• Recensie door: Albert HogeweijEenzaamheid voor dubbelgangers

    Recensie door: Albert HogeweijEenzaamheid voor dubbelgangers

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Eenzaamheid voor dubbelgangers

    Toon Tellegen zal wel nooit meer los komen van het predicaat ‘schrijver van filosofische dierenverhalen’, maar intussen heeft hij ook al heel wat diervrije poëzie op zijn naam gezet. Aan deze gedichten, hoewel gespeend van de dierverhalende context, ligt wel degelijk een zelfde soort speels filosofische inzet ten grondslag. Gedachtenrijke poëzie, die de grote woorden allerminst uit de weg gaat, maar waar de ernst geen vat op krijgt, en waarbij de lucide toon de abstract filosofische begrippen vaak voldoende concretiseert om het resultaat voor spielerei te kunnen behoeden. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2006 de Hendrik de Vriesprijs en het jaar daarop de Constantijn Huygensprijs. Zijn productiviteit is er niet minder om geworden.

    Onlangs verscheen zijn nieuwste dichtbundel Schrijver en lezer, met tekeningen van zijn zoon, beeldend kunstenaar Boris Tellegen. De tekeningen, die het midden houden tussen figuratief en abstract, doen in de verte denken aan getekende driedimensionale constructies van de Rubiks kubus, maar zonder kleuren. Deze tekeningen zijn gedrukt in witte inkt. In de tekeningen valt het onderscheid tussen schrijver en lezer niet te maken. Ze zijn wel figuratief genoeg om er een in zichzelf gekeerd wezen in te zien dat aan een tafel geketend lijkt, waarop meestal een leeg papier voor hem ligt. Of het lege vel hem kwelt dan wel verrukt, is de vraag. Waren de tekeningen slechts illustraties bij de gedichten geweest, dan hadden ze echter wel degelijk woorden moeten bevatten, want hét kenmerk van deze nieuwe gedichten van Tellegen is dat de woorden zelfstandige objecten zijn geworden, die hun eigen gang lijken te gaan. De problematische omgang van de schrijver met zijn woorden is dan ook een van terugkerende motieven. ‘De schrijver stuurt zijn woorden de wereld in’, is bijvoorbeeld een gedicht getiteld waarin de woorden als een soort geheim legertje voor de schrijver op pad zijn geweest:
    ’s avonds keren ze terug naar de schrijver –
    hij zit voor het raam,
    hij heeft de hele dag naar ze uitgekeken

    ze hebben het koud:
    ziekelijkheid, pijnlijkheid, dodelijkheid
    en nu

    en de schrijver begint te schrijven.’

    Stonden de woorden de schrijver hier nog ten dienst, elders lezen we:
    ‘De schrijver bedenkt woorden
    die hij niet kan schrijven –
    ze zijn te licht, ze lossen op, ze vliegen telkens weg’

    Ze te verzwaren of vast te binden, helpt niet.

    ‘en de woorden beginnen te scheuren,
    ze verspreiden een vreemde geur,
    ze kunnen hun betekenis niet aan

    de schrijver probeert ze te vergeten,
    maar de woorden vergeten hem niet,
    klampen zich aan hem vast,
    leiden hem in verzoeking

    waar de lezer op hem wacht.’

    Maar het kan nog dreigender:
    ‘De schrijver vecht met woorden
    en de woorden overmeesteren hem,
    sluiten hem op in zijn kamer,
    nemen de sleutel mee

    op gezette tijden schreeuwt de schrijver om hulp’

    Woorden als het monster van Frankenstein? Zo ver gaat het niet, bovendien ontspint zich ook geen echt verhaal in deze bundel, maar worden gedachten geconcretiseerd. En hoe concretiseer je de gedachte dat woorden objecten zijn beter dan door de woorden letterlijk te nemen?
    ‘De schrijver is hongerig
    eet jou en mij en de hele tegenwoordige tijd
    in één hap op

    wat nu? denkt hij
    en hij eet nu op en wat
    en alle vraagtekens die hij ooit heeft gedacht’

    Deze letterlijke inzet verhinderd dat de gedichten in abstracties blijven steken. Heeft de schrijver niet altijd de woorden in bedwang, niet minder heeft hij te stellen met de lezer. Soms ontpopt die laatste zich als een ware fan, die de schrijver niet alleen ‘zijn sloffen aan[reikt]’ maar zich ook over hem ontfermt. Als de schrijver verkondigt, ‘ik ben de enige hier die van geen enkel belang is’ en dreigt om te vallen, lezen we dat hij nog net:
    ‘door een lezer wordt opgevangen
    en in een verloren hoekje wordt weggezet

    het leven is een feest en moet verder
    en iedereen fluistert in het oor 
    van iemand in zijn armen

    ‘o waren wij ook maar van geen enkel belang, jij en ik…’

    Met dit soort naïeve logica, die vooral in de verhalen van Tellegen de toon zet, weet hij de ontroering binnen te halen. Want deze gedichten kenmerken zich ook door romantische passages:
    ‘de lezer is een jongen in een jongenskamer
    er komt een meisje binnen,
    zo onverwacht, zo mooi en zo lichtzinnig

    en daarna nooit meer.’

    Maar zo vermurwbaar betoont de lezer zich niet al de tijd:
    ‘ik ben een lezer, zegt zijn vijand
    en legt de schrijver het zwijgen op.’

    Verderop ontplooit de lezer nog meer initiatieven:
    ‘De lezer ziet zijn kans schoon,
    kruipt onder de huid van de schrijver
    en denkt:
    nu weet hij nooit meer waar ik ben…’

    Dit dubbelgangerspel eindigt ermee dat het laatste gedicht zich aldus laat citeren:
    ‘De lezer wordt schrijver
    trekt de kleren van de schrijver aan,
    eet zijn brood,
    zit aan zijn bureau,
    buigt zich over zijn papier –
    verwondert zich over de immense, tot voorbij de horizon zich
    uitsytrekkende, oogverblindende wirheid ervan –

    neemt zijn pen in de hand
    denkt wat de schrijver denkt,

    voelt wat de schrijver voelt (onder andere: pijn)
    en wacht
    tot iemand hem stoort

    maar niemand stoort hem,
    hij wacht tevergeefs.’

    In deze bundel wordt niemand gelukkig en blijft iedereen eenzaam achter.
    De thematiek van schrijver en lezer die in hun nadering elkaar uitsluiten (‘de schrijver droomt van een wereld zonder woorden’ afgezet tegen de regel in hetzelfde gedicht ‘de lezer droomt van woorden zonder wereld’), terwijl ze elkaar nodig hebben en daarom voortdurend in een wisselend rollenspel tot elkaar veroordeeld blijven (‘de schrijver is een slang,/ verjaagd uit het paradijs’ en ‘de lezer is God’) zou de bundel een wrange ondertoon hebben moeten geven. Welke in de tekeningen adequaat getroffen is. De schrijver is een gevangene van zijn taal.
    ‘hij droomt van een lezer die met zijn sleutels rammelt,
    droog brood naar binnen schuift.’

    Maar de onmiskenbare speelsheid, het plezier ook om de woorden hun eigen logica te gunnen, beletten de gedichten een tragische landing in het hoofd van de lezer te maken. Het begrippenpaar- schrijver en lezer – lijkt eerder als sparring-partner te dienen voor Tellegens poëtische aandrift, die zich graag in de dialoogvorm uitleeft.

    Deze bundel verwonderde mij omdat ik niet wist waarom ik het goed vond, maar wel wist dat het niet slecht was. Misschien wringt het een beetje dat deze gedichten die over een soort beklemming gaan, de lezer toch niet met een beklemmend gevoel achterlaten. Net als een acteur die om z’n komische rollen bekend staat, in een tragedie z’n tragiek maar moeilijk voor het voetlicht weet te brengen, omdat het publiek in hem de komediant blijft zien. Aan de andere kant is Tellegen een meester van het gevoelige taalgebruik. De zinnen boren zich met hun bedrieglijke eenvoud en achteloze toon, die zo uit de mouw geschud lijkt, in de diepere lagen door, zonder dat ze aan helderheid inboeten. En de absurditeit zet maar al te graag de logica buitenspel:
    ‘aan het graf van de schrijver zegt de lezer,
    in zijn misplaatste jasje:
    ‘woorden schieten tekort’

    er ontstaat vechtpartijen,
    voor- en tegenstanders van onsterfelijkheid gooien met modder
    naar elkaar

    het regent
    en een verschrikkelijke begeerte maakt zich van iedereen meester

    en daar blijft het niet bij.’

    Een ander gedicht sluit af met:

    ‘de lezer maakt op grond van zijn radeloosheid een gebaar
    waarvan hij vermoedt dat het van berusting getuigt
    en denkt:
    weten schrijvers soms niet dat lezers ook wel eens niet hadden willen worden geboren? ‘

    De taal zelf lijkt er ondertussen weinig door aangeslagen dat in deze bundel behoorlijk zware begrippen als god – ontoereikendheid – liefde – vijandschap tegen elkaar worden uitgespeeld. Naar mijn smaak soms iets te weinig. Maar ja, als je dan leest:
    ‘De schrijver maakt een raam
    en kijkt nauwgezet naar buiten

    de lezer ziet hem staan
    en denkt:
    hij ziet met zijn scherpe oog voor onvolkomenheid
    de schepen die achter mij branden

    dan maakt de schrijver snel invallende duisternis en bloemetjesbehang

    en kijkt weer naar binnen, ‘

    dan weet je eigenlijk niet meer wat hiertegen in te brengen valt…

    Tellegens poëzie laat zich moeilijk met andere poëzie vergelijken. De bundel heeft een taliger
    stoffering dan zijn vorige bundels. En er komen veel mooie gedichten langs:
    ‘De schrijver schudt aan de boom van ontzetting
    en vraagt zich af hoe het met hem zal aflopen:
    zal ik doodgaan,
    zal ik écht doodgaan?
    of zal mij iets overkomen wat ik nog onder woorden moet brengen?

    hij schrijft en schrijft,
    daarna gaat hij slapen
    of een eindje fietsen

    kleine wormstekige voorbeeldfuncties liggen in het gras

    het is warm
    de schrijver woelt in zijn slaap
    of stapt van zijn fiets, wist het zweet van zijn voorhoofd

    of beide.’

    En:
    ‘De schrijver koestert schoonheid,
    oud zeer
    en al het ongenoegen van de wereld

    zijn zintuigen slingeren rond als ondergoed, kranten, Schöner Wohnen

    soms, als hij schrijft, staat zijn moeder achter hem,
    schudt haar hoofd over hem,
    zegt dat hij rechtop moet gaan zitten, nóg rechter, fierder

    bezorgdheid is alles wat er van haar rest

    zij neemt zijn pen uit zijn hand en opent zijn raam
    en de schrijver herinnert zich weer de schoonheid van genade
    en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,
    gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt
    in het grote, blauwe niets.’

    Prachtig gedicht, al had ‘de schoonheid van genade’ geen verdere toelichting nodig gehad.

    Wie zich over het vooroordeel, dat wat zwaar is niet mag drijven, weet heen te zetten, treft in Schrijver en lezer een verrassend sterke bundel, die van een grote lenigheid van taal en thematiek getuigt. Aan prachtige zinnen geen gebrek en je blijft je verbazen over dat unieke, geheimzinnige talent van Tellegen.


    Schrijver en lezer
    Auteur: Toon Tellegen
    Verschenen: Uitgeverij Querido (2011)
    Blz.: 96 
    Prijs: € 18,95