• Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    De acht bergen

    Vele jaren ging ik op vakantie naar Italië, steeds naar een andere regio, en raakte ik verknocht aan dat land. De klassieke kunsten, de conservering van het culturele erfgoed, de culinaire genotmiddelen, het prachtige landschap, de gastvrijheid van de Italianen: het zijn prachtige kenmerken van een land waar het weliswaar politiek niet lukt om van de huidige samenleving een moderne gemeenschap te maken maar waar het voor mij goed toeven is. Zes jaar geleden ben ik er gaan wonen….
    Van mij dus vier boeken van Italiaanse schrijvers, die ik met ontzettend veel plezier heb gelezen; drie ervan hebben een stad als achtergrond en wanneer je op vakantie gaat naar Italië zijn deze steden zeer de moeite waard om te bezoeken.

    Paolo Gognetti – De acht bergen
    Over dit boek moet niet al teveel gezegd worden. Het gaat over de relatie van een vader met zijn zoon, Pietro, en hun liefde voor het Noord-Italiaanse berglandschap. Ze wonen in Milaan maar trekken vaak de bergen in. We lezen ook over de relatie van Pietro met zijn beste vriend Bruno die opgroeit in de bergen.
    Het mooie is dat het verhaal zich langzaam ontvouwt. De ontwikkeling van beide relaties wordt  beschreven en gaandeweg besef je de invloed van verschillende gebeurtenissen op het leven van de twee vrienden. Dat is heel knap gedaan. Het is ingetogen geschreven, met mooie beschrijvingen van de natuur en het laat je niet meer los. En na lezing sta je voor de keus: ga ik naar de stad  of trek ik de bergen in?

     

     

     

    De acht bergen
    Auteur: Paolo Cognetti
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Bekentenissen van Zeno

    Italo Svevo – Bekentenissen van Zeno

    Dit boek heb ik twee keer gelezen; de eerste keer tijdens mijn zoektoch ging naar Italiaanse literatuur; de tweede keer op verzoek van Literair Nederland, toen er in 2015 een nieuwe vertaling verscheen van dit 90 jaar oude boek. Mijn recensie verscheen op 3 december van dat jaar; ik ben nog steeds enthousiast over het boek, het heeft niets van zijn glans verloren.

    Italo Svevo is geboren in Triëste, de stad waar het verhaal zich afspeelt. Die stad is zeker het bezoeken waard. Er staat ook een standbeeld van Svevo, er is een route uitgestippeld langs belangrijke plekken uit zijn leven en er is een museum aan hem gewijd. Maar eerst en vooral het boek lezen!

     

     

     

    Bekentenissen van Zeno
    Auteur: Italo Svevo
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep

    De tuin van de familie Finzi-Contini

    Giorgo Bassani – De tuin van de Finzi-Contini’s

    Dit klassieke meesterwerk uit 1962 gaat over de ondergang van de joodse gemeenschap in Ferrara, de stad waar Bassani is geboren. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog voert Italië rassenwetten in, joden hebben dan geen toegang meer tot de plaatselijke tennisclub. De Finzi-Contini’s stellen daarom hun particuliere tennisbaan open.

    Tegen de achtergrond van het opkomend fascisme tekent Bassani op schitterende wijze het leven in en om de villa aan de Corso Ercole 1 d’Este in Ferrara. Dat is een prachtige stad: sinds de 13eeuw bestuurd door het oudste vorstenhuis van Italië, de familie D’Este. Er is nog veel te zien in de stad dat daaraan herinnert, zoals het Palazzo Costabili en het Palazzo Schifanoia. De joodse begraafplaats die in het boek een prominente plaats inneemt en de villa van de familie Finzi-Contini’s zijn er ook nog. Ferrara is het prachtige décor van een prachtig boek.

     

    De tuin van de familie Finzi-Contini
    Auteur: Giorgio Bassani
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2018)

    Bernini

    Franco Mormando – Bernini, his life and his Rome

    Deze biografie over beeldhouwer, architect en schilder Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) laat onder meer zien hoe deze kunstenaar dankzij zijn goede contacten met het Vaticaan, Rome heeft voorzien van prachtige pleinen en beelden. Interessant om te lezen hoe hij die opdrachten in de wacht sleept.

    Hij heeft in de 17eeeuw een sterk stempel gedrukt op de kunst van Rome. Voor vier pausen schiep hij vele meesterwerken, teveel om op te noemen. Het Sint Pietersplein met zijn zuilenrij is er zo een, evenals het baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek. Ook de vier stromen fontein op het Piazza Navona is een prachtig bouwwerk.
    Mormando schetst een indringend beeld van de kunstenaar, zijn persoonlijkheid en zijn meesterwerken. En Rome is natuurlijk altijd een bezoek waard!

     

     

    Bernini
    Auteur: Franco Mormando
    Uitgeverij: The University of Chicago Press
  • Te waar om mooi te zijn

    Te waar om mooi te zijn

    De relatie tussen werkelijkheid en kunst is altijd een ongemakkelijke. Kunst is per definitie een selectie en interpretatie, die net zomin ‘echt’ is als de kaart van ons land Nederland is. Sterker nog, hoe dichter kunst de werkelijkheid benadert, des te banaler en oninteressanter ze wordt. Goede kunst houdt daarom altijd afstand tot de werkelijkheid, omdat in die afstand de betekenis wordt geboren.

    Je ziet dat mooi bij portretten, waarin – hoe naturalistisch en gelijkend ze ook zijn – vaak een forse dosis interpretatie zit. Afstand tot de werkelijkheid omdat dat noodzakelijk is voor een goed begrip van wie iemand is of waar hij voor staat. Dus toen Bernini, één van de beste portrettisten uit de geschiedenis, in 1665 de Zonnekoning portretteerde gaf hij hem een extra groot voorhoofd en reukorgaan mee, omdat dat volgens de beeldhouwer sinds Alexander de Grote, kenmerkend is voor grootse heersers. En het was voor Bernini belangrijker dat zijn portret de gewenste grandeur van de koning toonde dan dat het daadwerkelijk op Lodewijk XIV zou lijken.

    Je vraagt je af hoe zo’n begenadigd portrettist de nieuwe president-elect van de Verenigde Staten zou portretteren. Hoe zou Bernini hem grandeur geven? Zou hij zijn neus net zo groot maken als die van Alexander en zijn haardos net zo flamboyant als die van de Zonnekoning? Zou hij hem mooier maken dan hij in werkelijkheid is, of zou dat bij deze heerser-in-de-dop niet werken omdat niemand zou geloven dat dat echt is? Want als de waarheid lelijk is, wordt het ongeloofwaardig als je hem probeert te pimpen.

    Volgens Frank Westerman komt dat omdat iets soms ‘te waar is om mooi te zijn’. Hij sprak deze woorden tijdens zijn Verweylezing in Leiden, waarin hij uitlegde waarom hij liever non-fictie schrijft dan fictie. Omdat je volgens hem met feitenliteratuur bestaande, moeilijk grijpbare zaken beter bij de kladden kunt pakken, zonder dat ze losraken en afdrijven van het hier en nu. En omdat je met feitenliteratuur tegenwicht kan bieden tegen het alomtegenwoordige fabuleren. Tegen de simplistische ‘waarheden’ die ons dankzij internet tegenwoordig waar je ook maar kijkt in de media boven het hoofd dreigen te groeien.

    Feitenliteratuur? Is dat wat we nodig hebben om de onwerkelijke verkiezing van president-elect Trump te kunnen begrijpen? Of heeft Bernini toch gelijk en schiet de werkelijkheid uiteindelijk te kort voor een goed begrip? En moeten we die werkelijkheid een beetje geweld aan doen om haar te begrijpen, door er hier en daar wat bij te verzinnen? Ik denk dat de tijd nog niet rijp voor een antwoord op deze vragen. De werkelijkheid is nog te waar om kunst te zijn. Want kunst is interpretatie en interpretatie vraagt afstand. Daarin wordt betekenis geboren. Ook, of misschien wel juist, als die ongemakkelijk is.

    Zie hier een afbeelding van de Zonnekoning

     

  • Zomerrubriek 2015 – Martin Lok

    In het hoofd van de kunstenaar kruipen

    Vakanties zijn altijd mooie momenten van afstand én toenadering. Afstand van het dagelijkse gedoe en werk, toenadering tot rust en al die andere zaken die het leven waardevol maken. Toenadering ook tot schoonheid. De schoonheid van de natuur, en de schoonheid van wat sommige mensen met hun handen kunnen maken. Tot de schoonheid van beeldende kunst.

    De relatie tussen schoonheid van beeldende kunst en literatuur is een lastige. Het is de strijd tussen beeld en woord, twee ongelijkheden die in de vergelijking altijd al wat ongemakkelijk langs elkaar heen schuren. Al lijkt het beeld daar in zekere zin als winnaar uit te komen: a picture paints – immers a thousand words. Wat niet wil zeggen dat woorden het altijd afleggen. Soms verdiepen woorden wat je met het oog in musea ziet. Een pleidooi dus om je soms in de woorden van kunstenaars te verdiepen.

    Misschien lukt dat nog wel het beste met autobiografieën, of met getuigenissen van vrienden of tijdgenoten van kunstenaar. Dan kom je de kunstenaars het meest nabij. Het is een vorm van literatuur die iedereen die van kunst houdt er soms eens op na zou moeten slaan. Al loopt de liefhebber daarbij wel tegen een taalprobleem op: veel van die autobiografieën of getuigenissen zijn niet in het Nederlands vertaald. Maar dat hoeft de pret natuurlijk niet te drukken. Een paar voorbeelden ter inspiratie.

    Van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 – 1917) is geen autobiografie bekend. Wel een paar interessante getuigenissen. De meest literaire daarvan is geschreven door Rainer Maria Rilke en draagt als titel simpelweg de naam van de kunstenaar: Auguste Rodin (1913, Nederlandse vertaling bij SUN 1990). Een boekje bestaande uit een voordracht, drie beeldbeschrijvingen en brieven aan Rodin zelf. Van alles druipt de bewondering van Rilke voor Rodin af. Zijn voorbeeld in de beeldende kunst, die geen kunst ‘maakt’ maar ‘schept’.

    $(KGrHqJHJFUFDyp0qUHYBRC96b!Z(g~~60_35Twee jaar eerder was er in Frankrijk een ander boek verschenen: Auguste Rodin – L’art. Entre-tiens réunies par Paul Gsell. Een verslag van tien ontmoetingen tussen kunstenaar en journalist. Dit boekje, verkrijgbaar in verschillende vertalingen in bibliotheken of bij antiquariaten geeft een ongekend inkijkje in Rodins denkwereld. En in zijn werkwijze. Het verslag bevat een prachtige passage waar Rodin met een hompje klei in zijn handen eerst razendsnel een puur Grieks beeldje maakt, en daarna dit beeldje verandert in een beeldje dat zo uit Michelangelo’s hand had kunnen komen. Om het verschil tussen beiden te laten zien. Gsell was perplex over zoveel vakmanschap en snelheid. Terwijl volgens Rodin vakmanschap niet hetgeen is waar het over moet gaan. Niet dat dat onbelangrijk is, maar uiteindelijk is het voor hem toch gevoel en inspiratie dat bepalend is voor kwaliteit van een kunstwerk, zo leert het verslag van Gsell ons.

    Zo’n tweeënhalve eeuw eerder is er in Frankrijk een vergelijkbaar boekje verschenen: Journal du cavalier Bernin en France, geschreven door Paul Fréart de Chantelou, tijdens Bernini’s bezoek aan Parijs. Bernini was daar om een portret te maken van de Zonnekoning. En De Chantelou, kunstverzamelaar, begeleidde hem daarbij. Het leverde een mooi dagboek op dat de worsteli5584620-Mng toont van Bernini bij de creatie van een echt statelijk portret van de Zonnekoning (niet de meest indrukwekkende persoon zo blijkt uit het dagboek). En een mooi inkijkje in de moeilijkheden waar een beeldhouwer voor staat als hij een portret in marmer maakt. ‘Stel je maar eens voor’, zo zei Bernini tegen De Chantelou, ‘dat een man al zijn haren bleekt en zijn gehele gelaat wit bepoedert… Niemand zou hem nog herkennen.’

     

    Naast deze getuigenissen zijn er ook verschillende interessante autobiografieën van beeldhouwers. Een zeer vermakelijke is die van Benvenuto Cellini, in 2000 in het Nederlands verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep: Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt. 1Deze autobiografie leest als een ware schelmenroman, waarbij Cellini als held natuurlijk allerlei gevaarlijke rovers van zich af weet te houden. En met als pluspunt een inkijkje in leven en werk van één van de grootste beeldhouwers van de late Renaissance. Bijvoorbeeld in het maakproces van zijn beroemde bronzen beeld op het Piazza della Signoria in Florence, Perseus met het hoofd van Medusa. Wie wil weten hoe lastig het is om zo’n groot bronzen beeld te maken kan niets beters doen dan deze autobiografie te lezen.

    En dan is er natuurlijk ook nog de autobiografie die Michelangelo liet optekenen door zijn leerling Ascanio Condivi (zie bijvoorbeeld Michelangelo, Life, letters, and poetry. Oxford World’s Classics).
    21JVSD8XRJL._SX220_ Het werd in 1553 voor het eerst gepubliceerd, drie jaar nadat Vasari zijn Levens van de grootste kunstenaars had gepubliceerd. Dat was geen toeval, want alhoewel Vasari Michelangelo als culminatie van het Florentijnse kunnen had neergezet was de ijdele Michelangelo het niet eens met Vasari’s weergave van zijn leven. Wat hij dus poogde recht te zetten met zijn eigen versie. Een versie die een prachtig inkijkje geeft in de relatie van Michelangelo met de Medici en opeenvolgende pausen. Maar minder in zijn werkproces. Een mooie en onovertroffen bron daarvoor zijn de gedichten die Michelangelo schreef. Sommigen daarvan zijn in 1986 vertaald door Frans van Dooren en verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep (Sonnetten). Sonnetten die stuk voor stuk duidelijk maken dat – Goddelijke inspiratie of niet – beeldhouwen voor Michelangelo uiteindelijk een proces is van de steen zijn wil opleggen:

    Wanneer mijn hamer uit de ruwe rots
    vormen van mensen houwt, beweegt hij daar
    niet ongebreideld als een woeste knots
    maar krachtens ’t willen van de kunstenaar’

    Een beter pleidooi om je soms te verdiepen in het woord van de beeldende kunstenaar kan ik niet geven.

     

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk.