• Een ervaren en vernuftige poëzielezer

    Een ervaren en vernuftige poëzielezer

    Mijn gedichtenschrift van Benno Barnard is een boek van feestelijke rijkdom. Het bevat ruim vijftig korte opstellen die allemaal zijn geschreven naar aanleiding van of in reactie op een of twee gedichten. Die gedichten zijn geschreven door overbekende schrijvers als Sappho van Lesbos, Goethe of T.S. Eliot. Maar Mijn gedichtenschrift bevat ook beschouwingen over werk van veel minder bekende auteurs als Maurice Carême, János Lackfi of Francis Dannemark. De gedichten zijn vrijwel allemaal opgenomen in hun oorspronkelijke vorm. Als bonus bevat het boek – naast de originele teksten – in alle gevallen ook vertalingen, vaak van de hand van Benno Barnard, maar ook van talrijke anderen zoals Paul Claes, Lucienne Stassaert, Charles B. Timmer, P.B. Shelley (!) of Google (!!). De talen waaruit vertaald is vormen ook weer een uitgebreide en verrassende staalkaart: Engels, Frans, Duits, Hongaars, Russisch, Pools … Daarnaast worden nog eens tientallen andere auteurs in de teksten terloops aangehaald of wordt naar hen verwezen. Alsof Barnard met dit boek de meervoudige onbegrensdheid van poëzie heeft willen onderstrepen.

    Gelaagdheid

    Voor zover Barnard de liefde voor de poëzie niet belijdt door zijn keuze voor tekst en auteur, dan is het wel door zijn beschouwingen. Die onttrekken zich aan enige vorm van algemene karakterisering. Het zijn herinneringen, opstellen met een taalkundige invalshoek, persoonlijke, poëtische boutades, literair-historische verhandelingen en zo voort. Alleen door te beschrijven in welke hokjes dit boek niet past, kan enigszins een beeld worden gegeven van de ongewone kwaliteit ervan. En die is – als gezegd: feestelijk en rijk. Want de dichter die Barnard zelf is, komt in zijn opstellen natuurlijk geregeld aan het woord – wat het poëtisch gehalte van dit boek nog verder verhoogt. Het is (ook) daardoor hoogstpersoonlijk van karakter. Het boek wemelt van aforisme-achtige uitspraken: “Elders is het niet beter, gewoonlijk zelfs aanzienlijk slechter.” Of: “Vergeefs zoekt de westerse beschaving een vorm van doodsstrijd die haar verleden waardig is.” Of Barnard valt direct en persoonlijk bij de lezer in huis, bijvoorbeeld als volgt: “Bij alles hoort een gedicht; dit [het gedicht ‘Insomnia’ van de 12de eeuwse Ibn-al-Hammarah] hoorde bij de hotelkamer in Rabat, waar ik in april 2004 wakker lag van Marokko”, waarmee in enkele woorden een gelaagde setting wordt opgeroepen die nieuwsgierig maakt naar het vervolg.

    Een levenlang

    Het boek heeft – naast de echte buitenlanders – een overduidelijk Vlaams zwaartepunt. Dat is begrijpelijk voor wie weet dat Benno Barnard, een Hollander van geboorte, bijna veertig jaar in België woonde. Min of meer voor de hand liggende Nederlandse dichters ontbreken. Geen Bloem, Brassinga, Campert, Gerhardt, Gerlach, Komrij, Lucebert, Nijhoff, Rawie of Hendrik de Vries. Maar wel Ingmar Heytze, P.C. Hooft, Ed Leeflang en … Benno Barnard. Maar ook Barnards eigen gedicht is een tekst die is geïnspireerd op een vers van een ander, nl. de Engelse dichter Matthew Arnold.

    Wel signaleert Barnard hier op een mooie manier hoe gedichten een mensenleven lang mee kunnen gaan en met je mee-groeien: “Dat gedicht ken ik al vele jaren – en zoals dat gaat met sommige verzen, ze worden portable, je draagt ze levenslang met je mee, en terwijl je dat doet wijzigt hun betekenis zich in je ingewanden.” Ook aan zo’n bijna terloops gemaakte opmerking merk je met een ervaren en vernuftige poëzielezer te maken te hebben.

    Doet dit boek ergens aan denken, al is het maar in de verte? In de verte – misschien – aan Komrij’s bloemlezingen-plus-beschouwingen als In liefde bloeyende (1998) en Trou moet blijcken (2001). Maar Komrij wilde de lezer door middel van deze bundels toch altijd graag iets leren. Bij Barnard krijg je als lezer meer het gevoel dat je wordt getrakteerd. Een traktatie om lang en langzaam van te genieten.

     

     

  • Een boer met een bibliotheek

    Een boer met een bibliotheek

    Al op de eerste pagina legt Benno Bernard treffend uit waarom hij een landjonker is: ‘Gezonde buitenlucht snuif ik met welbehagen op; ik boots hier op mijn bekoorlijke platteland tussen voormalige boeren de voormalige landadel na. Daartoe bewoon ik een oud boerderijtje, cultiveer elf are grond en koester vele anachronistische inzichten, die muf ruiken in de neus van mijn tijdgenoten.’

    Wie deze zinnen na lezing van het hele Dagboek (het bestrijkt de periode van 2008 tot de eerste dagen van 2013) nog eens terugpakt, merkt hoe kernachtig dat zelfportret is. Barnard heeft inderdaad iets van een eigengereide in luxe levende conservatief en cultuurpessimist voor wie alles buiten de grens van zijn elf are landbezit reden is om als minderwaardig te beschouwen. Zijn dagboek is af en toe prachtig van taal, maar als lezer ga je van de weeromstuit grommen tegen de betweterigheid van de schrijver.

    Barnard, zoon van Guillaume van der Graft (het pseudoniem van zijn vader Willem), woont exact op de taalgrens in België. Hij is al decennia weg uit Nederland, maar volgt nog nauwkeurig wat daar gebeurt. Een Belg is hij niet geworden, zelfs geen Vlaming of Waal. Hij geeft af op de Walen die het verdommen om Nederlands te spreken en op de Vlamingen die hun taal zo verkwanselen. Maar hij blijft op die grens gevangen zitten: ‘ik voel me Gordiaans verknoopt met Vlaanderen’.
    Kwaad maakt hij zich verder over de troep die infantiele omroepbazen de kijkers voorzetten én het feit dat in Nederland het Vlaams wordt ondertiteld en omgekeerd in Vlaanderen het Nederlands. En nóg kwader op de teloorgang van fatsoenlijk onderwijs.

    Het dagboek dat we nu in boekvorm kunnen lezen, bevat soms uithalen naar anderen die op zijn tekst reageerden. Dat kon omdat hij ze eerder publiceerde op een blog. Zijn notities en beschouwingen zijn doordrenkt van gemor en daarin spaart hij degenen die op zijn blogteksten reageren niet. Als hij weer eens uitgehaald heeft over de ondergang van het Nederlands in Vlaanderen, maait hij een Antwerpse neerlandicus (ene Kevin) die hem aanvalt neer: ‘als je Kevin heet, moet je zwijgen, vind ik (…) Mijn tegenstander blijkt een reputatie te genieten als een luidruchtig, van territoriumdrift bezeten jongmens’.

    Op dezelfde manier heeft hij eerder ook al anderen afgeserveerd. Over Hugo Brandt Corstius bijvoorbeeld: ‘Schreeuwen is zijn lust en zijn leven’ en dat doet hij in een ‘geest van agressie en scherpzinnige stompzinnigheid.’ En Hugo Camps ‘kan helemaal niet schrijven’. Hij is een geval van ‘contrareformatorische bombast’, een ‘holle persoonlijkheid’ wiens kitsch ‘eindigt in een verstarde explosie van wartaal’.
    En Grunberg ‘koketteert met zijn joodse afkomst, door zelf op het jodendom te schelden en gojim aan te vallen die over het jodendom schrijven. [….bij hem] smoort ieder debat in de platitudes die het columnistendorm voor superieure ironie verslijt. Dat hij zijn gymnasium niet heeft afgemaakt, compenseert hij door zoveel mogelijk collega’s af te maken’.

    Dat thema van Grunberg is bij Barnard toch al een kwetsbare plek. Je krijgt de indruk dat iemand die iets kritisch over Israël zegt door de dagboekschrijver meteen op één hoop met antisemieten wordt geveegd.
    De landjonker duldt geen tegenspraak.

    Barnard herhaalt een paar keer dat zijn gescheld gelardeerd is met zelfspot, maar daar is weinig van te merken. Hij debiteert zijn meningen daarvoor met een al te groot ego, dat voortdurend neerkijkt op het domme volk buiten zijn eigen uit de traditie geredde landgoedhek.

    Natuurlijk is het niet allemaal arrogantie. Barnards kritiek op de bedroevende staat van het onderwijs zullen veel lezers kunnen delen, al krijg je halverwege het boek al het gevoel dat er nu wel genoeg over gezegd is. En om zijn gemopper op presentatoren die in het NOS-journaal ineens moeten gaan rondlopen, kun je zelfs nog wel lachen. Maar wat de lectuur van het Dagboek zo vermoeiend maakt is dat aanhoudende weeklagen en het verongelijkte afgeven op critici die hem als een rechtse pessimist zien: ‘Ik houd van links! Ik worstel. Ik houd ook van rechts. Ik ben een natuurconservatief, een boer met een bibliotheek…’

    Ondanks dit verbale geweld waarvan je stekels af en toe overeind gaan staan, weet Barnard ook te ontroeren. Zoals in de herinnering aan zijn vader die van zíjn eigen vader een paar zwarte herenschoenen erfde (zijn grootvader gooide nooit iets weg) en die daadwerkelijk nog droeg: ‘zo stond hij ondanks alles in de schoenen van zijn vader.’ Als Benno Barnards eigen vader gestorven is blijken die zwarte schoenen nog altijd niet te zijn weggegooid. Hij vindt ze terug, ‘twee doffe zwarte artefacten, twee stuks archeologie, vervaardigd van leer dat op het fossiele af hard was geworden’. Ook Benno kan ze op zijn beurt niet wegdoen.

    Barnards taal is af en toe poëtisch. Hij kan bloemrijk tieren. Hij schrijft roerend liefdevol over zijn vader. Maar aan het eind blijf je zitten met het gevoel een paar jaar opgelopen te hebben met een nare iezegrim, die maar niet kan accepteren dat anderen zijn grootsheid niet onderschrijven.

     

     

  • Literair tijdschrift ‘Liter’ met Willem Jan Otten als gastschrijver

     

    De in maart 2012 uitgekomen editie van Liter presenteert zich met een titelloze, rood/wit gestreepte cover (zie foto). Een verschijning die veel weg heeft van een cahier dat nog beschreven moet worden. Een wat kale binnenkomer en ook de inhoud is wat schraal vergeleken met voorgaande edities. Veel tekstanalyses en besprekingen van bestaand werk. Veel poëzie en een enkele prozabijdrage.

    Daarentegen besteedt Liter jaargang 2012 – in alle vier zijn edities – speciale aandacht aan het  werk van dichter en schrijver Willem Jan Otten. Het is mooi een gewaardeerd dichter en schrijver nader belicht te zien. In het maartnummer resulteert dit in een interview met Willem Jan Otten door Tewin van den Bergh (boeken- en theaterman) en Gerda van de Haar (werkt aan een studie over Marcel Möring). Jaap Goedegebuure analyseerde Ottens roman in verzen De vlek en in de rubriek Maatwerk wordt dezelfde roman besproken door Menno van der Beek.

    De aandacht die er aan Willem Jan Otten wordt besteed, richt zich voornamelijk op zijn laatste werk De vlek waarin een man te horen krijgt dat er een vlek op zijn longen is gevonden en dat hij niet lang meer te leven heeft. Later blijkt dat de longfoto verwisseld is met die van een ander. In het interview geeft Otten het ontstaan van De vlek vrij. Het gegeven heeft hij van essayist Rudy Kousbroek, die op een dag de diagnose longkanker kreeg, met een levensverwachting van slechts enkele maanden. Een paar dagen daarna werd Kousbroek weer opgeroepen en kreeg hij te horen dat er een vergissing was gemaakt. De aangetaste longen waren niet van hem, foto’s waren verwisseld, Kousbroek was kerngezond. Otten vroeg zich in deze vooral af: ‘wie was degene met wie hij is verwisseld?’ Voor Otten is De vlek een eerbetoon aan Rudy Kousbroek. Het interview is geïllustreerd met een portretfoto van de auteur die een sterk vooroorlogse uitstraling heeft. Mooi beeld.

    Jaap Goedegebuure ontdekte in De vlek een parallel met Awater van de dichter M. Nijhoff en werkte dit breed uit. Menno van der Beek haalt in zijn recensie over hetzelfde boek Homerus aan. Van der Beek raadt de toekomstige lezers overigens aan de achterflap van het boek niet te lezen, daar de plot daarin verraden wordt en de verrassing bij eerste lezing daardoor ernstig wordt verstoord.
    Verder in Maatwerk (een rubriek voor recensies) onder meer Hilde Bosma die Stille zaterdag van Désanne van Brederode en In de voetsporen van Gerrit Achterberg van Wim van Amerongen bespreekt. Recenseert Elizabeth Kooman De bijbel volgens Nicolaas Matsier en Teunis Bunt de nieuwe dichtbundel van Hagar Peeters, Wasdom.

    In de rubriek Klinker & Medeklinker schrijft de dichter Edwin Fagel (de schepper, dus Klinker) hoe hij bij het schrijven van zijn nieuwste gedichtenbundel Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin op een muur stuitte. Als schepper van poëzie vindt hij dat elke opvatting over dit genre een doodlopende weg is. Openhartig en zoekend beschrijft hij hoe deze bundel is ontstaan. In Kijken (medeklinker) geeft Klaas Touwen een beschouwing over dezelfde bundel. Waarbij hij afsluit met de opmerkelijke conclusie dat de dichter zich wijdt aan autonome kunst en daarbij de ervaring opdoet een bundel te hebben gemaakt die hij niet beoogde.

    Van Maaike Meijer (auteur biografie van M. Vasalis) een bespreking van Een ziektegeschiedenis van de dichter (en als recensent aanwezig in deze editie) Menno van der Beek. Deze bundel las Meijer als een van de 165 bundels die zij in haar hoedanigheid van juryvoorzitter, las voor de VSB Poezieprijs 2011. Een raadselachtige bundel die Meijer ook na meerdere malen herlezen ‘niet helemaal in de vingers’ kreeg. In deze uitvoerige bespreking lijkt dat haar, zo op het oog, wel gelukt te zijn. Hoewel, net als met de Ballade van een gasfitter van Gerrit Achterberg blijkt ook Een ziektegeschiedenis ‘tot op zekere hoogte oninterpreteerbaar’. Boeiend is het zeker, deze anatomie van een gedicht te lezen.

    Verder een gedicht van W.B. Yeats De wederkomst, in een vertaling van Menno van der Beek. Van Dingeman van Wijnen schrijft een inleiding op het verhaal De degredatie van Sint Joris van de Italiaanse schrijver Eugenio Corti (1921). Benno Barnard bespreekt in Mijn gedichtenschrift een gedicht van Wiel Kusters uit zijn bundel Bewaarmachinist (2011).
    Meer gedichten van Hans Dingemans Laten we gaan,  Anthony Carelli Vers vertaald [1].
    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) dicht mooie beelden. Zoals in onderstaand fragment van De wind is gaan liggen (uit: Snijderseiland):

    ‘De wind is gaan liggen, de stad schoon geblazen.
    Erboven een hemel aan onsamenhangende strepen.
    en nevels. Alsof iemand een schoolbord
    vol heeft geschreven en daarin blind is gaan vegen.
    (…)
    Je kunt je ogen wel sluiten maar geuren
    zijn niet te negeren.’

    Liter

    Uitgegeven door: Stichting Liter
    Verschijnt 4 keer per jaar.
    Prijs los nummer: 9,50
    Abonnementen: € 33,- (studenten € 28,-, buitenland € 51,-)

     

  • Religie in de literatuur – Zomer- en Herfstnummer Liter

    Recensie door: Ingrid van der Graaf

    De redactie van Liter heeft deze zomer een nieuwe rubriek geïntroduceerd, Religies van het boek. Schrijver, essayist en criticus Liesbeth Eugelink gaat in gesprek met een schrijver over religie aan de hand van citaten uit de werken van de betreffende schrijver. In Liter nr. 62 (zomernummer) praat Eugelink met Marcel Möring, die op zijn zevende de Donald Duck verruilde voor het, van zijn vader gekregen, Oude Testament. Door zijn verdieping in het heilige geschrift, beleefde hij zichzelf tot zijn zeventiende als, ‘lopend aan de hand van God’. En daarna was het over, diende het ‘echte’ leven zich aan en kon hij niet meer geloven. Maar het verlangen bleef. Het gesprek toont onvermijdelijk aan dat er veel ‘geloof’ en ‘zoeken naar ‘ in de boeken van Möring voorkomt.

    In het Liter nr. 63 (herfstnummer) interviewt Eugelink dichter en schrijver Wouter Godijn, waarin hij de uitspraak doet: ‘Als kunstenaar ben ik in de positie waarin ik mij met God kan verzoenen’. Daarentegen is Godijn antichristelijk opgevoed en voelde zich pas door het werk van Gerard Reve tot het geloof aangetrokken. Opgegroeid met Jan Wolkers, werd op tweeëntwintig jarige leeftijd zijn interesse gewekt voor Reve en de wijze waarop deze het geloof gestalte gaf. Wat duidelijk wordt in dit gesprek, is het streven van Godijn een bepaald soort mens/schrijver te willen zijn, waarin hij faalt, waardoor hij, zoals hij zegt ‘ongewild bij het dichterschap uitkomt’.

     

    Toen Liter nr. 62 werd samengesteld was de Joodse dichter Admiel Kosman (1957) in het land voor een optreden bij Poetry International te Rotterdam. Willem Jan Otten beschrijft in dat nummer welke indruk Kosman op hem maakte. De allereerste regel die Otten van de dichter las, ‘Orthodox me, my darling’, riep vele vragen bij hem op, o.a. of  ’to orthodox’ een werkwoord was.
    Het interview dat Otten met Kosman hield tijdens Poetry International, is opgenomen in Liter nr. 63. De brandende vraag van Otten, wat betekent ‘orthodox me’, kan Kosman niet beantwoorden. ‘Want hij schrijft geen gedichten’, is zijn antwoord. Kosman is nooit gaan zitten om een gedicht te schrijven, en zal dit ook nooit doen. De gedichten komen naar hem toe en hij moet er maar klaar voor staan om ze op te schrijven. Altijd potlood en papier bij de hand voor deze dichter. En wat er staat weet hij zelf ook niet goed, dus vragen naar een interpretatie heeft geen zin. Een interview waarin vragen vaak teruggespeeld worden met een wedervraag om vervolgens tot een doordacht antwoord te komen. Kosman grossiert in uitspraken als: ‘Ik ben pas gaan bidden toen ik niet meer bad’.  Een dichter die geen gedichten schrijft, maar zeer indringende liefdes, ‘gebeden’ publiceert.

    De eerste strofe uit het gedicht, Prayer,
    ‘Orthodox me now, my darling, / orthodox me now, around you, / orthodox me tight, my darling, / orthodox me tightly now.’
    Als een bezwerende mantra gonst zo’n gedicht door lijf en leden.

    In nr. 63 ook een fragment uit de nieuwe roman in wording van Oek de Jong. Het fragment speelt zich af in Zeeland in het jaar 1968. Een broeierig stuk proza waarin de middelbare scholier Abel met zijn vriendin op bezoek gaat bij zijn oud-lerares Frans. De Jong’s schrijfstijl brengt zijn personages tastbaar dichtbij. Verlangens worden verwoord in onhandig gedrag; dingen doen omdat het in de loop der dingen ligt en in vervoering raken zonder te weten waar het heen leidt, zo vertelt De Jong zijn verhaal waarbij onderliggende gevoelens zwaar op de schouders van de hoofdpersoon liggen. De roman verschijnt najaar 2012 bij uitgeverij Augustus. Iets om naar uit te kijken.

    In Liter nr. 62 een bijdrage van schrijver Benno Barnard over Herman de Coninck (1944-1997). Barnard ervaart de vriendschap met een dode als een bitter genoegen, vooral als die dode een schrijver (De Coninck) is. De vele duizenden woorden die van een schrijver achterblijven, werken Barnard op zijn zachts gezegd ‘op zijn zenuwen’. Maar nog altijd hoort hij zijn donkere stem. ‘Als tabak kon praten, klonk hij zoals Herman.’
    In nr. 63 enkele gedichten van Willem Barnard (Van der Graft) (1920-2010), vader van Benno Barnard. Gedichten die hij schreef in zijn laatste levensjaar. In datzelfde nummer nog meer van Admiel Kosman. Het essay, Lopen richting heiligheid, over een paar geschilderde arbeidersschoenen van Van Gogh, onderwerp van verregaande speculaties door verschillende kunstonderzoekers. Onder andere was er de aanname, dat de door Van Goghs geschilderde schoenen nog uit zijn vroege tijd in Nuenen zouden stammen, wat niet bleek te kloppen. Ontdekt is dat het schilderij van latere datum moet zijn. En de rede die Kosman hield tijdens Poetry International, Tussen Freud en Buber. En in de rubriek Maatwerk Teunis Bunt over Ted van Lieshout, waagt Tewin van de Bergh zich aan de nieuwe bundel van Willem Jan Otten, schrijft Elisabeth Kooman over Phillipe Claudel en Peter van Dijk over ‘Tree of live’.

    Vermeldenswaardig in Liter nr. 62 is het verhaal van Jan Sonneveld, De spiegel. Waarin de ouders van de verteller bij een vliegtuigongeluk omkomen. Het begint als volgt: ‘Op een ochtend zijn ze verdwenen.’ En na in droomtoestand het verongelukken van zijn ouders enigszins gereconstrueerd te hebben, eindigt het met de surrealistische scène: ‘Mijn ouders staan in de aankomsthal. Ik zie ze in tegenlicht. Mijn ogen knipperen. Ze omhelzen me en slaan me op de schouders. Fijn je weer te zien, jongen. Hoe was je reis?’ Waarin de wens doorklinkt het gebeurde ongedaan te maken. Liter: verrassend maatwerk dat niet alleen binnen de lijnen van het christelijk literaire gedachtengoed past.

     

    Liter
    Prijs losse nummers: 9,50
    Abonnementen: 33,-  (studenten 28,- )
    Ga naar website

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Eén, twee, hupsakee en daar is weer een brievenboek!

    Deze roman in brieven, zoals de ondertitel luidt, is voornamelijk gericht aan Benno Barnard, zo wordt al snel duidelijk door de verwijzing naar de site van De Contrabas, een poëzie weblog waar Barnard regelmatig columns op schrijft.
    De brieven, in de vorm van e-mails aan hem gericht, zijn ongedateerd, maar er bevinden zich aanknopingspunten in de inhoud, zoals bijvoorbeeld de cryptische maar onvergetelijke zin ‘9 mei aanstaande, om negen uur ’s morgens, word ik wees.’
    Dat moet in 2007 geweest zijn, want rond die tijd verschijnt zijn vorige brievenboek Het boek is beter dan de vrouw.

    Koenraad is een Gents dichter zonder werk en relatie. In een eigen biografietje voor een sollicitatie schreef hij: ‘dat ik tweeënveertig jaar was, ongehuwd, kinderloos, niet in het bezit van een wagen, niet samenwonend, geen huisdier, erg valide en pakweg al een kwarteeuw zoekende naar werk.’
    Deze romanticus die volgens eigen zeggen zijn beste gedichten produceert met veel drank op, besluit na enige mislukte baantjes om het als taxichauffeur te proberen.
    Het overlijden van de vader door euthanasie , waarop het eerste citaat (9 mei) doelde, brengt hem ertoe om een mis bij te wonen in de St. Baafskathedraal en zich te storten op christelijke literatuur, onder andere van de huidige paus Ratzinger.
    Die ontwikkeling maakt een vreemde indruk na een sterk werelds en overmoedig begin. Onlangs was er nog commotie op Facebook over de ouderwetse kerkelijke opvattingen van Benno Barnard, maar Koenraad heeft hem hoog zitten. Hij kijkt tegen hem op als tegen een oudere geleerde broer, gehuwd, kinderen en maatschappelijk geslaagd. Hij is vol bewondering over diens Engeland-boek Een vage buitenlander dat ik eerder besprak op deze site.

    In het tweede deel dat bestaat uit de correspondentie met een Hollandse vrouw, die zeer romantisch van toon is, verklaart Goudeseune geen gelovige te zijn, maar iemand die geïnteresseerd in de dichterlijke taal waarin onder andere het boek Job en het Hooglied geschreven zijn.
    De mails of brieven aan Barnard worden gaandeweg minder interessant. Het komt niet verder dan berichten over de zoveelste relationele mislukking, een klaagzang over een geweigerde toelage van het letterenfonds en de geringe opbrengst van een gedicht in de Vlaamse poëzieverzamelbundel Hotel New Flandres.
    In één van de mails gaat Goudeseune, omdat uitgever Hans wil dat hij een roman schrijft, in op het verschil met het genre van het brievenboek:

    ‘En dat Hans mij opport om in plaats van lekkere brieven een roman te schrijven, verbijstert me. Zijn er al niet genoeg van die uitgesponnen anekdotes? Is er van die verveling al geen pap genoeg? Bovendien kan ik geen roman schrijven.’

    Een andere reden voor een brievenboek is dat hij temidden van proza-gedeelten zijn gedichten kwijt kan.

    Hij komt er echter achter dat hij zich in zijn naïviteit over het brievenboek gruwelijk heeft vergist.

    ‘Meer en meer de idee dat ik mijn tijd verpruts door zo mijn ziel te liggen spellen, een glimp licht levert het niet op.’

    De correspondentie met de hiervoor genoemde Hollandse, met wie Koenraad via www.relatieplanet in contact treedt, aan wie hij romantische mails verstuurt en met wie hij een kort avontuur beleeft dat treurig afloopt, en ook de gedachtewisseling met de Vlaamse Claesgen, die een moeilijke verhouding heeft met een derde, brengen evenmin verlichting. Koenraad verzucht zelf, als een variant op de titel: ‘En wat doe ik er lang over om met die steen geen meter vooruit te komen.’

    Het lijkt erg sneu allemaal. Maar misschien moeten we het literair opvatten zoals we dat doen met de drank- en sekslust van Brusselmans. Misschien zou Koenraad Goudeseune aan hem een voorbeeld kunnen nemen en, niet alleen om uitgever Hans tevreden te stellen en een financiële toelage in de wacht te slepen, toch eens aan een roman kunnen denken, waarin hij met zijn mooie schrijfkunst andere zielen kan spellen.

    Wat duurt op drift zijn lang

    Auteur: Koenraad Goudeseune
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas (maart 2010)
    Prijs: € 18,90