• Zomerrubriek 2015 – Martin Lok

    In het hoofd van de kunstenaar kruipen

    Vakanties zijn altijd mooie momenten van afstand én toenadering. Afstand van het dagelijkse gedoe en werk, toenadering tot rust en al die andere zaken die het leven waardevol maken. Toenadering ook tot schoonheid. De schoonheid van de natuur, en de schoonheid van wat sommige mensen met hun handen kunnen maken. Tot de schoonheid van beeldende kunst.

    De relatie tussen schoonheid van beeldende kunst en literatuur is een lastige. Het is de strijd tussen beeld en woord, twee ongelijkheden die in de vergelijking altijd al wat ongemakkelijk langs elkaar heen schuren. Al lijkt het beeld daar in zekere zin als winnaar uit te komen: a picture paints – immers a thousand words. Wat niet wil zeggen dat woorden het altijd afleggen. Soms verdiepen woorden wat je met het oog in musea ziet. Een pleidooi dus om je soms in de woorden van kunstenaars te verdiepen.

    Misschien lukt dat nog wel het beste met autobiografieën, of met getuigenissen van vrienden of tijdgenoten van kunstenaar. Dan kom je de kunstenaars het meest nabij. Het is een vorm van literatuur die iedereen die van kunst houdt er soms eens op na zou moeten slaan. Al loopt de liefhebber daarbij wel tegen een taalprobleem op: veel van die autobiografieën of getuigenissen zijn niet in het Nederlands vertaald. Maar dat hoeft de pret natuurlijk niet te drukken. Een paar voorbeelden ter inspiratie.

    Van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin (1840 – 1917) is geen autobiografie bekend. Wel een paar interessante getuigenissen. De meest literaire daarvan is geschreven door Rainer Maria Rilke en draagt als titel simpelweg de naam van de kunstenaar: Auguste Rodin (1913, Nederlandse vertaling bij SUN 1990). Een boekje bestaande uit een voordracht, drie beeldbeschrijvingen en brieven aan Rodin zelf. Van alles druipt de bewondering van Rilke voor Rodin af. Zijn voorbeeld in de beeldende kunst, die geen kunst ‘maakt’ maar ‘schept’.

    $(KGrHqJHJFUFDyp0qUHYBRC96b!Z(g~~60_35Twee jaar eerder was er in Frankrijk een ander boek verschenen: Auguste Rodin – L’art. Entre-tiens réunies par Paul Gsell. Een verslag van tien ontmoetingen tussen kunstenaar en journalist. Dit boekje, verkrijgbaar in verschillende vertalingen in bibliotheken of bij antiquariaten geeft een ongekend inkijkje in Rodins denkwereld. En in zijn werkwijze. Het verslag bevat een prachtige passage waar Rodin met een hompje klei in zijn handen eerst razendsnel een puur Grieks beeldje maakt, en daarna dit beeldje verandert in een beeldje dat zo uit Michelangelo’s hand had kunnen komen. Om het verschil tussen beiden te laten zien. Gsell was perplex over zoveel vakmanschap en snelheid. Terwijl volgens Rodin vakmanschap niet hetgeen is waar het over moet gaan. Niet dat dat onbelangrijk is, maar uiteindelijk is het voor hem toch gevoel en inspiratie dat bepalend is voor kwaliteit van een kunstwerk, zo leert het verslag van Gsell ons.

    Zo’n tweeënhalve eeuw eerder is er in Frankrijk een vergelijkbaar boekje verschenen: Journal du cavalier Bernin en France, geschreven door Paul Fréart de Chantelou, tijdens Bernini’s bezoek aan Parijs. Bernini was daar om een portret te maken van de Zonnekoning. En De Chantelou, kunstverzamelaar, begeleidde hem daarbij. Het leverde een mooi dagboek op dat de worsteli5584620-Mng toont van Bernini bij de creatie van een echt statelijk portret van de Zonnekoning (niet de meest indrukwekkende persoon zo blijkt uit het dagboek). En een mooi inkijkje in de moeilijkheden waar een beeldhouwer voor staat als hij een portret in marmer maakt. ‘Stel je maar eens voor’, zo zei Bernini tegen De Chantelou, ‘dat een man al zijn haren bleekt en zijn gehele gelaat wit bepoedert… Niemand zou hem nog herkennen.’

     

    Naast deze getuigenissen zijn er ook verschillende interessante autobiografieën van beeldhouwers. Een zeer vermakelijke is die van Benvenuto Cellini, in 2000 in het Nederlands verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep: Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld, vertaald en ingeleid door Corinne van Schendel en Henriëtte van Dam van Isselt. 1Deze autobiografie leest als een ware schelmenroman, waarbij Cellini als held natuurlijk allerlei gevaarlijke rovers van zich af weet te houden. En met als pluspunt een inkijkje in leven en werk van één van de grootste beeldhouwers van de late Renaissance. Bijvoorbeeld in het maakproces van zijn beroemde bronzen beeld op het Piazza della Signoria in Florence, Perseus met het hoofd van Medusa. Wie wil weten hoe lastig het is om zo’n groot bronzen beeld te maken kan niets beters doen dan deze autobiografie te lezen.

    En dan is er natuurlijk ook nog de autobiografie die Michelangelo liet optekenen door zijn leerling Ascanio Condivi (zie bijvoorbeeld Michelangelo, Life, letters, and poetry. Oxford World’s Classics).
    21JVSD8XRJL._SX220_ Het werd in 1553 voor het eerst gepubliceerd, drie jaar nadat Vasari zijn Levens van de grootste kunstenaars had gepubliceerd. Dat was geen toeval, want alhoewel Vasari Michelangelo als culminatie van het Florentijnse kunnen had neergezet was de ijdele Michelangelo het niet eens met Vasari’s weergave van zijn leven. Wat hij dus poogde recht te zetten met zijn eigen versie. Een versie die een prachtig inkijkje geeft in de relatie van Michelangelo met de Medici en opeenvolgende pausen. Maar minder in zijn werkproces. Een mooie en onovertroffen bron daarvoor zijn de gedichten die Michelangelo schreef. Sommigen daarvan zijn in 1986 vertaald door Frans van Dooren en verschenen bij Atheneum – Polak & Van Gennep (Sonnetten). Sonnetten die stuk voor stuk duidelijk maken dat – Goddelijke inspiratie of niet – beeldhouwen voor Michelangelo uiteindelijk een proces is van de steen zijn wil opleggen:

    Wanneer mijn hamer uit de ruwe rots
    vormen van mensen houwt, beweegt hij daar
    niet ongebreideld als een woeste knots
    maar krachtens ’t willen van de kunstenaar’

    Een beter pleidooi om je soms te verdiepen in het woord van de beeldende kunstenaar kan ik niet geven.

     

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

  • Vakantierubriek 2013 – Martin Lok

     Italia: La dolce vita, maar niet zonder un po’ d’amaro

    Wie aan Italië denkt, denkt aan la dolce vita. Het zoete leven. Want Italië, dat is waar de zon zonnig is, een espresso goddelijk, dieprode wijn smaakt zoals dieprode wijn hoort te smaken, een wandeling buiten een onderdompeling is in de geur van rozemarijn, basilicum, olijven en citroenen, en waar alles eten is, ook als het over iets anders gaat. Genoeg redenen om de mindere zijden van Italië, zoals Berlusconi, de afvalbergen in Napels en de maffia met zijn vele namen als sneeuw op de Vesuvius te laten smelten. Maar de literatuur uit Italië leert je dat je dan wat mist. Naast het zoet van het Italiaanse leven verdient ook het amaro ervan, de bitterheid, ieders aandacht. Daarom hierbij aan de hand van boeken van Dante Alighieri, Leonardo Sciascia, Tomasi di Lampedusa, Renata Viganò, Elsa Morante, Giorgio Bassani, Giorgio Vasari, Ascanio Condivi, Benvenuto Cellini en de veel te vroeg overleden Nederlandse actrice, gastvrouw en kookboekschrijfster Diane Lensink mijn introductie op het dolce én amaro van Italië.

    Natuurlijk is hét klassieke Italiaanse boek dat het dolce met het amaro verbindt La Divina Commedia van Dante Alighieri. Een imposant dichtwerk uit het begin van de veertiende eeuw, dat direct bij aanhef intrigeert: ‘Op ‘t midden van ons levenspad gekomen, Kwam ik bij zinnen in een donker woud, Want ik had niet de rechte weg genomen.De Goddelijke Komedie is enkele jaren geleden door Athenaeum-Polak & Van Gennep prachtig tweetalig uitgegeven en toegelicht (vertaling door Ike Cialona en Peter Verstegen) en daarmee voor iedereen toegankelijk. Maar ik begrijp dat het niet ieders vakantiewens is zich door ruim 700 pagina’s verhalende poëzie heen te worstelen. Alhoewel iedereen die zich door de eerste regels aangesproken voelt, mijns inziens op zijn minst een poging zou moeten wagen. Maar andere boeken zijn natuurlijk een toegankelijker poort tot het zoet en het bitter van Italië. Dante waagt zich eerst aan het bitter van de Hel, waar alle ondeugden en zondes van de mensheid te revue passeren, om pas later over de hemelse zoetheid van het leven te dichten. Ik volg diezelfde weg.

    Een bitter element in de Italiaanse geschiedenis is ontegenzeggelijk de maffia. Voor Noord-Europeanen (zeg maar: boven de Arno) eigenlijk niet te bevatten. Daarvoor is bij ons het systeem van horigheid en het ‘als jij mijn rug krabt, krab ik de jouwe’ al te lang verdwenen. Maar wie als Noorderling toch een poging wil wagen de maffia enigszins te doorgronden kan prima in de literatuur terecht. Mijn favoriete auteur is daarvoor Leonardo Sciascia, onderwijzer, parlementariër en politiek geëngageerd Siciliaans schrijver. Zijn bekendste boek is de Dag van de Uil (Serena Libri). Deze roman over moord, maffia en malversaties laat je reeds op de eerste pagina’s kennismaken met het Sicilië dat je al meende te kennen, maar dat je desalniettemin verrast en beetpakt. Dag in dag uit komt er een broodjesman bij de bus, ook die dag dat er man vermoord wordt die op de bus stapt. Dat wist iedereen in het dorp, de politie incluis. Maar als deze broodjesman wordt ondervraagd komt uit zijn reactie de ongrijpbaarheid van de maffia onmiddellijk naar voren: ‘Hoezo? Vroeg de broodjesman verbaasd en nieuwsgierig, is er geschoten?’ Serena Libri heeft veel meer titels van Sciascia in Nederland uitgebracht. Vaak over de moeizame relatie van Sicilië met de maffia (Ieder het zijne, Een duidelijke zaak). Maar deze auteur raakt in zijn boeken ook andere thema’s aan, zoals de Italiaanse politiek (L’affaire Moro) of de wetenschap en de ontwikkeling van de atoombom (De verdwijning van Majorana).

    Niet over de maffia, maar wel over kameleontische aard van de Sicilianen (een aard die misschien ook wel Italiaans is, zo weet iedereen die De Karthuize van Parma van Stendhal gelezen heeft), is de Tijgerkat van G. Tomasi de Lampedusa (Athenaeum-Polak & Van Gennep). Tomasi de Lampedusa beschrijft hoe Sicilianen steeds weer buigen naar hen die de macht hebben, of krijgen; een voorwaarde voor overleven in een maffiose maatschappij. Alhoewel in de Tijgerkat de vraag nooit ver weg is wie het nu eigenlijk voor het zeggen heeft, de machthebber of zij die hem in staat stellen de macht te hebben. Nergens blijkt dit beter dan uit de kernzin uit Tomasi di Lampedusa’s opus. Zoals ik vorig jaar in de Zomerrubriek schreef één van de mooiste zinnen uit de literatuur die ik ken: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Er is geen andere zin die op zoveel momenten in de Italiaanse geschiedenis toepasselijk is. Het maakt de Tijgerkat tot verplichte literatuur voor iedereen die de achterkant van Italië (en Sicilië) wil begrijpen en doorgronden.

    Een andere donkere zijde van Italië die je prima via de literatuur kunt verkennen is de Tweede Wereldoorlog. Elk land heeft zijn eigen oorlog, die, ook al is het dezelfde oorlog, zijn gelijke niet heeft. Nooit eerder realiseerde ik me dat sterker dan na het lezen van Agnese moet sterven van Renata Viganò (Serena Libri). De Italiaanse oorlog is met zijn fascisten en partizanen zo anders dan de Nederlandse, dat je het gevoel bekruipt over een geheel andere oorlog te lezen. Er blijkt een veelvoud van Tweede Wereldoorlogen te zijn. Viganò beschrijft de Italiaanse versie weergaloos. In zijn roman komt niet alleen het moeras waar de partizanen schuilhouden tot leven, maar ook de onmenselijke keuze die Agnese, een eenvoudige vijftig jaar oude wasvrouw uit een alledaags Italiaans dorpje, moet maken. Een keuze die haar leven op zijn kop zet, haar dingen laat doen die ze zelf niet voor mogelijk had gehouden, en die haar uiteindelijk bij haar noodlottig einde brengt. Zo mogelijk nog indrukwekkender is De geschiedenis van Elsa Morante (Meulenhoff), vrouw van Alberto Moravia. De Geschiedenis is een gedeeltelijk op persoonlijke ervaringen van Morante geïnspireerde saga over de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de Europese cultuur. Het beslaat de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw en is in zekere zin de literaire evenknie van Bertolucci’s film Novecento. Je moet er wel even voor gaan zitten, want Morante schrijft in De Geschiedenis ruim 650 pagina’s bij elkaar, maar het resultaat is aangrijpend en overrompelend genoeg om je geen moment los te laten.

    Wie zich iets minder lang wil onderdompelen in Italiaans oorlogsproza, kan De tuin van de Finzi-Contini’s van Giorgio Bassani ter hand nemen (Meulenhoff). Vanuit het zuiden zijn we inmiddels stevig in het noorden van Italië aanbeland, in Ferrara om precies te zijn. Bassini beschrijft hoe in die stad de gegoede joodse gemeenschap in de oorlogsjaren teloorgaat. Een prachtig kleinnood dat je doet verlangen naar zijn andere romans over het leven in Ferrara.

    Zo langzamerhand is het thema van het amaro voldoende uitgediept en wordt het tijd voor de goede kanten van het Italiaanse leven. En dat wordt nergens zo zichtbaar als bij de Italiaanse kunst en in het Italiaanse eten. Natuurlijk zijn er goede romans verschenen waarin kunst of eten een hoofdrol vervullen, maar ik tap hier liever uit een ander vaatje en geef de voorkeur aan non-fictie als toegangspoort. Om als eerste met kunst te beginnen: een bezoek aan Italiaanse musea wordt veel waardevoller als je vooraf iets gelezen hebt over de Italiaanse Renaissance en het effect daarvan op de kunstgeschiedenis. Natuurlijk kun je daarvoor de klassieker van Jackob Burckhardt lezen, De Cultuur der Renaissance in Italië (o.a. Spectrum), of Ross King’s De koepel van Brunelleschi of De hemel van de Paus (De Bezige Bij) lezen, maar er zijn mijns inziens interessantere ingangen. Want waarom zou je niet over de Italiaanse kunst van de Renaissance lezen in boeken die door de Italianen van die tijd zijn geschreven. Er zijn er genoeg. Een klassieker is natuurlijk Giorgio Vasari’s Levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (zestiende eeuw, o.a. Contact). Hierin vind je tientallen biografieën van bekende Renaissance kunstenaars, die het leven van een kunstenaar in die tijd op ongeëvenaarde wijze tot leven brengt. Wie echter verder wil gaan kan bijvoorbeeld ook nog de ‘semi-autobiografie’ van Michelangelo lezen, geschreven door zijn leerling Ascanio Condivi (helaas niet in het Nederlands vertaald), of het weergaloze Het leven van Benvenuto Cellini door hemzelf verteld (Benvenuto Cellini, zestiende eeuw, Athenaeum-Polak & Van Gennep). Humoristisch, vol eigendunk, maar ook vol wetenswaardigheden over het leven en kunstenaarschap aan het einde van de Renaissance. Lees Cellini’s autobiografie en je zult zijn bronzen Perseus-beeld op het Piazza della Signoria in Florence voor altijd anders benaderen.

    Naast Italiaanse kunst is de Italiaanse keuken natuurlijk een cruciale bijdrage van het land aan het mondiale culturele erfgoed. Daarom wijd ik tot besluit van mijn introductie tot het goede en bittere van Italië mijn aandacht nog even aan het absolute summum van la dolce vita. Namelijk dat deel dat via de smaakpapillen voert: de Italiaanse keuken. Ik doe dat overigens met een Nederlands tintje, als eerbetoon aan Diane Lensink, de ongeëvenaarde gastvrouw van een Nederlands-Italiaans paradijs in Noord-Italië, Vinazza.

    Vinazza is een tweehonderd jaar oud buurtschap in de nabijheid van Apricale en Baiardo (of, iets verder weg en voor wie dat meer zegt, Bordighera en Ventimiglia). In 1978 streek Diane er voor het eerst neer, om er in 1993 als alleenstaande moeder met haar toen nog jonge zoon echt te gaan wonen. Vanaf 1995 is Vinazza ook een agriturismo. En wat voor één! In het Parool stond ooit geschreven dat wie eenmaal in Vinazza is geweest er altijd terug komt. Iets dat ik volmondig kan beamen; ik ben er in ieder geval in ongeveer acht jaar tijd een keer of zes geweest. Steeds weer aangetrokken door de eeuwenoude stilte, de geuren van de zonverdroogde uitlopers van de Alpen en het gastvrouwschap en de kookkunsten van Diane. Alhoewel de actrice Diane altijd in Nederland bleef acteren was het uitbaten van Vinazza naar eigen zeggen haar roeping. Een roeping en een leven dat in het Woord vooraf van haar eerste boek en op de achterflap van haar tweede boek mooi wordt samengevat: ‘Het ging altijd over eten. Ook als het niet over eten ging.’ Twee kookboeken heeft ze op haar naam staan, Vinazza. Kookboek uit een Italiaans Paradijs en Vinazza. De maan, het land en het leven (beiden Kosmos). Twee kookboeken die de lezer meer brengen dan recepten alleen. Naast de recepten van Diane komen in beide boeken het leven in Italië en de smaken van Liguria tot leven. Dit alles gelardeerd met wetenswaardigheden over het buurtschap Vinazza, en de plaatsjes in en bewoners uit de onmiddellijke omgeving: Baiardo, Apricale, Dolceaqua, Bordighera.

    Helaas is Diane op 19 december 2012 op 62-jarige leeftijd overleden. Natuurlijk veel te vroeg. En ook voordat ze haar derde kookboek kon uitbrengen. Ze was er al wel mee begonnen. Het zou haar culinaire magnus opus worden. Gelukkig hebben haar vrienden  aangegeven dat ze de aantekeningen die Diane Lensink maakte tot publicatie zullen brengen. Ik kan niet wachten tot dit derde Vinazza kookboek in mijn boekenkast prijkt en ik aan de hand van Diane’s aanwijzingen in mijn Nederlandse keuken nieuwe Italiaanse geuren en smaken kan oproepen. Vol passie en met een traan. Want in alles geldt: Italië is la dolce vita maar soms ook un po’ amaro.

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.