• Schitterende gedichten in het donker

    Schitterende gedichten in het donker

    Op Instagram ging een filmpje rond van conducteur Robbert die positieve boodschappen verkondigt op het traject Amsterdam Utrecht. ‘Beste reizigers, een leven zonder liefde is als een landschap zonder zon. Daarom is het van belang van uzelf te houden. Ik wens u een geweldige dag.’ Het was zo’n dag dat ik overwoog een reis naar Amsterdam, en vandaar naar, nou ja, Utrecht te ondernemen. Zover was het met mij. Ik zocht compassie, gevleugelde woorden. Ik zocht naar poëzie. Maar ik moest de andere kant op, met de intercity richting Zwolle.

    Onderweg naar het station fietste een oudere, stevige vrouw met een hand aan haar capuchon tegen het afwaaien me tegemoet. Het was de vrouw met het gesloten gezicht die ik wel vaker door onze straat zag gaan. Terwijl ze worstelde tegen de wind, ik met wind in de rug over het trottoir ging, haar stevige benen de trappers verwoed neerdrukten, riep ze plots,‘Kut! Wat een rotweer’. Als van iemand in wier leven alles tegenzit, en dan ook nog dit stormachtige weer. Toen zag ze mij. Hoe haar gezicht zich weer sloot, zoals ik haar kende. 

    Er zijn van die dagen dat er met grote overgave wordt toegegeven aan ons eigen ongelukkig zijn. Dagen dat er een groot verlangen is naar schoonheid, naar relativering, naar in godsnaam, poëzie. Mocht alles zich vertalen naar poëzie om de draaglijkheid der dingen. Dichtregels op muren geschreven, in treincoupes, op winkeldeuren en melkpakken. Regels die de aandacht vragen, iets te vertellen hebben, zich in je hoofd nestelen als een jong vogeltje, dat op een dag uitvliegt. En wat Babs Gons over die overgave aan de ongelukkigheid dicht.

    ‘soms wil je gewoon je hoofd op de aarde leggen
     je vuist naar de hemel heffen
     de tranen laten komen en zeggen
     het is zeker omdat zwart, wit, vrouw
     dik, dun, te groot, te klein
     te lief, onaardig
     omdat ik leleijk, eerlijk
     direct, poëtisch, welbespraakt
     te zichtbaar, onzichtbaar
     kwetsbaar
     onbegrepen, geprezen
     arm, trots en confronterend ben?
     daarom zeker?’

    Op het beeldscherm in de intercity’s van de NS verschijnt sinds maanden een intrigerende boodschap. ‘Mensen die hun afval weggooien maken meer leuke dingen mee.’, (zonder komma). Een regel als een niet te kraken noot, hoe vaak ik het ook in me liet rond liet gaan, er kwam niets uit dat me een ‘aha’ gevoel gaf. Duidelijk is dat de NS wil dat afval in de daarvoor bestemde bakken terechtkomt. Maar van ‘ maakt meer leuke dingen mee’ kon ik niets maken. Ik dacht, zet er een dichter op. Wat is er mis met echte poëzie. Zoals deze regels van Willem Hussem, en dan op een scherm.

    ‘jij rijdt op een bruin paard
     ik op een wit
     eender is ons verlangen’ 

    Geef de leesmoedigen een tekst waaruit zich een betekenis vormt die het leven begrijpelijk maakt. Woorden die iets teweegbrengen, het schone verspreiden, de liefde. Ach, en wie om liefde en verlangen geeft, heeft aan de beginregels van ‘Honderd visjes’ van Floor Tinga genoeg om bij weg te mijmeren.

    ‘Het was vrijdag vijf over vijf.
    Ik zag hem op het schoolplein staan.
    Hij zwaaide en zei mijn naam.’

    Of deze van Bertus Aafjes.

    ‘soms keer ik plotseling om en kijk ik schichtig
    of iemand weet dat ik zo van je hou.’

    Allemaal te vinden in de Poëziekalender. Naast de vitamine pillen om de winter door te komen, ter versterking van de geest elke dag een gedicht (vooruit, voor het weekend een), om ontmoediging in moedigheid om te zetten. Het hele jaar door. Liever de liefde is de titel van deze prachtige poëzie scheurkalender. En wie heeft er niet liever de liefde?

     

    Poeziekalender 2025, Liever de liefde / samenstelling Mia Goes en Jos van Hest / beeld Willem Popelier / Plint


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.


  • In memoriam Rob Molin (1947 – 2019)

    Geheel onverwacht is schrijver, essayist en recensent Rob Molin deze week overleden, zo meldde het Limburgs Dagblad. De in Maastricht wonende schrijver overleed in de Senegalese kustplaats Saly, waar hij een paar maanden per jaar woonde en werkte.

    Rob Molin studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1995 promoveerde hij op een proefschrift over de poëtica van Andriaan Morriën. Hij was een verwoed lezer van biografieën, essays en poëzie. Minder bekende of vergeten Nederlandse auteurs hadden zijn speciale aandacht. Dichters als Frans Budé en de essayist Huug Kaleis.

    Naast zijn werk als criticus en prozaschrijver, schreef Molin essays en kritieken voor de Poëziekrant, De Parelduiker – waarvoor hij over Adriaan Morriën, Fred Batten en Bertus Aafjes schreef – en De Gids. Van Morriën en Aafjes publiceerde hij eveneens biografieën. Ook recenseerde hij een tijd voor het Limburger Dagblad.
    Een selectie van zijn beschouwend werk werd in 2012 gebundeld in Terzijde van de vulkaan. Molin schreef twee romans en een verhalenbundel, In zijn tweede roman Najaarshof (2016) figureerden dichters, schrijvers en hun biograaf.
    Hij werkte nog aan een biografie van schrijver en dichter Roel Houwink, van wie hij vorig jaar een essaybundel samenstelde.

    Sinds 2016 recenseerde Molin non-fictie voor Literair Nederland. Hij vond het prettig dat deze recensies het woordenaantal dat gold voor recensies in dagbladen, mochten overschrijden. Elk jaar als hij naar Senegal vertrok, liet hij ons dat weten, dan stond het recenseren even op een laag pitje. Wanneer hij weer in het land was, liet hij ons dat weten. Nadat hij in januari van dit jaar zich had afgemeld, ontvingen we niet, zoals gebruikelijk, een mail dat hij weer in het land was en een boek wilde ontvangen ter bespreking. In oktober stuurden we hem nog een mail om te horen hoe het hem ging. Het bleef stil, tot gister bekend werd dat hij is overleden. Dat spijt ons zeer, we zullen een goed criticus en schrijver moeten missen.

    Rob Molin is 72 jaar geworden en zal in Senegal worden begraven. Dichteres Emma Crebolder, die veel met hem heeft samengewerkt, zal binnenkort een herdenkingsbijeenkomst houden voor hem, zo meldde het Limburger Dagblad.

    Recensies en andere bijdragen die Rob Molin de afgelopen drie jaar voor Literair Nederland schreef, zijn hier te lezen.

     

    Bibliografie

    Aardbeien in september. Verhalen (1988)
    Een dichte liguster. Roman (1992)
    Het heelal in de huiskamer. De poëticale opvattingen van Adriaan Morriën (1995)
    Lieve rebel. Biografie van Adriaan Morriën (2005)
    Over de brug (2005)
    Dat niets meer voorbijgaat. Over het werk van Frans Budé (2009)
    Terzijde van de vulkaan (2012)
    In de schaduw van de hemel. Biografie van Bertus Aafjes (2014)
    Najaarshof. Roman (2016)

    Bloemlezingensamengesteld, ingeleid en geannoteerd door Rob Molin

    Adriaan Morriën, Brood op de plank. Verzameld kritisch proza. 2 dln. Rob Molin (1999)
    Huug Kaleis, Gedreven door verwantschap. Essays over Willem Frederik Hermans. (2006)
    Roel Houwink, Mijn metgezellen. Over H. Marsman, J. Slauerhoff en Gerrit Achterberg. (2018)

  • Zomerboeken 2018 – Reizen zonder landsgrenzen te overschrijden

     

     

     

    Het genre van het reisboek verbinden we meesttijds aan verre landen. Reizen dichtbij huis zonder de Hollandse grens te overschrijden en daarover schrijven, dat deed de in 2015 overleden dichter Hans van de Waarsenburg (1943 – 2015).

    Vaak verwisselde hij zijn woonplaats Maastricht voor zowel Europese landen als voor Amerika, Macao, Puerto Rica en Indonesië. Tussendoor zocht hij Zeeland op. Het strand bij Domburg is het vertrekpunt geweest voor één van zijn mooiste bundels zeepoëzie in de Nederlandse literatuur: Avondlandschappen (1982). Hierin strijden doodsgedachten en drang om te (over)leven met elkaar om voorrang. Het zijn hoofdmotieven in Van de Waarsenburgs werk die in de openingsstrofe van de tweede afdeling in de bundel duidelijk herkenbaar zijn:

    In een Zeeuwse stilte
    daalde de tijd van regen neer.
    Scheef hij eb en vloed
    soms huiverend, maar altijd
    starend, de getijden voorbij

    De vierde en laatste afdeling van Avondlandschappen heet ‘(Sardijns) Avondlandschap’ en eindigt met een catharsis: dood en leven verenigen zich, lopen in elkaar over. De zintuigen van de dichter ‘zijn de zee geworden’ en daarmee krijgt het aardse bestaan een grenzeloze en onsterfelijke aanblik.

    De bundel Avondlandschappen kan vanwege het eigen geluid waarin telkens een niet-Hollandse melancholie doorklinkt als van een fado, in kwaliteit wedijveren met de zeegedichten van Hans Lodeizen en zelfs van A. Roland Holst.

    Van Sardinië dat Van de Waarsenburg aandeed, naar andere eilanden in Italië en zijn vasteland is een kleine stap. Deze gebieden zijn het tweede vaderland geweest van Bertus Aafjes (1914 – 1993), de misschien wel meest reislustige in de Nederlandse literatuur. Behalve een veelbesproken voetreis naar Rome ondernam de eens zo beroemde poëet een tocht in de voetsporen van Odysseus zoals zich die in Homeros’ heldendicht aftekenen.

    Evenals Van de Waarsenburg in zijn reisgedichten blijft Aafjes niet in een oppervlakkige waarneming steken in zijn verslag van het nareizen van Odysseus door Italië. Landschappen, steden en ruïnes inspireerden tot het maken van een ‘papieren’ reis, een reis binnen een reis, een tocht in zijn geest. Aafjes roept in Odysseus in Italië (1962) het klassieke verleden op dat bij alle verschillen met het heden in wezen eenzelfde mens te zien geeft. Betrad Odysseus als zeereiziger aardse gebieden die onbekend en onbemind waren, in 1960 overschrijden astronauten uiterste grenzen in het heelal. Zulke universaliteit staat in Aafjes’ werk centraal. Zij verleent de mens de allure van onsterfelijkheid: zijn leven is in het verleden al vele malen geleid en naar het zich laat aanzien zal het zich na zijn dood blijven herhalen.

    Net zo pregnant komt deze gedachte van de tot boeddhisme neigende katholiek Aafjes (in zijn latere leven bezocht hij vaak Japan) in Goden en eilanden (1959) naar voren. Hierin volgt hij de sporen van Odysseus over land en vooral over zee in Griekenland. Op een van de schepen waarmee hij naar een van de eilanden met sporen van zijn held vaart, wordt Aafjes omringd door eenzelfde slag zeelieden als de mannen van Odysseus. Gefascineerd is hij door het verhaal van een bootsman over het vissen op zee. Het is zó beeldend, schrijft Aafjes,  ‘of het was dat ik luisterde naar verzen uit de Odyssee.’

    De in 1981 verschenen bundel Reisbeschrijvingen van J. Slauerhoff bevat een ruime keuze aan kranten uit bijdragen die tot dan toe ongepubliceerd waren gebleven. Als scheepsarts bevoer hij Zuid-Amerika en het Verre Oosten, gebieden die voor talloze lezers in de jaren dertig van Nederlandse dagbladen en zelfs voor die van Nederlands-Indische uit eigen aanschouwing onbekend waren. Slauerhoff heeft hen deelgenoot gemaakt van het bonte en mysterieuze leven dat hij aantrof als hij zijn ‘varend eiland’ verliet en aan land ging. Niet ontsnapt aan zijn blik het verleden van de vaak veel oudere Europese cultuur. Hoe glorieus en eeuwig de bloeiperiodes in den vreemde ook leken, ze hebben het veld geruimd voor barre, vaak koloniale leefomstandigheden. Een heel andere kijk dus dan Aafjes met zijn ‘vereeuwiging’ van het menselijk bestaan door de verbinding van gemeenschappelijkheden in voorbije levens.

    In korzelige en beeldende zinnen weet Slauerhoff de eigenaardigheden ten voeten uit te schilderen van de bewoners in de vaak exotische gebieden. Zo hebben zich ‘enige kooplieden als amfibieën ontpopt. ‘Zij duiken alles na: sigarettendoosjes, spiegeltjes etc.’ Of: ‘Plotseling komen twintig, dertig, veertig boten, donkergroen of zwart met brullende naakte negers bemand van ’t strand af en in een ogenblik is de zee zwart en rumoerig van kano’s en roeiers.’ En ze slaan zich door de branding met hun boten, ‘korte pagaaien, die uit de verte grote witte handen lijken of drietanden.’

    Slauerhoffs visie in zijn reisverslagen uit de jaren dertig beperken zich overigens niet tot heden en verleden. ‘Misschien komt er een tijd,’ merkt hij zijdelings op, ‘dat iedere toerist zwijgend en zwetend bezig is met eigen filmtoestellen, geluidopnemers en reproductietoestellen […] En misschien komt het nog zover dat men geen toerist meer hoeft te zijn en alles thuis kan zien.’