• Geluk schuilt in het ontdekken van schoonheid

    Geluk schuilt in het ontdekken van schoonheid

    Sander Kollaard kiest ervoor de bundel De laatste dag van de koning te beginnen met verwondering. In het eerste verhaal, Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, verwondert een kind aan het strand zich over de spiraalvormige heuveltjes zand waar wormen onder zitten. Verwondering vormt de grondhouding van de verhalen. In dit boek toont Kollaard zich naast een begenadigd verteller van korte verhalen ook een vaardig essayist. Met een zeer eigen stemgeluid, lucide en behoedzaam formulerend en beschouwend.  

    De personages die Kollaard schept zijn vaak op zoek, naar dierenskeletten of naar hun eigen plaats in de wereld. Zelden voelen ze zich ergens op hun plek of in een vertrouwde bubbel. Er is altijd een nieuwsgierigheid, een fascinatie voor wetenschappelijke principes en de drijfveren van mensen. Ze worden aangetrokken door de ‘schoonheid die voortvloeit uit een trefzekere ordening, zoals de schoonheid van een antieke tempel, een strijkkwartet van Beethoven of een natuurwet.’ Vaak worden ze gegrepen door kleine details die anderen ontgaan. Een hapering in het beeld van de televisie, een visitekaartje van een medium of wat het interieur zegt over iemand. De op een nauwkeurige, aandachtige manier beschreven kleine voorvallen doen een strakke regisseur vermoeden. 

    De afstand tot een ramp

    De hoofdpersonen van Kollaard zijn zich altijd bewust van de aanwezigheid van ‘Meester Dood’. Die schuilt in kleine dingen, zoals de afstand tot een ramp en de macht van het toeval. De details waar de auteur de aandacht op vestigt variëren. In De trogkrabber bijvoorbeeld is het een stuk gereedschap in een autowrak dat de hoofdpersoon tijdens een wandeling aantreft. Als hij erachter komt waar het voor dient, schiet hem meteen een lokale mythe te binnen. En dan gaan zijn gedachten via een rotsformatie van een versteende bruid in Corsica naar Nescio en naar het heelal. Kollaard heeft een lichtvoetige, essayerende pen en speelt een grillig literair spel met feiten. Soms verhullend en fictief, soms vermengd met biografische elementen, vaak over schrijvers. Bijvoorbeeld in het verhaal Over de merkwaardig lichte gang van Fernando Pessoa. Daarin is een hardloper op zoek naar zijn vermiste vriend, ondertussen filosoferend over de gesprekken die ze samen hebben gehad over Pessoa.

    Kollaard is zich ervan bewust dat we onszelf verhalen vertellen om de wereld te ordenen. Het ik hangt als los zand aan elkaar en als de mythes wegvallen blijft er rauw verdriet over. Over de sterfelijkheid van de mens en de schaduw die de dood werpt. Tegenover zekerheid stelt Kollaard twijfel en in de plaats van wijsheid komt alleen een ‘stakkerig wijs zijn’ zoals hij het met Nescio zegt. Voor zijn hoofdpersonen schuilt de troost vaak in kunst, zoals de plooi in het kleed van een beeld, of een kleur in het landschap die met schildershand gemaakt lijkt. Waar ze voor even ‘verlossing vinden van het verpletterende besef dat de tijd maar één richting kent.’

    In de eerste plaats is Kollaard een lezer, schrijft hij, en hij laat dat zien door zijn literaire kritieken. Hij bespreekt het werk van uiteenlopende schrijvers, waaronder Judith van Nimwegen, Stephan Enter en Judicus Verstegen. Schrijvend over het werk van Enter concludeert hij voor zichzelf dat stijl een kern-ingrediënt hoort te zijn in de roman. Zo reflecteert Kollaard over wat een roman uniek maakt. Tegen de ‘vrijwel volledige vernietiging van ons leven’ legt de roman iets van het leven vast. De complexiteit van de roman toont volgens hem de onzekerheid van het leven. De roman is van levensbelang, omdat hij perspectief biedt op andere ervaringen. Voor Kollaard is dit een houvast: ‘Dankzij boeken kan ik me tot de wereld verhouden. Door te lezen en te schrijven knoop ik me vast aan een wereld die anders onbegrijpelijk zou zijn.’ 

    Vluchtig geluk

    Vaak worden zijn karakters bedrogen door de herinnering, zoals de Russische doelman Dassajev in het verhaal En Dassajev verbijsterd achterliet. Het is afhankelijk van het personage wat voor verklaring hij of zij voor de chaos heeft. Zelf is Kollaard eerder geneigd om een breder perspectief te zoeken. Zoals Janet die in Het einde van de verlichting zegt: ‘De werkelijkheid is een chaos. Dat een uitzonderlijke gebeurtenis betekenis suggereert, zegt iets over ons, maar niets over de werkelijkheid. Toeval is overal.’ Wat overblijft is giswerk, in de literatuur en de wetenschap. Dit giswerk leidt vervolgens tot een wetenschappelijke theorie of een roman, beide kunnen mooi zijn, zegt Kollaard. Als een van de beste voorbeelden noemt hij Darwins evolutietheorie.

    Wat we nog uit de ‘gapende muil van de tijd’ kunnen redden zijn meestal kleine dingen, herinneringen, of een vluchtig gevoel van geluk. Geluk schuilt voor Kollaard onder meer in het ontdekken van de wonderlijke schoonheid van Darwins wormen in diens ‘Wormenboek’, het laatste dat Darwin voor zijn dood schreef. Het is ’tegen de duisternis in schrijven’ en ‘het voertuig zijn van verbeelding en inval, impuls en herinnering.’ Het vluchtige geluk, meent Kollaard, schuilt in schitterende taal, de taal die ons bij de hand neemt. Ook lezen is ten diepste autobiografie, schrijft hij. Via het verhaal van een ander komen we bij ons eigen verhaal: ‘Goede literatuur verlost de lezer en de schrijver van zichzelf.’ We zetten voor even een andere bril op en onze kijk verandert. Hij noemt literatuur zelfs een alternatief voor religie, het is immers een manier om de wereld te begrijpen.

    Schatgraven

    Veel van deze verhalen en essays zijn als eerste gepubliceerd in Tirade en De Gids. Daarnaast zijn er een paar nooit eerder gepubliceerde stukken. Sommige verhalen zoals Winkelcentrum Vredeburg Noord intrigeren en smaken naar meer. De essays zijn hoogtepunten. Hier doet Kollaard het nodige uit de doeken over zijn persoonlijke opvattingen, bijvoorbeeld als het over engagement gaat. De laatste dag van de koning levert het beeld op van een eigenzinnige schrijver die ambachtelijk te werk gaat en voor even een raam openzet waarna een grandioos perspectief opdoemt. Zijn opvattingen over de troost van literatuur onderschrijven zijn talent voor poëtische meditaties over het leven. Dit maakt deze gevarieerde bundel geschikt om in te schatgraven op zoek naar diezelfde verwondering als die Kollaard beschrijft.

     

     

  • Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

    Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

    Een landschap van pijn, dat is waar de ‘weewandelaar’ doorheen moet in Lijn van wee en wens van Caro van Thuyne. Een intens verhaal over de lange reis naar het hart van het landschap via de diepe zwarte tunnel die rouw heet. Mari gaat op in het landschap waar ze door wandelt en leest onderweg haar kopie van de landschapsgedichten van Richard Skelton stuk. Ze probeert voorbij de taal te communiceren met haar omgeving en haar verdriet. Ze vertelt in  een eigenzinnige taal die beweegt op het ritme en de muzikaliteit van poëzie. 

    Het verhaal komt in beweging als hoofdpersoon Mari dit ook doet. Na acht jaar allesoverheersende rouw over de dood van haar zusje neemt ze een besluit. Ze wil al wandelend de loop van de rivier de Rin volgen. Haar man Felix blijft thuis. Onderweg schrijft ze Felix over haar vorderingen en belevenissen. Hierbij beweegt het verhaal zich tussen het verleden, de indrukken van de wandelingen en de stem van Felix. Gaandeweg leren we meer over haar zusje, Tully. Zij kwam met het syndroom van Warfarine ter wereld en Mari heeft haar als wettelijke voogd verzorgd. In het begin van het boek wordt de rouw vertolkt door een olifant die pontificaal in de kamer staat. Mari kan er niet omheen, dus geeft ze het beest een naam en probeert ze haar leven in te richten om deze figuurlijke olifant heen. Dit doet denken aan de roman van Max Porter, Rouw is een ding met veren, waarin de rouw de vorm aanneemt van een raaf. 

    Voorbij de taal

    Op haar wandelingen wordt Mari omringd door landschappelijke schoonheid. Het tegenwicht wordt gevormd door de constante herinnering aan het gemis. Mari ‘volgt haar olifant’, ondertussen hele passages uit het boek van Skelton citerend en vertalend. De buitenruimte en het landschap zijn voor haar tekenen en worden een veruitwendiging van verdriet, een ‘landschap van littekens’. Ze vindt haar eigen ritme in het wandelen, een therapeutische handeling waarin Mari het ‘loskomen van de tijd’ ervaart. Dat doet ze voornamelijk om haar hoofd leeg te maken en weer ruimte van binnen te krijgen.
    Van Thuyne schrijft op zinnelijke wijze en maakt inventief gebruik van de taal. Op schilderachtige wijze komen landschappen tot leven: ‘De winterse boomskeletten en hoe ze soms lijken op stakerige oude vrouwen die steun zoeken bij mekaar.’ In haar taalgebruik is het persoonlijke direct verweven met de natuur. Ze geeft een stem aan haar verbijstering door te zoeken naar wat voorbij de taal ligt. Dat is het zintuiglijke, ‘het zwijgende zelf van voor de taal’ dat één probeert te worden met het landschap.

    Voor Mari zijn woorden meer een vorm van echolocatie, ze wil liever in de puur zintuiglijke waarneming ‘het wilde zijn’ ontmoeten. Die ontmoeting is lijfelijk en vindt voornamelijk plaats door te wandelen, maar ook door alles aan te raken, van konijnenoren tot oude kleuterlaarsjes. In de woorden van Skelton: ‘It strikes me that the only way to know this place is touch. To place myself inside it’. Het presymbolische, het aftasten en zoeken wat Mari met haar doofstomme zusje deed, komt terug in het zoeken naar herkenning in het landschap. En in de regels van Skelton, waar ze constant mee in dialoog is: ‘Zijn woorden bezweren zowel Skelton zelf als mij, zijn landschap en het mijne, zijn verlies en het mijne’. Voor het verlies zelf zijn echter geen woorden: ‘Ik zal nooit de mooiste, juiste woorden vinden om te vertellen over Tully.’ 

    Muziek van het landschap

    Van Thuyne maakt gebruik van de stemmen van het land, de zee, de lucht, de vogels. Alles loopt door elkaar heen in een poging om het vergeten te stelpen. Hierbij lijkt ze grotendeels door Skelton geïnspireerd te zijn, die op vergelijkbare wijze met het landschap werkt bij het maken van zijn poëzie en muziek, door te harmoniëren met de muziek van het landschap. De natuur is ook niet altijd een vriend. De zee dreigt Mari soms mee te sleuren en de wind tekent haar gelaat. Om dit letterlijk uit te drukken laat ze drie tatoeages zetten als verbeelding van haar man en haar zusje. Tot een punt van intuïtief begrijpen lijkt ze te komen als ze zich afvraagt welke taal ze nog heeft en ze door het wandelen tot een soort zuivere aanwezigheid wordt. En ze lijkt te ‘aanvaarden dat de diepste ervaringen de taal ver voorbijsteken’. De stilte van de dood is zo absoluut dat woorden machteloos worden. ‘De nacht geeft nooit terug’, het is de onomkeerbaarheid van de dood die zo moeilijk te accepteren is. 

    Zo trekt Mari verder, ‘zichzelf overleverend aan het landschap’, onderweg naar de zee. Stoppend voor onderdak bij boerderijen en het gesprek aangaand met wie ze tegenkomt. Uiteindelijk strijkt ze neer in een huisje aan het strand. De zee is een baken en een oerfiguur voor haar, een plek waar de cirkel rond wordt. Want nadat ze door weer en wind heeft getrokken voltrekt zich in de zee een metamorfose, waarna ze haar verdriet achter kan laten. Dan komt Felix, en er lijkt weer ruimte te zijn voor hun liefde. ‘Jullie zijn weer lijven van vlees en bloed. En lijven van vlees en bloed die weer kunnen voelen,’ schrijft Van Thuyne.

    Olifantenpaadjes

    De Lijn van wee en wens is de lijn die Mari door het landschap trekt, die kruist met de weeën van verdriet waarna wandelaar en landschap in elkaar opgaan. Mari wordt alleen nog maar voeten en ogen en haar verbeelding neemt hoge vluchten. ‘Het vlammig begloeien van de lucht voelen zinderen, het capriolen van de kieviten rakelings boven de natte weilanden voelen suizen door mijn spieren, hun balts-gejuich voelen weerkaatsen, de sensuele synchrone choreografieën van de futen in mijn eigen leden voelen, het koppen van het zwartblauwe water in mijn botten’. Om vatbaar te worden voor dit wonder zou je een eigen taal moeten bedenken en op sommige plekken lijkt Van Thuyne dit ook te doen, de rivier die ‘babbelbrabbelborrelkabbelt’ bijvoorbeeld. De taal is evengoed een element.

    In de verantwoording gebruikt Van Thuyne wederom de metafoor van de olifant die perfect onthoudt waar de drenkplaats is en waar het gevaar is. De olifantenpaadjes moeten soms letterlijk gebaand worden door de wildernis en worden in het brein opgeslagen. Door die wegen te gaan vindt Mari weerklank in het landschap. Dit maakt Lijn van wee en wens tot een intens aards verhaal dat op plekken schuurt maar door Van Thuyne’s taalgebruik van een woeste schoonheid is. Het heeft een universeel thema en de duistere onderstroom bruist van het leven en viert de lijfelijkheid. 

     

  • Historicus haalt vrije vrouwen uit de schaduw

    Historicus haalt vrije vrouwen uit de schaduw

    De zussen Olivier groeiden op in een bevoorrechte atmosfeer gevormd door de idealen van het vooruitstrevende milieu van hun ouders. Deze vier bijzondere vrouwen hebben zich altijd verzet tegen de gangbare moraal van de Victoriaanse tijd maar vooral tegen interpretatie van een vrij leven. Historicus Sarah Watling heeft in de biografie Nobele Wilden zeven episodes uit het leven van de zussen geselecteerd om nieuw licht te werpen op deze vrouwen. Tussen twee wereldoorlogen in en ondanks de maatschappelijke beperkingen probeerden zij te leven naar hun eigen richtlijnen.

    Watling schrijft in Nobele wilden over het avontuurlijke leven van de Oliviers rond wie de jeugdige idealen van een generatie samenkwamen. Tegelijk is het een portret van een halve eeuw feminisme en sociale strijd in het Victoriaanse Engeland. Daphne, Noel, Brynhild en Margery kregen een vrije opvoeding en kwamen al jong in aanraking met de schrijvers en denkers die zich verzamelden rond hun ouders. De zussen voerden toneelstukken op voor George Bernard Shaw en waren toehoorders bij de salondiscussies die thuis gevoerd werden. Hun speelkameraadje Bunny omschreef hen in die tijd als onafscheidelijk maar vooral ongrijpbaar. Ze klommen in bomen, bouwden boomhutten en kregen thuisonderwijs. Opvallend is de grote verscheidenheid aan meningen die ze oproepen, die uiteenloopt van walging tot bewondering.

    Drie van de vier zussen gingen studeren, wat uitzonderlijk was voor een tijd waarin het voor meisjes gevaarlijk werd geacht om te studeren, dit zou de ontwikkeling van hun voortplantingsorganen remmen. Centraal in hun adolescentie stond de groep jonge mensen rondom dichter Rupert Brooke, die later bekend zouden staan als de Neo-Pagans. Brooke had een korte verhouding met Noel. De Oliviers werden echter vooral aangetrokken door de idealen van de groep; het buiten kamperen, voorlezen uit poëzie en naakt zwemmen in de rivier. Volgens Watling ‘belichaamden de Oliviers het ideaal van de Neo-Pagans.’ Zij vormden de spil van de groep, vooral Brynhild die zich opwierp als organisator en later de verbindende factor vormde met de Bloomsburygroep.

    Onconventioneel

    De zorgeloze tijd van de Neo-Pagans werd een troostende herinnering en een baken waar ze later altijd naar terug zouden keren. In een poging om zich af te zetten tegen de vorige generatie streefden de Neo-Pagans naar een geïdealiseerde wereld van onschuld. Er werd gedebatteerd, net als aan de universiteit, en er ontstonden romances binnen de groep. In de verhoudingen die de Oliviers aan gingen lag het vaak ingewikkelder. Alle vier hadden ze moeite zich te schikken in de bestaande man-vrouw verhoudingen van die tijd.  Ze moesten vaak kiezen tussen de liefde en zelfontplooiing, zoals Margery die eerst haar studie af wilde maken voor ze trouwde. Verschillende mensen in haar omgeving vonden het vreemd dat ze op haar zesentwintigste nog maagd was. Zo schreef Jacques Raverat in een brief aan haar: ‘Jij moet trouwen en een hele reeks kinderen baren, en ik heb een hele hoop werk te doen.’ Trouwen is er bij Margery nooit van gekomen.

    Aan de universiteit raakten de zussen bekend met de strikte sociale normen voor vrouwen. Vooral Noel die koos voor een carrière als arts had het lastig met het vinden van een baan en met de acceptatie van haar autoriteit. De zussen waren politiek geëngageerd en betrokken bij het nadenken over de emancipatie en rol van de vrouw. Ze waren gewend om te discussiëren met gelijken en lieten zich niets vertellen. Ook op cultureel gebied waren ze actief. Ze lazen nieuwe dichters en schrijvers en gingen naar exposities van de impressionisten. Ieder op haar eigen manier verzetten ze zich tegen het vaste beeld van vrouwen en durfden daarin onconventionele keuzes te maken. Brynhild liet zich bijvoorbeeld scheiden van haar man en koos voor haar minnaar, wat een klein schandaal veroorzaakte. Noel raakte als kinderarts betrokken bij de verbetering van de zorg voor moeders en Daphne streefde naar vernieuwing van het onderwijs in navolging van de ideeën van Steiner. 

    De vrouw als voetnoot

    Van de puurheid en onschuld die zo geïdealiseerd werden in hun jeugd bleef weinig meer over toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Deze betekende voor de zussen een ruw ontwaken. Kennissen en vrienden van de Oliviers vertrokken naar de verre oorlog. Rupert liep in Egypte een infectieziekte op, overleed en werd postuum tot held en martelaar van de natie verheven, een sentiment waar Noel met haar gebroken hart weinig troost in zag. Het is in die tijd dat ze als daad van verzet besluit haar eigen beeld van Rupert en zijn brieven aan haar privé te houden. In de oorlog sneuvelden veel van de pacifistische idealen van de Neo-Pagans. Dit betekende het definitieve einde van een tijd van zorgeloos optimisme en de utopie van Brooke. Alle zussen, behalve Margery, hadden inmiddels kinderen en de focus werd verlegd naar het gezin. Zo groeiden de zussen meer uit elkaar, al bleven ze intensief contact houden.

    Na de dood van Rupert Brooke begon de strijd om zijn nalatenschap. De populariteit van zijn verhaal uitte zich in een groot aantal biografieën. In de meeste hiervan is Noel niet meer dan een voetnoot. Watling begint haar boek dan ook met de exemplarische scène van een oude Noel die halsstarrig details weigert aan de laatste biograaf die met het verhaal van Brooke aan komt zetten. ‘Alle interessante vrouwen hebben geheimen’, schrijft Watling en dit ging ook op voor de Oliviers. Daar komt nog eens bij dat geschiedenis doorgaans niet geschreven wordt over vrouwen. Zij spelen meestal een bijrol, zoals Noel in de biografie van Brooke. In die zin voegt de bijdrage van Watling veel toe. In de epiloog schrijft ze over het belang van ‘een afzonderlijke twintigste-eeuwse vrouwengeschiedenis.’ Door het verhaal van de Oliviers te vertellen draagt zij bij aan die erfenis.

    Wie is wie van het culturele leven

    De zeven episodes die Watling heeft uitgekozen bieden een gevarieerd en interessant beeld van de levens van de Oliviers en hun omgeving. Omdat zij geen publiek bestaan leidden was er niet veel over hen bekend. Daarom put Watling vooral uit privé correspondentie en dagboeken. Ze geeft wel toe dat ze zich daarbij enige vrijheden heeft gepermitteerd waarmee ze leemtes zelf opvult. Hierbij leeft ze zich zo goed mogelijk in haar onderwerp in. De strijd van Noel met de biograaf staat gelijk symbool voor de onvolkomenheden van het maken van een biografie. Watling citeert hier Virginia Woolf die schrijft dat ‘… als je eenmaal in een biografie staat alles toch anders is’.

    De Oliviers waren vaste gezichten in de literaire cirkel rond Virginia en Leonard Woolf en Lytton Strachey. Ze kwamen in aanraking met C.S. Lewis, H.G. Wells en andere vooraanstaande figuren. Hierdoor wordt het boek een soort wie is wie van het culturele leven in Victoriaans Engeland. Hoewel dit interessant is, leidt het soms enigszins af van het echte onderwerp, de Oliviers. Het is duidelijk dat Watling schrijft vanuit bewondering voor de Oliviers. Ze heeft enorm veel onderzoek verricht in de archieven en haar enthousiasme werkt aanstekelijk. In dat enthousiasme stopt ze vele details in het boek dat ondanks deze hoge dichtheid van feiten soepel leest. Ze voorziet alles van een maatschappelijke context en verdeelt haar aandacht gelijk over de zussen.

    Watling haalt de Oliviers uit de schaduw van Brooke. Het levert een interessant stukje onderbelichte geschiedenis op. Met in de hoofdrol een verhaal over zusterschap en de band tussen vier bijzondere, geëmancipeerde vrouwen met een sterke eigen wil. Door het geduldige werk van Watling worden de Oliviers iets dichterbij gebracht. Deze vrouwen waren hun tijd ver vooruit in meerdere opzichten en zouden zelfs rolmodellen of vroege feministes genoemd kunnen worden.

     

     

  • Zoektocht van een toeschouwer

    Zoektocht van een toeschouwer

    In Het witte land van Rob Verschuren ontvlucht een man zijn midlifecrisis en de moderne wereld door op zoek te gaan naar een hem onbekende vrouw in een uithoek van de aarde. Reclameman Bobby West heeft zojuist zijn vriendin verloren. In een fotoboek ziet hij een afbeelding van een vrouw in een onbekend Aziatisch land. Iets in de foto raakt hem diep en de vrouw op de foto fascineert hem. Omdat hij verder niks te verliezen heeft stapt hij op het vliegtuig om haar te vinden. Zonder verwachtingen vertrekt hij, op zoek naar mysterie in het verre Azië. Vergezeld door Don Quichot op zijn e-reader.

    Bij aankomst wordt hij begroet door een troosteloos front van goedkope hotels aan een boulevard en bussen vol Bulgaren. In de eerste bar die hij binnen gaat treft hij alleen buitenlanders. Waaronder de pragmatische Patrick, die voor de vrouwen is gekomen en de liefde beschouwt als een kwestie van vraag en aanbod. Opvallend is dat veel van de personages die Bobby ontmoet sterkere meningen hebben dan hij, zoals de Duitse Rosa die hem probeert te werven voor haar doel. Rosa geeft kinderen gratis Engelse les en is naar het land gekomen om de islam te ontvluchten, ‘dat achterlijke geloof waar je respect voor moet hebben’. Bobby beziet het van een afstand en stemt toe om een van haar lessen bij te wonen om van haar af te zijn. Rosa’s lesmethoden roepen afkeer op bij Bobby die een hekel heeft aan alle vormen van macht en beïnvloeding. In de omgang met anderen beperkt hij zich tot ironie en afstand. Zijn ex verwijt hem in een brief dat hij ‘ironie gebruikt om elk gevoel buiten te houden en serieuze gesprekken te vermijden’. Hij geeft haar gelijk, maar is niet van zins om dit te veranderen.

    Vlucht voor de wereld

    Dat Bobby’s zoektocht een veel breder doel heeft dan alleen de vrouw vinden blijkt als hij rondreist door de stad waar de foto van de vrouw genomen is. Hij wil door het ‘land dwalen als door een abstract schilderij’ waarbij hij altijd toeschouwer blijft. Hij is zich bewust van het absurde van zijn fantasie de vrouw te kunnen vinden. Toch was het geen wanhoopsdaad maar eerder een weloverwogen beslissing om het roer om te gooien. De sleur van het bedrijfsleven verveelde hem en hij had niets of niemand om voor te blijven. Zijn grootste genoegen bestond uit het lezen van de krant en zich vrolijk maken over de ellende van anderen. Er ontbrak een diepere laag van betekenis in zijn leven. Waar hij die hiervóór vond in zijn kunstboeken, als vlucht voor de wereld, is dat na het zien van de foto van de vrouw niet meer voldoende.

    Ondertussen gaat Bobby op in het stadse straatleven. Zijn maaltijden eet hij bij de vele stalletjes langs de weg en zijn zoektocht leidt hem langs de excessen van de stad. Zonder richting of doel dwaalt hij rond, niet op zoek naar begrip of contact.
    Het land zoals het wordt beschreven is een land van uitersten. De bevolking is verdeeld in twee groepen: de Roden en de Blauwen, beide met een ander godsbeeld, wat de reden vormt voor hun eeuwigdurende strijd. Het verdeelde land met ongerepte natuur en mistroostige communistische architectuur doet vreemd aan. Toch lijkt Bobby zich er steeds meer thuis te voelen, afgaande op zijn dieper wordende fascinatie. 

    Bleke Orchidee

    Op zoek naar het hart van de stad trekt Bobby door de straten. Door de chaotische vismarkt en een gruizig industrieterrein komt hij bij een loods waar een vrouw in het wit op een chaise longue transacties afhandelt. Ze wenkt hem binnen, waar hij gaat zitten op een stapel opgevouwen karton en begint te observeren. Verschillende vrouwen brengen hun afval dat gewogen wordt en waarvoor de vrouw in het wit betaalt.  De vrouw fascineert hem, en hij verbaast zich over het hele gebeuren. Bij het afscheid vraagt ze om geld, Bobby stemt toe. Vanaf die dag komt hij dagelijks in de loods om het spel te observeren, de vrouw noemt hij zijn ‘Bleke Orchidee’.
    Elke dag ontvouwt zich hetzelfde tafereel. De loods doet Bobby denken aan een kathedraal en de vrouw in het wit aan een priesteres. Voor religie heeft Bobby geen aanleg, maar hij is bereid om alles te offeren aan de vrouw in het wit die een soort Piëta voor hem wordt. Terwijl hij wacht op een wonder treft hem op een dag iets heel anders als hij onder het rolluik doorloopt.   

    Anti absolute standpunten

    In het boek zit ook een zekere spanning tussen de westerse idealen en de Aziatische manier van leven. Verschuren laat Bobby de komende opkomst van het Aziatische continent overdenken: ‘de nieuwe veroveraars uit het Oosten zouden komen op de stormwind van een economische omwenteling.’ Het Westen heeft afgedaan, vandaar dat Bobby het ontvlucht. Het gemakkelijke idealisme van wereldverbeteraars, vertolkt door Rosa en Don Quichot, is voor Bobby geen oplossing. Hij verfoeit alle absolute standpunten. Ondanks zijn zogenaamde open houding is Bobby wel snel met zijn oordeel. Hij heeft een behoorlijk eurocentrisch wereldbeeld, andere landen zijn een ‘negorij’ en in zijn hoofd is hij wel erg snel bereid om de motieven van anderen zwart te maken.  

    Het witte land is een onderhoudende en prettig geschreven novelle met mooie metaforen en reflecties over kunst. Bobby heeft een zwak voor het abstract expressionisme van kunstenaars als Rothko en De Kooning. Voor hem spreekt een schilderij meer tot de verbeelding dan woorden kunnen. De vergelijkingen zijn hier ook naar. Een lichtspel is een ‘chiaroscuro’ en als Bobby de steegjes doorwandelt wonen de bewoners van dit doolhof in de etsen van Piranesi. Verschuren bereist de ‘provincies van de verbeelding’ die niet per se ergens heen voeren. Het is een cliché, maar in dit geval is de reis zeker meer de moeite waard dan de bestemming. De reis van Bobby leidt hem naar de vrouw in het wit en uiteindelijk het grote onbekende. De orchidee, die bloeit uit afval, vormt een passend beeld bij de weg die Bobby aflegt op zoek naar zijn bestemming.  

     

     

  • Intiem en openhartig verslag

    Intiem en openhartig verslag

    Geen enkele ziekte kent een vast verloop. Als het noodlot toeslaat bij Arjan Sevenster krijgt hij te horen dat hij uitgezaaide prostaatkanker heeft. In de twee jaren die hem nog vergund zijn schrijft hij verslagen over zijn ziekte in De wind van morgen. Tevens blikt hij daarin terug op zijn verblijf in Japan, op een vriendschap met de dichteres Vasalis en peinst hij over zijn nalatenschap. Dit maakt het boek behalve tot een kroniek van een slopende ziekte ook tot een proces van acceptatie. Het is een zeer intiem relaas waarin de auteur constant herhaalt ‘ik ben het proces’ en probeert in het hier en nu te leven. 

    De ziekte zet alles op zijn kop in het leven van Sevenster. Opeens krijgt hij een andere tijdlijn waarin hij afhankelijk is van het succes van behandelingen en de planning van dokters. Op het moment van de diagnose heeft de dichter en wiskundige al een bundel gedichten uitgebracht. Gedurende zijn ziekte komt er met behulp van zijn vrouw Lydia een laatste bundel uit. Tussen de verslagen door schrijft hij gedichten die zijn gevoelens en emoties reflecteren en waarin hij herinneringen ophaalt. Er is zeker angst voor de dood maar ook een poging om te genieten van wat er nog rest. Onder het motto “pantha rhei” ondergaat Sevenster behandelingen, chemo’s en immuuntherapie. Momenten van vrede en acceptatie worden afgewisseld door worstelingen met de naderende dood die van verre vriend tot goede buur wordt.

    Troost uit Japan

    Het verslag van de ziekte is openhartig en soms pijnlijk om te lezen. In het eerste bericht schrijft de auteur dat het ‘geen poging is om wat mij is overkomen mooier te maken’. Hij blijft gedurende het hele proces helder verslag doen van de geleidelijke achteruitgang, zijn gedachtes en observaties hierover. Daartussendoor reflecteert hij over zijn eigen afhankelijkheid of de toegenomen hulpvaardigheid van bekenden. Zo geeft de ziekte ook nieuwe inzichten en een uitgesproken tijd om terug te kijken op zijn leven, waarna hij concludeert dat hij ‘zich geen beter leven had kunnen wensen.’ 

    In dat leven was veel ruimte voor zijn grote passies: de wiskunde en Japan. Levendig vertelt hij over zijn eerste colleges en hoe hij terechtkwam bij de lessen Japanse grammatica van professor Vos, en daarna de reis naar Japan met zijn vrouw Lydia. Japan is voor de auteur een magische plek gevuld met herinneringen aan meditatie in hartje Tokio, uitzichten op de berg Fuji en ontmoetingen met markante personages. Sevenster ontleent veel troost aan die herinneringen. Daarnaast put hij inspiratie uit het zenboeddhisme als hij breed citeert uit zen-anekdotes en boeddhistische parabels. Al overschaduwt de ziekte het leven, Sevenster blijft proberen onder alles iets van een voorjaar te ontwaren. Dat wordt lastig als de pijn en gebreken steeds meer toenemen, want het verloop van de ziekte en het succes van behandelingen geven weinig reden tot optimisme. 

    Rekenschap

    Zelf hoopt de auteur dat ‘de kroniek niet verzandt in het dagboek van een gepensioneerde die verslag uitbrengt van het wel en wee van zijn kleinkinderen.’ Niets is minder waar, Sevenster blinkt uit in scherpe observaties van personen en situaties. Daarnaast geeft hij door zijn kwetsbaarheid een onvermijdelijk kijkje in het leven van een terminale patiënt, zodat je niet anders kunt dan meeleven. Dit neemt niet weg dat er in het boek veel wordt gerept over bloedwaardes en andere vrij technische aspecten van behandelingen. Dit jargon is niet meteen begrijpelijk voor leken.

    Sevenster probeert zo lang mogelijk mee te doen aan het normale leven. Hij maakt een laatste gedicht voor zijn vrouw, geeft een interview, en de nieuwe bundel Bloemen in de regen wordt uitgebracht. Als de pijn bijna ondraaglijk is zegt hij: ‘Het is goed geweest.’ Op 2 februari 2019 overlijdt hij op 73-jarige leeftijd. In zijn gedichten is Sevenster verbonden met het verleden, blikt hij terug op de dood van zijn moeder of kijkt hij vooruit naar wat zijn overlijden voor zijn vrouw zal betekenen. Op ontroerende wijze legt hij rekenschap af en ordent hij zijn emoties. Hij heeft weinig woorden nodig om je met zijn fijnzinnige poëzie te raken.  

    Confronterend boek

    Het proces van een ziekte kan herkenbaar zijn voor anderen die weer moed kunnen putten uit de houding van de auteur. De wind van morgen bevat een les in wat het leven de moeite waard maakt voor iemand die alles moet loslaten en achterlaten. Dit intieme en openhartige verslag van een aftakeling maakt het wel tot een zeer persoonlijk en confronterend boek. De titel verwijst naar een Japanse uitdrukking: Ashita wa ashita no kaze ga fuku. Wat vertaald kan worden als: De wind van morgen waait morgen. Het is geen laat maar waaien waar de titel op doelt, het is een diepe acceptatie van de dingen zoals ze zijn. 

     

  • Wedervaren op het Poolse platteland

    Wedervaren op het Poolse platteland

    In Roest van de Poolse auteur Jakub Małecki kan de herinnering zomaar toeslaan. We volgen drie generaties lang het leven in het Poolse plattelandsdorp Chojny. Dat leven staat in de schaduw van grotere gebeurtenissen waarin de dorpsbewoners worden meegetrokken. Ze zijn het slachtoffer van de geschiedenis. Hun aller lot is op ingenieuze wijze met elkaar verbonden en hun persoonlijke geschiedenissen staan op de voorgrond in dit universele verhaal. 

    Het begint op de dag dat alles eindigt voor Szymek Stawny, die op één dag beide ouders verliest in een auto-ongeluk. Na hun dood komt Szymek bij zijn oma Tośka te wonen. Afwisselend ontvouwt zich het verhaal van Szymek in het heden en dat van Tośka in het verleden, een verleden dat is doortrokken van verlies. Tośka heeft de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en wordt gekweld door de herinneringen aan de bombardementen op Chojny en de deportatie van de bewoners. Ze was er niet op voorbereid om nog voor een kind te moeten zorgen. Ze omschrijft zichzelf als ‘een gebouw dat op instorten staat’, nu Szymek komt staat het ‘in de steigers’. 

    Vreemde oma

    Als Szymek in het huis van zijn oma komt kan hij niet slapen omdat hij bang is dat Onze Lieve Heer hem ‘s nachts komt halen, net als hij zijn ouders heeft gehaald. Tośka belooft dat ze Onze Lieve Heer wel zal neerschieten als hij nog een keer komt. Uit het koekblik haalt ze een pistool en laat het aan Szymek zien. Dat pistool is haar verzekering tegen de toekomst. Als de tijd komt om eruit te stappen heeft ze alles al voorbereid. Szymek speelt ondertussen met zijn vriendje Budzik langs het spoor waar ze muntjes op leggen, die ze later weer verzamelen als de trein eroverheen is gereden. 

    Nu hij zijn oma met de kwartels en konijnen moet helpen breekt een nieuwe tijd voor Szymek aan. De geruststellende aanwezigheid van zijn ouders is vervangen door de vreemde oma die soms verloren in gedachten voor zich uit zit te kijken. In de mist van de ouderdom stommelt ze door het huis, geluiden die Szymek al snel vertrouwd voorkomen. Tośka probeert Szymeks leven makkelijker te maken met stilzwijgend begrip. Niet lang daarna moet hij naar school, waar zich een incident voordoet waarbij hij een pestkop slaat. Hij krijgt een zekere reputatie en moet daarna ook van Budzik pesterijen ondergaan. Szymek verwijt zichzelf niet moedig genoeg te zijn, niet net zo moedig als zijn betovergrootvader Lucjan die ooit met zijn blote handen een beer schijnt te hebben gedood. 

    Betonnen standbeeld in het bos

    Tośka raakt ondertussen steeds meer verstrikt in haar herinneringen. Zij denkt aan haar vroegere geliefde Karol, aan de tijd en de oorlog die zich moeilijk vergeten laat. Haar herinneringen zijn heel zintuiglijk; de geur van de bedrukte wagon waarin ze vervoerd werden, de kleuren van het landschap. In de buurt van Chojny lag het vernietigingskamp Chełmno waarvan de lugubere geur als de wind verkeerd stond hun kant op waaide. Karol had het met eigen ogen gezien, wat daar gebeurde, waarna hij zo geschokt was dat hij zich opsloot in een schuur en weigerde naar buiten te komen. 

    De vreselijke gebeurtenissen die nabij Chojny hebben plaatsgevonden drukken een stempel op het dorp. Aan Chojny valt niet te ontkomen, laat Małecki Szymek ergens zeggen. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis en Tośka. Ze raakt Karol uiteindelijk kwijt en moet haar dochter alleen opvoeden. Zo verloor iedereen wel iets in de oorlog, geliefden, verwanten, jaren van hun leven. De oorlog leeft voort in verhalen die door de ouderen eindeloos aan hun kinderen worden verteld. Voor de kinderen zijn het oude zwart-witfoto’s waarbij ze zich niets kunnen voorstellen. Net als Szymek die op een dag op schoolreisje moet naar Chełmno, wat Tośka nog probeert te verbieden. Hij vindt er niets aan, want er staat alleen maar een betonnen standbeeld in het bos. 

    Toekomst

    Voor Szymek duurt de werkelijkheid om hem heen ‘hardnekkig voort’. Hij zou naar de universiteit gaan. Tot hij op een dag bij de bushalte Budzik tegenkomt, die hem zonder reden in elkaar slaat. Szymek besluit in Chojny te blijven en krijgt een baantje bij zijn oom op het postkantoor. Hij gaat bij zijn oom wonen en probeert niet aan de toekomst te denken. ‘Soms vroeg hij zich alleen af of er in zijn leven nog iets zou gebeuren. Hij was niet bang dat er misschien iets zou gebeuren en hij was niet bang dat er misschien niets zou gebeuren. Hij was benieuwd, zoals hij soms voor de tv benieuwd was als hij naar de lotgevallen van anderen keek die even vreemd en fictief waren als zijn eigen leven.’ De houding van veel personages in het boek lijkt op die van Szymek. Het leven dwingt ze tot bepaalde keuzes en zo worden ze wie ze zijn. Opvallend genoeg keren ze vaak terug naar hun geboorteplaats, slechts een enkele keer lukt het iemand om dat lot te ontstijgen. 

    Onvergetelijke sfeerschets

    Op het platteland is de geschiedenis onlosmakelijk verbonden met het land. De boom op het erf van de familie Budzikiewicz die vijf generaties heeft gekend staat er symbool voor. De rol van het herinneren ligt bij ouderen zoals Tośka. Zij staan nog met een been in het verleden en hun pijnlijke herinneringen roepen begrip op voor het menselijk onvermogen. Bij auteur Małecki is geschiedenis iets wat door de generaties heen werkt. Roest vertelt het verhaal van betovergrootvader Lucjan en de volgende generaties tot en met Szymek. Daardoor gaat het niet alleen om Szymek en Tośka maar is het boek eerder een familiesaga. De relatie tussen Szymek en Budzik vormt de katalysator. Verbonden door het spoor en hun gedeelde verleden leggen ze ieder hun eigen traject af. Tot het op het einde allemaal op dramatische wijze samenkomt. 

    Jakup Małecki heeft met Roest een oersterke roman afgeleverd, een zorgvuldig en langzaam opgebouwd coming of age verhaal met een melancholische toets. Daarbij zet hij een onvergetelijke sfeerschets van het Poolse platteland neer. De stijl is eenvoudig maar pijnlijk levensecht. Sommige zinnen komen aan als een sloophamer. De personages zijn knap beschreven, geloofwaardig en herkenbaar door hun individuele gebreken. Door de bijna filmische weergave van het verhaal groei je als het ware met hen mee door de tijd. Małecki laat zien wat ervoor nodig is om jezelf te worden. Zijn helden zijn hele alledaagse mensen die hun best doen om hun leven te leiden. Dat is vaak al moeilijk genoeg onder druk van de omstandigheden.

     

  • Alle vrouwen zullen vleugels hebben

    Alle vrouwen zullen vleugels hebben

    Het circus is een magische plek, waar de werkelijkheid even wordt opgeschort voor een show die je transporteert naar een wereld waar alles mogelijk is. Voor Angela Carter, de auteur van Circusnachten is niets onmogelijk, ook een vrouw met vleugels niet. In de extravagante wereld van Carter staat alles op zijn kop. De vertaling van Leonoor Broeder brengt dit eigenzinnige werk van een gevierde schrijver naar ons taalgebied. Circusnachten draait om de enigmatische Fere. Deze trapezekunstenaar is de ster van het circus van kolonel Kearney, dat begint aan een transcontinentale tour met in het kielzog de journalist Jack Walser. In rijk proza wordt een wervelend verhaal verteld.

    Onorthodoxe heldin

    Het eerste hoofdstuk begint met de journalist Walser die Fere interviewt over haar leven. We horen hoe Fere bekend is geworden en over haar peetmoeder Lizzie. Naar eigen zeggen is ze uit een ei gekomen en op een dag wordt ze achtergelaten voor een bordeel in Londen van ene Ma Nelson,  een vrouw die in admiraalskostuum gekleed gaat. Opgevoed door prostituees en onder de hoede van Ma Nelson, is Fere een mascotte voor het huis. In deze ‘’volmaakt vrouwelijke wereld’’ komen op zekere dag haar vleugels door. Ze leert ze te gebruiken en onderneemt met hulp van Lizzie al snel haar eerste vlucht.

    Na een kort verblijf in het rariteitenkabinet van de duivelse Madame Shreck sluit Fere zich aan bij een circus. Daar wordt ze wereldberoemd, meer door haar exotische vleugels dan door haar talent. In eerste instantie is Walser licht cynisch en niet geneigd om dit fantastische verhaal te geloven. Maar gaandeweg raakt ook hij onder de betovering van Fere. Walser wil meer weten van deze wonderlijke vrouw en besluit haar te volgen. Hij sluit zich aan bij het circus dat bestaat uit een kleurrijke verzameling individuen. Walser is aanvankelijk in deze wereld een toeschouwer. Hij wordt door de whisky drinkende kolonel Kearney uit Kentucky, de baas van het circus, bij de clowns ingedeeld. Een vernederend en gevaarlijk bestaan waar hij achter komt als hij slachtoffer wordt van een aantal bizarre incidenten. 

    Gevleugelde victorie

    De actie speelt zich af tegen die achtergronden namelijk Londen, Sint-Petersburg en Siberië. In een bonte stoet trekt het circus van kolonel Kearney door drie continenten om voor keizers op te treden. Waar het eerste hoofdstuk over het verleden van Fere gaat, richt het tweede zich op Walser. In Sint-Petersburg beschrijft hij zijn indrukken van de stad en de andere leden van het circus. Door hun interactie leren Fere en Walser elkaar steeds beter kennen, en ontdekt Walser kanten van zichzelf die volledig onvermoed waren. Zo wordt hij op een haar na opgegeten door een tijger terwijl hij iemand probeert te beschermen en wordt hij als kip gebruikt in het laatste avondmaal-nummer van de clowns. 

    In Sint-Petersburg volgt een serie doldwaze avonturen. Fere wordt gesaboteerd tijdens een repetitie, de clowns beginnen een chaotische knokpartij. En tijdens het optreden verliest de Grote Buffo zijn verstand en probeert Walser te vermoorden. Er moet tevens een tijger afgeschoten worden. Fere moet de avond redden met haar optreden. Na het optreden in Sint-Petersburg trekt het circus dan ook in een flink verminderde bezetting door naar Siberië. Onderweg worden de rails echter opgeblazen door bandieten die iedereen behalve Walser ontvoeren. Het laatste deel van het verhaal speelt zich af in Siberië, waar Walser en Fere met elkaar herenigd worden, deze keer op haar voorwaarden. Walser moet gered worden door Fere, een omkering van het traditionele sprookje, wat typisch is voor Carter die onder andere een feministische bewerking van klassieke sprookjes heeft geschreven: The bloody chamber.

    De roman speelt rond het einde van de negentiende eeuw, een tijd vol verwachting. De nieuwe eeuw moet ingeluid worden door personen als Fere. Zij is de manifestatie van de nieuwe eeuw, zo roept ze zelf uit: ‘’Nog eenmaal zal de oude wereld om haar as draaien en dan zal de nieuwe dageraad dagen, dan, ah, dan! Dan zullen alle vrouwen vleugels hebben net als ik.’’ Fere is dus de echte heldin van het boek, een overvloedige vrouw die scheten laat, gulzig eet en een stem heeft ‘’galmend als de alt of zelfs de bariton van een vuilnisemmer.’’ Fere is tegelijk symbool en vrijgevochten individu. En door haar stipt Carter de vraag aan wat het betekent vrouw te zijn, en bekeken te worden.

    Vrouwelijke mythes

    De vorm van Circusnachten is die van een klassieke schelmenroman, de stijl is groots en meeslepend. En passant schiet Carter als een komeet door de hele literaire geschiedenis, ze haalt de hele (mannelijke) canon erbij. Maar ze geeft haar eigen interpretatie aan deze literaire giganten. Ze worden geherinterpreteerd in de vrouwelijke mythologie rond Fere. Zo is er een prominente plek ingeruimd voor de mythe van Leda en de zwaan, waarvan een schilderij hangt in het bordeel van Ma Nelson. 

    Carter schrijft op een volstrekt originele manier met een barok taalgebruik. Ze maakt rijkelijk gebruik van metaforen en subtiele woordspelingen. De humor is een rode draad door het hele boek. Net als de vraag naar de echtheid van de vleugels van Fere. Het is een complex verhaal, er gebeurt erg veel en soms wordt er veel gevraagd van de lezer. Al is het alleen maar om mee te gaan in de meer dan fantastische plotwendingen en de onmogelijkheden van het verhaal. Tijdens de ontsporing van de trein bijvoorbeeld verdwijnen de tijgers in de scherven van een spiegel. Een beeld wat doet denken aan de tijgers van William Blake. Maar voor wie door de ironische stijlvorm heen prikt wacht een wereld als geen ander.

    Walser vraagt zich in het begin van het boek af in hoeverre de mythe rond Fere werkelijkheid is. Het zou goed kunnen dat Fere Walser op sommige punten heeft weten te bedriegen. Carter maakt zich ook vrolijk over de verwarring van de lezer. Ze weet de hele chaos als een spreekstalmeester te dirigeren tot een bevredigend einde. Het eindigt niet met een knal, maar met de uitbundige lach van Fere: ‘’De wervelende tornado van Fere’s lach plantte zich voort over de gehele aarde, alsof het een spontane reactie was op de gigantische komedie die zich daar zonder ophouden afspeelde.’’

    Angela Carter viert Met Circusnachten de triomf van de verbeelding en geeft hiermee het genre van het magisch realisme een nieuwe impuls.