• Horror ten tijde van de Argentijnse dictatuur

    Horror ten tijde van de Argentijnse dictatuur

    Mariana Enríquez is een Argentijnse schrijfster die zich een plekje heeft verworven tussen beroemde Latijns-Amerikaanse auteurs als de Chileen Roberto Bolaño, de Colombiaan Gabriel García Marquéz en de Chileense Isabelle Allende, om er een paar te noemen. Ons deel van de nacht is een in zes delen ingedeelde dikke pil, je moet er maar zin in hebben, maar het verhaal zuigt je vanaf de eerste pagina naar binnen en leest hypnotiserend. Voor je het weet zit je diep in de binnenlanden van Argentinië. 

    Ons deel van de nacht speelt zich af ten tijde van de Argentijnse militaire dictatuur na de dood van president Juan Péron. Het wordt nergens heel concreet benoemd, maar de sfeer zindert van de Vuile Oorlog met de illegale arrestaties, de verdwenen kinderen en dwaze moeders. De rijke bovenlaag heeft de macht, bepaalt de regels en zou verantwoordelijk zijn voor de verdwijningen. 

    Misbruikt medium

    Het verhaal begint tijdens het hoogtepunt van de dictatuur in 1981 met een nachtmerrieachtige roadtrip van Buenos Aires naar de watervallen van Iguazu, vlakbij de grens met Brazilië. Juan en zijn zoon Gaspar, van een jaar of zeven, zijn op weg naar zijn schoonouders, puissant rijke plantage-eigenaren en grootgrondbezitters. Hun dochter Rosario, Gaspar’s moeder, is recent bij een auto-ongeluk om het leven gekomen. Onder verdachte omstandigheden, dat weet Juan zeker. Hij is een medium en kan contact maken met de doden, wat voor zijn schoonfamilie heel belangrijk is, maar contact met Rosario lukt niet. Vader en zoon zijn, zacht uitgedrukt, ontredderd. Juan is daarbij ook nog eens doodziek. Sinds zijn jeugd is hij zwaar hartpatiënt en onderweg is het angstig en gevaarlijk. Ze kunnen opgepakt worden door de Junta en Juan is bang dat hij zal sterven en zijn zoon onbeschermd moet achterlaten.

    Rosario’s familie staat aan het hoofd van een geheime sekte, De Orde, waarbij de leden streven naar onsterfelijkheid. Om dat te bereiken moeten ze in contact komen met ‘de Duisternis’ of ‘de andere kant’, waarbij wreed geweld niet wordt geschuwd. Dankzij hun medium, Juan, die de gruwelijke rituelen en bloedoffers aan de goden leidt, krijgt het verhaal een horrorelement. Deze rituelen putten Juan uit en leiden onvermijdelijk tot zijn dood. ‘[…] alchemie was nooit bedoeld om rijkdom te vergroten. Het was een esoterische oefening. De zoektocht naar goud was een poging om de essentie van onsterfelijkheid te vinden. Juan wees de weg naar die essentie. Ze zouden hem nooit met rust laten, ze zouden nooit zeggen: nu is het genoeg, zijn lichaam is op.’ 

    Juan weet dat Gaspar ook behept is met zijn gave, maar hij wil koste wat het kost zijn zoon beschermen tegen de verschrikkingen die zijn schoonfamilie met haar rituelen aanricht. Hij probeert er alles aan te doen om zijn zoon, nadat hij zelf is overleden, onvindbaar voor hen te maken door een geheim zegel, een litteken in de vorm van een hand, in zijn arm te etsen. Gaspar weet niet dat Juan een medium is en begrijpt niet waarom hij hem moedwillig verwondt. Hij verzet zich en dat levert gewelddadige scènes op tussen vader en zoon. 

    De Orde

    Waar je in het begin in de tekst gezogen werd, wordt het lezen na verloop van tijd moeizamer. Na een kort en onnodig intermezzo met veel herhaling van het voorgaande, alleen nu vanuit het perspectief van Juans arts – die meer uitlegt over Juans gave en verplichte toetreding tot De Orde – gaat deel drie verder met de jeugd van Gaspar en zijn drie vrienden Vicky, Pablo en Adela. De kinderen raken in de ban van een onbewoonbaar verklaard huis waar het zou spoken. Als ze uiteindelijk, dankzij Gaspars gave, een deur weten te openen (naar de onderwereld) en naar binnen gaan, hebben ze inderdaad een gruwelijke en traumatische ervaring die hen de rest van hun leven zal achtervolgen.

    Deel vier is door (de dode) Rosario verteld in het ik-perspectief. Levendig en uitgebreid beschrijft ze haar jeugd en haar aandeel in De Orde en dat  van haar ouders en familie. Ze vertelt over de ontdekking van het eerste medium in Afrika. Over haar studie in Londen en vriendschap met David Bowie wiens magische androgyne persoonlijkheid een dubbele energie zou hebben en grote aantrekkingskracht op De Orde. Sowieso gaan de ‘ingewijden’ homoseksuele verbintenissen niet uit de weg, omdat het dualisme zou duiden op onsterfelijkheid. Rosario’s studietijd in Londen gaat gepaard met veel seks, drugs en rock & roll ten tijde van de dood van Brian Jones, oprichter van The Rolling Stones. Details die het verhaal een hoog geloofwaardigheidsgehalte geven, maar er niet echt toe doen. 

    Terug naar de grootouders

    Deel vijf is het verslag van journaliste Olga Gallardo. Zij bezoekt het massagraf Zañartú dat in 1993 wordt geopend in de buurt van Misiones. Hier ontmoet ze de moeder van een van de verdwenen kinderen, die verwant aan De Orde blijkt te zijn, maar zich van de familie heeft gedistantieerd. Gallardo wil haar verontrustende ontdekkingen publiceren, maar wordt daarin tegengewerkt en ze pleegt uiteindelijk zelfmoord.

    In het laatste deel zijn we weer bij het perspectief van Gaspar en zijn vrienden. Hij is inmiddels een jonge adolescent en wees. Hij woont bij zijn oom Luis, de broer van zijn vader, in een buitenwijk van Buenos Aires. Het land verkeert in een economische crisis. Er zijn weinig financiële middelen. Gaspar echter krijgt een toelage van zijn moeders ouders. Iedereen vindt hem sympathiek maar hij is ook duister en worstelt met het grote trauma dat hij in het spookhuis opliep en met de mystieke gave die hij van zijn vader heeft ontvangen, waarvan hij niet weet wat die precies betekent. Dankzij een aantal toevalligheden ontdekt Gaspar dat alles is terug te leiden naar zijn grootouders. Hij was een kind toen hij daar voor het laatst was, maar nu wil hij hun verhaal en de waarheid horen en hij gaat op zoek naar de familie. 

    Te veel herhaling en uitleg

    Ons deel van de nacht is een huiveringwekkend en indringend boek. Enríquez schrijft toegankelijk maar ook uitgebreid. Herhalingen en uitleg zorgen voor ruis, en zaken die er niet echt toe doen krijgen veel aandacht. Vooral deel drie met de jonge kinderen is niet bijster interessant. Bij Rosario’s deel wordt het allemaal weer boeiend en groei je meer in het verhaal, ook omdat steeds meer stukjes van de puzzel gelegd worden. Gaandeweg raakt de lezer volledig op de hoogte van wat er aan de hand is. Dat Gaspar, met hulp van zijn vrienden Pablo en Vicky, zelf moet ontdekken wat De Orde inhoudt, verhoogt de spanning, maar uiteindelijk eindigt het verhaal tamelijk voorspelbaar. 

    Deze vertelling is één grote metafoor voor een gruwelijk stuk geschiedenis van Argentinië. Knap bedacht, maar er zijn wel wat haken en ogen. Het verhaal is veel te lang en sommige details zijn niet wezenlijk. Niets wordt aan de verbeelding van de lezer overgelaten, vrijwel alles wordt uitgelegd. De taal is toegankelijk, maar er zijn nauwelijks mooie zinnen en de personages blijven wat karikaturaal. De geweld- en horrorscènes zouden beter geschreven zijn door bijvoorbeeld Stephen King. 

    Enríquez heeft met dit boek, al had ze veel van de inhoud al eerder verwerkt in haar korte verhalen, een poging gedaan om de geschiedenis op een verrassende en nieuwe manier te brengen. Wie van mystiek, horror en fantasy genres houdt, zal zeker niet teleurgesteld worden.  

     

     

  • Chroniquer van de Wallen terug met wijdlopige thriller

    Chroniquer van de Wallen terug  met wijdlopige thriller

    Liefhebbers van literaire thrillers kunnen wellicht plezier beleven aan de roman 23 seconden van Kees van Beijnum. Houd je niet van dit genre, laat deze roman dan aan je voorbij gaan. Kees van Beijnum brak in 1995 door met Dichter op de Zeedijk, een semi-autobiografische roman over zijn jeugd op de wallen in de jaren zestig en zeventig. Zijn moeder was uitbaatster van een hotel daar. De jonge Constant Wegman uit Dichter op de Zeedijk heeft literaire aspiraties en voert gesprekken met de zeventiende-eeuwse dichter Joost van den Vondel die hem voorbereidt op het auteurschap. In 23 seconden is de dertiger Anne van plan een boek te schrijven over haar jeugd op de wallen in de jaren tachtig en negentig, wanneer de gezelligheid van weleer heeft plaatsgemaakt voor junkieverdriet.

    Het boek opent met een scène waarin Anne aan de Instagram table van een Amsterdams café moed zit te verzamelen om sinds lange tijd de buurt te betreden waar ze is opgegroeid. De lezer krijgt meteen te lezen dat zij een boek over haar vermoorde moeder gaat schrijven omdat zij, (net gescheiden) geld nodig heeft. Dat de uitgever beter is in onderhandelen dan zij, dat haar moeder is vermoord toen zij zeventien was (‘wie had kunnen denken dat een dode hoer meer waard is dan levend’) en dat zij een vriendje had van wie de moeder een hotel op de Zeedijk uitbaatte.

    Telling en Showing

    Wanneer zij zich vervolgens door een groep Aziatische toeristen als ‘een bange verstekeling de grens over [laat] smokkelen’, wordt ze voor de voormalige bakkerswinkel bevangen door duizeligheid en krijgt het gevoel flauw te vallen. Ze leunt tegen een muur om bij te komen, zich afvragend waarom ‘de aanblik van dit even onschuldige als luisterrijke pandje’ zo’n hevige uitwerking op haar heeft. 

    Een opening die menig lezer zal afschrikken om de overige 380 pagina’s tot zich te nemen. In gedachten lepelt de hoofdpersoon de belangrijkste ingrediënten van het verhaal op, maar doordat deze verhaallijn niet als terugblik gebracht wordt, is het nogal vreemd dat iemand in zichzelf zit te vertellen wat de voorgeschiedenis is en waarom zij zo de wallen gaat betreden. Alsof de schrijver zich realiseert dat dit wel erg veel telling is, moet de lezer nu door showing (de duizeligheid) ervan doordrongen worden dat de jeugd van de hoofdpersoon diepe wonden heeft geslagen. Het beeld lijkt rechtstreeks uit een slechte B-film te komen en wat de hoofdpersoon zich afvraagt is ronduit bespottelijk. 

    Wie denkt dat dit jeugdtrauma vervolgens boeiend wordt uitgewerkt, komt bedrogen uit. De hoofdpersoon gaat de moord van haar moeder onderzoeken en doet dat onverschrokken; als een echte rechercheur bezoekt zij hoerenlopers, junks, tattoo artists, duivelaanbidders, psychiatrisch patiënten en gebrouilleerde familieleden zonder dat luisterrijke en onschuldige gevels voor veel duizelingen zorgen. Die komen voor rekening van de lezer die een eindeloze stoet aan bezoekjes en gesprekken moet verteren.

    In een interview vertelde Van Beijnum dat hij ooit een vriendje had wiens moeder de hoer speelde en dat hem dat kennelijk nooit heeft losgelaten. Dit vriendje zal dan niet model hebben gestaan voor hoofdpersoon Anne, daarvoor wordt zij te schematisch en clichématig opgevoerd. Conform de hoofdpersonen van literaire thrillers van Saskia Noort, Esther Verhoef, Suzanne Vermeer etc is zij een witte dertiger in een moeilijke fase (doorgaans door een moeilijke jeugd, verborgen verleden, scheiding, gevaarlijke man of een combinatie daarvan) die te veel geld uitgeeft aan mooie schoenen als het even te veel wordt of gewoon om lekker te ontspannen een fles witte wijn opentrekt, en natuurlijk naar een spannende maar toch lieve man hunkert. Een vervelend stereotype. Dat Van Beijnum maar meteen alle ingrediënten voor de moeilijke fase in het boek heeft gestopt, maakt het boek nodeloos wijdlopig zonder dat het ervoor zorgt dat de hoofdpersoon meer diepgang krijgt.

    Vermakelijk als chroniqueur van de Wallen 

    Wellicht dat het jeugdvriendje van Van Beijnum model heeft gestaan voor Haantje, de buurjongen van de hoofdpersoon die voor de moord op haar moeder is veroordeeld. Hij stuurt haar oude dagboekfragmenten toe zodat we ook vanuit zijn perspectief lezen wat er begin jaren negentig gebeurde. Dit personage is een stuk interessanter: zoon van een Leger-des-Heilssoldate en tegelijkertijd timide en onbeholpen, maar ook ondernemend en moralistisch, op het fanatieke af. 

    Dit belet hem niet om als klusjesman te gaan werken voor de bad guy die gemodelleerd is naar Maarten Lamers die in de jaren tachtig magister templii van de Satanskerk op de Oudezijds Achterburgwal was. Dit is de beste kant van het boek: als een modern soort exotisme kan de lezer zich vermaken met al die vreemde types die de wallen bevolken, deels dezelfde als in Dichter op de Zeedijk. Dan is Van Beijnum als chroniqueur van de Wallen vermakelijk. Tegelijkertijd is ook merkbaar dat hij er al lang niet meer woont: over de Wallen van nu komen we niet meer te weten dan dat ze erg toeristisch zijn, wat tot in den treure wordt herhaald en benadrukt.

    Jammer dat het boek op teveel gedachten hinkt (en een tijdsbeeld van de Wallen willen schetsen en iets met dat jeugdvriendje willen doen en een thriller willen zijn) en aan overdaad ten onder gaat. Als Van Beijnum zich had beperkt tot Haantje en de randfiguren was het een beter boek geworden. Nu moet de lezer 380 pagina’s door voor de obligate verrassende wending waarna de puzzelstukjes rond de moord op Anne’s moeder op hun plaats vallen.

     

  • Verhelst voert metaforiek tot het uiterste door

    Verhelst voert metaforiek tot het uiterste door

    Op de titelloze voorkant van de nieuwe bundel Zon van de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) spreekt de afbeelding voor zichzelf. Wat volgt is een lijvige bundel waarin het ene na het andere sterke beeld wordt opgeroepen. Zon is Verhelsts eerste volwaardige bundel na de verzamelbundel Koor waarin hij zijn gedichten herschikte en aanpaste. In de tussentijd verscheen ter gelegenheid van de poëzieweek het geschenk Wat ons had kunnen zijn. Zeven van deze tien gedichten komen in Zon in licht gewijzigde vorm en onder andere titels voor, waaruit opnieuw blijkt hoe soepel Verhelst zijn materiaal recyclet. De bundel heeft een strakke compositie en telt acht delen waarin de zon als metafoor centraal staat. Tussen de delen staan vijf losse gedichten onder de titel ‘Sun Arise’, genummerd 1 t/m 5. Deze zijn elk voorzien van een motto dat ontleend is aan een lied van zanger Phosphorescent; bij elk gedicht verschijnen van de songtekst volgende regels.

    Het is interessant te zien hoe het openingsgedicht ‘Wachten op Godot 1 (Samuel Beckett)’ uit Wat ons had kunnen zijn is omgebouwd tot het eerste ‘Sun Arise’- gedicht. Met een paar minieme aanpassingen gaat het niet langer over toneel (het thema van het poëziegeschenk), maar past het naadloos in de nieuwe bundel. Er wordt niet meer gewacht op ‘jullie’, de nadruk ligt nu geheel op de ‘ik’. Diens verlangen heeft daardoor een (nog) meer existentiële lading gekregen. Verhelst brengt verlangen en eenzaamheid tot mythische proporties door de zon en de zee tot decor van zijn gedichten te maken. 

    Jeugdherinneringen

    In de eerste afdeling ‘Marines’ bevinden we ons aan de kust. Het wordt meteen duidelijk dat het om jeugdherinneringen gaat:

    ‘Juichend renden we de trap op,
     stonden voorovergebogen met ellebogen op de knieën
     te hijgen op het dak, hesen ons op
     de reling, gehurkt tegen de wind in
     kwamen we overeind, spreidden de armen
     om de wereld te redden.’

    De herinneringen zijn scherp, maar lijken ook onwerkelijk: ‘Er moet toch iemand zijn/die ons op het dak zag staan.’ Het leven was nog puur: ‘We hadden nog niemand zien sterven toen’. Waarna het al snel om verlies gaat: ‘Nog altijd/vraag ik me af waar alles wat we niet kregen uiteindelijk is gebleven’. 

    Stille herinneringen

    In de gedichten gaat het vaak om een ‘ik’ en een ‘jij’. Er is sprake van (mogelijk) gemis. De ander wordt soms gezien in een soort droom, zodat elke logica ontbreekt. Zo kan het perspectief voortdurend wisselen: ‘Ik sliep toen je de kamer uitging/Je liep de pier op met je koffer,/maar ik sliep niet meer toen je de kamer uitging/ […] / Toen je niet op de boot stapte,/keek je evenmin over je schouder,/ging je de kamer binnen/waar je naast me lag te dromen/dat je van de boot stapte – is er dan toch een overkant?’ Er worden herinneringen opgehaald aan gelukkiger tijden vol gelukzalige beelden: ‘Herinner je je die bocht waar de platanen als bleekgroene gipsen armen/Ieder apart reden we de hele dag om elkaar in de velden te omhelzen.’ Vaak is er een verlangen naar de ‘thuiskomst’ van de ander, die met veel verbeeldingskracht wordt opgeroepen. Een andere keer dringt de herinnering zich spontaan op: ‘Blijf nu maar weg, dacht ik, je was er al zo lang niet meer, maar/door een gat in de tijd spring je mijn leven weer in’. De ander verschijnt op een sterk zintuiglijke en lichamelijke manier, waardoor die nog meer aanwezig lijkt:

    ‘Laten we naar bed gaan en niet praten. Ik zal de stilte
     in je oogleden wrijven, in de kam van je neus, je hals,
     je borst, je navel, je geslacht, je voetzolen. Zoals toen
     je arm achter je hoofd.

    Soms heb je het gevoel dat je naar huis wil,
    maar je bent al thuis.’

    Veelkleurigheid

    Verhelsts stijl is zeer lyrisch. Hij schildert de meest fantastische beelden in soepel lopende regels:

    ‘Met brood in mijn handen rende ik de branding in tot ik de bodem
     niet langer voelde, trappelend hield ik het brood voor me uit dat zich volzoog
     en in vlokken uiteenviel toen duizenden visjes uit het niets,
     traag wentelende diamanten helix om me heen,
     het brood tussen mijn vingers uit pikten.’

    De gedichten zijn net zo veelkleurig als de zonneschijn: beschreven worden het oranje of de ‘helrode wolken’ van de avondschemering tot ‘een ochtend met lila strepen’. Opgeteld levert dat hele prisma van kleuren wit op: de zon is ogenschijnlijk monochroom: ‘éénkleurmonoliet, fel licht, ijswit’. Je zou het kunnen zien als je in de zon kon kijken. Verhelst speelt met alle mogelijke betekenissen en symboliek: het verlangen naar eenheid, het uiteenvallen van het leven in vele facetten. Dan bestaat er ook nog zoiets als een zonsverduistering: de dichter wijdt er een hele afdeling gedichten aan. De zon is een dankbare metafoor.

    Het is geweldig hoever Verhelst de metaforiek doorzet: de zon is als  de bemaande kop van een leeuw, die weer op een zonnebloem lijkt. Hij laat al die beelden in elkaar overgaan tot ze uiteindelijk in hemzelf samenvloeien. 

    ‘Als een zonnebloem een leeuw is
     op een stengel, stug, ruw behaard,
     de manen felgeel,

     en een leeuw een zon is op vier poten
     met stekelige corona, grillig plasma,
     uitslaande vlammen,

     laat die leeuw dan in mij plaatsnemen,
     eerst leunend op de voorpoten, gehurkt,
     en dan plots overeind, stokstijf.’

    Strategie

    De leeuw heeft ook een negatieve connotatie. Verhelst verwerkt hiervoor onder andere een fabel van De La Fontaine: De wolf en het lam, waarin de wolf verandert in een leeuw en het lam in een schaap. De moraal is dat de sterke altijd van de zwakke wint en alle rede hiervoor moet wijken. De stap naar rechts-populistische politici is dan snel gemaakt. Verhelst bouwt gedichten op uit citaten van N-Va politici Bart De Wever en Theo Francken (oud-staatssecretaris voor Asiel en Migratie) en van Thierry Baudet. Zelf vat de dichter hun cynische, xenofobe boodschap samen in het gedicht ‘STRATEGIE 3 – ontmenselijkt – beleg in angst als kapitaal’, waarin het gaat om ‘wij’ en ‘zij’:

    ‘Als de zij-vos niet te allen tijde bang van is van ons, bestaat de kans dat de zij-vos
     moet worden gevangen omdat hij niet langer voor zijn eigen eten kan zorgen.
     Geef de zij-vos daarom nooit eten, het dier wordt er niet door geholpen.

     Voorzie elke week een ramp. Ontferm je telkens als eerste over het puin.
     Bouw prachtige angstfabrieken. Voer angst in als munteenheid.’

    Het is een verrassende wending in de bundel, die een geheel nieuw thema aanroert, maar door de beeldspraak in dezelfde sfeer blijft. Het laatste gedicht (‘Sun arise! 5’) verwijst naar een demonstratie in Kiev in 2013 waar een jongen oog in oog met de oproerpolitie piano speelde. Het laat zien dat muziek, kunst, en poëzie ons kunnen samenbrengen. Het belangrijkste gevoel dat na lezing van Zon overblijft, is die van hoop.

     

     

  • Hij verheerlijkte de schoonheid van het kwaad

    Hij verheerlijkte de schoonheid van het kwaad

    De schrijver Jean Genet (1910-1986)  leidde een zwervend, stelend en hoererend bestaan. Na elf arrestaties werd hij tot levenslang veroordeeld. Dit werd niet uitgevoerd , omdat een aantal beroemde auteurs als Jean Cocteau, André Gide, Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir een petitie indienden  bij premier Auriol, die hem daarop amnestie verleende. Dagboek van een dief is geen dagboek met data en uren chronologisch vermeld, maar een  autobiografisch verslag van zijn omzwervingen in Frankrijk, Spanje, Italië en België.

    De kleine crimineel

    Jean Genet vertelt zijn avonturen in een mix van een  lyrisch-literaire stijl en straattaal (argot). Zijn verhalen spelen aan de zelfkant van de maatschappij in de jaren dertig van de vorige eeuw en gaan over hoe hij tot de verheerlijking van het kwaad gekomen is. Hij wijdt dit aan zijn geboorte uit een buitenechtelijke relatie en dat zijn moeder hem na zeven maanden heeft afgestaan. Via een weeshuis komt hij als pleegzoon bij een familie in de Morvan. Als er iets gestolen is, rust al vlug de verdenking op hem. Dat geeft de doorslag om op zijn elfde de door hem geromantiseerde kant van de kleine crimineel op te zoeken. Wanneer hij op zijn negentiende in de gevangenis zit,  ontsnapt hij om in het Vreemdelingenlegioen te dienen.

    Vanaf 1942 schrijft  Genet autobiografische boeken, waarin de bourgeoisie belachelijk wordt gemaakt en diefstal verheerlijkt.
    ‘De verveling van mijn dagen in de gevangenis maakte, dat ik mijn toevlucht zocht in mijn vroegere leven, ook al was het zwervend, grimmig of armoedig. Later, toen ik vrij was, bleef ik schrijven om geld te verdienen. Voor een idee van een literair oeuvre haalde ik mijn schouders op.’ 

    Geromantiseerde werkelijkheid

    In Dagboek van een dief beschrijft Genet niet alles zoals het werkelijk gebeurd is. Sommige dingen worden mooier beschreven dan het was, andere gebeurtenissen worden weggelaten. De originele manuscripten konden toentertijd niet integraal worden uitgegeven, vond uitgever Gallimard. Er zaten te kruidige homoseksuele passages in, die destijds (nog) niet acceptabel waren. Op dit stuk doet de roman gedateerd aan, want we hebben na de oorlog veel kunstenaars gehad, die de burgerij geschokt hebben en homoseksualiteit is in Nederland sinds Gerard Reve in de jaren zestig in de literatuur geaccepteerd geraakt.

    Als redacteur bij een literair blad ontdekte Jean Cocteau de schrijver Jean Genet. In 1943 verscheen zijn eerste roman Onze Lieve Vrouwe van de Bloemen. Genet schreef zijn romans tussen 1942 en 1948, en vaak in de gevangenis. Hij schreef ook avantgardistische toneelstukken als De Meiden (1947) en Onder Toezicht (1949). Zijn artistieke en morele credo komt duidelijk in zijn werk naar voren: schoonheid ontspringt uit het lelijke en abjecte, moordenaars worden door hem vergeleken met heiligen en monniken. Het is haast onbegrijpelijk hoe hij erin geslaagd is zijn ervaringen in een lezenswaardige, literaire stijl te kunnen opschrijven. Wel is bekend dat hij als een bezetene Kafka, Dostojevski, Proust en Gide las.

    Geëngageerde teksten

    De criminelen waar hij mee optrok, bewonderde hij om hun krachtige en erotische uitstraling. Eén van de vaste trucjes van hem en zijn vrienden was dat een  jongeman met een rijke, oude man meeging en een derde dan de man overviel, soms chanteerde.
    Op het eind van zijn leven publiceerde hij niet meer. Hij koos partij voor The Black Panthers beweging en de Palestijnen. Waarvoor hij nog enkele geëngageerde teksten voor hen schreef.
    In 1986 werd Genet begraven in Larache, in Marokko. Zijn graf richt zich enerzijds op de voormalige Spaans-Marokkaanse gevangenis en anderzijds op een bordeel. Het is goed dat De Bezige Bij dit werk als klassieker opnieuw heeft uitgegeven, het geeft een goed tijdsbeeld van de Franse literatuur van na de Tweede Wereldoorlog. En alleen al om zijn poëtische stijl, is het waard dit boek te lezen.     

     

  • Omnibus 

    Omnibus 

    Het klinkt als een mantra door mijn hoofd, al weken. Steeds wil ik zeggen ‘weet je wat ik zou willen?’ Maar eerst moeten er koffiebonen gemalen, het espressopotje op het vuur gezet, havermelk schuimen, luisteren naar berichtgevingen uit de krant die vanaf de keukentafel worden voorgelezen. Er was een stil verheugen, alsof het een geheim was. Zoals een exceptioneel goed boek dat weinig bekend is, wel ‘best kept secret’ wordt genoemd. Ik denk eraan als ik een zwerver in het park tegenkom, of een vrouw alleen, die me op een bepaalde manier in haar verschijning bekend voorkomt, of een man die zichzelf in een huwelijk achterliet. Dan denk ik aan de verhalen van Sanneke van Hassel.
    Het verhaal van een Kaapverdische man, die zijn dromen in de jaren dat hij als buschauffeur in Nederland werkt, ziet vervliegen.  Naarmate hij meer verlangt naar zijn familie, het strand, de oceaan, waar hij opgroeide, hoe afweziger hij wordt.

    Alleen ging hij nog wel eens terug, hoefde hij maar een ticket te kopen, nu vier, voor zijn vrouw en twee kinderen. Op een dag komt er een oude vrouw de bus in. Ze heeft vingers als ‘stokjes’ en een ‘papierdunne huid’. Ze gaat naast hem staan, kijkt afwezig mee door de voorruit. Hij vraagt zich af, terwijl ze langs de buitenwijken rijden, of ze verlangt naar de velden van toen waar nu huizen staan. Hij verzint in haar een bondgenoot in het verlangen naar vroeger. Als hij ‘s avonds laat thuis komt, zegt zijn vrouw ‘Ik heb naar tickets gezocht.’ Maar het is te duur.
    Of dat verhaal over een buurt waar families met uiteenlopende achtergronden wonen. De boel staat op scherp, door de gebeurtenissen en door hoe de schrijver, zichzelf corrigerend, het vertelt.

    ‘Op straat, voor ons huis, lag een zwarte scooter op zijn zijkant. Ernaast stond een jongen jammerend voorovergebogen, met zijn handen op zijn knieën. Hij had donker haar, een smal postuur en hij droeg een wit trainingsjack. Een Marokkaan, dacht ik.’ En dan: ‘een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan.’ Verderop in het verhaal schrijft ze, ‘ wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen?’
    En er is dat bejaarde Amerikaanse stel, hun huwelijk versleten, dat naar Europa reist. ‘Nooit had hij behoefte in het verleden te graven. Tot vorig zomer, onder de magnolia vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Na afloop ging hij nog even in de serre zitten. In het schemerdonker, tussen de lege glazen van de gasten, stond de foto van zijn vader (…), de stuurse mond, de harde blik.’ Dan, met barse stem tegen zijn vrouw, ‘Ik wil erheen. Naar de stad waar mijn vader vandaan komt.’, en ze gaan.

    Wat ik dus wil zeggen, is dat ik droom van een omnibus met alle verhalen van Van Hassel. Zo’n kilo wegend verzamelboek, net als Alice Munro en Clarice Lispector, want zo goed zijn de verhalen van Van Hassel. Je wilt ze allemaal hebben.

     

    Citaten uit: Nederzettingen van Sanneke van Hassel / De Bezige Bij


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

  • Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Een nieuwe bundel van Anneke Brassinga is op voorhand een belevenis. Vijf jaar na Het wederkerige (2014), een tijdspanne waarin ze twee essaybundels publiceerde – Grondstoffen, (2015) en Hapschaar, (2018) – verscheen haar elfde dichtbundel, Verborgen tuinen. Wat een sfeervolle en raadselachtige titel is. Tuinen zijn werelden op zich vol zintuiglijke sensaties en hier gaat het ook nog eens om verborgen tuinen: een mooi beeld waarin de fascinatie van de dichter voor de natuur is vervat en haar voorkeur voor het raadselachtige. De vraag die Brassinga zich voortdurend stelt is hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. ‘Verborgen tuinen’ zijn ook de gedichten zelf, vanwege hun enigmatische karakter en bijna natuurlijke schoonheid.

    Reeks en haiku’s

    De bundel opent nogal onconventioneel met een reeks foto’s die Brassinga in Berlijn maakte en die ze becommentarieert met haiku’s. Dit levert mooie observaties en mijmeringen op met een symbolische lading. Bijvoorbeeld bij een foto van een met een naakte vrouw beschilderde schutting: ‘Mensen – door muren, / vanachter schuttingen – zij / herrijzen blijvend’. Door de gedichten worden het ook voor de lezer sterke ervaringen. Brassinga heeft oog voor het alledaagse en ziet in het lelijke het schone. Een reeks die vanwege de zintuiglijkheid goed aansluit bij de rest van de bundel.

    Composities en muziek

    Behalve over kijken gaat het in Brassinga’s poëzie ook over luisteren, over muziek. De kleuren van de bomen in het openingsgedicht van het tweede deel ‘De geheime tuin’ worden beschreven als geluiden: ‘Nog tweedgroen, discreet lispelend, staan ze pal achter Ting-Jie, / Miss Gingko, die rijk en sierlijk boven het gepeupel uit /gouden fanfare zou zijn als kleur klinken kon’. Taal die door de alliteraties ook zelf zingt. Later in de bundel zijn er rechtstreekse verwijzingen naar componisten als Bruckner en Rachmaninov, waarbij de muziek weer in verband wordt gebracht met de natuur. Cultuur en natuur blijken dan op gespannen voet met elkaar te staan:

    ‘Een olifant ontwaakt in het hiernamaals van ivoren toetsen –
    slagtanden getemd maar welk ondier wil ooit leren
    musiceren? En ook van nature fijnzinnig trillende rimboebomen
    zijn omgehakt, als lijk, met hoogglans gelakt, diep in hun pit
    tegen elke dressuur gekant’.

    Vergankelijkheid

    Brassinga benadrukt vaak het eeuwige en cyclische karakter van de natuur: ‘Het lijkt of ik u ken uit een vorig leven; / was het Tiergarten, toen we allemaal gekapt werden/ voor brandhout in die oorlogswinter,/ of Boeddha’s hertenpark?’ Maar hoe zit het dan met de mens? ‘Als iets geboren is, geleefd heeft/hoe kan het dan/ ooit nog ontsnappen aan de wereld/ en de hemel eromheen (..)?’ schrijft ze in ‘De geheime tuin’, een in memoriam waarvan er trouwens meerdere in de bundel voorkomen. Tegelijkertijd wordt de sterfelijkheid en nietigheid van de mens sterk ervaren. De tegenstelling tussen dood en terugkeer, vergankelijkheid en eeuwigheid, komt in de hele bundel terug.

    Bespiegelingen

    Waar de mens zich van de natuur onderscheidt is de verbeeldingskracht: ‘ (…) omdat de schepper / heeft vergeten de natuur lofprijzing in te geven / zitten wij ermee: hiertoe op aarde te zijn – als onnatuur / geschapen zijn voor de kunst.’ De mens is een schepper, hoewel dat scheppingsproces niet te beschrijven valt: ‘Scheppen hult zich in roes / van klaarte; geen mens die het navertellen kan.’ Het mooie is dat Brassinga’s poëzie geen antwoorden geeft. De dichter bespiegelt, bevraagt, twijfelt hardop. De lezer kan hier vervolgens zelf zijn of haar gedachten over laten gaan.

    Door de melancholieke toon lijkt de poëzie aan de zware kant. ‘Wie kon weten dat een toekomst eerder sterft dan wij?’, vraagt de dichter zich bijvoorbeeld af in ‘Nostalgie’. Er is soms zelfs een romantische flirt met de dood. ‘Daarom, Heer, geef mij een gat in de grond’. Maar er is ook lichtheid en humor. ‘In een dorre woestijn kan een appelboomgaard heilig zijn – maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/drinkyoghurt in de aanbieding, én een hulplijn/voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?’ Die tegenstelling tussen ernst en lichtvoetigheid zit ook in de vorm.

    Experimentele vormen
    De gedichten bevatten vaak archaïsche of ronduit onbegrijpelijke taal (‘verkorven’, ‘geprotuberanst’), statige neologismen (‘parelschommelende’, ‘geestvonkatoom’) en ingedikte regels vol inversies, waardoor de gedichten soms moeilijk te volgen zijn. Maar Brassinga gebruikt ook de dialoogvorm, klanknabootsingen, (‘oewaaah-argh’, het geluid van een ‘brullustige zeeleeuw’), of dialect (in het zeer geestige ‘Dûh Jögd’, over de jeugd van tegenwoordig).

    Naast de soms onnavolgbare taal, vormen ook de vele literaire verwijzingen en citaten een uitdaging. Het is een sport op zich deze te plaatsen, waarvan de verwijzingen naar Brassinga’s grote held Leopold nog de makkelijkste zijn – zeker het overbekende ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, die natuurlijk vanwege de bomen niet mocht ontbreken. Aan het eind van de bundel staat een hele rij namen van dichters die in de bundel zijn terug te vinden, zoals Mallarmé, Gorter en Nijhoff. Dus lezer, op zoek!

    Vertaalde gedichten

    Net als in haar vorige bundels heeft Brassinga enkele vertalingen opgenomen: gedichten van Walt Whitman en van de moderne Tiroler dichter Oswald Egger die vanwege hun thematiek  – de relatie tussen mens en natuur – en natuurlyriek naadloos aansluiten op Brassinga’s eigen poëzie. De bundel sluit af met een ‘gedichtenduet’ met dichter-vertaler Piet Gerbrandy, door Brassinga in gang gezet naar aanleiding van Gerbrandy’s vertaling van Boëthius’ Troost in Filosofie. Gedichten die een behoorlijke kennis van de context en veel inlevingsvermogen vragen.

    Bezielde taal

    Maar vooral staan er in deze bundel weer prachtige gedichten, die opvallen door taal en bezieling. Muzikale gedichten van grote schoonheid. Dat je hiervoor niet per se moeilijke woorden, of doorwrochte regels hoeft te gebruiken, laat de dichter evenzo zien, zoals in ‘Restanten, relieken’, met een direct herkenbaar inzicht:

    ‘Hier was het en het is er niet meer toch?
    Met hoe weinig kunnen we volstaan in dezen?
    En is het dan concreet of huist het juist niet

    In aanwijsbare tekens? Dat ene dorre blad
    Is heengewaaid, en de dennenappel die precies
    De plak markeerde – opgegeten? Voortgeschopt?’

    Brassinga bouwt met Verborgen tuinen onverstoorbaar verder aan haar eigen universum en blijft onverminderd verwonderen en intrigeren. Dit zijn tuinen om nog lang in rond te dwalen.

     

  • Zingende gedichten onovertroffen in hun beeldspraak

    Zingende gedichten onovertroffen in hun beeldspraak

    Yannick Dangre (1987) behoort tot de jongste dichters uit het Nederlands-Vlaamse taalgebied. Al op de middelbare school werden enkele van zijn gedichten gepubliceerd in onder meer Het Liegend Konijn. In 2005 schreef hij een bundel Franse pastiches, getiteld Le diable déchu (De gevallen duivel).  Zijn eerste oorspronkelijke bundel Meisje dat ik nog moet werd genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs en won in 2015 de Herman de Coninckprijs.

    Oorlog in een bootje
    En nu is zijn derde gedichtenbundel verschenen, Nacht en navel. Een titel die meteen de Duitse uitdrukking bei Nacht und Nebel in herinnering brengt die vertaald kan worden met ‘heimelijk’ of ‘met de noorderzon vertrekken’. ‘Nacht und Nebel’ was ook een speciale strafklasse die Hitler tijdens de Tweede Wereldoorlog liet instellen om verzetsmensen spoorloos te laten verdwijnen. Voor beide interpretaties valt iets te zeggen bij het lezen van het allereerste gedicht van de bundel, Naamloos, waarin de dichter getuige is van de pogingen van vluchtelingen om de overtocht naar het vasteland van Europa te wagen: ‘Ik zie het wel, / hoe ze elke avond scheepgaan / in onze tv en hun bootjes volproppen / met oorlogen en de godsgruwelijke hoop / die elke ochtend weer uitbreekt in hun hoofd.’

    Navel aan navel
    Maar ook zonder de vertaling in het Duits is de titel Nacht en navel veelzeggend bij de eerste afdeling van de bundel, Toi tu t’appelles Lolita, waarin de liefde voor een jonge vrouw tot uitdrukking wordt gebracht in zeven gedichten die het samenzijn bezingen van twee naakte lijven in het liefdesspel, navel tegen navel. Waarom de vrouw in kwestie Lolita heet, wordt niet helemaal duidelijk, al lijkt het onwaarschijnlijk dat Dangre – met zijn belezenheid – niet aan Nabokovs onvergelijkbare meesterwerk heeft gedacht. In Dangres poëzie heeft vrijwel alles een betekenis of het is een verwijzing naar iets anders, geen enkel woord staat er zómaar.

    De navel uit de titel doet verder denken aan navelstaren, zoals de twee geliefden doen die slechts zichzelf en de ander zien en de rest van de wereld buitensluiten. Of aan de navelstreng, waarmee de mens vastzit aan zijn oorsprong en die de verbinding vormt met de buitenwereld. De dichter besluit deze afdeling met de laatste regels van het laatste gedicht: ‘Geloof me, mijn lief, er is geen wereld / die zichzelf niet als onze navel ziet.’

    Verklaringen
    De bundel bestaat uit vijf afdelingen van elk zeven gedichten. Het tweede deel is het antwoord op de titel van het eerste: Moi je m’appelle, maar in plaats van zichzelf voor te stellen, laat de dichter zes mensen aan het woord, van wie er vijf een Arabische naam dragen; de zesde is François Hollande, de vorige president van Frankrijk. Alle gedichten zijn geïnspireerd door oorlogen, de vluchtelingencrisis en het fundamentalistisch terrorisme, maar Dangre schrijft niet van buitenaf, maar van binnenuit spreekt hij door de mond van deze mensen. Hij probeert zo een verklaring of tenminste een beweegreden voor hun daden te vinden zonder deze te vergoelijken.
    Als zevende doet Allah zelf in het laatste gedicht zijn beklag over de mensen die zijn naam misbruiken voor hun eigen doeleinden.

    Stairway to heaven
    De derde sectie, Stairway to hell, is een verwijzing naar de titel van het beroemde lied van Led Zeppelin, Stairway to heaven. Het zijn zeven gedichten die vertellen over de dichter zelf en zijn worsteling met zijn talent en of gedichten nog wel bestaansrecht hebben in tijden van politieke onrust en menselijke ellende. Ze sluiten naadloos aan bij de vorige afdeling en maken indruk door hun oprechtheid:

    ‘Hoe kun je, vragen lezers mij wel eens
    met hun beide voeten in de aarde
    van aanslagen, inflatie en betogingen
    tegen elke illusie.

    Ik weet het niet.’

    Verspilling
    Met ironie en zelfspot neemt Dangre zijn eigen dichterschap onder de loep en dwingt zich tot het maken van een keuze, luisteren naar zijn moeder die gezegd had: ‘word geen dichter, maar iets lichters’ of ‘[…] blijven zingen / als dankzij mij ook maar één jonge kerel / de nuances van zijn navel leert lezen.‘ Waarmee het belang van de navel nog weer eens wordt aangestipt.
    In het laatste gedicht komt hij tot de onvermijdelijke conclusie: ‘ieder mens vergooit zijn leven óf zijn talent.’

    Lijdensweg
    Het vierde deel is getiteld Settimana Santa, (Heilige week, Stille week in het Nederlands) de lijdensweek van Christus vanaf Palmzondag tot Stille Zaterdag, de laatste zeven dagen van de vastenperiode in het christendom. De zeven gedichten dragen de namen van de dagen van de week.

    Hier is Dangre heel persoonlijk. Hij toont zich als de zoon van zijn gestorven vader en zijn moeder, de vader van een kind, de geliefde van Julia, de ex van zijn vrouw, de collega van mensen op kantoor. Elk gedicht beschrijft een andere rol waarin verschillende facetten van de persoonlijkheid van de dichter tot uiting komen ten opzichte van de mensen die hem het naaste staan. Allemaal doen ze een aanslag op zijn gevoelsleven met emoties als schaamte, spijt, verdriet, verantwoordelijkheid, tot op zondag, Eerste Paasdag, tenslotte alles samenkomt en oplost.

    Verschrikkingen
    Cidade de deus,
    stad van God, is het laatste deel van de bundel, genoemd naar de gelijknamige film uit 2002 van Fernando Mereilles over de drugsgerelateerde criminaliteit in Rio de Janeiro. (‘If you run, the beast catches. If you stay, the beast eats.’)
    De gedichten voeren van het kapot gebombardeerde Aleppo via Keulen, waar in de oudejaarsnacht van 2015/2016 vele vrouwen aangerand werden, naar Vaticaanstad waar gezwegen wordt over de vreselijke dingen die in andere steden gebeurd zijn. Ook Jerusalem en Parijs komen aan de beurt, om te eindigen in Molenbeek.

    Zingende gedichten
    Tot besluit brengt de dichter buiten de afdelingen, opnieuw een ode aan Lolita. Het verschil tussen dit gedicht en het vorige, gewijd aan Lolita,  is dat dit gedicht melancholie ademt in het besef dat het de laatste keer is dat ze samen zijn en het gevecht tegen de tijd zullen verliezen:

    ‘want van mij zal je niet horen dat ook jij
    ooit onder de hamer van je leeftijd zal gaan
    dat alleen je dochters je nog zullen strelen
    en elk leven eindigt met onbemande tepels.’

    Dangres gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, zo soepel en vloeiend lopen de zinnen. Geen eindrijm of strak metrum, geen dwingende structuur. Gedichten die zingen en onovertroffen zijn in hun beeldspraak. Elk gedicht wordt gekenmerkt door een vergelijking die je bijblijft, een natuurlijke metafoor die als vanzelf ontstaan lijkt te zijn, alsof de beschrijving in de taal van Dangre de enige manier is om de dingen te zien. Een verrijking voor al wie deze bundel leest.

     

     

  • De horzel van Otterspeer: geesteswetenschappen en natuurwetenschappen in conflict

    De horzel van Otterspeer: geesteswetenschappen en natuurwetenschappen in conflict

    Voor bezuinigende beleidsbepalers zijn degenen die zich op kosten van de overheid met kunst en cultuur bezig houden een makkelijk doelwit. Wat leveren die subsidies nu eigenlijk op? Kan het niet wat minder? Wat heb het voor nut? Op deze vragen hebben de culturele instellingen doorgaans geen antwoord dat eenvoudig in cijfers en staafdiagrammen uitgedrukt kan worden. En laten dat nu juist de wapens zijn waarmee de strijd gestreden wordt.

    Maar wie aangevallen wordt verdedigt zich en wie zich echt bedreigd voelt, slaat om zich heen. Misschien is het daarom dat sommigen over kunst en cultuur beweren dat ze niet alleen waardevol maar zelfs onmisbaar zijn in de strijd tegen de oprukkende oppervlakkigheid. Kortom, cultuur is goed, en noodzakelijk voor een goede, algemene ontwikkeling, waarbij steeds vaker benadrukt wordt hoe gezond dit alles is. Kijk bijvoorbeeld eens naar Alain de Bottons School of Life dat niets minder wil dan door middel van kunst en cultuur een beter mens van u te maken. Of sla het boek de boekenapotheek eens open. Hierin worden met verdacht weinig ironie leesadviezen aan medische aandoeningen gekoppeld. Boeken zijn net medicijnen, is het idee. Maar, als boeken zo goed voor mensen zijn, dan kan dit toch niet gelden voor elk boek. Sterker nog, als sommige boeken daadwerkelijk goed zijn voor de gezondheid dan moet het ook mogelijk zijn om boeken te schrijven die slecht zijn voor de gezondheid. En welke boeken zijn dit dan, en wat gaan we er aan doen? …Maar hierover niet nu.

    Wie zich geroepen voelt de kunsten te verdedigen tegen blinde cijferdrift moet zijn pijlen richten op de politici waarvan men vermoedt dat ze enkel in economische belangen geïnteresseerd zijn. Zo iemand is Rob Riemen, oprichter van het Nexus instituut, die meent dat Europa een ziel mist en zich blind staart op uitsluitend economische belangen. Voor hem is Cultuur (ik gebruik expres hoofdletters) de representant van het Schone, het Goede, het Diepe en het Universele.

    Ook Willem Otterspeer is iemand die zich geroepen voelt op de bres te springen om kunst en cultuur, in de vorm van de geesteswetenschappen, de humaniora zoals hij ze noemt, te verdedigen. De strijd binnen de universiteit heeft zo zijn eigen dynamiek. Er zijn discussies over studentenaantallen, bezuinigingsdrift, concurrerende wetenschappers, de keuze tussen meer onderwijs ten koste van onderzoek, publicatiedruk, valorisatie (het direct bijdragen aan iets dat economisch nuttig wordt geacht) etc. Dat het anders moet op de Nederlandse universiteiten is een opvatting die steeds breder lijkt te worden gedragen. Zo is er het initiatief Science in Transition dat o.a. zoekt naar een andere waardering van wetenschap in de samenleving, en afgelopen zomer nog bezetten studenten en medewerkers van de UvA gebouwen van hun universiteit als protest tegen het zogenaamd ‘rendementsdenken’.

    Ook Otterspeer vindt dat de universiteit aan een herijking toe is. Maar hij kiest een merkwaardige vijand in de strijd om… ja, om wat eigenlijk? Gaat het hier om erkenning, geld, aandacht? In elk geval, Otterspeer kiest niet de voorstanders van het rendementsdenken als vijand, maar de natuurwetenschap. Dat lijkt een strategische vergissing te zijn en na het lezen van zijn boekje Weg met de wetenschap, blijkt dat het dit ook echt is.

    In een interview met De correspondent zegt Otterspeer dat hij dit boekje schreef uit ergernis over de natuurwetenschappen. Nu is ergernis zelden gebaseerd op iets wat zich met fraaie argumenten goed laat onderbouwen en ook hier is dit niet gelukt. Met ‘wetenschap’ bedoelt Otterspeer de natuurwetenschappen en hij geeft ze bijna achteloos de schuld van bijna alles dat mis is binnen de universiteit:

    De politiek en haar populisme, getal en toepasbaarheid, het managers-syndroom en zijn voorliefde voor kwantificering zijn ook de universiteit binnengedrongen. En de poort waardoor zij naar binnen kwamen was de wetenschap.

    Bij deze zin vraag je je af of Otterspeer het nu werkelijk meent, of alleen maar aan het provoceren is. Als het laatste het geval is dan ontgaat me wat hij nu eigenlijk wil bereiken. De bewering zelf is op het onzinnige af. Alsof iedere natuurwetenschapper instemt met meer managers, meer kwantificering of zelfs meer populisme. Sterker nog, de natuurwetenschap houdt zich helemaal niet bezig met voorgeschreven regels of wetten. Een natuurwet is niet iets waar men zich aan dient te houden. De voorliefde van managers voor meetbare resultaten heeft dan ook niets met natuurwetenschap te maken.

    Otterspeer beargumenteert de bewering nauwelijks. De natuurwetenschap zou voortkomen uit een steeds verder toenemende rationalisering en dat leidt tot de geciteerde voorliefde voor kwantificering en managers. Hij bevindt zich hiermee op ijs dat niet alleen te glad maar ook te dun is. Het is niet al te moeilijk om toenemende rationalisering aan te wijzen voor een probleem van uw keuze.

    Maar de opmerking over een ‘toenemende rationalisering’ is veelzeggender dan het misschien lijkt. Voor Otterspeer is natuurwetenschap iets dat bijna tegengesteld is aan de geesteswetenschappen. Tussen de twee bevindt zich in elk geval een grote kloof. Otterspeer haalt daarbij uitgebreid de lezing The two cultures and the scientific revolution van C.P. Snow aan. Snow was romanschrijver en chemicus, was bevriend met wetenschappers en ‘intellectuelen’ en merkte tot zijn verbazing dat de twee groepen niet tot nauwelijks met elkaar communiceerden of interesse voor elkaar hadden. Er was volgens Snow duidelijk sprake van twee culturen.

    Het aardige van Snows lezing is dat hij de kloof niet alleen vaststelt maar ook betreurt. In zijn lezing denkt hij na over hoe de twee culturen weer met elkaar verbonden kunnen worden. Otterspeer citeert Snow met instemming maar lijkt ondertussen een heel andere kant op te gaan. In plaats van een brug te willen slaan tussen de twee culturen beargumenteert hij dat het verschil tussen geestes- en natuurwetenschappen fundamenteel is. Volgens hem zijn er twee radicaal verschillende manieren om naar de wereld en ons zelf te kijken. Het onderscheid zou terug gaan tot op de oude Grieken, en dan weet een lezer die zijn klassiekers kent, dat we hier op een fundament gestuit zijn.

    Wie Otterspeers betoog leest, kan bijna niet anders dan concluderen dat de natuur- en geesteswetenschappen onverenigbaar zijn. De enige uitweg uit het dilemma is niet een samenkomst van de twee culturen maar een evenwicht, waarbij de een de ander niet teveel overheerst. Dat is ook de reden waarom Otterspeer roept dat de wetenschap weg moet: om te bereiken dat haar invloed vermindert en dat de geesteswetenschappen weer wat meer ruimte krijgen. Hij pleit vervolgens voor het belang van algemene vorming en de belangrijke rol die hij daarin voor de universiteit ziet weggelegd. Zij moet in haar opleidingen de nadruk leggen op ‘probleemoplossend vermogen’ en kenmerken stimuleren als risicobereidheid, flexibiliteit, zelfdiscipline, behoefte aan autonomie, aan complexiteit en nieuwe ervaringen. (blz. 61) Dat is allemaal goed en wel maar het blijft een raadsel waarom dit dan moet worden gerealiseerd zonder, of in ieder geval met minder ‘wetenschap’.

    Het is moeilijk om te ontdekken wat Otterspeers belangrijke punt nu eigenlijk is. De natuurwetenschappen overheersen en de universiteit moet zijn rol als drager van culturele en algemene ontwikkeling weer terug krijgen. Daarbij prijst hij het Amerikaanse onderwijssysteem (waar wetenschap trouwens uiterst belangrijk wordt gevonden) en houdt een onduidelijk pleidooi voor een nieuwe universiteit, waarbij hij ook rollen ziet weg gelegd voor de krant en de politiek. Dat laatste lijkt een grapje maar is het niet. Science in Transition stelt juist vast dat het vertrouwen van het publiek in de wetenschap nog vele malen groter is dan die in de journalistiek en de politiek. Otterspeer lijkt zich daarmee aan verzakkende fundamenten te willen vasthouden. Het lijkt er op dat hij terug wil naar oude verheffingsidealen maar als dit zo is, dan volgt hij een bijna onnavolgbare omweg.

    Weg met de wetenschap, verscheen in de zogenaamde reeks Horzels dat aanleiding moet geven tot debat. Maar juist als uitgangspunt voor een discussie schiet dit boekje te kort. Men moet eerst graven om te begrijpen wat Otterspeer nu eigenlijk wil.

    In het gesprek met de Correspondent maakt Otterspeer de opmerking dat veel museumbezoekers niet meer weten dat de afgebeelde vrouw in het blauw Maria is. De kunst wordt met dat gebrek aan kennis niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat mag zo zijn, maar iets dergelijks kan men ook zeggen over het gebrek aan kennis over vogels, planten, insecten bij wandelaars. Iedere plantenliefhebber weet wat iemand mist die niets weet van de Nederlandse flora. En wie een idee wil krijgen van hoe wiskundige kennis je leven kan verrijken moet maar eens naar de filmpjes van Vi Hart kijken.

    Otterspeer geeft nog meer voorbeelden van het belang van de humaniora: de geschiedenis van migrantenstromen in de 17e eeuw, en Rembrandts ontwikkeling naar aanleiding van de recente aankoop van de twee pendantportreten. Wat daarbij opvalt is dat het hier steeds om feitelijke kennis gaat, terwijl Otterspeer nu juist betoogt dat ‘zekere kennis’ het domein is van de natuurwetenschap, en dat de humaniora gaan over het onzekere. (Een uiterst ouderwets aandoende bewering overigens.) Men kan zich dan ook afvragen of het onderscheid tussen de twee vormen van wetenschap inderdaad zo fundamenteel is als Otterspoor betoogt.

    Er is nog wel meer kritiek op de geesteswetenschappen mogelijk. Otterspeer klaagt dat zij, om voor volwaardig te worden aangezien, de natuurwetenschappen zijn gaan imiteren. Dat is in zekere zin juist, maar het zijn de geesteswetenschappen zelf die deze keuze lang geleden en bovendien herhaaldelijk hebben gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de wetenschappelijke pretentie van Marx of het toepassen van psychologische en economische theorieën bij de interpretatie van kunst en literatuur.

    Men kan zich daarbij ook nog eens afvragen in hoeverre men met al dat academische gepraat en geschrijf over kunst en cultuur, nu ook iets wezenlijks bijdraagt aan onze algemene ontwikkeling. In veel gevallen heeft het geleid tot onleesbare studies die wel eens heel slecht voor de gezondheid zouden kunnen blijken te zijn.

     

     

  • Pleidooi voor méér Europa

    Pleidooi voor méér Europa

    Thomas Piketty, de man die economie weer relevant maakte met Kapitaal in de 21ste eeuw, bundelde zijn Franse columns onder de titel De slag om Europa. Stevige kost, nogal Frans georiënteerd, en niet al te swingend opgeschreven. Maar ook met een aantal belangrijke inzichten waar Europa (lees: Brussel) niet zomaar aan voorbij zou mogen gaan.

    Met Kapitaal in de 21ste eeuw werd Thomas Piketty in 2014 een van de belangrijkste economen van zijn tijd. Hij had het tij mee in de vorm van een hevige financiële en economische crisis. En hij voegde een geschiedschrijvende dimensie toe aan het economisch discours. Aan de hand van cijferreeksen die eeuwen omspanden betoogde Piketty dat de verdeling van rijkdom aanzienlijk varieert, en dat een al te onevenwichtige verdeling schadelijk is voor de welvaartsontwikkeling. En dat die verdeling tegenwoordig schever is dan ooit. En – klap op de vuurpijl – dat dat onvermijdelijk is, tenzij de overheid ingrijpt. Met de diagnose leverde hij ook suggesties voor de remedie en die waren – zeker voor een macro-econoom – opmerkelijk: minder belasting op arbeid en loon, hogere (en ‘progressieve’) belasting op bezit en kapitaal. Niet wat je verdient maar wat je hebt bepaalt hoeveel je betaalt. En dat alles prettig provocerend gepresenteerd door hier en daar te hinten dat die ouwe Marx het allemaal nog niet zo slecht had gezien. De titel alleen al was genoeg om diehard anti-marxisten de gordijnen in te jagen. En het wereldwijde debat dat Piketty ontketende leverde hem in november 2014 zelfs een uitnodiging op om bij de Tweede Kamer langs te komen.

    Antwoord op het onbehagen
    Piketty raakte vooral een snaar bij iedereen die zich toch al afvroeg of de verpletterende rijkdom van de een geen verband hield met de afgrondelijke armoede van de ander. Of, met andere woorden, de klassieke economische theorie wel gelijk had met haar stelling dat welvaartsgroei alleen mogelijk was door economische groei, en dat herverdeling van rijkdom allerlei perverse effecten oproept. In economenland woedt nog steeds de discussie over de waarde van Piketty’s cijferreeksen en zijn interpretatie daarvan. Wie een helder overzicht van alle rumoer wil, inclusief opinies en opinietjes van bij voorbeeld Arnon Grunberg en Liliane Ploumen, maar ook Nobelprijswinnaars Krugman, Sen en Solov, kan terecht bij de bundel Waarom Piketty lezen, samengesteld door Robert Went van de WRR. Twee recente signalen dat anderhalf jaar na dato het debat nog niet is verstomd: VVD-denktank de Teldersstichting organiseerde op zoek naar een liberaal antwoord op Piketty een uitverkocht symposium ‘Groeien naar vermogen’ en zakenblad Forbes liet onlangs 7 miljardairs aan het woord die ieder op hun eigen wijze het probleem van de welvaartsverdeling aankaarten. En dan zijn er nog de krantenkoppen en tweets over de 1 procent superrijken die 90 procent van alle vermogen bezitten (of de 10 procent die 80 procent van alle hulpbronnen verbruiken, of… vul maar in). Die verwoorden precies het gevoel van onbehagen waarop ‘klassieke economen’ geen, en Piketty wel een antwoord probeert te geven.

    Degelijke didacticus
    Wie het van de meester zelf wil horen maar wordt afgeschrikt door de massieve 690 pagina’s van Kapitaal in de 21ste eeuw kan terecht bij De slag om Europa; een bundeling van 45 columns die Piketty tussen 2008 en 2015 schreef voor het Franse opinieblad Libération. De lezer volgt de ontwikkeling van een aantal van Piketty’s ideeën, die worden toegelicht aan de hand van de actualiteit: de bankencrisis, die langzaam doorlekt naar de rest van de economie, de Griekse schuldencrisis die zich ontrolt, de rol van IMF en de Europese Bank daarbij, en de politieke machtswisseling en beleidsverschuiving in Frankrijk, waar Hollande Sarkozy van het pluche verdreef. Veel Frankrijk en Duitsland (Merkel wordt regelmatig aan de Fransen ten voorbeeld gesteld), maar ook veel algemeen geldende inzichten en opinies. Deels bekend uit Kapitaal in de 21ste eeuw, maar ook rakend aan meer actuele economische worstelingen, en dan vooral die in Europa: belastingontduiking, speculatie met staatsschulden en belastingconcurrentie in de Eurozone; de Griekse schuldencrisis en hoe die met steeds weer nieuwe lapmiddelen werd verlengd; en de overheidsbezuinigingen die – ook in Nederland – de economische crisis hebben verergerd. Piketty heeft geen scherpe pen of sprankelende geest, maar is wel een goed geïnformeerde, degelijke en vasthoudende didacticus. Zo hamert hij er op dat we niet minder, maar méér Europa nodig hebben, juist in het financiële domein en vooral in de Eurozone. Piketty wil een begrotingsunie voor de Eurozone, inclusief een besluitvormend parlement, samengesteld uit democratisch gekozen financieel specialisten, dat beslist over de marges waarbinnen de Euro-staatsschuld zich moet bewegen. Alleen zo kan een einde komen aan epidemische belastingontduiking en staatsschuldspeculatie binnen de eurozone. Geen populaire boodschap in anti-Europese tijden, waar lidstaten serieus overwegen uit de euro te stappen. Maar toch, de doortimmerde apolitieke argumentatie van Piketty zou wel eens effectiever kunnen blijken dan veel gratuite ideologische bevlogenheid. Wat zijn collega-economen er ook van denken.

     

  • Kouder dan sneeuw, zoeter dan suiker

    Kouder dan sneeuw, zoeter dan suiker

    Een dal in de Dolomieten met uitzicht op de prachtige bergtop van de Antelao met gletsjers en eeuwige sneeuw. Het is de vallei van de ijsmakers. Al generaties lang trekken in de lente de Belfi’s, de Zangrando’s, de Toscani’s en de Talamini’s weg uit hun geboortestreek om in Oostenrijk, Duitsland en Nederland ijs te verkopen. Het ijsseizoen duurt tot oktober, in de wintermaanden keren ze terug. De ijsmakers van Ernest van der Kwast (1984) is het relaas van de Talamini’s, een ijsmakersfamilie uit Venas di Cadore. Elk voorjaar openen zij hun ijssalon Venezia in Rotterdam. Giovanni Talamini is de verteller van het verhaal. In meerdere hoofdstukken, met sprongen in de tijd, wordt de familiegeschiedenis geschetst.

    Overgrootvader Giuseppe (‘Beppi’) is de zoon van een houthakker. Hij wordt enthousiast door de verhalen van Enrico Zangrando over ijs dat eind negentiende eeuw in Wenen wordt verkocht: ‘je eet het met een lepel en het smelt in je mond.’ Giuseppe, ‘bedwelmd door de verhalen en de zoete smaken in de koperen bussen van de ijscokar in Wenen’, kan er niet meer van slapen: ‘De deur van de droom was op een kier gezet en hij wilde niets liever dan naar binnen gaan.’

    In de houtzagerij wil hij niet werken: hij wil ijs maken. Met een rieten mand haalt hij sneeuw van de gletsjers op de Antelao. Hij ontwikkelt in zijn draagbare ijsmachine allerlei overheerlijke smaken. Heel het dorp komt zijn ijs proeven. ‘Het is kouder dan sneeuw en zoeter dan suiker.’ Zo wordt Giuseppe een van de eerste ijsmakers van de streek.
    Vier generaties later. Giovanni Talamini zal samen met zijn broer Luca ijssalon Venezia in Rotterdam overnemen. In de zomer helpt hij als vijftienjarige in de bediening. Richard Heiman, directeur van het World Poetry festival, laat Giovanni op het terras van de salon kennismaken met de dichtkunst. Hij leest hem een gedicht voor van de Engelse romantische dichter Shelley: ‘Klein is het hart waarin één liefde gloeit, / De geest waarin maar één gedachte groeit, / het leven dat men aan één doelwit wijdt, / Zijn kans verspelend op onsterfelijkheid.’

    Deze regels maken grote indruk op de jongen, ook al begrijpt hij niet alles. ‘Was de deur van één der kamers, zonder dat ik het had gemerkt, op een kleine kier gezet?’ Richard blijft het terras bezoeken, gedichten voordragen en verhalen vertellen over festivals en mooie stagiaires. ‘Je moet een keuze maken, zei hij toen ik achttien was. /…/ Ga je je leven wijden aan de poëzie of word je ijsmaker?’

    Dat Giovanni kiest voor de poëzie wordt hem door de familie niet in dank afgenomen. Hij heeft niet voldoende talent voor het dichten, wel voor het redacteurschap: ‘Het was magisch om gedichten te lezen die nog niemand anders had mogen inzien, als lopen door maagdelijke sneeuw.’ Luca is de broer die noodgedwongen het ‘lot’ van Giovanni overneemt en ijsmaker wordt. Broer en vader laten hem merken dat ze niet gelukkig zijn met zijn keuze. Het veroorzaakt elke keer een ‘steek’ bij Giovanni. ‘Mijn vader sprak wel met mij, maar in alles wat hij zei gonsde de hoop dat ik mij op een dag weer zou bekeren tot het ijs. Ik was afgedwaald, het was zijn taak mij te laten inzien dat ik de verkeerde beslissing had genomen. Ik had gekozen voor een bestaan zonder de ijssalon, zonder familie. Daar zou ik vroeg of laat spijt van krijgen.’ Luca maakt lange dagen in het kleine keukentje met het bleke tl-licht. Ondertussen klimt Giovanni op van redacteur naar directeur van het World Poetry festival. Hij reist de wereld rond voor internationale festivals. Broer Luca praat jarenlang niet met hem. Maar: ‘De jarenlange stilte had geen betekenis. Stilte was luchtledig. Je kon het gemakkelijk samendrukken, totdat het niets was. Twaalf jaar, elk jaar een sneeuwvlokje dat sublimeerde voor het de grond raakte.’ Giovanni: ‘Ik was zijn oudere broer, ik zou hem altijd helpen.’ Als Luca een beroep op hem doet, staat hij voor de keuze zijn belofte wel of niet na te komen.

    Keuzes maken, daar gaat het over in dit boek. Treed je in de voetsporen van je familie, of wijk je van het uitgestippelde pad af? Van kinderen van ijsmakers wordt verwacht dat zij de ‘spatula’ (ijsschep) en de ijssalon overnemen.

    Knap gebruikt Van der Kwast beeldspraak voor het beschrijven van de twee gletsjers op de Antelao, de Koning van de Dolomieten: ‘ze glinsterden in de zon als een halsketting.’ De oudste ijsmaker: ‘We moeten naar de gletsjer,’ zei Giuseppe. Hij wees naar de ijskoude halsketting om de top.’ Later komt dit terug als: ‘Alles smolt, slonk, sijpelde en verzwond, behalve de sneeuw op de gletsjers, de halsketting die om de top van de Antelao lag.’ Sneeuw halen op de gletsjer wordt verbonden met de bijnaam van de berg: ‘Giuseppe ging /…/ naar de Antelao en roofde sneeuw van de koning.’

    Minder geslaagd zijn de clichématige beschrijvingen van poëziefestivals in het buitenland, met dronken dichters en aantrekkelijke stagiaires. Ook de uitvoerige beschrijvingen van hotelkamers voegen weinig toe. Daartegenover staan de sterke komische dialogen tussen vader Talamini en een Chinees die claimt dat niet de Italianen het ijs hebben uitgevonden, maar de Chinezen. Vermakelijk zijn ook de verhalen over de ruziënde ijsmakers in Italië over wie het lekkerste ijs maakt.

    Dat De ijsmakers een roman is, zou je gemakkelijk kunnen vergeten door beschrijvingen zoals die over slagerij Benali op de West-Kruiskade in Rotterdam. Het fragment spiegelt de situatie van Luca en Giovanni: de hardwerkende ijsmaker onder het tl-licht in zijn keukentje tegenover de reizende poëziebroer. Verteld wordt dat de oude Marokkaanse slager niet meer in de slagerij werkt. Zijn zoons hebben de zaak overgenomen: ‘Maar zijn oudste zoon is schrijver geworden. Hij heeft een aantal romans gepubliceerd, waarvan één een bestseller was, en is naar Amsterdam verhuisd.’ Over de zoon die nu slager is: ‘De slager is bleek als het tl-licht dat boven zijn hoofd hangt, hij is kalend en heeft een postuur dat een enorme kracht verraadt, maar ook vertelt hoe zwaar zijn werk is. Zijn broer heeft een donkere huid, draagt een hippe Italiaanse pet en is fit als een marathonloper.’ Bestaande schrijvers als romanpersonage. Grappig die toevoeging ‘fit als een marathonloper’: Abdelkader Benali schreef De marathonloper in 2007. En in Rotterdam kan Jules Deelder ook zomaar op het terras van ijssalon Venezia plaatsnemen. Een mooi spel van ‘fictie’ en ‘werkelijkheid’.

    De ijsmakers beleefde in korte tijd drie herdrukken. In februari werd de vierde druk opgelegd en in 2016 zal een Duitse vertaling verschijnen. Met De ijsmakers heeft Ernest van der Kwast een heerlijk boek geschreven, over keuzes maken, de schoonheid van poëzie én de lange en rijke geschiedenis van de ijsmakers uit het Italiaanse Cadore-dal. Een aanrader.

     

     

  • Waakzaam – Maarten Inghels

    We verklaarden God dood en in de plaats kregen we Mindfulness’

    De steeds sneller razende wereld is moeilijk bij te benen. In onze onevenwichtige tijd wisselt verongelijktheid af met onzekerheid, nieuwe rampen met wantrouwen. Daarom moeten we waakzaam blijven.

    In Waakzaam ruilt Inghels de twijfel in voor woede en waakzaamheid tegenover het huidige bestel. Immer waakzaam voor het verval, de dood en de liefde schrijft hij evenzeer een aanklacht als een liefdesverklaring. Met scherts en ernst stelt Inghels de afbraak en het verval vast, het afscheid van een geliefde wordt haarscherp in beeld gebracht en de hang naar een nieuw geluid klinkt uit elk gedicht. Een pleidooi voor de sloopkogel en de wederopbouw.
    Met Tumult schreef Inghels poëzie die in het hier en nu geworteld is. Waakzaam brengt branie en bravoure. De gedichten in deze nieuw bundel gaan als mokerslagen nog harder in tegen de onverschilligheid, de verwarring en orakeltaal.

    Waakzaam / Maarten Inghels
    ca. 80 blz.
    ca. € 19,95
    Verschenen bij: Bezige Bij Antwerpen