• De hopeloze zoektocht van een existentialist

    De hopeloze zoektocht van een existentialist

    Vreemd hoe grote talenten soms vergeten worden. Daarom is het noodzakelijk om af en toe eens te grasduinen in ons literaire verleden en meesterwerken van onder het stof te halen. Uitgeverij Koppernik bracht Het verbrande kind van Stig Dagerman opnieuw uit. Deze Zweed werd bestempeld als een van de grootste Europese schrijvers ooit, maar belandde in de vergeethoek. In de jaren veertig van vorige eeuw debuteerde hij met De Slang, schreef nog enkele korte verhalen en bracht in 1948 zijn meesterwerk Het verbrande kind uit. Daarna bleef het stil rond hem tot zijn zelfmoord op 31-jarige leeftijd in 1954.

    Existentialist pur sang

    Als journalist reisde Dagerman in 1946 door het vernietigde Europa en het zien van al die ellende heeft zeker een grote invloed gehad op zijn werk. Hij is een existentialist pur sang en treedt daarmee in de voetsporen van Sartre en Camus, maar anders dan bij hen straalt uit zijn werk een bodemloze diepte en peilloze leegte. Waar de anderen proberen om die leegte te vullen door zelf doortastende keuzes te maken, falen de personages van Dagerman onherroepelijk. Alles eindigt steeds in hypocrisie, (zelf)bedrog, angst en wanhoop.

    Spel van bedrog en leugens

    Het verbrande kind opent met de begrafenis van een vrouw. Het is de moeder van de 20-jarige Bengt. Hij belandt daardoor in een zeer diepe crisis en krijgt weinig steun van zijn schijnbaar opgeluchte vader. Al gauw wordt duidelijk waarom. Vader heeft al geruime tijd een affaire met een zekere Gun. Het verdriet en de rouw van Bengt slaan om in een blinde woede en haat jegens zijn vader en hij zint op wraak. Zijn vriendin Berit kan geen soelaas brengen. Hij heeft een heel koude relatie met haar en probeert afstand te nemen en te houden. Zijn wraak zal er uiteindelijk in bestaan door zelf een relatie aan te gaan met Gun, de minnares van zijn vader. Zo belandt ook hij in een spel van bedrog en leugens. Uiteindelijk trouwt Bengt toch met Berit, maar een mislukte zelfmoordpoging toont al aan dat het niet zo’n gelukkig huwelijk is. De blijvende zoektocht naar geluk en liefde eindigt steeds in angst en wanhoop.

    Beklemmende sfeer

    Dagerman heeft een aparte stijl. Hij schrijft zeer krachtig proza op een gebalde en afstandelijke manier. Die bijzondere stijl voelt bevreemdend aan en dat is ook de bedoeling. In de openingsscène heeft hij het over de vrouw, de echtgenoot en de zoon, zonder een zweem gevoel. Het begrafenisritueel beschrijft hij zeer koel en de beklemmende sfeer houdt hij de hele tijd aan. Ook in zijn taal probeert hij aan te geven dat het leven leeg, koud en onverschillig is. Bengt probeert op zoek te gaan naar liefde en vriendschap om die leegte te vullen, maar faalt daar faliekant in. Soms lijkt het alsof de leegte draagbaar is, in die luttele momenten dat hij opgaat in de intimiteit met Gun of Berit, maar de leegte vullen lukt niet.

    Het verhaal wordt onderbroken door brieven van Bengt aan zichzelf. Ook hier wordt de lezer geconfronteerd met de hopeloze zoektocht van Bengt. Net als in Camus’ De mythe van Sisyphus kent Bengt korte momenten van geluk, zoals Sisyphus wanneer hij de steen weer ophaalt om naar boven te rollen, alleen zijn ze bij Bengt een stuk korter. Dagermans werk zit daarnaast ook vol met symbolen en motieven. Zo is er de steeds terugkerende rode jurk, het paar schoenen, de hond en vooral de brandende kaars, waaraan ook Bengt zich verbrandt. Net als zijn vader, net als de mensheid is hij evenmin vrij van bedrog en hypocrisie en is hij dus ook ‘verbrand’. Ook in het echte leven geraakt Dagerman niet uit deze existentiële crisis en zal dat dus leiden tot zijn zelfmoord in 1954.

    Het verbrande kind leest aanvankelijk wat stroef door de afstandelijkheid, die herinnert aan de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar anders dan de Bordewijks en Elsschots van toen, slaagt Dagerman erin met zijn afstandelijke stijl bijzondere en diepe emoties op te roepen die raken aan onze meest duistere angsten en twijfels. Het boek zet de na-oorlogse mens een spiegel voor en raakt tot in de kern van de ziel. De diepste zielenroerselen komen er op een ongemakkelijke manier in naar boven en het zet aan tot denken over liefde en haat, hoop en wanhoop, leven en dood. Het verbrande kind is het zeker waard om afgestoft te worden en opnieuw de aandacht te krijgen die het verdient.

     

     

  • De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    Nadat in 1971 het laatste reguliere nummer van het literaire tijdschrift Barbarber verschenen was, verklaarden de oprichters en redactieleden Bernlef, Brands en K. Schippers dat het blad zou blijven bestaan zolang zij het niet ophieven. Toen in 2018 het Barbarberkunstwerk Lijnen beschadigd raakte door een lekkend dak, concludeerde K. Schippers laconiek dat Barbarber nog steeds in beweging was nu de tijd letterlijk haar sporen had nagelaten. En nu, na zijn overlijden afgelopen augustus, alle redactieleden ter ziele zijn, is er het boek van Toef Jaeger om Barbarber levend te houden: De jongens van Barbarber. Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde.

    Barbarber is het literaire tijdschrift dat in de jaren zestig van de vorige eeuw het gedachtegoed van Dada in de praktijk bracht in de Nederlandse letteren: de werkelijkheid werd vaak op een geestige of absurdistische manier als literatuur voorgeschoteld, want een gedicht is ook maar een tekst – en in Barbarber ook vaak andersom: een tekst is ook een gedicht; de beroemde readymade die vaak in het blad te vinden was.  En soms was er helemaal geen tekst maar bestond een nummer louter uit behangstalen, een grammafoonplaat of een fles wijn. 

    Drie titaantjes uit Oud-West

    Toef Jaeger vertelt hoe Henk Marsman (J. Bernlef), Gerard Stigter (K. Schippers) en Gerard Bron (G. Brands) -kort voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Amsterdam Oud-West- elkaar na de oorlog leerden kennen op de Eerste Openbare Handelsschool. Daar kregen ze Nederlands van Rob Nieuwenhuys. Hij liet hen kennis maken met moderne schrijvers als Hanlo, Alberts en Reve – van hem leerden ze het oude niet klakkeloos te aanvaarden als het goede. 

    Aan niemand iets gelegen laten liggen, zeker niet aan ouderen, blijkt een rode draad in de geschiedenis van Barbarber. In het Nederlandse culturele klimaat van de jaren vijftig domineerde aan de ene kant de vrij klassieke dichters (Vasalis, A. Roland Holst en J.C. Bloem) en aan de andere kant de vijftigers (Lucebert, Kouwenaar, Claus, Campert, Vinkenoog etc). De drie titaantjes uit Oud-West vinden dat allemaal veel te serieus en te pretentieus. Zij hebben het in café Eylders aan het Leidseplein liever over Vroman, Dada, Laurel en Hardy en Tatie.  Vanuit de gedachte dat iedere tekst -als hij de moeite waard is- zo goed is als een andere, ontstaat  het plan een literair tijdschrift op te richten: Rabarber.

    Langzaamfietsen

    Wanneer Schippers en Brands de kunst van het langzaamfietsen beoefenen in de Leidse straat verandert die naam door een verspreking in Barbarber. In 1958 verschijnt het eerste zelf getypte en gestencilde nummer. In de inleiding schrijven ze dat een gedachte formuleren die de moeder moet zijn van een tijdschrift vaak moeilijk is waarna een schaakpartij uit 1906 wordt afgedrukt, overgenomen uit Praktische Schaaklessen deel 11 van Dr. M. Euwe en H.J. den Hertog. Maar natuurlijk zit er wel degelijk een gedachte achter het tijdschrift: literaire teksten moeten niet te serieus worden genomen en ze moeten ook niet al te serieus zijn.

    De oprichters illustreren die opvattingen met een “tombola van gedichten” (zoals Bernlefs Deur: `Duwen/Trekken’),  “aftandse moppen, verhaaltjes, brieven en krantenberichten” (altijd uit de Harlinger Courant) of andere trouvailles zoals de running gag over een rode driewieler die steeds weer opduikt als vermist, gestolen, gevonden, gezocht, te koop etc. Het blad wordt echter nauwelijks opgemerkt. Na de eerste jaargang is het aantal abonnees maar 26. Vermakelijk is het om te lezen hoe de redactie zich van slimme trucs bedient om in de publiciteit te komen en leden te winnen. Nadat ze het blad eerst ongevraagd naar allerlei mensen van betekenis hebben gestuurd, wordt in het zesde nummer de schaamtelijst ingezet: een namenlijst van alle mensen die wel gratis nummers hadden ontvangen maar geen abonnement hebben genomen. 

    Simon Carmiggelt vindt dit zo grappig dat hij voor het eerst een positieve Kronkel aan het blad wijdt. Vervolgens krijgt het blad in de literaire wereld steeds meer aandacht: Kouwenaar vindt het onbetekenende meligheid, maar Jan Hanlo loopt ermee weg en zal de belangrijkste medewerker worden. Uiteindelijk neemt het aantal abonnees toe tot maximaal 300. 

    Nooit enige twijfel over de koers 

    Opvallend is hoe de oprichters nooit aan zichzelf of de koers van het blad lijken te twijfelen. Vinkenoog mag niet meedoen, Hanlo wel. Van Herzberg en illustrator Chris van Geel wordt alles zonder enig commentaar geplaatst wat hen ook zenuwachtig maakt: zijn ze wel kritisch genoeg? Wat vinden ze er eigenlijk van? Van de meeste anderen en van elkaar wordt kopij echter regelmatig -meestal zonder opgaaf van reden geweigerd.  Boze brieven maken weinig tot geen indruk. 

    Hanlo die vanaf het achtste nummer zoveel bijdraagt dat hij het vierde redactielid genoemd wordt, zegt herhaaldelijk zijn medewerking op (omdat hij het niet eens is met andere bijdragen of omdat er voor de zoveelste keer nog fouten in zijn teksten stonden) maar komt steevast met hangende pootjes terug omdat de drie vaste redactieleden geen sjoege geven. Bernlef, Schippers en Brands blijven wars van ouderen en anderen die hen vertellen wat zij wel of niet moesten doen. 

    Kenmerkend is een interview van Ischa Meijer met Schippers, Bernlef en Ed Hoornik, de dichter die de schoonvader was van beide redacteuren. Wanneer Hoornik zegt : Ik zou niet bestaan als ik niet schreef’ regeert Bernlef met: ‘Nou, biologisch lijkt me dat een onhoudbare verklaring.’ En wanneer Hoornik over sociaal engagement begint (‘Bij jullie was niets van de sociale bewogenheid van ons… ‘), krijgt hij niet eens de mogelijkheid zijn verhaal af te maken omdat Bernlef en Schippers een gesprek beginnen over de nieuwe fiets die Schippers op de middelbare school kreeg en die al vrij snel gestolen werd.  

    Opsomming Amsterdamse straatnamen

    De poëzie van Bernlef, Schippers en Brands is inderdaad niet sociaal geëngageerd en wars van pretentie. Brands schrijft (onder het pseudoniem G. Bak) Het laatste kwatrijn: ‘Des morgens sta ik op/des avonds weer naar bed/mijn wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’ En K. Schippers wil zonder enige opsmuk van metaforen en vergelijkingen de kale werkelijkheid tonen: ‘Ja/ Ik heb je lief zoals je/soms gelijk een gouden zomerdag bent/ nee nee nee/Ik heb je lief zoals je bent/ nee nee / Ik heb je lief zoals / nee/Ik heb je lief’. In 1966 opent hij de beroemde poëziemanifestatie in Carré met zijn opsomming van Amsterdamse straatnamen.

    In het laatste hoofdstuk behandelt Jaeger de invloed van Barbarber. Die moet eerder in de journalistiek dan in de literatuur gezocht worden. Journalistieke teksten werden literairder en diverser. Jaegers eigen oordeel over het blad blijft op een prettige manier op de achtergrond. Soms noemt ze iets melig, maar over het algemeen staat ze sympathiek tegenover het blad. Alleen de zoals altijd laconieke en stoïcijnse manier waarop de drie omgaan met het feit dat Brands een meisje had bezwangerd, verleidt Jaeger tot een afkeurende reactie.

    Waardevolle cultuurgeschiedenis

    Jaeger weet treffende of grappige citaten uit interviews, brieven en artikelen goed met elkaar te verbinden tot een prettig leesbaar verhaal. De pretentie dat ‘dit boek niet over de Zestigers [gaat], niet over Barbarber op zichzelf maar vooral hoe vriendschap de basis was van het blad’ wordt echter niet helemaal waargemaakt. Weliswaar rijst er een beeld van drie eensgezinde lefgozers, maar een collectief krijgt pas reliëf wanneer de individuele delen gestalte krijgen. Bernlef en Schippers komen echter niet goed uit de verf.

    De opbouw van het boek is wat onevenwichtig. Aan medewerker Jan Hanlo is een heel hoofdstuk gewijd, aan de redactieleden niet. Veel hoofdstukken missen bovendien een duidelijke invalshoek. Toch heeft Jaeger een waardevolle en leesbare cultuurgeschiedenis geschreven over een vrolijke noot in de literatuurgeschiedenis die vooral op zijn journalistieke waarde geschat moet worden.

     

  • Vergeet de schoenen

    Vergeet de schoenen

    Nooit bij stilgestaan dat de kledingstijl van een schrijver een item kan zijn. Kledingstylist Arno Kantelberg deed er in de krant melding van dat schrijvers op dat gebied een slechte reputatie hebben. Hij bekeek dertig auteurs met zijn stylingsblik en schreef er een boek over. Ik vroeg me af wat er belangrijker is, de zeggingskracht van het werk van de schrijver of dat – zoals Kantelberg het stelt –  het voorkomen van de schrijver enigszins moet passen bij de stijl van zijn werk.

    Toen ik zkv-schrijver A.L. Snijders voor het eerst zag voordragen, werd ik afgeleid door zijn postuur (ruim 1.90) en zijn blauwe, spits toelopende schoenen. Ik had veel van deze schrijver verwacht: een uitgelubberde schipperstrui, een corduroy colbert, maar geen blauwe schoenen. In zijn werk lijkt Snijders een man zonder ambities. Die blauwe schoenen waren een teken van ambitie. Dat de rest van zijn kleding, zijn neerwaarts hangende wenkbrauwharen niet bij die schoenen paste, nam hem dan toch weer voor me in.

    Ik ben dan ook tegen de kledingstijl – door Kantelberg geprezen – van schrijvers als Tommy Wieringa, die zich bij de prijsuitreiking van de Bookspotprijs in driedelig pak hulde. Dat ie gelukkig wel compleet verrommelde toen hij, tastend naar een amulet van de heilige Rita dat achter zijn driedelig pak op zijn borst hing en hij wilde tonen als zijnde een geluksamulet. Op het laatst hing een slip van zijn overhemd buiten zijn broek, bovenste knopen van het overhemd lieten zijn borst bloot, stropdas scheef. Toen ging hij ook nog uitgebreid zijn vrouw zoenen voor de camera. Dat was een prachtig beeld en had gelukkig niks met stijl te maken.

    Ilja Leonard Pfeiffer wordt door Kantelberg, ‘de zigeunerkoning van Genua genoemd. Tijdens een schrijfbijeenkomst met Pfeiffer viel ook mij zijn kleding op. Morsige buikomspannende blouse, afzakkende broek met daaronder jawel: croqs. Die hele dag werd ik afgeleid door altruïstische ingevingen om deze schrijver financieel te ondersteunen. Omdat deze schrijfdag me was aangeboden door Querido, overwoog ik het bedrag dat voor de cursus werd gevraagd, alsnog cash aan de schrijver te geven. Wat ik niet deed. Wel las ik La Superba dat net verschenen was en dacht: Whatever, laat een goed schrijver zijn croqs.

    Hoe een schrijver zich hoort te kleden zorgde in 1991 ook voor ruzie tussen A.L. Snijders en zijn vrouw. Snijders smult van een brief met berichten uit Amsterdam van een vriend die Bernlef op een terras zag zitten. Bernlef droeg sandalen, wat niet kon volgens die vriend: ‘Een goede schrijver kan geen sandalen dragen.’ Die vriend bekent dat hij Hersenschimmen van Bernlef nooit gelezen heeft en voelt zich met terugwerkende kracht gerechtvaardigd in die weigering. Want een auteur op sandalen kun je niet serieus nemen. Snijders geeft de brief met een, ‘Goeie brief van Willem’ aan zijn vrouw. Zij ontsteekt in verontwaardigde woede: ‘Hersenschimmen is een prachtig boek, wat is dat voor criterium, sandalen?’ Na enig gebakkelei tussen de echtelieden ‘staat zij op en loopt driftig de kamer uit.’ Waarbij ik me voorstel dat er een deur knalde en de trap stampend betreden werd.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Drieluik

    Drieluik

    Op de tentoonstelling Ed van der Elsken – de verliefde camera in het Amsterdamse Stedelijk Museum – die nog tot 22 mei te zien is – hangen ze als een drieluik naast elkaar: foto’s van drummer Kenny Clarke tijdens een Jazz from Carnegie Hall-concert (1958). In het boek Jazz van J. Bernlef en Ed van der Elsken (1981) staan ze ónder elkaar afgebeeld. Naast elkaar valt de nadruk op het feit dat ze pal na elkaar zijn gemaakt: Clarke in extase, nog net in extase, met de ogen half open gericht op wat was en wat zo weer voorbij dreigt te zijn, en Clarke die nageniet van het moment. Als een horizontaal gebeuren in de tijd. Verticaal afgedrukt valt de aandacht op iets dat van buiten leek te komen en het de drummer overkwam. Het effect is er niet minder om, maar anders.

    Het drieluik is uniek binnen het oeuvre van Van der Elsken: close ups van één  musicus, zonder mede-musici, zonder band,  zonder publiek. Het drumstel fel uitgelicht, de achtergrond donker. Dat was Van der Elsken óók, met oog voor wat de muzikant bewoog en een trefzekere vinger om dat heel kort na elkaar, en zonder flits (wat een technische beheersing in die tijd!) vast te leggen. Het zijn ook unieke foto’s omdat ze – in tegenstelling tot wat Bernlef als kenmerkend voor de meeste jazzfoto’s van Van der Elsken omschrijft – in werkelijkheid juist niet ‘een tikje aardser en grover maakte dan zij al was’. Door die serie van drie besefte ik óók opeens waarom Bernlef wél van de rationele cooljazz hield en niet van de emotionele bebop van Clarke die hieraan vooraf ging.

    De foto’s vormden een sleutel die me binnen liet in de binnenkamer van jazzliefhebber Bernlef. Ik wist het ook eigenlijk wel, want schreef hij in zijn gedicht Conservatorium (Raster, 89/2000) niet: De ramen van het conservatorium staan wijd open / daarbinnen vergrijpt iemand zich aan eeuwenoude gevoelens / de vleugel jammert en klaagt Bebop was in zijn ogen niet alleen te emotioneel, maar ook onvolmaakt, met zijn breaks waarin opeens maten worden toegevoegd aan een standaard bluesschema. Want, zo dichtte hij niet zozeer verrast als eerder wat teleurgesteld (Het ontplofte gedicht, 1978): Sonny Rollins in Londen /
    begon met een blues / die geen blues bleek te zijn

    Muziek moest in de ogen van Bernlef even ‘cool’ en overdacht zijn als de opbouw van een gedicht. Niet emotioneel en extatisch. Dat maakte het drieluik van Ed van der Elsken in combinatie met de gedichten van Bernlef op één of andere manier nog eens haarscherp duidelijk.

     

     

  • WC boeken

    WC boeken

    Als ik boeken heb ingekocht en ze komen op mijn werkplek uit hun dozen, dan zijn er een aantal bestemmingen voor. De boekenkast, op onderwerp, literatuur, geschiedenis, kunst, architectuur of filosofie bijvoorbeeld. Nadat ze een boekbeschrijving hebben gekregen en in mijn online-boekenbestand en website zijn opgenomen, kunnen ze uit de kast gehaald worden en naar u worden verstuurd, mits u dat boek bij mij bestelde.

    De net ingekochte boeken kunnen ook op de trap belanden. De trap naar boven, naar mijn woonkamer waar mijn eigen verzameling staat. Sommige boeken komen niet verder dan de eerste paar treden, want soms/vaak/ regelmatig besluit ik ze uiteindelijk niet op te nemen in mijn eigen boekenverzameling, en ze toch voor de verkoop te bestemmen. De schoorsteen moet roken, niet waar? Van die sortering boeken die naar boven gaan, stuur ik een paar verder door.  Naar nog een etage hoger, alwaar bed, lamp en nachtkastje ons opwachten. Maar er is ook een aantal boeken dat beneden blijft en onmiddellijke aandacht vereist. Die gaan mee naar de wc. Op een richel boven de wc heb ik een wisselende collectie staan. Ik leid een versnipperd bestaan op de wc. Al druk doende begin ik daar elke dag wel in een nieuw boek.

    img_5336Laatste beginnetje: Ontroeringen. Essays van Bernlef over de relatie poëzie-politiek en Albert Speer en Kurt Schwitters. Er gaan daar werelden voor mij open. En eigenlijk niet alleen daar. Want wat is het prachtig-lastig om temidden van al die boeken – ongeveer vijfduizend – standvastig te blijven en een boek helemaal uit te lezen, terwijl de stapel nog te lezen boeken hoger wordt en dan verandert mijn interesse en aandacht weer – van filosofie naar essays naar architectuur, van poëzie naar biografie. Intussen heb ik me er wel mee verzoend hoor. En heus, ik lees wel boeken uit, zoals laatst Het bestand van Arnon Grunberg of De bruid van Duchamp van K. Schippers. Maar als een boek me uiteindelijk niet meer boeit of, reëler, als een boek wordt weggeduwd door andere, te verorberen en naar onbekende smaken proevende boeken, dan is dat maar zo. De pagina’s die ik dan toch heb gelezen, hebben hun geestelijke missionarissenwerk gedaan en me verder gestuwd in de caleidoscopische wereld van het boek en de geletterde delta van mijn boekhandel.

     

     

  • Oogst week 3

    Door Carolien Lohmeijer

    Je kan het je haast niet voorstellen dat iemand een manuscript vindt dat hij 40 jaar eerder schreef en dat vervolgens nog uitgegeven wordt ook. Ergens op zolder moest het nog liggen, wist oud-hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant Andreas Oosthoek (1942). Gelukkig vond hij het terug.

    Twee ‘buutendiekers’ op het gymnasium in de Zeeuwse polder worden onafscheidelijk. Ondanks hun zielsverwantschap vertrekt een van hen naar Frankrijk. Het contact tussen hen blijft intensief, ook op grote afstand. Al bewegen hun levens in andere richtingen, ze blijven dromen van een toekomst met elkaar. Aan die droom komt een abrupt einde als een van hen ongeneeslijk ziek wordt.
    Oosthoek publiceerde eerder o.a. de dichtbundel Een zandloper in zee.
    Het relaas van Solle, Andreas Oosthoek, Uitgeverij Cossee, 208 pagina’s, € 19,90

     

    BloedbroedersDe grote ontdekking op de Frankfurter Buchmesse van 2013 was Blutsbrüder, dat in 1938 als Jugend auf der Landstraße Berlin was verschenen. De Nederlandse vertaling Bloedbroeders kwam eind vorig jaar uit bij De Bezige Bij. De journalist Ernst Haffner schreef over het straatleven van jongeren in het door armoede geteisterde Berlijn van de jaren dertig. Velen waren het slachtoffer van de slechte economische situatie. Anderen kwamen uit gezinnen die door de Eerste Wereldoorlog waren ontwricht. Vaak verkozen ze een leven op straat boven het harde bestaan in een opvoedingsgesticht. Om niet alleen te staan, werden ze lid van bendes die niet alleen veiligheid, maar ook vriendschap boden. Over Ernst Haffner is slechts bekend dat hij in 1900 werd geboren en in de jaren 20 en 30 in Berlijn heeft gewoond. Zijn roman kreeg positieve recensies maar werd op last van de nationaal socialisten verbrand. Hoe het Haffner zelf is vergaan, is onbekend.
    (Let op! Verwar Ernst Haffner niet met Sebastian Haffner, auteur van o.a. Het verhaal van een Duitser en Kanttekeningen bij Hitler. Sebastian Haffner emigreerde naar Engeland in het jaar dat Jugend auf der Landstraße Berlin verscheen. In 1954 keerde hij terug naar Duitsland en overleed pas in 1999.)
    Bloedbroeders, Ernst Haffner, vertaling Anne Folkertsma, Bezige Bij, 272 pagina’s, € 18,90

     

    9789021456263Dan de laatste roman van Bernlef. Twee weken voor zijn dood stuurde hij het manuscript naar zijn uitgever. Het gaat over een veertienjarig meisje dat een leraar op school probeert te verleiden. Hij gaat niet op haar avances in maar wordt toch al snel beschuldigd van seksueel misbruik.

    Een onschuldig meisje, Bernlef, Uitgeverij Querido, 144 pagina,s, €18,99

  • Boekencafé in debat met verschillende auteurs, thema: 'De zeven hoofdzonden'

     Agenda

    De laatste vijf dagen van januari staan in het Boekencafé in het teken van De zeven hoofdzonden. Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, vanaf 17.00 uur gesprekken met schrijvers. Vijf achtereenvolgende avonden waarop gedebatteerd zal worden tussen een bekende auteur en evenzo bekende interviewer over De zeven hoofdzonden. Toegang is gratis, iedereen is welkom.

    Het Boekencafé opent maandag 27 januari met een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.

    Waarna de volgende auteurs met de daarbij behorende thema’s aanwezig zullen:
    Di. 28 januari: Poëzie en beeldende kunst verenigd in een boek / Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.
    Wo.29 januari: Het succes van culinaire boeken / Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.
    Do. 30 januari: Caraïbische letteren / Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.
    Vr. 31 januari: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.

    Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur inloop, 17.30 uur start gesprek
    Na afloop tijd voor een borrel (18.45 uur).
    Adres: Amsterdamse Academische Club,
    Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam.
    Graag aanmelden via aac.uva.nl/agenda

    Boekencafé is een nieuw begrip in Amsterdam en een initiatief van Boekface. Programmering is in handen van Vera de Kort. Zie ook boekface.

     

  • Het woord in steen

    Het woord in steen

    De Nederlandse auteur Bernlef (1937-2012) was geïntrigeerd door Albert Speer (1905-1981). Speer was vooral bekend als de architect van Adolf Hitler, maar naast architect was hij ook minister van Bewapening in Nazi-Duitsland. Deze ogenschijnlijk zo beschaafde man leek in niets op de nazi’s met wie hij omging. In 1980 publiceerde Bernlef De ruïnebouwer, dat hij omschreef als een poging om ‘het raadsel Speer’ op te lossen. Een jaar later stierf Speer en diverse boeken verschenen, gebaseerd op tot dan toe onbekende bronnen die een heel ander licht wierpen op de persoon achter de architect. Bernlef las deze boeken en paste zijn beeld van Speer aan. Hij besloot zijn roman te herzien. Deze uitgave, Albert Speer, de ruïnebouwer, verscheen postuum in 2013.

    Albert Speer, de ruïnebouwer bestaat uit 3 delen. In het eerste deel volgt de auteur samen met vriend S. het spoor van Albert Speer. Zij bezoeken onder andere Dachau. Het voormalige kamp bestaat alleen nog maar uit steen. Toepasselijk, aangezien Hitler zijn architect omschreef als ‘het woord in steen’. Bernlef wordt getroffen door de krankzinnigheid die Speers bouwwerken uitstralen. ‘De echte krankzinnigheid, met de daarbij passende methodiek, die ieder waansysteem eigen is, valt op één punt in het gebouw aan te wijzen. Een lasnaad, een breuk.’ Maar nog steeds is moeilijk vat te krijgen op de architect. ‘Wanneer je wilt begrijpen hoe een machine werkt, zul je die uit elkaar moeten halen.’  Dus dat is wat Bernlef besluit te doen, het systematisch ontleden van Albert Speer. Jarenlang blijft hij op zoek naar Speer en steeds weer bezoekt hij Duitsland. En ondertussen verkent hij de grenzen tussen journalistiek en schrijverschap.

    Het tweede deel van het boek is een aangepaste versie van de roman uit 1981. Het is een schouwspel, een toneelbeeld met scènes uit het veel bewogen leven van de architect. Centraal staat de vraag of Speer, die zich als mens zo gunstig onderscheidt van de andere nazi-misdadigers niet net zo schuldig of misschien nog wel schuldiger is dan de anderen. Immers, met zijn intellect moest hij de omvang van zijn daden kunnen overzien. Bernlef probeert de passies en gedachten van Speer te doorgronden. Kenmerkend voor Speer is dat hij altijd oog had voor de ‘ruïnewaarde’ van zijn bouwwerken. Hij ergerde zich eraan dat moderne gebouwen die in verval raken geen ruïnewaarde hebben. Ze verworden enkel tot puin. Daarom vond hij dat bij de bouw rekening gehouden moest worden met hoe de gebouwen er in de verre toekomst bij zouden staan.
    Mooi in dit deel is de discussie die Speer voert met Leni Riefenstahl, Hitlers fotografe en cineaste. Ook de vraag of hij nu wel of niet van de vernietigingskampen wist komt aan de orde, net als zijn belang voor Hitler-Duitsland. Door zijn organisatorische kwaliteiten wist hij een enorme efficiency te bereiken met zijn ministerie van Bewapening. Dit was een van de redenen dat de oorlog zo lang kon duren.

    Het derde deel van de roman heeft eigenlijk de vorm van twee essay’s. Bernlef blikt terug en noemt het tweede deel een ‘denkmodel: een manier om greep te krijgen op de mij steeds opnieuw ontglippende persoonlijkheid van Hitlers architect’. Hij vraagt zich af waarom hij Speer zelfs na zijn boek van ’81 niet kon vergeten en hij analyseert de nieuwe archiefbronnen die een nieuw licht werpen op Speer. Hij stelt zijn beeld bij en poneert dat Speer gedreven werd door een tomeloze ambitie.

    Of het Bernlef gelukt is een raak beeld van Speer te schetsen? Die vraag is niet te beantwoorden, maar zijn eigen conclusie luidt : ‘de waarheid heeft Albert Speer achterhaald’. Albert Speer, de ruÏnebouwer is een intrigerende roman over een intrigerende persoon.

     

    Albert Speer, de ruïnebouwer

    Auteur: Bernlef
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 18,95

  • Toch geen memoires

    Toch geen memoires

    De Amerikaanse schrijver John Irving kreeg van zijn uitgever eens een miljoen overgemaakt voor een nog te schrijven boek, inclusief de filmrechten. Irving stuurde het bedrag meteen terug. ‘Ik ben geen melkkoe.’

    De anekdote staat vermeld in de postuum verschenen roman Onbewaakt ogenblik van Bernlef, die eind oktober kwam te overlijden. Hoofdpersoon in deze roman is de schrijver Henk Materman, wiens uitgever ook grote verwachtingen heeft van het succes van zijn memoires die hij nu maar eens moet gaan schrijven. De fictieve auteur worstelt vervolgens met het opschrijven van zijn herinneringen en ziet uiteindelijk af van publicatie.

    Henk Materman doet in bijna alles aan Bernlef denken. De twee hebben dezelfde geboortedatum, zijn geboren in dezelfde plaats en ook hun namen verschillen maar enkele letters van elkaar. (Bernlef is het pseudoniem van Henk Marsman.) Je mag echter hopen dat Bernlefs uitgever niet lijkt op de wat karikaturale uitgever van Materman. In elk geval moeten zowel de fictieve als de werkelijke auteur hebben geworsteld met een boek dat ergens tussen memoires en fictie in ligt.

    Materman doet na aandringen van zijn uitgever een poging zijn memoires te schrijven, maar komt niet veel verder dan jeugdherinneringen en een paar interessante beschouwingen over het vastleggen van het verleden. Een ontmoeting met een oude componist doet hem ten slotte inzien dat hij het verleden niet direct in woorden moet proberen te vangen.

    Bernlef moet net als zijn hoofdpersoon geworsteld hebben met een soortgelijk probleem. Een aanzienlijk deel van deze roman (80 van de ruim 200 bladzijden) bestaat uit Haarlemse jeugdherinneringen die in 1998 al eens verschenen, ook toen al onder de titel Onbewaakt ogenblik. Ook de aanzetten tot een essay over de Franse schrijver Patrick Modiano en een herinnering aan Bernlefs geestelijk gehandicapte broer geven de indruk eerder geschreven te zijn. De overige honderd bladzijden vertellen het verhaal Materman die aan het strand van Egmond worstelt met het schrijven van zijn memoires.

    De afzonderlijke delen van de roman zijn niet slecht. De Haarlemse jeugdherinneringen zijn aardig en de beschouwing over Modiano bij vlagen interessant. De belevenissen van Materman aan het strand van Egmond kabbelen weliswaar wat voort maar Bernlef schrijft op een toon die al snel sympathie opwekt.

    Maar de roman als geheel maakt toch de indruk het resultaat te zijn van knip-en-plak werk. Nu kun je een dergelijke werkwijze verdedigen door te wijzen op Bernlefs liefde voor improvisatie en het experiment, maar eerlijk gezegd maakt het geheel een wat hulpeloze indruk. Zo is het merkwaardig en allerminst overtuigend dat Bernlef zijn eigen jeugdherinneringen en gedichten nu opvoert alsof Materman ze geschreven heeft. Waarom verbergt hij zich zo halfslachtig achter een personage?

    Helemaal duidelijk wordt dat niet, al is de meest voor de hand liggende verklaring dat Bernlef, net als Materman, er niet in slaagde zijn memoires te schrijven en er daarom voor koos om zijn onvermogen onderwerp van een roman te maken.

    Het onvermogen om het verleden voor eens en altijd vast te leggen vormt namelijk de rode draad die al de losse stukken dient te verbinden. In een brief laat Materman zijn uitgever ten slotte weten niet verder te werken aan zijn memoires en daarbij vat hij keurig samen waar het in deze roman om draait.

    De afgelopen tijd ben ik tot de slotsom gekomen dat wat ik voor mijn herinneringen hield in werkelijkheid, door mijn selectieve geheugen en door de abstractie van woorden, zo vervormd werd dat ik ze niet langer als de mijne herkende.

    Zo samengevat doet het thema enigszins denken aan Bernlefs bekendste roman Hersenschimmen. Maar Onbewaakt ogenblik heeft weinig gemeen met die succesroman uit 1984. Deze roman lijkt meer het resultaat van een wanhopige worsteling het verleden vlak voor de dood nog leven in te blazen. En de truc om de worsteling dan maar als onderwerp te nemen voor een roman, wil hier helaas niet overtuigen.

    Bernlefs lezers zullen het definitief zonder zijn memoires moeten doen.  Wat overblijft is een oeuvre dat het waard is om in de herinnering levend gehouden te worden.

     

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Deze essaybundel laat zich op meerdere wijzen in tweeën delen. Er staan stukken in over het wezen van poëzie en de ontdekking daarvan door het kind Bernlef, en daarnaast staan er stukken in over vertalingen van buitenlandse poëzie. Maar je kunt ook de tweedeling maken tussen de kortere essaytjes, die tweederde van het boek bestrijken en de wat dieper gravende stukken die grotendeels het laatste stuk van de bundel volmaken. En evengoed kun je het onderscheid maken tussen eerder gepubliceerde stukken (vooral in het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift Raster) en werk dat in deze publikatie voor het eerst het levenslicht ziet. Maar geen van deze tweedelingen deelt de bundel in twee gelijke delen.

    Het eerste essay heet meteen ook De Tweede Ruimte en de verwachting van de lezer dat hij hier de verklaring van de titel zal vernemen wordt al gauw bewaarheid. Het begint met een anekdote waarin de jonge Bernlef door zijn vader wordt gefopt. Deze had gezegd dat de plaatselijke bakkerij in lichterlaaie stond. Dat was aanleiding genoeg voor de jongen zich er onmiddellijk heen te spoeden, om, eenmaal aangekomen, teleurgesteld te constateren dat er helemaal geen sprake van brand was. Vreemd, des te meer omdat zijn vader doorgaans goed geïnformeerd was. Thuisgekomen wordt hem dan door zijn eigen vader meegedeeld dat het, ha-ha, een 1-aprilgrap was! De zes, zevenjarige Bernlef kan er niet echt om lachen, maar dankzij deze grap doet hij wel de belangrijke ontdekking dat mensen met taal blijkbaar ook andere werkelijkheden kunnen oproepen dan de alledaagse. En dat de relatie tussen mededelingen en de werkelijkheid, tussen woorden en de verschijnselen er eentje was die enkel op een afspraak berustte, maar dat niemand je kon verbieden van die vanzelfsprekendheid af te wijken en je een eigen wereld te scheppen. Dat bood een scala aan mogelijkheden voor de fantasie! En deze speelruimte tussen werkelijkheid en taalgebruik zou hij voortaan de ’tweede ruimte’ noemen.

    Als hij later op school kennis maakt met de poëzie zal hij ontdekken dat de woorden in het gedicht, door middelen als rijm en metrum, een eigen werkelijkheid konden opeisen. De taal was een zelfstandige werkelijkheid op zich. Als een soort parallel universum. In een goed gedicht was alles mogelijk. ‘Die tweede ruimte was de geboortegrond van de poëzie en daar wilde ik wonen’. Het is Bernlef uiteindelijk gelukt zich er metterwoon te vestigen. En behalve dat hij zelf gedichten ging schrijven, legde hij zich ook toe op het vertalen van buitenlandse gedichten. En zeker in dat laatste heeft hij een alom gewaardeerde status bereikt. Zelf beschouwt hij zijn vertalingen ook als verlengstuk van zijn eigen poëzie. Van zo iemand mag men dan ook iets persoonlijks verwachten wanneer hij over poëzievertalingen komt te spreken. Maar dat persoonlijke aspect breekt pas door tegen het einde van de bundel, waar de essays gemiddeld ook wat langer zijn dan de oorspronkelijk als kronieken in Raster gepubliceerde mini essaytjes over poëzievertalingen; een fenomeen waarvoor Bernlef graag een lans wil breken omdat ze meestal niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

    Deze kronieken ontstijgen niet altijd het niveau van het gelegenheidsstukje over recent verschenen poëzievertalingen. Er wordt ruimhartig geciteerd uit de vertalingen – waardoor je als lezer wel juweeltjes als ‘Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien’ van Pessoa meekrijgt – en behalve dat Bernlef in het kort een en ander over de dichter in kwestie meedeelt, blijkt hij ook niet te beroerd zijn mening te geven over de vertaalprestaties van zijn vakbroeders, zoals daar o.a. zijn Guus Luijters, Eva Gerlach, Paul Claes, Lloyd Haft en Peter Verstegen. Een enkele keer haalt hij er een vertaling van zichzelf bij om zijn visie te adstrueren. Zoals in het geval van het gedicht The Imaginary Iceberg van Elizabeth Bishop. Een dichteres die Bernlef al decennia lang vermag bezig te houden en waarbij het hem dan ook enigszins ontstemt als blijkt dat ook een andere vertaler, Guus Luijters, zich met haar heeft ingelaten. Hun beider vertalingen van dit gedicht worden aan een close-reading onderworpen, waarbij de slotsom dat zijn eigen vertaling het op beslissende punten wint van die van zijn tegenstander bepaald niet als een verrassing komt. Maar een betweterige toon ontbreekt ten enenmale, want Bernlef heeft met het aan het licht brengen van de verschillen in de vertalingen slechts een wezenlijk aspect van Bishops poëzie willen blootleggen, namelijk: dat zij met de precieze, uitgekiende keuze van haar glasheldere woorden de sublieme momenten die de werkelijkheid soms prijsgeeft, heeft willen evoceren in haar gedichten, waaraan ze overigens zelf jarenlang kon werken. Intussen is de boodschap bij de lezer wel doorgekomen: die Elizabeth Bishop is niet een dichteres die je zomaar even tussendoor neemt. Maar Bernlef gunt zeker ook ere aan wie ere toekomt en wanneer hij over Peter Verstegen schrijft dat die een virtuoos is wanneer het op rijmen aankomt, hoeft niemand te vrezen dat hier iemand het graf in wordt geprezen. Want daar is Bernlef gewoonweg de man niet naar. Hij is eerlijk en oprecht en er niet op uit om rekeningen te vereffenen.

    Wie het over vertalingen heeft ontkomt er natuurlijk niet aan zijn houding te bepalen tot Robert Frosts beroemde uitspraak dat het wezen van poëzie datgene betreft, ‘wat bij vertaling verloren gaat’. Maar Bernlef is wat dat aangaat minder pessimistisch: ‘Tegenover het verlies staat vaak ook de winst van vertaalvondsten. Het is de kunst om poëzie uit andere talen zo om te vormen dat er een goed Nederlands gedicht tevoorschijn komt’. Hij neigt ernaar vertalingen te zien als ‘reproducties van een origineel’, zoals Tomas Tranströmer meent. Onvermijdelijk is dan ook dat de tweede ruimte van het vertaalde gedicht er anders uitziet dan die van het origineel. Maar van die afwijking is de vertaler zich bewust. Een vertaling is dan ook nooit helemaal ‘af’ beweert Bernlef. De onlangs overleden Rudy Kousbroek, die overigens niet in de bundel ter sprake komt, had ook een mooie metafoor over deze materie: ‘Poëzie lezen in vertalingen is iets als liefkozen met handschoenen aan.’

    Hoewel de bundel voornamelijk over poëzievertalingen gaat, is het geen poëtica van het vertalen geworden in de trant van Vestdijks De Glanzende Kiemcel. Bernlef laat ons niet over zijn schouder meekijken hoe een vertaald gedicht woord voor woord tot stand komt. Wel noemt Bernlef een motief om gedichten van een ander, inzonderheid die van Tomas Tranströmer, te vertalen: Bernlef had ze maar al te graag zélf geschreven! Zo vormden Tranströmers gedichten voor hem een schok der herkenning en daarmee een erkenning van zijn verlies. ‘Natuurlijk had ik deze gedichten zelf moeten schrijven! Maar Tranströmer had dat al gedaan. Het enige wat ik aan deze deplorabele toestand kon doen was zijn gedichten in het Nederlands te vertalen.’

    Deze persoonlijke ontboezeming komt dan ook uit het laatste gedeelte van de bundel, waarin Bernlef over de dichters van zijn voorkeur van komt te spreken: de Zweden Gustafsson en Tranströmer en de Amerikaan Ashbery, nadat eerder al Bishop onder handen was genomen. Zo lezen we in een opstel over John Ashbery dat de eerste confrontatie met diens poëzie Bernlef zwaar bekomen was. Hij vergelijkt die ervaring met het voor de eerste keer blootgesteld worden aan de muziek van Karlheinz Stockhausen. Hij had er eigenlijk geen touw aan vast kunnen knopen, maar nieuwsgierigheid wint het bij Bernlef van koppigheid: ‘Ik moest ophouden met zoeken, dan zou ik het vanzelf vinden; niet wat ik zocht, maar wellicht wel iets anders.’ En blijkens het vervolg stelde dat ‘iets anders’ niet teleur. In het uitgebreide essay over Tranströmer toont Bernlef aan hoe hij tot de ontdekking kwam dat de haiku-methode de ‘kiemcel’ is voor al diens werk. Dit wordt hem pas duidelijk als hij erachter komt dat Tranströmer zich niet eerst met haiku’s is gaan bezighouden na zijn hersenbloeding in 1990, maar zich al ruim 30 jaar daarvoor van die versvorm had bediend. Veronderstelde Bernlef aanvankelijk dat de haiku vanwege zijn beperkte omvang nog zo’n beetje de enige versvorm was die de Zweed na 1990 nog zou kunnen behappen, door de ontdekking dat de haiku zich al blijkbaar veel eerder had aangediend, komt Bernlef ertoe het wezen van de haiku tegen het licht te houden, om de ontdekking te doen dat zowel in de haiku als in de Tranströmergedichten hetzelfde speelt: er vindt een confrontatie tussen twee werelden plaats waarbij, ‘als in een chemisch proces, uit twee bij elkaar gebrachte stoffen ten slotte een derde ontstaat: het onzichtbare maar wel degelijk aanwezige gedicht waarin de dichter zich manifesteert zonder zich een lyrisch ik aan te meten.’ Bernlef sluit dit essay af met vier recente, nog niet eerder in het Nederlands verschenen haiku’s van Tranströmer. Die bonus pik je als lezer dus ook mooi mee.

    Lezing van deze bundel maakt eens temeer duidelijk dat Bernlef niet zozeer houdt van dichters die zich inklemmen tussen vaste rijmschema’s en strofen, maar des temeer van hen die in hun onderzoekende versregels op de tast gaan naar de contouren van een antwoord. Poëzie die raakvlakken heeft met de wetenschap. ‘Want dichter en onderzoeker worden tenslotte allebei gedreven door hetzelfde: nieuwsgierigheid.’ Poëzie waarin de plaatsbepaling van het ‘ik’ ter discussie mag staan: ‘Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één van buitenaf / en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.’ (uit: Prelude van Tomas Tranströmer) Of: ‘Je was niets dan / een vraag gericht tot een andere vraag / en geen van beide bezat andermans antwoord ‘ (uit: Elegie voor een dode labrador van Lars Gustafsson).
    Behalve dat er heel wat mooie citaten uit de vertaalde gedichten worden rondgestrooid in dit boekje, ligt de waarde ervan voor mij vooral in de persoonlijke verhouding van de schrijver tot ‘zijn’ buitenlandse dichters en hun werk. Een man van veel woorden is Bernlef niet, maar des te meer geschikt om een rake typering te geven. Als hij het over de wereld van Lars Gustafsson heeft, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Niet de wereld is een illusie of een projectie, het zijn onze eigen hersens die bepalen wat wij wel en niet kunnen waarnemen. In het waargenomene schuilt de waarnemer. Als een weeffout.’

    De bundel kent een geweldige afsluiting, namelijk een gedicht van de Pool Herbert met de prachtige slotregels:

    ‘Na twee oorlogen waren alle mooie woorden nog mooier
    geworden. Meneer Cogito verzamelde ze allemaal, sloot ze op in
    een kast en gooide daarna de sleutel uit het raam. ‘En nu aan het
    werk’, mompelde hij. ‘

    zodat wanneer je als lezer het boek uiteindelijk dichtslaat, het gevoel overheerst dat ons taalgebied de afgelopen jaren verrijkt is met een aantal prachtige poëzievertalingen. Als Bernlef dat de lezer aan zijn verstand heeft willen brengen, heeft hij zijn doel ruimschoots gehaald.

    De tweede ruimte werd eerder voor Literair Nederland gerecenseerd door Rein Swart .

    De tweede ruimte
    Over poëzie

    Auteur: Bernlef
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido (jan. 2010)
    Prijs: € 18,95

  • Avondwandeling langs verlichte vensters

    Avondwandeling langs verlichte vensters

    Wat gebeurt er als je als gevierd soap-ster uit de serie geschreven wordt. Of wanneer je identiteit te verwaarlozen is en je een compleet nieuw leven krijgt voorgeschreven. Of dat er iemand naar je toe komt met een ongelofelijk voorstel waardoor je toekomstbeeld een wending neemt die te mooi is om waar te zijn. Dan is niets meer zoals het was en vliegt de eenzaamheid je aan. In deze bundel novellen schrijft Bernlef in de hem zo kenmerkende no-nonsense stijl, over de vergankelijkheid van roem, over de inwisselbaarheid van personen maar bovenal  over onthechting.

    In de eerste novelle, De rol van zijn leven, ontdekt Jos Kooystra, nadat hij middels een hartaanval uit de serie geschreven is, dat hij geen eigen leven heeft. Opeens staat hij met lege handen. Alles wat hij onderneemt, bevestigt dat hij zichzelf niet is, maar ook niet is wie men denkt dat hij is. Werd hij eerst op straat herkend als Nathan Ronselaer uit de serie ‘Het Familiekapitaal’, nu kijkt niemand naar hem om als hij over straat gaat. Hij ontdekt dat in de 20 jaar dat hij zijn rol speelde, zijn eigen leven heeft stilgestaan. Zijn ex-vriendin Nienke, die hem achttien jaar geleden verliet, zoekt hem weer op. Jos heeft haar al die jaren niet gezien, maar zij heeft hem dagelijks gevolgd via de serie. Even lijkt het alsof het leven samen weer opgepakt kan worden. Ze vrijen vanzelfsprekend, alsof al die jaren er niet tussen liggen. Wanneer hij ‘s morgens alleen wakker wordt, gaat hij op zoek naar haar leven. Hij gaat met de bus naar het stadje waar zij woont. Nienke is niet thuis en in afwachting neemt hij plaats in een café waar hij plotseling door paniek overvallen wordt. Hij vreest dat hij nooit meer in staat zal zijn lief te hebben.
    Later gaat hij nogmaals naar het huis van Nienke. In de verborgenheid van de avondschemering slaat hij haar gade in haar door lampen verlichte woonkamer. ‘Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, keek nog intenser en besloot toen dat hij haar niet meer kende.’
    Jos verzinkt in een depressie. Na maanden neemt zijn toenmalige agent contact met hem op met het enthousiaste plan zijn geluk in New York te zoeken. In tegenstelling tot wat zijn agent hem verzekerde heeft Amerika geen interesse in hem. Hij doolt er rond zonder doel. Ontmoet een oud joods echtpaar. De vrouw herkent in hem haar in de oorlog omgekomen eerste liefde en wil hem verleiden wanneer haar man in een stoel in slaap is gezakt. Hij slaat op de vlucht waarna het niet goed met hem afloopt.

    In de tweede novelle, Geleend leven staat het leven centraal van Henk Kok, geboren in februari 1946, een bevrijdingsbaby. Henk komt uit een arbeidersgezin maar zijn vader heeft grote plannen met hem. Henk gaat studeren maar houdt dit niet vol. Hij vertrekt op stel en sprong naar Zweden ( waar ook de auteur in zijn jonge jaren heentrok), trouwt met een Zweedse en keert weer terug naar Nederland waar hij Zweeds vertaler wordt. (evenals de auteur). Tot 1990 is hij vertaler en literair agent. Een jaar later is hij spoorloos verdwenen.
    Als informant van de inlichtingendienst heeft Wim Draayer een nieuwe identiteit nodig. De biografie van Henk moet zijn verleden verbeelden. Met deze nieuwe identiteit duikt hij onder op het Franse platteland. Wanneer Wim zijn nieuwe biografie leest is hij zeer tevreden met zijn nieuwe ego. Alleen het einde bevalt hem niet.Waarom laat hij mij zomaar in het niets verdwijnen?’, vraagt hij zich af. Aan het einde van de novelle begrijp je als lezer waarom de schrijver van de biografie Henk Kok liet verdwijnen. Een stukje waarachtige suspense.

    Eeuwige roem de derde novelle, gaat over de plichtsgetrouwe Juliën Cocq, aangesteld als bewaker van overtollige standbeelden. Het gaat om standbeelden van de voormalige dictator, Igor Streifer. Tijdens de dictatuur was Juliën archiefmedewerker. Na de dictatuur kreeg hij deze nieuwe functie opgelegd. Zijn leven verloopt zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Zijn vrouw Nina verveelt zich duidelijk naast hem. Zij is dan ook (hoewel niet onverdeeld) blij met elke verandering. Die dient zich aan in de persoon van Grossman. Een wat duister figuur die het goed voor heeft met zijn medemensen. Juliën verdient bergen geld bij deze man zonder er in verhouding iets noemenswaardig voor terug te doen. Nadat Juliën en zijn vrouw een leven zijn ingestapt waaruit geen terug mogelijk schijnt, komt het tot een ontknoping en kiest Juliën zijn eigen weg die hem weer terugbrengt naar waar hij begon.
    Pas dan schijnt hij redelijk gelukkig te zijn. ‘Voor het eerst van mijn leven had ik geld. Geld schept afstand. Ik hoefde nergens meer aan mee te doen. Ik was nergens meer naar op weg.’  Heerlijk dat nihilisme.

    Opmerkelijk is dat het met de hoofdfiguren in de eerste twee novellen, die dachten alles te bezitten en met niets achterbleven, het slecht afloopt. Terwijl Juliën Cocq, uit de derde novelle, eindigt waar hij vandaan kwam, onderweg ergens zijn vrouw verloren heeft, maar er gelukkiger uitkomt. Eigenlijk voor het eerst gelukkig is, juist door het ‘niets’ te bezitten.
    Bernlef voert de lezer door een wereld waarin het leven verstild aan je voorbij schuift, en  omgekeerd begeef je je als lezer langs verstilde beelden. Hoe Bernlef als schrijver de samenleving observeert zit verborgen in het volgende beeld (p. 52) ‘[…] stopte de bus naar de stad bij de haltepaal. Nu zaten er mensen in. Zo gauw ze plaats hadden genomen bevroren ze. De bus en zijn passagiers leken op een verlichte huiskamer voortrijdend over de donkere dijk.’

    Eenzaamheid is in Bernlefs verhalen geen verstikkende beleving. Het staat er zoals het er in het werkelijke leven aan toegaat, er is geen alternatief.
    Als lezer echter blijf je wel met lege handen en eenzaam achter. Je verbonden voelen met enig personage is uitgesloten: Als een avondwandeling langs verlichte huizen waar mensen zich ongezien wanen maar van wiens leven jij als voorbijganger voor een klein moment deel uitmaakt door te registreren wat je ziet en dat weer los te laten. Ik mag dat wel, die haast kille afstandelijkheid, de onthechting ten top.

     

     

  • Er staan geen bomen in het park!

    Er staan geen bomen in het park!

    Door Rein Swart

    In deze inspirerende essays, die voor een groot deel eerder in Raster verschenen, brengt Bernlef een hele rits buitenlandse dichters hernieuwd onder de aandacht. Het is alsof je naar Dode dichters almanak zit te kijken, de marathonuitzendingen die de VPRO eens in de zoveel tijd op het scherm brengt en die fascinerend zijn omdat er zoveel verschillende stemmen achter elkaar klinken, zoals die van de Amerikaanse Elisabeth Bischop bijvoorbeeld, die in deze bundel ook aan de orde komt. Ze staat haar mannetje te midden van een zeer divers gezelschap van allerlei mannelijke Europese en Amerikaanse dichters. Wetenschappelijk aangelegde poëten zoals de door Bernlef bewonderde Fransman Ponge treden zij aan zij op met surrealisten als Eluard. Bernlef levert daarbij ook nog een boeiend commentaar.

    De tweede ruimte is volgens hem de speelruimte tussen werkelijkheid en taal, die ruimte biedt voor fantasie en voor andere mogelijkheden dan een reeks waarheidsgetrouwe feiten. In zijn jeugd kwam hij erachter dat veralgemeniseringen zoals ‘de bomen in het park’ niet in staat waren het unieke te vangen.

    ‘Ik werd mij steeds bewuster van het oppervlakkige karakter van het taalgebruik om mij heen. De tweede ruimte dijde steeds verder uit tot er zich een nieuw talig universum in mijn hoofd gevormd had, een stelsel van fijngevoelige woorddendrieten die voortdurend naar nieuwe expressiemogelijkheden in de taal zochten. Die tweede ruimte was de geboortegrond van de poëzie en daar wilde ik wonen.’

    Buitenlandse poëzie is het stiefkindje in de literatuur, omdat het vertalen tijdrovend werk is en het nauwelijks mogelijk is het origineel te kopiëren. Bernlef leent zijn oor aan andere vertalers zoals Guus Luijters en Peter Nijmeijer, niet om te kijken wie het beste vertaalt, maar om iets van elkaar te leren. Ook is hij niet terughoudend in zijn kritiek. De avant-gardisten in een bundel van Luijters moeten het ontgelden. Halverwege zijn eigen boek valt hij heftig uit tegen Lloyd Haft die een psalm lelijk vertaalde. Dat soort uitweidingen maken deze bundel een genot om te lezen, ook voor mensen aan wie poëzie niet zo gauw besteed is.

    Bernlef gaat in op hermetische poëzie en op prozagedichten, die door de getormenteerde Rimbaud werden aangegrepen om verschillende stemmen tegelijk te kunnen laten klinken en door Aloysius Bertrand om net als een schilder verschillende taferelen naast elkaar te kunnen afbeelden.

    Tenslotte volgen essays over Zweedse dichters, die Bernlef zelf vertaalde en met wie hij een grote affiniteit heeft.

    Gustafsson is iemand die net als Bernlef in het gedicht Oorsprong het ‘ik’ problematiseert. Beiden stellen zich de vraag waar gedichten eigenlijk vandaan komen en concluderen, net als Rimbaud al deed (in dichtbundels die verwerkt zijn tot ‘Ik is een ander’), dat de persoonlijkheid maar een deel is van onze totale aanwezigheid. Gustafsson schreef ook een roman met de hoofdpersoon Arenander, dat in het Zweeds ‘is een ander’ betekent.

    De Zweed Tranströmer is van belang vanwege zijn esthetische ontvankelijkheid. Toen Bernlef eens bij hem op bezoek was, wees Tranströmer op een oude boom waar hij een ober in zag.

    ‘De onderbewuste werkelijkheid die in zijn gedichten vaak ter sprake komt (hij heeft opvallend veel gedichten geschreven over de momenten vlak voor het inslapen en vlak na het ontwaken), heeft meer te maken met het besef dat ons wakende ik maar een deel van ons bestaan uitmaakt en dat wij een belangrijk deel van ons leven in anonieme toestand doorbrengen. Het is Tranströmer erom te doen de momenten waarop het bewustzijn met die anonimiteit, die bij hem vaak gelijkstaat aan de natuur, in contact treedt in beelden te verhelderen.’

    Als tegenwicht tegen al deze volwassen woorden volgt hier begin en einde van het gedicht De Bokking van de excentrieke Charles Cros:

    Er was een grote witte muur ? kaal, kaal, kaal,
    Tegen de muur een ladder ? hoog, hoog, hoog,
    En op de grond een bokking ? hard, hard, hard,

     (…)

     Geschreven heb ik dit ? simpele, simpele, simpele,
    Verhaal om ze kwaad te maken ? de ernstige, ernstige, ernstige,
    Mensen en om te vermaken de kinderen ? klein, klein, klein.

    De tweede ruimte is voor Literair Nederland ook gerecenseerd door Albert Hogeweij.