Na het lezen van Aan het einde van de oorlog van Bert Natter resteert verbijstering, zelfs als je wel zo’n beetje weet wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog in de concentratie- en vernietigingskampen van de nazi’s gebeurde. De verbijstering geldt niet het einde, dat is min of meer bevredigend, maar je verzoenen met de menselijke soort is na het dichtslaan van het boek uitgesloten. Het kwaad is getoond in al zijn facetten.
Het is 20 april 1945, en de verjaardag van de Führer. In een kamp ten noorden van Berlijn, waar tienduizenden vrouwen en een paar honderd mannen gevangen worden gehouden, vergast en verbrand, zal de verjaardag ’s avonds worden gevierd in de Kommandantur, het bureau van de kampleiding. SS-Obersturmführer en hoofdpersonage Karl Zehlendorf heeft een pianoconcert voorbereid, dat iets moet goedmaken van zijn al vroeg uiteen gevallen illusie om concertpianist te worden. Vanuit het westen naderen de Amerikanen en Canadezen, vanuit het oosten het Russische front. De gevechtshandelingen zijn in de verte te horen en komen langzaam naderbij. Dat en de ontknoping van wat er gebeurd is met Karls vermiste zoon Ernst zijn de twee rode draden van het verhaal.
Vijanden van het Rijk
De elfjarige zoon van Karl en Christine Zehlendorf heeft met zijn broer Reinhart gevist aan de oever van het meer. De jongens wonen in een villawijkje buiten het kamp en weten niet wat er binnen het ommuurde kamp gebeurt. Hun vader heeft verteld ‘dat veel mensen in het kamp slecht voor zichzelf zorgen, ze zijn vatbaar voor ziekten en genetisch minderwaardig (…) het zijn nauwelijks mensen, (…) oppervlakkig gezien lijken ze misschien op ons, maar in wezen zijn het parasieten, ongedierte – hun dood is de logische uitkomst van een natuurlijk proces’. Veel van het burgerpersoneel wordt wijsgemaakt dat de vrouwen ‘vijanden van het Rijk’ zijn. De SS’ers noemen hen gegenereerde zeugen, teven, hoeren, verderfelijke zwijnwijven, onnutte vrouwen, enzovoort.
Het verslag – want dat is het – speelt zich af in vierentwintig uur, vanuit de perspectieven van 31 personages. Zij zijn gevangenen, bewakers, soldaten, officieren, of personeel uit het nabijgelegen stadje. In scènes van een paar regels tot een pagina kijken we door hun ogen vanaf de plek waar ze zich dan bevinden naar de gebeurtenissen, in aparte typografie aangekondigd. Zoals EMANUEL VOOR DE HOOFDPOORT; GISELE IN DE GASKAMER; RITA IN DE ARCHIEFRUIMTE; SUZIE IN LOODS 3 VAN HET BEUTEGUT-LAGER. Het lijkt op een toneelscript, alleen zitten we hier in het hoofd van de personages waardoor Natter het kampleven van alle kanten kan belichten. Omdat de scènes iedere keer ophouden om plaats te maken voor een volgende is elk stuk een cliffhanger. Tegelijkertijd vordert het verhaal tergend langzaam, aangezien gedachten en herinneringen van de personages worden geschetst als er nog niets gebeurt.
Reinhart komt thuis, Ernst niet. Verschillende mensen zien Ernst op verschillende momenten en plekken maar niemand praat erover. Christine gaat met dienstmeisje Annemarie zoeken, Karl denkt alleen aan zijn optreden. De Joodse tubaspeler en pianostemmer Menachem is er getuige van en ‘hoopt dat hij zich nooit van zijn leven meer in dat rokerige moordenaarshol hoeft te begeven. (…) ook al heeft Menachem er op een akelige manier van genoten eindelijk weer eens iets moois te horen, na al die jaren van geschreeuw en gekerm.’ Tijdens het feest komt het bevel tot ontruiming van het kamp. Alle bewijzen van wat daar gebeurde moeten vernietigd worden en de gevangenen moeten allemaal weg, voordat Russen of Amerikanen het kamp ontdekken. Ondertussen dringt het tot Karl door dat zijn jongste zoon echt wordt vermist. De lezer weet dan al lang wat er met hem is gebeurd.
Nobelprijs en trots
Met afstandelijke nauwkeurigheid beschrijft Natter de gruwelen. Zoals over Lucienne die uit haar barak wordt gehaald, in een vrachtwagen gezet, na uren rijden in een ander kamp een bad en schone kleren krijgt om daarna dagenlang te worden verkracht door gevangenen van de Freudenabteilung. Lothar haalt een blik zyklon B uit de voorraadkast, zet zijn gasmasker op, klimt het trapje naar het dak van de gaskamer op om het blik boven het luik te legen. Hij hoort het geschreeuw en gekreun. Als het front nadert zal hij met een andere SS’er in een van de mitrailleursnesten de MG42 moeten bedienen.
De Poolse, gezonde Iwona is een van de ‘proefkonijntjes’ van SS-Obersturmführer en arts Lance. Met een grote snijwond in haar been wil hij zien hoe wond en lichaam zich zonder verdere verzorging ontwikkelen. Hij is trots op zijn experimenteel ‘onderzoek’, droomt over de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde. Als hij over vluchten denkt ‘kan hij alleen maar hopen dat zijn patiënten de oorlog niet overleven. Gelukkig zijn er voor hen veel manieren om te creperen: uitputting, verzwakking, gebrek aan schoon water, besmettelijke ziekten, bommen, kogels, ander geweld. Hoe dan ook zullen er niet veel getuigen overblijven.’ De hebzucht die altijd al in hem zal hebben gezeten uit zich in het slopen van gouden tanden en kiezen uit de monden van de lijken.
Karl is trots op zijn werk, de bouw van het kamp, de efficiënte werking van gaskamer en crematorium, al komen er ‘wagonladingen vrouwen bij’ die gaskamer en oven niet aankunnen. Hij is blijven geloven in de eindoverwinning, de opbouw van het Duizendjarige Rijk. Hij begrijpt dat het einde van de oorlog in zicht is, ‘maar het is het verkeerde einde’. ’s Nachts schijnt een zoeklicht over het meer, op zoek naar Ernst. Karl doolt verdwaasd rond. Als ’s ochtends de tankkanonnen vuren en alles verloren blijkt heeft hij kunnen deduceren wat er met Ernst is gebeurd. In een inmiddels besmeurd gala-uniform terug bij Christine en Reinhart neemt hij een onvermijdelijk besluit.
We zien de branie van SS-Scharführer Franz, de ontevredenheid van Christine, de naïviteit van chauffeur Herbert, de wreedheid van kampbeul Eva – nooit te beroerd om een vrouw met haar zilveren zweepje tot moes te slaan -, de gelatenheid van Szymon, de lafheid van SS-Sturmbannführer Hanns.
De Russische sluipschutter Zmitser die voor de tanks uit het kamp verkent, tracht zijn angst te bezweren door Stalin te laten spreken. ‘(…) het gevangennemen van zo’n opperfascist zou een tot de verbeelding sprekende prestatie zijn. Het doden ook. Kameraad Stalin beweert dat je dan niet de lasten hebt, maar wel de lusten.’
Banaliteit van het kwaad
Veel van Natters personages zijn tussen de vijftien en vijfentwintig jaar, vertelt hij (interviews onder meer VPRO Boeken en RTV Baarn). Ze leefden onder een nazidictatuur, zoals een goed opgeleide arts, en leerden vanaf de kleuterschool al de rassentheorie van de nazi’s. Ze kenden alleen een antidemocratisch systeem waarin slechtheid werd beloond, met name in extreme omstandigheden. Hoewel Karl met zijn culturele gevoeligheid een voorbeeld is van Hannah Arendts banaliteit van het kwaad, maakt ook Natter niet inzichtelijk waar het moment zit dat een ‘gewoon iemand verandert in een slecht mens’. Hij begrijpt dat proces zelf ook niet, zegt hij.
Met zijn heldere zinnen, ieder treffend woord op zijn plaats, is Natter een geweldige schrijver en Aan het einde van de oorlog een magnifiek boek. De lezer is getuige van wat de personages meemaken, al doseert Natter de gruwelijkheden tot te behappen proporties. De vergelijking is eigenlijk laakbaar, maar het boek laat zich lezen als een thriller. Wat voor wie het nog niet begrepen had een goede manier is om de ijzingwekkende waanzin van oorlog tot zich te laten doordringen.






