschreven. Waarin hij van de moeder een alleenstaande alcoholiste maakt die haar kind verwaarloost en laat hij het kind, door een val van de trap, op zijn zevende doodgaan. Die roman, met de dood van het kind, kan gezien worden als een manier om die hele geschiedenis achter zich te laten. Al bleef hij, desgevraagd, volhouden dat hij vader van een zoon was. En wie zijn twijfels toonde, die bande hij uit zijn leven.

    Op 17 januari 1969 schreef hij in zijn dagboek: ‘Als je alles neemt wat ik geschreven heb, brieven en gewoon proza, en je neemt daar alle franje en overdrijving vanaf. Dan heb je mijn leven. Heel netjes op de lijntjes.’ Tja, tussen Boudewijn Büch en de werkelijkheid hingen vele verzinselen.

     

    Citaat uit: Boudewijn Büch, het verzameld leven. (Prometheus 2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Er is in de loop van de ongeveer zestig jaar dat er op televisie aandacht besteed wordt aan schrijvers en aan literatuur veel veranderd. Maarten Asscher vatte het tijdens het gesprek waarmee het symposium Literatuur op tv eindigde heel mooi samen: het initiatief ligt niet meer bij de schrijvers. De schrijver is een middel geworden. Als het al over literatuur gaat, gaat het niet over de inhoud, laat staan over de stijl of de structuur van een boek. Als een schrijver te gast is in een televisieprogramma dan wordt bijna altijd aan de hand van zijn of haar boek over iets anders of eventueel over hoe het is om herkend te worden in de supermarkt gepraat.

    Dat lag in de beginperiode van de televisie anders, bleek uit de inleiding van Jeroen Dera, die promoveerde op ‘literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie’. Toen – in de tijd van Muze in spijkerbroek en Literaire ontmoetingen, dus in de jaren zestig – was er nog sprake van informatieve programma’s die cultuurbemiddeling en literaire positionering voorstonden.
    Dat ging niet zonder slag of stoot, want een relatie tussen literatuur en televisie lag niet voor de hand. Denkers – Dera noemde Postman, Finkelkraut en Bourdieu – en schrijvers – Greshoff, Salomons, Wadman, Kelk, Sierksma – achtten de kloof tussen de hoge cultuur waartoe de literatuur behoorde en het massacommunicatiemiddel dat de televisie was onoverbrugbaar.

    K. Schippers: vrijheid voor de maker
    Volgens K. Schippers – zelf gast en onderwerp in een van de drie afleveringen van Muze in spijkerbroek, maar als maker van Beeldspraak uitgenodigd op het symposium – moet je geluk hebben bij het maken van televisie. Dat geluk had hij in de jaren zeventig, toen hij samenwerkte met onder andere Jan Venema en Kees Hin. Journalistieke helderheid en fantasie in de vorm stond voor hem en zijn collega’s voorop. Dat leverde indringende portretten van en vaak verrassende gesprekken tussen collega-schrijvers op. Als je regisseurs maar de ruimte geeft, en niet van bovenaf of als redactie bepaalt dat het ergens over moet gaan.
    De schrijver K. Schippers deed vervolgens zijn voordeel met zijn ervaring als televisiemaker. Hij leerde er onder andere hoe lang iets moet zijn, en hoe je delen van een verhaal achter elkaar kunt plaatsen.

    Hier is… Adriaan van Dis vervulde volgens Maarten Asscher een scharnierfunctie tussen de programma’s waarin literatuur zichzelf toont en zichzelf is en de tegenwoordige aandacht voor literatuur die een verlengstuk is van door een uitgever in gang gezette promotie en marketing. Het is volgens hem het laatste boekenprogramma waarin nog heel inhoudelijk over literatuur gesproken werd zonder winstoogmerk – al wil hij op verzoek van gespreksleider Jeroen van Kan wel een uitzondering maken voor VPRO Boeken.

    Van Dis en het effect
    Adriaan van Dis is er zelf tijdens het symposium bij om het Van Dis-effect te relativeren. Hij maakte televisie in de tijd dat er maar twee zenders waren en nog geen afstandsbediening: ‘Je moest opstaan om mij uit te zetten.’ Die acht keer per jaar dat Hier is… Adriaan van Dis op televisie was, keken er tussen de 350.000 en 500.000 mensen. Daar zou een zendermanager vandaag de dag bedenkelijk bij kijken. Ook werd niet elk in het programma besproken boek een verkoopsucces, zoals wel gesuggereerd wordt.
    Volgens Van Dis had het geen zin om hele oeuvres te bespreken, maar moest het gesprek gaan over één boek, een boek waarvan de vertaling al verschenen was. En er moest een vonk overslaan tussen de kijker en de gast. Daarom verkocht Frans Pointl, die de perfecte schlemiel speelde, oneindig veel beter dan Michel Tournier die in dezelfde uitzending zat.

    Wat Van Dis en zijn redactie voor ogen stond was verheffen zonder te hurken. Adriaan van Dis zegt bij het maken van het programma ook nu nog – Van Dis maakt één keer per jaar aan de vooravond van de Boekenweek in de zendtijd van De wereld draait door een Hier is… – de Mulo-jongen die hij zelf was voor ogen te hebben gehad: een Mulo-jongen die hogerop wilde. Van Dis was een stapelaar in opleidingen, en studeerde uiteindelijk cum laude af aan de universiteit. Dat het programma elitair gevonden werd, is volgens Van Dis onterecht. ‘De elite kijkt geen televisie. De elite kijkt er op neer.’ De elite wil niet delen: als veel mensen een boek bijzonder vinden, kan het volgens die elite niet veel zijn.

    Van zuilen naar bastions
    Televisie mag dan voor uitgevers vanuit marketingperspectief een interessant medium zijn, in een post-verzuilde samenleving moeten auteurs volgens Adriaan van Dis heel hard werken om een nieuw boek via dat medium onder de aandacht van potentiële lezers te brengen: ‘De zuilen zijn afgebroken, maar er zijn nieuwe kleine bastions ontstaan van mensen die eigenlijk slecht met elkaar communiceren. Dus voor schrijvers is het niet zo makkelijk geworden. Ze moeten het verhaal wel twintig keer vertellen.’ Dat geldt ook voor de schrijver die Van Dis inmiddels is. Ten tijde van Hier is… Adriaan van Dis stond zijn schrijverschap nog in de kinderschoenen. Van Dis was toen nog vooral journalist, met een voorliefde voor reportages.

    Bibliobesitas
    Boudewijn Büch was ook een boekenbemiddelaar, maar wel van een andere orde dan Adriaan van Dis. Büch maakte zijn televisiedebuut in de documentaire Het verschijnsel B (1982) van Eline Flipse, waarin bibliofilie breed uitgemeten werd. Daarna rees zijn ster snel. Zijn biografie Eva Rovers schetst tijdens haar bijdrage zijn televisiecarrière: na vijf en daarna vijftien minuten zendtijd in De verbeelding kreeg hij zijn eigen boekenprogramma: Büch’s boeken. Büch richtte zich, en bleef zich richten, op mensen die nog geen goed gevulde boekenkast hadden, maar besprak niet alleen populaire boeken.

    Het programma dat hem wereldberoemd in heel Nederland maakte De wereld van Boudewijn Büch ging niet alleen, maar wel vaak over schrijvers die hij bewonderde. Toen dat programma in 2001 stopte, raakte Büch zijn inkomen, zijn reizen, zijn materiaal voor lezingen en andere schnabbels en zijn podium kwijt. Dat hij elke week bij Barend & Van Dorp mocht aanschuiven, verzachtte het leed enigszins.
    Boudewijn Büch leed aan bibliobesitas, en het was met name de mate waarin hij in staat was om zijn boekenliefde op anderen over te dragen waardoor Eva Rovers per se zijn biograaf wilde zijn. Ze wilde niet dat hij alleen te boek zou staan als de man die zijn leven verzon.

    Televisie versus zaaltjes
    In de loop van de omroepgeschiedenis vonden literatuur en televisie elkaar, ondanks de aanvankelijk voor onverenigbaar gehouden karakters. Niet altijd bewijst de televisie de literatuur een even goede dienst. Literatuur op televisie heeft beperkingen. Niet alles mag, maar ook niet alles kan. ‘Je kunt mensen in zeven minuten heel nieuwsgierig maken naar een roman’, zegt Connie Palmen in het slotgesprek. Maar op televisie haar visie op literatuur en/of de vorm van een roman toelichten gaat niet. Zo’n gesprek zou de kijker al gauw boven de pet gaan. Op televisie krijg je niet de tijd om het verhaal op te bouwen. Tijd die er tijdens een gesprek in een zaal wel is.

    Op de vraag wat het gevolg zou zijn als er helemaal geen boekenprogramma’s meer op televisie zouden zijn, antwoordt Maarten Asscher stellig: ‘het gesprek over literatuur wordt dan veel elitairder. Dat speelt zich dan af in de zaaltjes waar lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers, critici en ingevoerde mensen met elkaar over literatuur spreken.’ Hij hekelt het geringe bedrag dat, zeker in vergelijking met wat er betaald wordt voor de uitzendrechten voor voetbal, bij de publieke omroep beschikbaar is voor literatuur op televisie. ‘Er is zo’n verheffingsideaal verbonden aan de televisie, de hele missie van de publieke omroep: waarom komt daar niets van terecht?’

    De dode hoek van ‘Hilversum’
    Want dat er niets van terecht komt, is voor Asscher duidelijk. Hij gebruikt bijna dezelfde bewoordingen als K. Schippers, en zou graag zien dat de mensen die de programma’s maken weer wat meer de vrije hand krijgen.
    Asscher signaleert nog een ander manco: ‘Er is geen connectie tussen de literaire wereld in Amsterdam en de Hilversumse wereld van programmabonzen en zendercoördinatoren.’ Asscher had heel graag gezien dat ‘Hilversum’ Jeanette Winterson en/of Orhan Pamuk – beide auteurs waren recent in Nederland en traden voor uitverkochte zalen op in het kader van het tienjarig bestaan van SPUI25 – had gescout en die optredens (of een compilatie) dan wel een exclusief gesprek had uitgezonden.
    Jeroen van Kan ziet dat niet veranderen. Hij verwacht dat het twee parallelle werelden zullen blijven. Zelf grijpt hij voor VPRO Boeken zijn kansen. Dat programma is zo klein dat het zich onttrekt aan de kijkcijfernormen van de omroep. En dus zat Alan Hollinghurst daar toen hij recent in Nederland was en niemand anders op het idee kwam hem op televisie te interviewen.

    Op de valreep van het symposium gaat het toch nog over het programma bij uitstek dat de verkoop van boeken kan beïnvloeden. Is het terecht dat er met het nodige dedain over het DWDD-effect gesproken wordt? Helemaal niet, vinden Connie Palmen en Maarten Asscher. De acht bergen van Paolo Cognetti, een van de beste romans van dit jaar volgens Maarten Asscher, had het opkontje van het boekenpanel nodig om een bestseller te worden. Dat literatuur op tv van cultuurbemiddeling via Van Dis het pluggen van boeken is geworden, heeft dus voor de individuele spelers in het boekenvak ook voordelen.

     

     

  • Ik zeg het maar zo jongen

    Ik zeg het maar zo jongen

    Gisteravond heb ik gefascineerd gekeken naar de documentaire over Boudewijn Büch op NPO. Büch heeft me altijd geboeid. Zijn verbale enthousiasme, verzameldrift en barokke manier van leven sprak me altijd zeer aan zonder gelijk zijn voorbeeld te willen volgen. Er werd in de docu vooral ingezoomd op zijn liefdesleven. Dat boeit me eigenlijk maar matig. Ik hield erg van zijn reisprogramma’s en zijn boeken over reizen, cultuurgeschiedenis, schrijvers en verzamelingen.

    Net als Büch vind ik atlassen geweldig en boog me er in mijn jeugd vaak overheen. Rijk aan schatten en een wonderschone, grafische ingang tot het rijk der verbeelding. Terra incognita, hinc sunt leones, prachtige termen die je gegraveerd ziet in een gebied op een landkaart dat nog onbekend en onbereisd is. Boudewijn Büch voelde zich op zijn gemak in delen van de wereld die  door weinig mensen bezocht waren. Op de vlucht voor het gemaniëreerde en deels ook leugenachtige leven dat hij zelf had vormgegeven, zo werd geponeerd in de documentaire. Ik denk dat dat waar is.

    Ik miste helaas wel de duiding van het geestesleven van Büch gevormd door zijn jeugd, achtergrond, gezin en ouders. Samen met  Theo van Gogh, was Büch een van de markante figuren die ik in mijn studententijd leerde kennen. Ze vormden de intellectuele entourage van mijn nieuwbakken stadsleven. De briefwisseling (Wassenaarse brieven) tussen Van Gogh en Büch op de achterpagina van het studentenblad Propria Cures begin jaren negentig, vormden voor mij een wekelijks literair hoogtepunt. Dat Büch na zijn dood vrijwel onmiddellijk werd weggezet als een fantast en middelmatige verzamelaar, vond ik heel minnetjes. En zo Nederlands. Bewonderen kunnen we in dit natte landje maar matig. Iemand die zijn leven in het teken van de literatuur stelt en langzaamaan in zijn eigen ideale, literaire denkwereld de hoofdrol gaat spelen en erin gaat geloven, dat is, naast dat het uiteraard ook veel complicaties geeft, toch prachtig? ‘Ik zeg het maar zo jongen: Hemel en hel zijn in het hart van de mensen.’ (Boudewijn Büch: De hel. Novelle. 1990, p. 75).

     

     

  • Lang verwachte biografie Boudewijn Büch

    Vijf jaar werkte Eva Rovers (biograaf Helene Kröller-Müller) aan de biografie van Boudewiin Büch. Boud, Het verzameld leven van Boudewijn Büch is deze maand verschenen bij uitgeverij Prometheus. Gisteren vond de presentatie plaats in Amsterdam. Reinder Storm was erbij aanwezig en nogal onder de indruk van de als geloofwaardig gepresenteerde details rond de legendarische dodo.

    Onder grote belangstelling werd afgelopen zondag in Amsterdam de langverwachte biografie gepresenteerd van Boudewijn Büch. Er kwamen veel meer belangstellenden dan aanvankelijk verwacht was waardoor het evenement verplaatst werd van Spui25 naar de Oude Lutherse Kerk. Ook de boekhandel was er goed op voorbereid. Honderd, reeds van te voren door de auteur gesigneerde biografieën, lagen klaar voor het gretige publiek.

    Na Büchs ontijdige overlijden in 2002 –  53 jaar oud – kwam hij eigenlijk alleen nog in het nieuws als fantast. Belangrijke motieven in zijn werk waren: een getroebleerde jeugd, een jong overleden zoontje, pedofiele aanleg, de gigantische erfenis van zijn vader, zijn gedegen wetenschappelijke scholing… het bleek allemaal verzonnen. De verhalen waren onwaar maar ook in het echt – tot en met zijn beste vrienden toe – had Büch iedereen voor de gek gehouden. Biografe Eva Rovers stond voor de moeilijke opgave een waarachtig boek te schrijven over een schrijver en tv-persoonlijkheid die veel van zijn geloofwaardigheid verloren had.

    Of zij daarin is geslaagd moet de lectuur van dit dikke boek uitwijzen. Bij de presentatie was er in elk geval één spreekster (Sonja Barend) die vertelde dat ze tijdens het lezen zo verbijsterd was geweest, dat ze het boek geregeld moest wegleggen om bij te komen. Wat natuurlijk de nieuwsgierigheid wel prikkelt. Andere sprekers tijdens deze feestelijke bijeenkomst belichtten tal van facetten van de inderdaad zeer veelzijdige Büch. Diederik van Vleuten dankt zijn James Cook-liefde aan Büch. Abdelkader Benali toonde zich geïnspireerd door de televisie-programma’s. Prof. dr. Lisa Kuitert plaatste de verzamelwoede gedetailleerd in wetenschappelijk perspectief. Eva Rovers zelf had duidelijk genoten van Büchs aanstekelijke enthousiasme. Wie anders immers kon mensen zo bezield vertellen over Goethe of verafgelegen volslagen onbekende eilandjes en er nog succes mee hebben ook? Zelf had Eva Rovers – als overtuigd Beatles-fan – dankzij Büch enige sympathie weten op te brengen voor enkele nummers van de Stones.

    Een aparte keus ten slotte maakte Jacques van Alphen: emeritus hoogleraar dierecologie en vanaf zijn zestiende bevriend met Büch. Hij vertelde geen anekdotes of herinneringen. Integendeel: hij nam Büch bloedserieus door mee te delen wat sinds diens overlijden door nieuw onderzoek bekend was geworden over de legendarische dodo. Dat Büch ook in dit bizarre opzicht zo serieus genomen werd was misschien het indrukwekkendste eerbetoon.


    image_1382Op YouTube is een muzikale appendix bij de biografie verschenen: Boud sound lyriekmuziek: www.youtube.com/watch.

     

     

     

     

     

  • Eilanden

    Eilanden

    img_1439Op de achtergrond klinkt Radio 4. Op de trap naar boven heb ik de biografie van Peggy Guggenheim neergelegd om straks in te beginnen. Eigenlijk ligt Grunbergs een na laatste boek Het bestand, van vorig jaar, nog opengeklapt op mijn nachtkastje. Met de rug naar boven. Daaronder Dick Hillenius De vreemde eilandbewoner (2e herziene druk, 1976) en ernaast ligt Boudewijn Büchs Eenzaam (5e druk, 1993) uit zijn reeks over Eilanden. Biologisch, evolutionair, literair, geografisch en historisch: de beschrijvingen van eilanden en hun bewoners (mens, dier, plant, steen) hebben me altijd geboeid. Ik herinneren me dat ik, tijdens verjaardagen van mijn vader of moeder, aan de eettafel zat met een atlas waarin, onder de nationale vlag, een geografische samenvatting van het specifieke land werd gegeven: bodemsoort, bevolkingsaantal, steden boven de miljoen inwoners, industrie en dergelijke. Zou er intussen al een eilandenatlas zijn gemaakt?

    Is een persoon niet ook een eiland? Zijn we niet allemaal losse eilandjes die langs elkaar heen bewegen en allemaal anders denken? Op zoek naar elkaar (althans, sommige idealistische welwillende in de ‘beweging’ Ieder1). Zo iemand als de Amerikaanse Peggy Guggenheim (1898-1979). De fameuze kunstmecenas van het modernisme die menig kunstenaar om haar vingers wond en een kunstverzameling bezat waar je alleen maar jaloers op kunt zijn. Zij was eigenlijk een en al ego. Met een ongelooflijke eigenwijsheid. Een eigenschap van een eiland, lijkt me. Gesloten wanneer het haar uitkomt en open, ook als het haar uitkomt. Opportunistisch dus. Hoe groter je ego, des te omvangrijker het eiland dat je bent.

    En een boekenverzamelaar dan. Is die niet ook bezig zich een eiland van papier te creëren? Dat lijkt me wel. Je kunt je in je verzameling verstoppen, dagenlang, wekenlang. Schrijvers sluiten zich op temidden van hun boeken. Het eiland dat zij ook zijn, moeten zijn om te kunnen schrijven, vormen ze met kaften, letters, kleur en allerlei soorten papier tot hun eigen unieke stukje . En voegen daar hun eigen bergje of delta van papier aan toe: een roman, een essay of een dichtbundel. Als we maar genoeg schrijven en lezen, dan bewegen de eilanden die we allemaal afzonderlijk zijn, misschien wel een beetje naar elkaar toe.

     

     

     

     

     

  • Ronddolen in een ander leven

    Mijn fantasie brengt me wel eens in een leven dat ik niet leid, maar misschien wel zou willen hebben. Soms is dat een bestaan in een andere tijd. Nooit op een andere planeet of in de toekomst.  Vaak is het een leven dat zich op een andere, aardse plek bevindt. In die andere tijd, soms een voorbije tijd, of in een ander deel van de wereld, leid ik een leven dat in het verlengde van mijn leven ligt. Ik bedoel, ik ben dan niet ineens een vrouw, of veertig jaar ouder. Het komt voort uit een verlangen, een onrust wellicht, de af en toe opspelende wens een andere versie van mezelf te kunnen creëren.

    Ik kijk wel eens op National Geographic Channel naar Yukon Gold, over een stel ruige mannen die goud delven in de Canadese wildernis. Die beelden bezorgen me geregeld de kriebels om daarheen te willen verhuizen. Naar waar zoveel meer bomen, bergen en dieren dan mensen zijn.

    Deze week werd deze fantasie geprikkeld door het verplaatsen van een paar honderd boeken, voornamelijk kunst- en architectuurboeken naar een nieuwe kast die mijn vader voor me had gebouwd.

    Zo verhuisde ik van de oude kast naar die nieuwe kast een boek over de kunstenaar Willem den Ouden die de rivier de Waal als thema van veel van zijn tekeningen, schilderijen en etsen heeft en daar ergens langs de oevers van de Waal ook woont. De lage horizon, de panoramische blik, de majestueuze luchten: je waant je in een leeg land waar de mens afwezig is. Daar wil ik wel ronddolen. Net zoals in dat verruimende boek van Auke van der Woud. Het lege land, over de ruimtelijke ordening van Nederland in de negentiende eeuw. De woeste gronden, de moerassige velden met hun nachtelijke spookverhalen en overdagse weidsheid, maken me een schilder die er op uittrekt met zijn schetsboek om dit alles vast te leggen, de goudgele horizon, de paarse heide en de silhouetten van kale bomen.

    Ik weet het, het is een romantisch beeld en ik ban of wis de expanderende mens met zijn voortschrijdende techniek uit mijn schildering zoals vele kunstenaars dat deden.

    Oorzaak van mijn onrealistische en unzeitgemässe wereldbeeld is wel oeraanjager Boudewijn Büch. Hij bezocht verre eilanden en vergeten plekken op aarde, altijd verrijkt met een historische anekdote of een particuliere passie over een uitgestorven beest, megalomane schrijver of foute generaal. De aarde en de geschiedenis was zijn speeltuin. Als ik aan Büch denk of een boek van hem pak, springt er zo af en toe een sprankje van zijn enthousiasme op me over en wens ik me voor even een wereldreiziger, pendelend tussen mijn boekenkasten.

    Ooit werkte ik in een groot Amsterdams antiquariaat waar Boudewijn Büch wel eens boeken kocht. Op zolder, waar geen klanten, mochten komen, was ik boeken aan het wegzetten op het gebied van antropologie, wetenschap en reizen. De radio stond aan. De deur ging open en daar stond Boudewijn Büch, krabbelde in zijn haar, mompelde iets van ‘hallo’ en op dat moment schalde Angie van de Rolling Stones uit de luidsprekers. Volgens mij hoorde Mick Jagger-fan Büch het niet eens, opgaand in zijn speurtocht naar interessante publicaties.