• Op drift geraakt

    Op drift geraakt

    Dichter, componist en dirigent Micha Hamel wordt in 2009 met een psychose in een psychiatrische kliniek opgenomen. Als het dagelijkse vreemd wordt en tekens en symbolen betekenis verliezen wordt zijn omgeving tot een zone. Een neutrale plek waar vrijelijk geassocieerd kan worden in alle richtingen. Dit levert bijna mythologische beelden op van leeuwen, makrelen en paarden terwijl Hamel zijn geest weer terug moet vinden. De neerslag hiervan lezen we in zijn nieuwste bundel is daar iemand.

    Het verwoorden van waanzin gebeurt niet vaak vanuit degene die de psychose meemaakt omdat er iets onvertaalbaars in die ervaring zit. Wouter Kusters deed een poging in Pure waanzin en Myrthe van der Meer beschreef het leven van een psychiatrische patiënt in Paaz en Up. Maar meestal gebeurt dat met de klinische blik van de psychiatrie die daar dan gelijk een etiket op plakt.

    De poëzie leent zich goed voor het conventieloze taalspel. Hamel verwoordt de topografie van angst en de ontregeling die ontstaat als je op drift raakt, door bijvoorbeeld alle woorden uit de eerste zes gedichten alfabetisch te ordenen. De verspringende regels representeren de eerste en derde persoon die chaotisch door elkaar praten. Uit het belanden in een andere zijnstoestand resulteert een storm van beelden. De interne structuur van dit magische denken reflecteert zijn psychische gesteldheid en leidt tot diepgaande observaties. Daardoor ontstaat een elastisch oprekken van begrippen waar de zieke ziel tussen patiënten dwaalt, vazen kleit en wandelingen maakt.

    Dit resulteert soms in absurde beelden die het verblijf in de inrichting beschrijven: ‘zijn mond beweert in isolaat voorzeker dit / is de laatste keer dat ik leef en de eerste / keer dat ik met mijn bazuin onder de arm ga / auditeren voor de blaaspoep der hemelingen’. De fase van controleverlies verloopt als een afrafelen en uiteenvallen van grenzen en plaatsen. Op het ene moment uit Hamel zich in vrij vormelijke gestileerde gedichten en gaat dan in alledaagse taal verder over belevenissen met medepatiënten. Opmerkelijk is ook dat niemand in de inrichting namen heeft in het begin van de bundel maar daarna iedereen bij naam wordt genoemd.

    Koortsdroom

    In koortsachtige zelfgesprekken lijkt het ik van Hamel telkens te verspringen. De typografie reflecteert de gespletenheid van het ego. Door dit heen en weer springen lijkt het soms of het verhaal net als de werkelijkheid van Hamel op losse schroeven staat. Zonder conventies wordt de identiteit onzeker. De dokters of het personeel bieden een onderzoekende en keurende blik van buiten: ‘ijverige wetenschappers / kijken mijn geraamte uit’. Zo ontstaat er een polyfone keur aan stemmen, van binnen en buiten. Hamel moet zijn geest weer bij elkaar grabbelen en dit geeft soms aanleiding tot momenten van diepe wanhoop, maar ook een vorm van extase en inzicht.

    In het neutrale middenveld van de zone zoekt hij naar zingeving. God moet ook in therapie, en de verlosser is zijn sandalen kwijt. Alles vervloeit in deze open speelruimte. De feitelijke taal die diagnoses constateert en oordelen uitspreekt over vooruitgang werkt vervreemdend. ‘wordt vervolgd is de diagnose.’ Voor anderen ben je in zo’n omgeving een geval om te bespreken, of aanleiding tot gegniffel om een dossier. Ironisch genoeg is er ook een vorm van muziektherapie waar de dirigent wordt gedegradeerd tot de rol van xylofoon. Het perspectief op de toekomst vervaagt en beter worden wordt een opdracht. Er zit ook veel ironie en zelfspot in de bundel: ‘we werken hier / op basis van vrijwilligheid / tot aan het moment van gewetenloze onderwerping / aan meerkeuzevragen’.

    Makrelen

    Iedere van de 101 ongenummerde pagina’s heeft een los gedicht, waarin de dichter soms met spreektaal en soms met abstracte metaforen zijn innerlijke reis beschrijft. De taal en logica doen soms denken aan de wereld van de droom. ‘merrie merrie merrie merrie / het leven is maar een droom’ Er wordt ook veel van vorm gewisseld in wat meer experimentele uitingen waar geknipt en geplakt wordt met de tekst zoals in het gedicht: ‘TAK-de peer knalt op zwart het hoofd / springt de donkere kamer in’. Waarna een zwart vierkant de regel afsluit. Of wanneer woorden uitgestrooid worden over de pagina zoals hier: ‘afscheur helwit / huichelende moker / gekarteld alarm / doodskop / koorzang’. De regel verspringt telkens een beetje naar voren of achteren, wat een soort Droste-effect oplevert.

    Er zit een zekere urgentie in de tekst, de diepte van de crisis die Hamel doormaakte klinkt erin door. Soms wijkt de lyriek wat meer af van het thema en geraakt in een soort tussenruimte waar paarden helend zijn en makrelen in holsters zitten. De makreel keert vaker terug en lijkt een metafoor te zijn voor de lege vissenogen die de dichter vaak ziet. Dit soort symboliek is typerend voor de droomlogica. Het buitenissige karakter van deze warrige beelden werkt als een soort taalroes ook lichtelijk bevreemdend op de lezer.

    Als het dan eindelijk wat beter gaat is er een grote opluchting te bekennen. ‘eindelijk klaar met klotevazen kleien / eindelijk in dat xylofoontje opgestegen / volgt mijn eerbiedige hymne uit het hart’ De weg naar huis wordt weer zichtbaar, wat een ontroerende scène oplevert. De dichter wordt tenslotte thuisgebracht op het einde van de bundel. ‘als een gekruisigde / brengen ze me thuis’ Na deze apotheose biedt het thuisland waar vrouw en kinderen wachten weer een veilige haven. Er lijkt zelfs sprake te zijn van een soort tweede geboorte. Op de grens tussen gek en normaal gidst Hamel ons op geheel eigen wijze het domein van zijn verbeelding in. Het levert een zeer persoonlijke bundel op met een heel eigen geluid.

     

     

  • Het pijnlijke verhaal van het goelaguniversum

    Het pijnlijke verhaal van het goelaguniversum

    Volgens de Russische schrijver en kampoverlevende van het Stalinisme Aleksandr Solzjenitsyn vormden de goelagkampen in psychologische zin een eigen wereld, een land bewoond door de zek, de gevangenen. En alleen wie daar geweest is kent de waarheid over die plek. Barbara Skarga, de Poolse filosoof die tien jaar in de goelag heeft doorgebracht en daarover heeft geschreven in Na de bevrijding, spreekt over het ‘goelaguniversum’. Dat vormt een wereld op zich, met een eigen taal en gebruiken, rituelen en afspraken. In dit ontluisterende verslag lezen we alles over de terreur en repressie van de Sovjetmachine.

    Op 8 september 1944 wordt Skarga als ze met een andere koerier van het Armia Krajowa, een Poolse verzetsgroep, afspreekt, gearresteerd op grond van het beruchte artikel 58. Dat betekende dat ze als politiek gevangene werd beschouwd. Door de ‘mist van herinnering’ gaat Skarga op de tast van herinnering naar herinnering, hoe pijnlijk ook, om het verhaal te vertellen van die ‘kolossale absurditeit’ die haar en zovelen is aangedaan. De mens leeft bij zijn vermogen om te vergeten, schrijft Varlam Sjalamov in Berichten uit Kolyma. Het herinneren maakt voor Skarga de figuren weer even levend en zo richt zij een monument op voor alle goede mensen die ze in het kamp heeft ontmoet. Kan een mens nog leven, in deze ’tussenruimte van het zijn’, vraagt zij zich af. De woorden doen nauwelijks recht aan deze geschiedenis, de ontmenselijking, het ontnemen van het recht om voor jezelf te denken, en de eindeloze kwellingen van de arbeid en de honger. Het is allemaal even pijnlijk om te lezen.

    Het dogma van de spade

    Skarga richt haar haat tegen het abstracte systeem. Ondanks alles niet tegen de mensen. ‘Een monsterlijk mechanisme dat elk mens brak die niet kon, niet in staat was, of niet bereid was de randen van zijn eigen zijn zo te polijsten dat hij toch maar in het systeem zou passen.’ Het systeem zette aan tot grote onverschilligheid tegenover alles wat niet werd voorgeschreven. Niemand verzette zich omdat ze heel goed wisten wat er gebeurde met werkweigeraars of dissidenten. Skarga omschrijft het sovjetisme als een kanker die het denken van de mens vergiftigt. Het meest afschrikwekkende was dat iemand bereid was alles te doen voor eigen voordeel, want het verblijf in de kampen brak ook langzaam de moraliteit van de gevangenen af, die zich vaak als criminelen of verklikkers ontpopten. Dan treedt langzaam de permissie voor en gewenning aan het kwaad in, wat Skarga een van de ergste gevolgen van het verblijf in het kamp noemt.

    Wat men in de kampen leerde was niet de heropvoeding waar de Sovjetunie zo op hoopte, het was enkel overleven. In het kamp gold enkel de wet van de taiga en van het werk. Die werd opgelegd door het dogma van de spade en het pikhouweel. Je moest je aan de omgeving aanpassen en trachten iets van je waardigheid te bewaren. Want het werk bracht je snel om, zeker met de hongerrantsoenen die vaak net genoeg deden om je in leven te houden. Ontsnappen was een luchtspiegeling volgens Skarga. Waarheen zou je moeten vluchten in het bevroren hart van de taiga? Daarnaast was er de constante confrontatie met de lichamelijkheid van de ander. Daarom koesterde Skarga elk moment van eenzaamheid, wat tot ontroerende passages leidt.

    Kamptaal en liefde

    Skarga beschrijft nog een aspect van het kampleven, de unieke kamptaal. Te beginnen bij de banier die centraal in elk kamp hing: ‘Door eerlijk werken koop je je schuld af.’ Een nog meer cynische variant van het Duitse Arbeit macht Frei. De cultus van het werken werd met een fanatische gretigheid verkondigd. Zodat steeds de papieren wereld van de ideologie tegenover de werkelijkheid werd gesteld. ‘Als een mens toch eens van woorden zou kunnen leven’ schrijft Skarga, ‘zou dit het mooiste land op aarde zijn.’ Wat ook bij de kampeducatie hoorde was het sjoemelen met normen, regels en rapporten om eigen voordeel te behalen. In deze ‘zee van oneerlijkheid’ speelde de gevangene het spel handig mee. Leugenachtigheid was de standaard, maar meer als zelfverdediging dan als eigen overtuiging. Gehoorzamen aan het kampregime garandeerde in geen geval het overleven. In de ‘ketenen van de ideologie’ geklampt zal een mens zichzelf desnoods verloochenen.

    Zelfs in de kampen bloeide er nog iets van liefde op. Er was de opportunistische soort gericht op bevrediging van lusten, en de meer idealistische variant die bekend stond als het kamphuwelijk. Ook prostitutie tierde welig in het kamp en met de vrije burgers daarbuiten.  Skarga beschrijft ook lesbische relaties met veel drama en afhankelijkheid, en zelfs een vrouw die zich als man identificeerde en kleedde. Toch was de kampliefde maar een surrogaat volgens Skarga, een strohalm om zich aan vast te klampen. Het liefhebben was een manier om menselijk te blijven. ‘De liefde is de menselijke opflakkering van de ziel in deze onmenselijke wereld.’

    Filosofische blik

    Als het gewone leven dan als een droombeeld eindelijk terugkeert, lijkt het leven in het kamp voor Skarga bijna reëler. Het Polen waar ze naar terugkeerde op 11 december 1955 was niet meer het land dat ze kende. De werkelijkheid en de geest waren beide gekoloniseerd door de Grote Broer. Gedreven door haar plichtsgevoel om te herinneren komt Skarga tot ontnuchterende conclusies. In het Rusland van die tijd volstond de kleinste misstap of onvoorzichtigheid om veroordeeld te worden. Denken zelf was bijna een misdrijf. ‘Welk land ontdoet zich zo van zijn eigen rijkdom?’ vraagt Skarga zich af. Miljoenen mensen werden voor lange tijd uit hun vaderland verplaatst. Sommigen keerden slechts terug als schaduwen van de personen die zij geweest waren, ‘maar,’ zegt Skarga ‘zelfs een schaduw kan de waarheid vertellen.’

    Met een zekere distantie gaat ze langs de ontstellende feiten. Skarga is zeer gedetailleerd in haar beschrijvingen en nauwgezet in haar analyse. Dat is het meest waardevolle van Na de bevrijding, dat het zowel een persoonlijk verslag van de binnenkant van de goelag biedt als een goed doorwrocht onderzoek van wat het systeem ziek maakte. Skarga hanteert geen chronologie, maar diept langzaam beelden op uit de donkerte, beginnend bij het helderste in een prachtige, beeldende taal doorspekt met Russisch en het stigma van de kamptaal. Ze loopt er niet voor weg om alles in het harde licht van de werkelijkheid te bezien en heeft zelfs ruimte voor medelijden met de beulen. Die konden immers niet voor zichzelf denken.

    Vanuit een filosofisch perspectief tracht Skarga nog enig licht te werpen op de beweegredenen en politieke omstandigheden die schuilgaan achter de processen. Ze ontrafelt en ontzenuwt de propaganda, maar zingeving kan ze in het systeem niet ontdekken. Een zekere verbittering maakt zich soms wel van haar meester, al benadrukt ze dat je moet blijven vechten voor de menselijke kracht. Door haar indrukwekkende getuigenis word je eraan herinnerd wat het betekent om mens te zijn onder onmogelijke omstandigheden. Als denker oriënteerde Skarga zich voornamelijk op het probleem van het kwaad. Onder invloed van onder andere Levinas, verkondigde ze vooral de waardigheid van het individu. Daarnaast is haar werk een pleidooi voor de waarde van de kunst en de troost van de literatuur.

    Zelfs achter prikkeldraad kan men de menselijke wil niet volledig breken. Deze onverzettelijke wil is een triomf en een bron van kracht. Skarga bevrijdt zichzelf als het ware door haar werk. Al keert ze terug als een soort banneling en al vergaat de humor haar soms, ze kiest voor de filosofie en wordt hoogleraar. Daarmee biedt ze hoop aan volgende generaties en ‘hoop is de horizon van ons leven’ zo schrijft Alicja Gescinska in het verhelderende voorwoord. Dat zijn bepaald geen lege woorden.

     

     

  • Tekenen die zich niet laten lezen

    Tekenen die zich niet laten lezen

    In een rijkgeschakeerde vertelling die blijk geeft van een verbluffende meerstemmigheid weet Richard Hemker in zijn nieuwe roman Dedalo – Uit zee opgestaan uitzicht op de eeuwigheid te bieden. Het verhaal vloeit met het vanzelfsprekende ritme van de seizoenen over van stem op stem. De rode draad is het spel van het lot met de verschillende levens in het verhaal. In treffende, precies verwoorde scènes zet Hemker met veel detail een geloofwaardige 16e eeuwse wereld neer die tot op het laatst blijft fascineren.

    De actie verplaatst zich van het Italiaanse eiland Arbe wat als springplank dient naar onder andere Venetië en daarnaast nog vele andere, exotische locaties. Op de achtergrond spreekt een kalme verteller die aan het begin van elk hoofdstuk een korte mise-en-scène biedt. Dan is er nog de grillige geest van de onthoofde eunuch Cloridano die overal opduikt en het verhaal hier en daar voortstuwt. Wat het verhaal zijn geloofwaardigheid geeft zijn de historische details en de opmerkzaamheid van personages met allemaal een complex gevoelsleven. Het verhaal volgt onder andere de in 1547 geboren jongen Dedalo Piscioneri. Op Arbe werkt hij met zijn broers en vader Toldo als duiker. Hij is op zijn gemak in de onderwaterwereld, maar voelt dat hij weg moet. ‘Het was hem niet meer mogelijk te ontsnappen in herinneringen, de verkillende zeelucht hield hem hier nu vast. Ik kan niet blijven, meende Dedalo, ik moet weg.’ Nadat de pest om zich heen heeft gegrepen op Arbe voelt hij zich alleen staan. Hij wil snel volwassen worden en de wijde wereld zien, maar zijn lot zal zich buiten zijn macht ontvouwen. 

    Vermoeden van een groter verhaal

    Door de individuele handelingen heen laat Hemker in Dedalo – Uit zee opgestaan constant het vermoeden van een groter verhaal spelen. De verhaallijnen komen op natuurlijke wijze samen. De hoofdpersonen kruisen op kritieke punten elkaars pad en geven ervaringen door. In de schaduw van het machtige Ottomaanse rijk verplaatsen de gebeurtenissen zich uiteindelijk in de richting van Istanbul. Drijvende kracht daarin is onder andere de grootvizier Sokollu die op brute wijze zijn macht consolideert na het overlijden van sultan Suleiman de eerste. In zijn kielzog bevindt zich prinses Sidar van Bitlis, gebrand op wraak voor haar vader vorst Rusak. En dan is er nog het meisje Galla, aangenomen dochter van rabbi Bengi Fano. ‘De bewolking was geweken voor een vloeibaar namiddaglicht dat de karvelen langs de San Giorgio Maggiore in een lobbig chiaroscuro zette. De meerpalen, scheefgezakt, verborgen hun bonte kleuren in zilverige schaduw. Met zijn zwarte vensteropeningen ontvouwde Venetië zich als een hologige sirene en in Galla schoot een groot verlangen los naar de rest van haar leven.’ Zij komt in Venetië terecht waar ze als informante wordt opgeleid. Naast deze hoofdpersonen wordt er nog een bonte selectie aan personen gevolgd. Er zijn dan ook veel perspectiefwisselingen, soms allemaal in hetzelfde hoofdstuk.

    De auteur speelt ook een knap spel met herinneringen en dromen. Zo droomt Dedalo van de gebeurtenis die hem later zal tekenen. Er zijn ook voortekenen van de tijd, zoals de vier Ottomaanse ruiters die Dedalo van een afstandje ziet, die onderweg zijn om een opdracht van Sokollu te vervullen. Bijna alle gebeurtenissen in het verhaal zijn op ingenieuze wijze met elkaar verbonden. De aan het begin van het verhaal verdwenen jeugdvriend van Toldo bijvoorbeeld, keert op het eind weer terug in een heel andere gedaante. 

    De karakters in het boek leggen een zekere ontvankelijkheid aan de dag als het op wonderlijke zaken aankomt. Het onzegbare manifesteert zich in deze wereld op vele manieren, zoals een plotseling inzicht of een flits van helderheid. Soms zit daar de speelse geest Cloridano achter, maar zijn controle is maar beperkt. Er zijn krachten die de mens te boven gaan, lijkt het verhaal te willen zeggen. Dedalo is gefascineerd door zijn herinneringen en de verschillende mythes van het eiland Arbe. ‘Wat Dedalo niet begreep hield de belofte in van een mythische verklaring. De geschiedenis was hem in beginsel vreemd en dat maakte het waardevol want hij vermoedde een groter verhaal. De mythische verklaring liet zich ook toepassen op zijn eigen bestaan. Als hij zijn belevenissen niet kon duiden, dan gaf hij zich haast triomfantelijk over aan het vermoeden van een groter verhaal.’

    Uitverkoren om je te verbazen

    De gebeurtenissen in het verhaal ontvouwen zich met een grote vanzelfsprekendheid, alsof ze voorbestemd zijn. Het noodlot sleurt Dedalo mee en werpt hem op een nieuw strand van ervaring. Of hij daarbij een golf is of de overspoelde is niet meteen duidelijk. De wervelende vertelling maakt veel grote tijdsprongen maar het grote plaatje wordt nooit uit het oog verloren. Hemker laat daarbij veel ruimte voor de innerlijke motivatie van de karakters. Af en toe dreigt de lezer door het grote aantal personen het overzicht te verliezen. Maar gelukkig is in het boek ook een register opgenomen met alle relevante personen en hun achtergrond. Het verhaal is dan ook stevig geworteld in de geschiedenis, zoals de belegering van Szigetvár (1566) en de slag bij Mohács (1526) die in het verhaal voorkomen. De details zijn authentiek, wat bijdraagt aan de overtuigingskracht. 

    In dit bijna tastbare verleden worden de stille krachten achter de dingen reëel gemaakt. Geworteld in de tijd en hun respectievelijke historische context is er veel waar de personages zich over kunnen verwonderen. ‘Er zijn uitverkoren mensen. Jij bent uitverkoren. Uitverkoren waarvoor? Om je te verbazen.’ In zijn gang door de geschiedenis ontplooit Hemker voor hen een breed sleepnet aan ervaringen. Op bepaalde magische momenten worden zij even uitgetild boven het dagelijkse en zien ze op de toppen van de ervaring een glimp van iets eeuwigs. Bengi Fano verwoordt het zo: ‘Dat de sensatie niet gedeeld kon worden tussen mensen omdat juist het ondeelbare de essentie is van deze ervaring.’ In hun eindigheid wordt iets van de essentie van het leven ontwaart. Hemker trekt hierbij alle registers open om het leven in zijn volheid te etaleren. De personages worden verliefd, rouwen, worstelen met hun leven en hopen er iets van te maken. Het zijn de eeuwige thema’s, maar de manier waarop Hemker zijn individuen behandelt geeft ze iets van een gedeelde droom of een lied van de tijd. 

    Tekenen van de tijd

    Dedalo – Uit zee opgestaan biedt een gewaagde carrousel aan beelden, een minutieus opgezette schildering die de sfeer weet te treffen en op ambitieuze wijze verhalen met elkaar verbindt. Als historische vertelling is het een rijk tapijtwerk van vervlochten verhalen die zich niet alleen verplaatst in de vertelde tijd maar ook in de raderen van het tijdsgewricht. Verzadigd en vol van de wereld ervaren de generaties het leven. Hemkers personages laten zich vaak leiden door ’tekenen die zich niet laten lezen’. Dedalo vlucht weg van het eiland omdat hij wil vluchten voor zijn herinneringen. Prinses Sidar laat zich leiden door wraak en wordt hard en afstotend. Galla wordt gevormd door haar leraren en geliefden en ook een bepaalde richting uitgestuurd. Alles stevent zo af op de plek waar al deze levens samen moeten komen. Wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal op zoek zijn naar hun bestemming, tastend in de onbestemdheid van wat nog moet komen. Soms ongeduldig, soms vol verwachting maar altijd onderworpen aan het hongerige noodlot.
    Dedalo – Uit zee opgestaan vormt het eerste van twee delen en dit verhaal is nu al zo levendig en goed uitgewerkt dat het met ongeduld wachten is op het volgende deel.

     

     

  • Middenpad zonder echte oplossingen

    Middenpad zonder echte oplossingen

    In tijden van hoge inflatie en midden in een energiecrisis komt terecht de vraag op naar de houdbaarheid van een model van constante economische groei. Houdt het niet een keer op? Er worden een hoop offers gebracht om ons van economische groei te verzekeren. Is groei nog wel zinvol, nu we geconfronteerd worden met afnemende grondstoffen, groeiende milieuschade en een vergrijzende bevolking? Die vraag hoopt hoogleraar economie Barbara Baarsma te beantwoorden in Groene groei.

    In het rapport van de Club van Rome uit 1972 werd al beargumenteerd dat de groei op onze planeet niet eindeloos kan zijn. De grenzen van groei kwamen in zicht, maar toch moest de economie blijven groeien. Baarsma betoogt dat we minstens 2.5 tot 3 procent groei per jaar nodig hebben. Ze geeft meerdere redenen waarom dat noodzakelijk is: er is de vergrijzing, de herverdeling van welvaart die geld kost, afnemende arbeidsproductiviteit en het betalen van de schuldafbouw. Als de groei onder druk komt te staan komen andere voorzieningen in gevaar, is de redenering. Al vrij vroeg in het boek komt naar voren dat het bbp als graadmeter van groei wellicht niet zo’n geschikt instrument is. Het meet bijvoorbeeld niet de bredere welvaart waar het bij economie ook voor een groot deel om gaat, en het neemt het milieu niet in overweging. 

    Wel de lusten niet de lasten

    Economie is de wetenschap van de verdeling van schaarse middelen. Zodoende moet er goed naar de verdeling van de welvaart worden gekeken. Dit houdt in dat we keuzes moeten maken over wie er minder krijgt en aan wie we zwaardere lasten opleggen. Het kan niet zo zijn dat iedereen er alleen maar op vooruitgaat. Economische groei op zich is dus niet zaligmakend betoogt Baarsma, het gaat erom ‘wat er met de extra bestedingsruimte als gevolg van de economische groei wordt gedaan.’ Groeien binnen grenzen dus, of groene groei zoals Baarsma het noemt. De huidige hoge inflatie en ongelijke verdeling van vermogen tussen rijk en arm in Nederland zetten ook aan tot het vinden van manieren om de koopkracht gelijk te houden. 

    Daar komt nog eens bij dat er in het bbp geen aandacht is voor wat economen negatieve externe effecten noemen. De schade aan het milieu wordt niet geprijsd. De kosten die we betalen voor groei komen dus niet terug in het grote plaatje. Op dit punt pleit Baarsma voor een universele heffing voor vervuilers, zoals een carbon tax. Ook zijn er alternatieve waarderingsmethoden voor het bbp die meer inclusief zijn op het gebied van milieu, maar die zijn ook niet zonder tekortkomingen. Volgens Baarsma is het wel mogelijk om milieugoederen economisch te waarderen maar is daar nog geen universele standaard voor. 

    Groei voor een groenere economie

    Opvallend is dat Baarsma het donutmodel van econome Kate Raworth afwijst omdat het volgens haar een misverstand is dat voor duurzaamheid economische krimp nodig is. Zonder groei is er geen sociaal minimum voor iedereen, en ‘zonder groei zijn de milieu- en klimaatproblemen echter ook niet opgelost.’ Het inkrimpen van de economie zou niet voor minder ecologische schade zorgen, betoogt zij. Dus concludeert ze dat ‘groei een noodzakelijke voorwaarde is voor betere leefomstandigheden en een betere toekomst.’ Grenzeloze groei (van het bbp) is echter niet zaligmakend, dus moet er iets van een middenpad zijn. Wat verstaat Baarsma onder groene groei? ‘Groene groei is economische groei die binnen de planetaire grenzen blijft en geen grondstoffen uitput.’ In de praktijk is er echter vaak een afruil tussen duurzaamheid en een betere levensstandaard, meent Baarsma. Dat roept de vraag op of we de toekomstige generaties de rekening laten betalen, of dat de huidige generatie voor de toekomst betaalt. 

    Dit betekent ook dat een deel van de verantwoordelijkheid bij bedrijven ligt om een meer duurzame werkwijze te vinden. De vraag is echter of er genoeg prikkels zijn om daarvoor te kiezen. De kunst is volgens Baarsma om de groei van de negatieve milieu-impact lager te houden dan de groei van het bbp. Maar zolang er nog geen brede consensus is bereikt over de manier waarop dit moet gebeuren blijft het waarschijnlijk bij goede voornemens. Er zijn wel tastbare voordelen te noemen van groene groei, zoals meer hernieuwbare energie die bijvoorbeeld tot minder afhankelijkheid van Russisch gas leidt. De coronapandemie liet ook nadelen van de verregaande globalisering van de wereldhandel zien, bijvoorbeeld toen het op mondkapjes aankwam. 

    Teleurstellend

    Leerzaam zijn de voorbeelden die Baarsma geeft uit haar persoonlijke ervaring als CEO van Rabo Carbon Bank. Zoals over het werken met carbon credits voor boeren. Er wordt ook tamelijk diepgaand ingegaan op de problemen op de arbeidsmarkt, met de hypotheekrenteaftrek en het belastingstelsel en hoe dat verbeterd kan worden. Het is allemaal wel toegesneden op de Nederlandse situatie. Oplossingen op een meer globaal niveau worden er nauwelijks geboden. Baarsma blijft ook uitgaan van de wenselijkheid van groei zonder echt stil te staan bij de neveneffecten daarvan. Meer welvaart is altijd beter, maar de creatie van meer welvaart houdt ook in dat er meer neveneffecten ontstaan. Dat het klimaat uiteindelijk zo summier behandeld wordt in een boek dat belooft het over ecologische oplossingen te hebben is enigszins teleurstellend. Groene groei biedt dus uitstekende actuele informatie over ons huidige economische stelsel maar formuleert daarnaast een wenselijke toestand zonder echt vergaande oplossingen te bieden. 

     

  • De wraak van de natuur

    De wraak van de natuur

    Het seksuele gedrag van slakken en hersen-etende wormen, dat soort griezelig werk is waar we mee te maken krijgen in de nieuwe dystopische roman Biotopia 1.0 van Sabine van den Berg. De kunstenaar en weekdierenexpert Camille uit Biotopia 1.0 is een van de hoofdpersonen. Ze gebruikt een genderneutrale taal en is gefascineerd door het jonge meisje Lola. Camille brengt de chaos van de buitenwereld in de afgesloten ecologische leefgemeenschap Biotopia waar Lola woont. Gelijktijdig hieraan gebeuren er steeds vreemdere dingen in die buitenwereld.

    Er zijn twee verhaallijnen in het boek. In de eerste zien we de ontluikende en nieuwsgierige Lola in haar verhouding tot Camille. De tweede verhaallijn die hieraan parallel loopt gaat over een uitbraak van een onbekende parasiet in de buitenwereld. Dit speelt tegen de achtergrond van een recente pandemie die grote gevolgen heeft gehad, zoals merkbaar in de maatregelen die nog gelden. Deze twee verhalen kruisen elkaar niet werkelijk maar wel qua achterliggende problematiek. 

    Terug naar de slakken. Zoals Camille uitlegt zijn sommige soorten tweeslachtig en geïnspireerd door dit feit heeft zij haar eigen taal bedacht. Voor alles wat zich tussen de twee geslachten bevindt, intersekse levensvormen dus, gebruikt zij de bezittelijke voornaamwoorden zaan, lij en haam. Ze gebruikt ook consequent the, een anagram van het Nederlandse het als lidwoord. Dit in combinatie met het feit dat Lola mannelijke voornaamwoorden gebruikt voor Camille maakt het soms nogal verwarrend om te volgen.

    Lola, Harmen

    Lola woont met haar moeder Saar in Biotopia. Het boek begint met Camille die foto’s maakt van de met een slak poserende Lola. Camille raakt gefascineerd door de ambiguïteit van Lola’s uiterlijk. Ze maakt een expositie met uitvergrote foto’s van Lola en de slak. Deze wordt een enorm succes en kort daarna verhuist ze naar Biotopia om samen te gaan wonen met Saar. Biotopia probeert een zelfvoorzienende gemeenschap te zijn en is strikt afgescheiden van de buitenwereld. Telefoons zijn er taboe en de inwoners hebben zelfs hun eigen handhavers. Lola groeit op tussen allerlei kleurrijke personages waarbij we van sommigen alleen maar een glimp opvangen. Tussen deze excentrieke figuren probeert zij haar weg in de wereld te vinden. 

    In de buitenwereld vindt ondertussen een serie mysterieuze vogelaanvallen plaats. Harmen ziet binnen een kort tijdsbestek zowel zijn vrouw Denise als dochter Gwendolyne aangevallen worden door vogels, met fatale gevolgen. Bij een autopsie vindt de arts Renato, die toevallig de buurman van Harmen is, sporen van verwoesting in hun frontale cortex. Harmen wordt voor de zekerheid ook opgenomen en er wordt aangenomen dat ook hij de drager is van de parasiet. Renato blijft Harmen behandelen voor de onbekende ziekte maar de vooruitzichten lijken niet hoopvol. Zelfs het bloed van Harmen lijkt besmet, en hij gaat steeds verder achteruit. 

    Aanklacht tegen de wereld

    De buitenwereld komt maar heel af en toe binnen in Biotopia, voornamelijk in de vorm van bezoekers. Er worden grootschalige manifestaties gehouden waar het hoofdzakelijk over het milieu gaat en niemand mondkapjes draagt. Ook zijn de bewoners geneigd iedere gevaccineerde als verdacht te beschouwen. Iedereen wordt in Biotopia verwacht zijn steentje bij te dragen, door praktische vaardigheden of kennis. Het is een fascinerende wereld die in scherp contrast staat met de wereld daarbuiten. In het boek wordt deze wereld gevormd door een groene villawijk in Haren, omringd door hekken waar alles er ordentelijk en geregeld aan toe gaat. 

    Alleen al door hun levenswijze vormen de bewoners van Biotopia een soort aanklacht tegen die wereld. Ze hebben vaak kritiek op de gang van zaken in de buitenwereld, waar iedereen maar vervuilt en gedachteloos dingen aanschaft. In tegenstelling hiermee dragen de bewoners van Biotopia gebruikte grauwe kleding, ruiken soms niet al te fris en zijn bijna allemaal vegetarisch. De details en verhalen over de individuele bewoners komen authentiek over. De parallelle werelden van Gwendolyne en Lola zijn totaal tegengesteld aan elkaar. De tegenstelling wordt nog verder doorgevoerd door het paradijselijke Biotopia te contrasteren met de vergiftigde wereld ‘daarbuiten’. Saar zegt hierover: ‘Geloof me, Biotopia is een paradijs vergeleken met de rest. Ik ben daarbuiten geweest. De tegenstellingen worden alleen maar groter.’

    Camille zoekt in haar werk de grenzen op van de status quo. Zij beschouwt de slakken als een voorbeeld van hoe het ook zou kunnen in de maatschappij. De heteronormatieve werkelijkheid ziet zij als een stadium dat overwonnen moet worden. Natuurlijk probeert de kunstwereld wel labels te plakken op wat Camille doet, maar zij onttrekt zich daar zo veel mogelijk aan. ‘Alleen al doordat ze bestaan, stellen slakken onze opvattingen over identiteit, familie en maatschappij ter discussie. Ze zijn vleesgeworden, kruipende kritiek op de heteronormativiteit. Lola raakt in de ban van de vriendin van haar moeder en zoekt op haar koppige tienermanier toenadering. In deze curieuze relatie zijn de slakken een soort bindmiddel. De spanning tussen deze twee is goed voelbaar. 

    Lappenmonster van Frankenstein

    Slachtoffers van de parasieten krijgen een soort tijdelijke genotservaring als de parasiet de hersenen bereikt en de controle overneemt. In de door de ziekte aangetaste hersenen van Harmen wordt dit als volgt weergeven: ‘Ineens ben ik mij ervan bewust dat ik leef, werkelijk leef, en heb ik het inzicht dat ik onderdeel ben van een keten. Ik ben niet meer dan een gedegenereerd dier dat zich in zijn hoogmoed beter voelt dan andere soorten. Ik zie dat we allemaal één zijn, verbonden door het leven op deze wonderlijke planeet.’ Dit inzicht is meteen ook de crux van dit verhaal. Het lijkt tegelijkertijd de kern en de boodschap te bevatten. De natuur kan nergens meer heen en gaat dus in de mens, zoals een van de bewoners van Biotopia verkondigt als een profetie.

    Het is alleen jammer dat de twee verhaallijnen niet overlappen en nauwelijks samenkomen. Het verhaal van Harmen staat ogenschijnlijk volledig los van wat er met Lola gebeurt. Het taalgebruik van Camille, hoewel haar opvattingen prikkelend zijn, wordt ook nooit meer dan een trucje. Op zichzelf is het verhaal van Lola nog het meest interessant, maar wat het verder te maken heeft met de ziekte van Harmen is een raadsel. Of het moet zijn dat de mensen in de verdorven buitenwereld wel te maken krijgen met de nieuwe ziekte als wraak van de natuur.  

    Biotopia 1.0 heeft nog het meeste gemeen met de ecologische thriller. Toch overtuigt het niet echt in die rol. De losse onderdelen komen nooit samen en dat doet af aan de kracht van het verhaal. Of er nou ook echt sprake is van een ‘feministische roman’ zoals op de achterkant beweerd wordt is zeer de vraag. Lola wordt hoofdzakelijk opgevoed door vrouwen zoals haar moeder en de zelfbewuste Marjolein, maar voor de rest is daar weinig van te merken. Het motief van de wraak van de natuur loopt als een rode lijn door het werk en dat, gecombineerd met de scherpe contrasten, maakt het boek wel tot een interessante leeservaring.

    De losse onderdelen en onderliggende ideeën zijn intrigerend maar het grote geheel komt over als een soort lappenmonster van Frankenstein. Die inspiratie steekt de schrijfster ook niet onder stoelen of banken, er wordt veel geciteerd uit het boek van Mary Shelley maar ook uit Echo van Thomas Olde Heuvelt. De roman heeft wel iets te zeggen, maar door de gekozen vorm verwatert de boodschap. Wellicht is dit te wijten aan het feit dat dit deel 1 is van wat een trilogie moet worden. 

     

  • Kruistocht tegen woke denken

    Kruistocht tegen woke denken

    De hoofdpersoon uit Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Herfstdraad weet zich tussen twee vuren geplaatst als hij vanuit Amsterdam naar een niet nader genoemde plaats in de provincie verhuist, op dertien minuten treinen van Amsterdam. Daar aangekomen begint de ellende al gauw als hij en zijn vrouw worden verplicht de bijeenkomsten van de organisatie Kruispunt bij te wonen. Dit leidt al snel tot aanvaringen met de wokementaliteit die daar heerst en de bijna dictatoriale trekjes van het clubje. Dat de bijeenkomsten verplicht zijn stond in het huurcontract. Als de hoofdpersoon later via zijn buurman in aanraking komt met een groepering genaamd Deftig Rechts beginnen de problemen pas goed.

    Ze zijn nog maar net in hun nieuwe huis getrokken of een deurwaarder van de Belastingdienst staat voor de deur vanwege een achterstallige schuld. De naamloze hoofdpersoon is schrijver en raakt ondertussen twee van zijn vaste columns kwijt. De financiële problemen stapelen zich op en zijn relatie komt onder druk te staan. De schrijver maakt constant gewag van zijn persoonlijke problemen, wat met veel zelfmedelijden gepaard gaat. Kruispunt houdt (semi)verplichte informatieavonden en cursussen waar wordt gehamerd op discriminatie en diversiteit. De vrouw van de schrijver, van half Marokkaanse afkomst, kan zich goed vinden in het gedachtegoed van Kruispunt. Maar de schrijver voelt zich geroepen om zijn ideeën te verdedigen en dit leidt tot steeds hoger oplopende spanningen. 

    De wereld houdt niet van kritiek

    Tijdens het lezen word je constant om de oren geslagen met de terminologie die Kruispunt hanteert. Er is bijvoorbeeld sprake van microagressie, wit kolonialisme en er moet uitvoerig gereflecteerd worden op (wit) privilege. De schrijver windt zich steeds meer op over de Kruispuntideologie en houdt lange tirades tegen zijn vrouw en de mensen van de organisatie. Het komt zelfs tot een ‘boekenrazzia’ in een zeer vermakelijke scène waar de patriarchale literaire voorkeuren van de schrijver tijdens een workshop vervangen worden door goedgekeurde boeken. 

    De schrijver wordt van allerlei kanten aangemoedigd om zijn kritische toon te matigen. Hij is het daar niet mee eens: ‘Mijn definitie van integer schrijverschap vraagt van me dat ik me kritisch uitlaat over de wereld. Die wereld houdt niet van kritiek.’ Voornamelijk om nog aan de bak te komen ziet hij zich gedwongen zich aan te passen. Dit lukt echter niet altijd even goed. Tijdens een literaire avond waar hij door iemand van Kruispunt geïnterviewd wordt ziet hij zijn ideeën en romans gefileerd. Het totaal tegenovergestelde hiervan vindt de schrijver in buurman Wim, die hem kort na kennismaking weet te strikken voor zijn zogenaamde herenclub Deftig Rechts. De schrijver werkt hier voornamelijk aan mee omdat de organisatie een noodfonds voor leden heeft waarmee hij zijn financiële nood hoopt te verzachten. Deze heren zijn wel enthousiast over zijn werk, voornamelijk omdat ze daar bevestiging van hun standpunt in zien. In eerste instantie lijken ze een vrij redelijke club, tot er toch nationalistische praat wordt gebezigd en ze zich tot neonazi’s ontpoppen. 

    Zwart-wit denken

    Ouariachi laat de ‘Kruispuntiaanse’ types ook relevante vragen opwerpen zoals hoe belangrijk herkenning moet zijn in boeken. Maar de vragen worden al snel een soort preek, en de schrijver wordt gemakshalve tot een racist gemaakt. De discussie loopt vast en net als in het echt verschanst men zich achter het eigen gelijk. De schrijver roept dan ook in wanhoop uit: ‘Deze mensen gaan door tot ze me hartstikke kapotgekoloniseerd hebben.’ 

    In Herfstdraad zit veel humor verwerkt, de provincieplaats is steevast een ‘helleoord’ vergeleken met Amsterdam en volgens de schrijver kun je types met een balpen niet vertrouwen. Want de Belastingsdienst gebruikt ook balpennen. Het nadeel is dat het allemaal naar overmaat neigt. De verschillen tussen Kruispunt en Deftig Rechts worden wel erg dik aangezet, de schrijver lijkt de enige redelijke persoon te zijn in een zee van waanzin. ‘Alles raakt besmet, alles is schuldig’, zegt hij op een gegeven moment.

    De boodschap die Ouariachi wil overbrengen is duidelijk: kwesties reduceren tot zwart-wit denken is nooit een oplossing. Je moet altijd oog blijven houden voor de complexiteit. ‘Een extremist bant de complexiteit uit de werkelijkheid en is daarmee het absolute tegendeel van waar ik als schrijver voor sta: het moeilijk maken van wat door anderen als simpel wordt voorgesteld.’ Ondertussen ergert de schrijver zich wel overal dood aan en dit laat hij iedereen dan ook voortdurend weten. Hierdoor komt het personage zelfgenoegzaam over. De uiteindelijke confrontatie tussen ‘links’ en ‘rechts’ zie je dan ook van verre aankomen. De situatie kookt over en het komt tot een vrij dramatische, ietwat ongeloofwaardige conclusie. Als de schrijver teruggekeerd is in het veilige Amsterdam zegt hij half grappend tegen een vriend dat hij ontkomen is aan ‘die hele mislukte polderthriller’. 

    Witwassen

    Ouariachi bindt met verve de strijd aan met het woke denken. Het is alleen jammer dat de tegenstellingen iets te gemakkelijk worden gemaakt, zowel links als rechts worden afgeserveerd als parodie. Als satire werkt dit misschien, maar als kritiek overtuigt het minder. De vrouw van de schrijver beschuldigt haar man er op een bepaald moment van dat hij haar naam witwast door haar Liek te noemen in plaats van Malika. Dit soort kolderieke scènes buitelen over elkaar heen in een poging van Ouariachi om een duidelijk punt te maken, namelijk dat het inclusieve denken met haar kritiek te ver gaat. En het tegengeluid van rechts bestaat in deze roman dan weer uit barbecueënde mannen die hun shirts uittrekken om te worstelen tijdens de barbecue, en die vinden dat alleen mannen iets maatschappelijks kunnen bereiken. Beide zijden zijn doorgeslagen en vertegenwoordigen extremen. Op die manier heeft Ouariachi gelijk als hij zegt dat je met extremisme niets bereikt.    

    Als het erop aankomt is de schrijver in Herfstdraad toch van de nuance en zodoende komt het tot een breuk met zowel Kruispunt als Deftig rechts en via de uittocht uit de provincieplaats tot een terugkeer naar Amsterdam. Met deze exodus volbracht komt hij ‘gelouterd’ terug en zowel zijn financiële als relationele problemen zijn gelijk opgelost. Hij ontmoet namelijk een nieuwe vrouw en zijn inkomsten uit het schrijven trekken weer aan. Dit tweede gedeelte van de roman is iets sterker maar helaas ook vrij clichématig. Dit komt het sterkst naar voren in het slot, waar Ouariachi de conclusie trekt: ‘Als ik met een pistool tegen m’n kop zou moeten kiezen tussen extreemlinks of extreemrechts, dan zal ik natuurlijk nooit voor de neonazi’s kiezen.’ De waarheid ligt dus ergens in het midden, maar dat is een behoorlijke anticlimax. Dit neemt niet weg dat er genoeg is om van te genieten, het verhaal van de neergang van de schrijver in het eerste deel is meeslepend en de idiote taferelen die hij beleeft met Kruispunt zijn af en toe hilarisch. Uiteindelijk is het een met vaart geschreven en smakelijk verteld verhaal. De kruistocht van de schrijver in Herfstdraad tegen het wokisme zet aan het denken, ontroert en deelt rake klappen uit.     

     

  • Nuchter vertelplezier bij de zoon van de kapper

    Nuchter vertelplezier bij de zoon van de kapper

    Simon vindt het als kapper al gauw goed. De hoofdpersoon uit de nieuwe roman van Gerbrand Bakker, De kapperszoon, knipt, scheert en zwemt. En of hij nu scheert met een mes of met een tondeuse maakt hem niet zoveel uit. Met een dode vader, ook kapper, omgekomen bij de vliegramp op Tenerife in 1977, was hij wel voorbestemd om kapper te worden. Hij draait een beetje rond in cirkels en toont weinig initiatief in zijn leven – indolent noemt zijn moeder het – tot hij gaat graven in het verleden.

    In de Jordaan heeft Simon een eenmanszaakje waar hij bijna alleen maar mannen knipt en af en toe neemt hij er ook eentje mee naar huis. In zijn slaapkamer heeft hij een poster hangen van de Russische zwemmer Aleksandr Popov die vroeger zijn idool was. Tegenwoordig komt Simon alleen nog in het zwembad om zijn moeder op zaterdag te helpen geestelijk gehandicapten te begeleiden.
    Als kapper vindt hij een handjevol klanten wel genoeg, dan draait hij het bordje van zijn zaak Chez Jean al snel weer op Fermé. Met andere mensen omgaan kost hem energie. Na een opmerking van een klant over vliegrampen gaat Simon, nu nieuwsgierig geworden, op internet op zoek naar de feiten over de vliegramp op Tenerife. Zijn moeder praat er bijna niet over.

    Simon kent zijn vader alleen van wat foto’s omdat deze om het leven kwam toen zijn moeder nog zwanger was. Naast het werk in zijn kapsalon rommelt Simon meestal maar wat aan, kookt en leest een beetje. ‘Knippen en scheren, eten en drinken, zwemmen. Dode onbekende vader, licht hysterische moeder. Nooit een vaste vriend gehad.’ Hij heeft een paar regelmatig terugkerende klanten, waaronder zijn opa en een naamloze grijsharige schrijver. In de figuur van de naamloze schrijver kunnen we Bakker zelf herkennen. Hij heeft namelijk bekende boeken als Beneden is het kil en Amandelbomen bloeien rood geschreven. De schrijver raakt geïntrigeerd door het verhaal van de vader van Simon en gaat ermee ‘aan de haal’.

    Behalve de belevenissen van Simon vertelt Bakker tussendoor het daar parallel aan lopende verhaal van de vader. Volgens zijn opa lijkt Simon erg op zijn vader; net als Simon gleed ook hij geruisloos door het leven. Zonder er goed over na te denken stapte hij op een dag in dat bewuste vliegtuig naar Tenerife.

    Het alledaagse

    Simon communiceert als kapper voornamelijk met zijn handen. Hij kan het vaak niet laten even langs een nek te strijken en na het knippen geeft hij soms extra hoofdmassages. Praten tijdens zijn werk is meer iets voor andere kappers, vindt hij. Bij hem blijft het beperkt tot tussenwerpsels als goh, oh ja en hm. Andere mensen zijn voor Simon eerder een bron van onzekerheid: ‘Mensen, je weet nooit wat ze echt willen, wat ze werkelijk bedoelen.’ Hij wordt dan ook in grote verlegenheid gebracht als een van de jongens uit zijn moeders zwemklas zich op een dag in het zwembad aan hem vastklampt. Niet wetend wat hij ermee moet slaat hij op de vlucht. Maar hij kan de blik van deze Igor niet van zich afzetten en kan het niet laten licht opgewonden te worden. De jongen doet hem denken aan het lichaam van Aleksandr Popov. Zijn schoonheid brengt hem in verlegenheid. ‘Wie heeft bedacht dat iemand zo mooi moet zijn?’

    Wars van metaforen speelt de actie zich bij Bakker voornamelijk af in de handelingen. Het alledaagse spreekt voor zichzelf en de karakters zijn geloofwaardig zoals ze tijdens een bezoek aan de kapper of in het café spreken. De nuchtere vertelwijze draagt veel bij tot het leesplezier. De schrijver in het verhaal merkt op een gegeven moment op dat witregels zo belangrijk zijn. ‘Want daardoor kun je een lezer zich alles voor laten stellen, maar er staat dus feitelijk niets. Je kunt je daar altijd op beroepen: er staat hier niets. Het is verbeelding.’ Zo wordt een groot deel van het verhaal over de vader van Simon ook aan de verbeelding overgelaten. Het rommelige en onafgemaakte aspect van de ramp neemt hier de overhand. Bakker zoomt hiermee in op de gevolgen van de ramp voor de nabestaanden. Zo is de vader van Simon nooit geïdentificeerd.

    Vertelplezier

    Met het Popov-korte haar van Igor, de bingo van Miss Windy Mills en de rare tweets die Simon de wereld in stuurt heeft Bakker een levendige wereld geschapen in De kapperszoon. Vol met onderhuidse spanning en knap opgezette zijverhalen. Het levert indrukwekkende vertellingen op, onder andere van de overlevenden van de vliegramp waar Simon op internet over leest. De rol van de schrijver en zijn verhouding met de barman zorgen voor de nodige lichte toon. Het voegt een speels aspect toe, terwijl de schrijver in het verhaal fictie maakt van de geschiedenis van Simons vader. De verschillende elementen worden op natuurlijke wijze met elkaar verbonden. Alleen in het laatste hoofdstuk, als de plotlijnen samenkomen, neemt het verhaal een dramatische en abrupte wending. Op zijn zachtst gezegd is het nogal een cliffhanger waardoor het boek een open einde krijgt.

    Ondanks dit abrupte einde is De kapperszoon een begeesterende Vatersuche. Met groot vertelplezier zet Bakker zijn verhaal op en hij neemt zichzelf nooit te serieus, zoals in het nawoord waar hij ‘verantwoording’ aflegt voor de researchportie van het boek. Hij heeft waarschijnlijk het nodige gemeen met zijn hoofdpersoon. Zoals Simon zegt: ‘Mensen doen gewoon dingen. Er gebeuren dingen. Klaar.’

     

     

  • Herinnering als omweg naar de verbeelding

    Herinnering als omweg naar de verbeelding

    Je moet erbij geweest zijn, aan de Waalkade in Nijmegen tussen 1980 en 1992 om het gezien te hebben, de wonderlijke boodschap op een van de onderste bogen van de brug over de Waal die Kees ’t Hart aan het denken zette: ‘Victorien ik hou van je.’ Verder navragen van de schrijver onthult dat het eigenlijk Victorine moest zijn en dat de ontvangster van deze boodschap al lang verhuisd was. Ze wordt alsnog de aanloop voor deze veelzijdige bundel verhalen en ontboezemingen zoals ’t Hart ze noemt, die lopen van het Nijmegen van zijn jeugd tot het vermeende uiterlijk van Madame Bovary of de woordgrappen uit het befaamde Toonbusje. Naast verhalen bevat de bundel ook essays en gedichten.

    Associatief van onderwerp wisselend gaat de schrijver aan de haal met zijn jeugdherinneringen en jongensbegeertes. Dit spel onthult hier en daar quasi-autobiografische gegevens en levert een zeer diverse keur aan onderwerpen op. Hij behandelt zijn eigen werk zijdelings in het verhaal Het proefschrift waar hij opmerkt dat hij in plaats van te wroeten in het verleden liever gebruikmaakt van de verbeelding. Hij doet beide met verve, waarbij de herinnering als omweg dient om bij het verhaal te komen. Beelden roepen sterke associaties op zoals in het verhaal De mitrailleur waar een Droste-blik vol loden soldaatjes hem terugvoert in de tijd. Uit de mist van het verleden doemt ook de figuur op van de moeder van een van zijn vriendjes: ‘Als ik nu lang genoeg naar de twee mitrailleurs naast mijn computer kijk, mijn eigen mitrailleur en die uit Ieper, dan weet ik alles weer denk ik. Als ik maar lang genoeg kijk. Ik hoef er niet over te wrijven. Dan kan ik haar woorden uittekenen, woorden zijn er om uit te tekenen.’ De woorden kunnen verrassen of aanleiding geven tot binnenpretjes. 

    Een dromerige kijk

    De dromerige kijk van de schrijver geeft eindeloos aanleiding tot materiaal om over te schrijven. Daarnaast is hij gefascineerd door zinnelijke details waar lang over wordt nagedacht. Bijvoorbeeld als hij inzoomt op de blik die Flaubert ons meegeeft op Madame Bovary, of in het prachtige verhaal In het Noorden dat in een koortsige beschrijving langs personen en cafés in Leeuwarden voert. Een lichte ironische toets is ook aanwezig in veel van de verhalen, bijvoorbeeld in Na afloop waar hij in korte zinnetjes fantaseert over het verdere leven van romanpersonages. De deur naar de verbeelding en de fictie staat bij ’t Hart altijd op een kier. Zo belooft hij in het titelverhaal niet te schrijven over Victorien, maar hij doet het toch. 

    Dat de schrijver een gulzige lezer is bewijst hij in De lezing. Daar haalt hij er een brede keur aan halfvergeten schrijvers en filosofen bij om zijn lezing over de grondslagen van het schrijven kracht bij te zetten. Ook wijst hij zijdelings op het door hem vermeende verband tussen erotiek en literatuur. Met een luchtige toon behandelt hij het begin van de ziekte genaamd schrijven. Via een uitstapje naar de grafologie en de hoge toppen van Wittgenstein komt hij uit bij de conclusie dat het gegoochel met taal een vorm van magie is. ‘Een symptoom van eindeloze verveling.’ De pathologische schrijver heeft dus iets te verhullen, schrijft zich ‘langs magische weg de wereld in.’ Boeken gebruikt hij het liefst als omweg om uit te komen bij zaken die hem interesseren.

    Hongerig schrijven

    In een kort essay over de poëzie van Gorter, De sporter, is ’t Hart vol bewondering over de schrijftrant van de dichter: ‘Schrijven in de breedte. Luisterend, tastend en kijkend schrijven, hongerig en bloeddorstig schrijven.’ Gorter is de dichter van het lichaam en het erotische en daarin vinden de twee elkaar bij uitstek. De ‘gevoel en lichaamserupties’ van Gorter sluiten aan bij de filosofie van ’t Hart. Zelf schrijft hij hierover: ‘Op begeertegebied is niets een bezit, alles is een droom.’ Het halfzusje is dan weer een verhaal als een dagdroom die als een stroom indrukken voorbijglijdt. Een meisje bouwt in dit verhaal een replica van Graceland en later komt een schilderij van Manet langs, het thema is kijken en bekeken worden. De oplettende blik van de schrijver gaat ook in het verhaal Het hoofddoekje over de kleine details. ‘Geheimzinnig vindt ze het: kijken naar mensen van wie je houdt zonder dat ze weten dat je kijkt.’ In dit verhaal is de blik van anderen de bepalende factor. 

    De bundel bevat ook gedichten en die zijn van wisselende kwaliteit. De humor van ’t Hart is een tikkeltje droog en kan soms wat flauw zijn. Maar de gedachtesprongen die hij maakt zetten altijd aan het denken en hij slaat talloze omwegen in puur om te ontdekken. ‘Zo goed mogelijk dromen, dromerig blijven, dat is bij schrijven zijn uitgangspunt.’ En of het nu over dronken nachten gaat waar hij in de buitenlucht sliep of over het begrip God bij Thomas Mann, ’t Hart haalt alles erbij om zijn oor te luisteren te leggen bij het maatschappelijk leven. Soms ontkent hij wat er gaande is, draait hij om de dingen heen of verzint hij zomaar wat. Dat levert een fijne leesroes op met dit woorddronken proza. Door alle gedachtesprongen moet je er wel een beetje bijblijven, maar ’t Hart weet zijn enthousiasme voor literaire zaken goed over te brengen. ‘Lezen is nodig hebben’ schrijft hij, en van deze ‘schrijfschurk’ neem je het graag aan. 

     

  • Getuigen van de geschiedenis

    Getuigen van de geschiedenis

    Voor de Oostenrijkse auteur Robert Menasse is de geschiedenis een aaneenschakeling van gestrande pogingen om te vergeten, waarbij getuigen zich door de coulissen van historische gebeurtenissen bewegen. Symbool voor de rozige belofte voor de toekomst is de zonnebril van zijn moeder in het verhaal De Amerikaanse bril, het titelverhaal uit de gelijknamige bundel. Het is een bril met luiken, een sjiek prul waardoor de toekomst als een overbelichte Hollywoodfilm oogt. Deze metafoor wordt vervolgens uitgebreid tot de hele naoorlogse orde en de lege idealen en clichés waarin deze grossiert.

    De vertellers uit de bundel bevinden zich in de schaduw van de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis, als nationalisten zonder thuisland. Ze zien de val van de Berlijnse muur op tv, ze protesteren tegen de moord op Allende of ze bevinden zich simpelweg bij een historisch moment. Meestal staan ze in de marges of zijn ze ten prooi gevallen aan zingevingscrises. De verhalen van vaders voldoen niet langer en het heden vervalt in steeds nieuwe banaliteiten. Zoals een van de vertellers zegt: ‘Symbolen, iconen, maatschappelijke idealen – in het dagelijks leven zijn het alleen clichés.’ Menasse laat zijn personages manoeuvreren langs relatieperikelen, lastige gerechtsdienaren en onbetrouwbare herinneringen, ontworteld en ontgoocheld, steeds begeleid door een flinke dosis filosofie en humor. Want er is genoeg humor te vinden in de vaak absurde voorvallen uit de bundel, die op grillige wijze worden aangestuurd door de speelse hand van Menasse.

    Historische sensatie

    In de meer essay-achtige verhalen volgt ook stevige kritiek op de uitwassen van de globalisering en het nieuwe nationalisme dat Menasse ontwaart. Het politieke aspect is altijd op de achtergrond aanwezig. De rode draad wordt gevormd door de blik van de auteur op de geschiedenis en wat die betekent in de persoonlijke sfeer. Zo komt er bij de vader van de verteller in het verhaal Het begin van de hongerwinter veel los als hij vertelt over zijn ervaringen als onderduiker in de dierentuin van Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het vertellen herinnert de vader zich iets nieuws wat hij nog nooit heeft verteld en zo ziet de zoon hem opeens in een nieuw licht. In alle verhalen is iets van deze historische sensatie aanwezig, als het verleden het heden kruist of nieuwe betekenis opdoet. 

    In het verhaal De Amerikaanse bril haalt Menasse herinneringen op aan de dag van de moord op John F. Kennedy en in het verlengde daarvan aan 9-11. Hij filosofeert over het verschil in de publieke reactie op deze twee gebeurtenissen. In het eerste geval was er oprechte verbinding en rouw, en in het laatste geval was er in zijn herinnering geen ‘overeenstemming van de mensen in een gezamenlijke droefheid, geen spontane solidariteit als uiting van de soort, geen algehele geschoktheid buiten de plaats van het gebeuren.’ Holle frasen domineerden het nieuws en de steeds herhaalde berichten op televisie. De rouw werd in een dwangbuis gestopt van voorgeprogrammeerde reacties, wat ertoe leidt dat Menasse vraagtekens zet bij de consequenties die werden getrokken, zoals de War on Terror die erop volgde.  

    Een stad van decors

    De stad waar voor Menasse alles samenkomt is Wenen, ‘een stad van decors’. In het verhaal Kroniek van de Giradigasse gaat het over hoe deze straat en het bordeel daarin door de jaren heen veranderden. Hij associeert de bewoners van Wenen met toneelspelers en de stad zelf met een theater. De geschiedenis van de Weners is volgens Menasse ‘de ervaring dat ze altijd te veel voor hun potentiefantasieën hebben betaald, omdat ze, als het erop aankwam, toch impotent waren – en desondanks smoezelige daders bleven.’ Het bordeel en de hele straat werden opgeruimd onder invloed van de ‘katholieke klerikaal-fascistische standenstaat’. En zo verdween met de meisjes in de Giradigasse ook een fase in de Oostenrijkse geschiedenis. Het verhaal van het gebouw is voor Menasse het verhaal van de hele stad. ‘Het imperiale bezit geen imperium meer, het barokke geen Phaekendom, de biedermeier geen weeë idylles, de modernen geen moderniseerders.’

    In het verhaal Lang niet gezien komt een oude man voor die bij vergissing in het juridische systeem terechtkomt. Hij loopt op straat met zijn ogen gesloten. Als hij ondervraagd wordt op het bureau blijkt hij niks aan zijn ogen te mankeren. De toenmalige geliefde van de verteller moet onderzoeken of de man recht heeft op een curator. Als zij hem vraagt naar de reden van zijn gedrag, vertelt hij dat hij niet meer kan aanzien wat je allemaal ziet als je met open ogen op straat loopt. Hij sluit zijn ogen voor het heden. Deze querulant symboliseert hoe Menasse over het heden denkt, of zoals de grootvader van een van de vertellers die met de Britten Europa bevrijdde zegt: ‘Was ook geen overwinning. Waarom? Kijk toch om je heen. Nou ja je zult nog wel zien wat ik bedoel.’ 

    Een grotesk misverstand

    Menasse heeft duidelijk een afkeer van de meeste grote verhalen. Daarom zoekt hij in persoonlijke geschiedenissen naar iets wat de tijd kan overstijgen. Iedereen is zowel dader als getuige in zijn wereld, en de moderne tijd is een verschrikking geworden omdat er zoveel als vanzelfsprekend wordt aangenomen en het individu de maat is geworden van alles: ”Ik’ kan zoals bekend eenieder zeggen – maar juist dat is vandaag de dag niets verbindend meer.’ De vaak geestige ironie van zijn hoofdpersonen is een manier om door het moderne landschap te navigeren, een landschap waar Menasse als filosoof maar al te bekend mee is. Hij voert ook Hegel op in de verhalen, er wordt gediscussieerd over Dostojewski en is er een klein bijrolletje voor een boek van Adorno. 

    In het verhaal Anekdoten met doden haalt Menasse een interview met de, eveneens Oostenrijkse, schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) aan, waarin deze gezegd heeft ‘dat wat we leven noemen of zelfs weer-tot-leven brengen in wezen een grotesk misverstand is.’ Vandaar dat hij liever op kerkhoven ging wandelen. Als Menasse later Bernhards favoriete kerkhof gaat bezoeken blijkt het overbevolkt te zijn met toeristen en nieuwsgierige mensen met fototoestellen. De geest van Bernhard waart ook een beetje door Menasses verhalen, dezelfde Bernhard die in deel 1 van zijn memoires opmerkt dat in zijn kostschool in de tijd van het fascisme het portret van Jezus simpelweg vervangen werd door het portret van Hitler. 

    Bij Menasse leven we samen met de doden en de herinneringen en werkt het verleden vaak op wonderlijke wijze door in het heden. Zelfs al is de geschiedenis verdrongen of vergeten ‘dan is ze nog altijd op te maken uit de constellatie van vergissingen’. Wat we leren van de geschiedenis is dat ze vol onverwachte wendingen zit. Als Menasse terugdenkt aan de bril van zijn moeder waardoor ‘je de wereld zag met andere ogen, en ook anders werd bekeken’ denkt hij aan de tijd dat die bril een belofte inhield voor een stralende toekomst. Met heimwee denkt hij terug aan die tijd van onschuld toen hij nog geen kloof ervoer tussen (politieke) idealen en werkelijkheid. In deze fijne, scherpzinnige bundel krijgen we niet alleen een kritische blik op het heden maar ook een nieuwe blik op het verleden, dat ons verdeelt en samenbrengt. 

      

     

  • Meesterlijke novelles

    Meesterlijke novelles

    De Amerikaanse schrijfster Katherine Anne Porter (1890-1980) maakte aan den lijve de Spaanse griepepidemie van 1918 mee. De gruwelijke ervaring van de haar bijna fatale ziekte heeft zij verwerkt in de novelle Vaal paard, vale ruiter. In dit verhaal worden de journaliste Miranda – het alter ego van Porter – en de soldaat Adam meegesleurd in de draaikolk van vernietiging die wereldwijd voor zoveel slachtoffers zorgde. De novelle uit de verzameling van drie verhalen werpt een schrijnende blik op ziekte, oorlog en de gevolgen daarvan. In het licht van de huidige pandemie is dit verhaal niet alleen actueel maar ook ontnuchterend met zijn intense beschrijvingen van ziekte.

    Porter is zelf journaliste geweest tot ze verhalen en essays begon te schrijven. Alle drie de novellen uit de bundel Vaal paard, vale ruiter (1939) spelen in het zuiden van Amerika waar ze zelf ook vandaan kwam. De schrijfster had een bewogen leven en was bekend door haar bestseller Het narrenschip, maar vooral vermaard om haar korte verhalen. Deze werden geprezen om het heldere en lyrische taalgebruik met geen woord op de verkeerde plek. 

    In het eerste verhaal van de bundel, Oude sterfelijkheid, werkt Porter een raamvertelling uit over de familie van dezelfde Miranda als in het titelverhaal en in het bijzonder over haar overleden en in de familie beroemde tante Amy. Door de ogen van Miranda volgen we de mythische verhalen over haar voorouders uit het Oude Zuiden. Via stoffige oude foto’s en verhalen van haar familie blikt Miranda terug in de tijd, en probeert ondertussen volwassen te worden. De flarden van familieverhalen, over onbeantwoorde liefdes en duels, voeden de verbeelding van Miranda en haar zusje. Ze vormen aanwijzingen voor een verleden waarvan de tastbare bewijzen al zijn vergaan, maar de herinneringen zijn voor hen even onwerkelijk als toneeloptredens of poëzie. Net als de exotische volwassenen uit de verhalen in werkelijkheid niet beantwoorden aan hun romantische ideeën. Als ze op bezoek gaan bij een oom leidt dit tot een tragikomische scène met zijn vrouw. De vroegwijze Miranda laveert tussen de verwachtingen van haar familie en de beloften van volwassenheid. Ze wil zich ontworstelen aan de bekrompen idealen van haar jeugd en de eerste stappen op het pad van de onafhankelijkheid zetten. 

    Huiveringwekkende geschiedenis

    Het broeierige psychologische drama Noenwijn bevat de geschiedenis van een moord op een ranch in Texas. Op een dag komt een vreemdeling, de Zweedse Helton, het terrein van boer Thompson op lopen waarna hij wordt aangenomen als knecht. Hij bewijst zich als zeer nuttig maar is ook extreem zwijgzaam. Dag in dag uit speelt hij hetzelfde wijsje op zijn harmonica. Op de boerderij lijkt het voorspoedig te gaan, tot op een hete augustusdag het noodlot aan komt kloppen in de persoon van een zekere Homer T. Hatch die op zoek is naar Helton. Wat volgt is een ontknoping als in een Griekse tragedie. Hatch onthult dat hij een premiejager is en dat Helton ontsnapt is uit een nabijgelegen gesticht, waarna hij hem naar de boerderij gevolgd is. Thompson krijgt een heftige woordenwisseling met de premiejager, die al snel escaleert.

    Het eindigt ermee dat Thompson zich moet verdedigen in de rechtszaal, hij is van onschuldig man tot moordenaar geworden. Het gaat van slecht tot erger als hij zijn buren langsgaat in een poging zijn verhaal te doen. Ze geloven zijn versie van het verhaal niet en het gerucht doet sneller de ronde dan hij dat kan. Zijn vrouw is als gevolg extreem nerveus geworden en zijn zoons vertrouwen hem niet meer. De conclusie die hij trekt is huiveringwekkend en de gevolgen van zijn daad zijn onoverzienbaar. Thompsons herinneringen zijn echter niet onfeilbaar en de lezer wordt in het ongewisse gelaten over de ware toedracht en de vraag wie Hatch werkelijk was. Het verhaal is een perfecte thriller met ijzersterke karakters, wat een groot verschil oplevert met de twee andere verhalen en dat nog maar eens wijst op de veelzijdigheid van Porter.

    Pandemielectuur

    In het titelverhaal, het indrukwekkende Vaal paard, vale ruiter wordt de journaliste Miranda verliefd op de soldaat Adam. Het is het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog en de stemming is grimmig. Overal klinken frontliederen als Its a long way to Tipperary. Er worden wervende speeches gehouden over plicht en iedereen moet zijn steentje bijdragen. De oorlog is onontkoombaar maar aan de horizon nadert een nog grotere tragedie: de Spaanse griep. Terwijl Adam nog verlof heeft brengen hij en Miranda een paar dagen samen door. Eigenlijk is Adam met zijn hoofd al in Frankrijk maar ze beleven nog een paar intense dagen met dans, etentjes en afspraakjes. Miranda beseft dat deze verhouding geen toekomst heeft: ‘Ze vond hem leuk, echt, en meer dan dat, maar het had geen zin om te fantaseren, want hij was niet voor haar bestemd, voor geen enkele vrouw, hij was de ervaring al voorbij, hij was al zonder het zelf te weten of ernaar te handelen overgeleverd aan de dood.’

    Er doet een gerucht de ronde dat er een vreemde nieuwe ziekte heerst, maar er is nog geen enkel besef van de omvang van de tragedie. Mannen sterven bij bosjes volgens Adam, en als Miranda tekenen van griep begint te vertonen is er alle reden tot ongerustheid. Adam verzorgt haar één dag op haar kamer, tot er een ambulance vrij is om haar op te halen. Vanaf het moment dat ze in het ziekenhuis ligt is Miranda nog maar af en toe bij bewustzijn. Ze ligt een maand tussen dood en leven te ijlen, in koortsdromen flitst haar leven voorbij. Tussen korte oplevingen en nachtmerries door krijgt ze ook visioenen. 

    Het proza in deze passages is van een ongekende intensiteit en waarachtigheid. Terwijl alles oplost in het niets blijven alleen zwevende gezichten over en een peilloos diepe afgrond. Miranda kijkt de verschrikking van de dood in de ogen: ‘Vergetelheid, dacht Miranda – met haar geest zoekend in haar geheugen naar woorden die ze had geleerd om het ongeziene, het ongekende te beschrijven -, is een draaikolk van grijs water dat zich eeuwig tegen zichzelf keert… eeuwigheid is misschien meer dan de afstand tot de verste ster. Ze lag op een smalle richel boven een put die bodemloos was, dat wist ze.’ Ze gaat onder in duisternis, maar onder alles ontdekt ze haar diepe wil om te blijven leven. De nachtmerries gaan over in een paradijselijk visioen van licht en zee. Als ze weer bovenkomt is er een maand verstreken en is de oorlog voorbij. Ze komt terug als vreemde, in een onbekende wereld moet ze weer leren leven. 

    De titel van het verhaal verwijst volgens Porter naar een oude spiritual. Miranda herinnert zich op haar ziekbed de tekst ‘vaal paard, vale ruiter, heeft m’n liefje weggehaald.’ Het is een verwijzing naar het boek Openbaringen, waar de vierde ruiter voor de dood staat. Porter heeft in een gecomprimeerde vorm alle ellende en lijden van ziek zijn gevangen en maakt daarmee het persoonlijke verhaal van Miranda universeel. Alles komt erin samen: de onzinnige oorlog, de blinde vernielzucht en de willekeur van de pandemie. Miranda keert terug als een veranderd mens, met een diep inzicht in de waarheden van het leven. Vaal paard, vale ruiter is duidelijk het verhaal van een wijze, krachtige vrouw die het beschrevene zelf meegemaakt heeft. Stevig met ‘een voet in twee werelden’ zoals ze zelf zegt. De beelden die Porter oproept vinden een echo in de beelden van de huidige pandemie, wat ze op en top pandemielectuur maakt. Maar boven alles zijn de verhalen uit de bundel meesterlijke novelles.

     

  • De zomerboeken van Ben Koops

    De zomerboeken van Ben Koops

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Ben Koops gaat op vakantie en neemt mee:

    Han Kang – De vegetariër
    J.K. Huysmans – Tegen de keer
    Annie Ernaux – De jaren
    Clarice Lispector – De passie volgens G.H.
    Yusuf Atilgan – De lanterfanter
    Ocean Vuong – Op aarde schitteren we even

    ‘Han Kang staat op de lijst omdat ik ooit een kort stukje uit zijn boek Wit heb gelezen wat mij nieuwsgierig maakte naar deze auteur. Tegen de keer maakt deel uit van mijn zoektocht naar decadente schrijvers. Ik heb recent Kubin en Mirbeau gelezen dus nu is de beurt aan Huysmans. Huysmans is pessimistisch maar net als Thomas Bernhard goed gezelschap.
    De jaren lijkt mij een fijn boek om bij weg te dromen. De passie volgens G.H. is iets wat al langer op mijn lijstje staat; nadat ik Het uur van de ster van Lispector heb gelezen volgt nu deze bevreemdende absurdistische roman. Over De lanterfanter heb ik gehoord via een podcast, en ik verheug me nu al op het boek met de fantastische titel. En als laatste Ocean Vuong, waar ik vooral door de titel op af kwam, maar ook omdat ik las dat de auteur een dichter is.’

    Lees meer over Ben Koops
  • Luchtig verhaal over hedendaags progressief Amerika

    Luchtig verhaal over hedendaags progressief Amerika

    Het is de week na de presidentsverkiezingen van 2016 en gastvrouw Eva Lindquist uit Schuilen in stijl van David Leavitt kan de naam Trump al niet meer horen. Om te vluchten voor haar republikeinse buurman en voor de aankomende fascistische staat die ze al voor zich ziet komt ze met het plan om naar Venetië te verhuizen. Terwijl Eva bezig is met de aankoop van een huis in Venetië ontvouwt zich tussen haar vrienden en man Bruce een verhaal dat licht werpt op de linkse elite. Waarin Leavitt soms vervaarlijk zwalkt tussen spot en melodrama.

    Eva en Bruce zijn typische vertegenwoordigers van de linkse elite. Ze hebben veel geld, meerdere vakantiehuizen, progressieve meningen en drinken witte wijn. Eva laat een altijd roulerende poule van jonge homomannen koken voor haar diners. Zij speelt de rol van veeleisende gastvrouw en nodigt een wijde trits aan mensen uit met een vage connectie met de kunsten. Ze is snobistisch, oppervlakkig en houdt zich erg bezig met de tafelmanieren en juiste onderwerpen van haar gasten. Bruce is een goedzak die er nauwelijks meningen op na houdt over wat zijn vrouw doet, of zoals hij het zelf zegt: ‘Zij is van het willen hebben, ik ben van het betalen.’ Als vermogensbeheeradviseur is hij niet zo blij met de in zijn ogen riskante aankoop van zijn vrouw. 

    Eva’s vlucht lijkt voornamelijk ingegeven door een soort panische angst. Buurman Alec zegt daarover spottend tegen Bruce: ‘Als je het mij vraagt is dat de reden waarom het nooit wat wordt met jullie, progressieve types. Jullie zijn altijd bang.’ De vrienden van Eva doen angstvallig hun best niet op haar tenen te trappen, al delen ze haar angst niet. Ze voeren veel gesprekken waarin verschillende vraagstukken worden aangesneden, van Me-too problematiek tot de kloof tussen arm en rijk. Leavitt doet hierdoor een poging bij actuele thema’s aan te haken, maar het blijft allemaal een beetje te braaf. 

    Luxeproblemen

    De schrijver bewandelt veel zijpaden in het boek. Er is een secretaresse met kanker, die Bruce financieel probeert bij te staan. Er is het verhaal van Jake, de architect die Eva voor het huis in Venetië wil, die eigenlijk niet terug wil naar Venetië vanwege zijn verleden. Min, de vriendin van Eva, heeft ondertussen haar eigen plan en probeert Eva’s verhaal aan een tijdschrift te verkopen. Deze karakters komen allemaal even kort aan het woord, maar niet lang genoeg om ze echt te leren kennen. We kijken vooral door de ogen van Bruce, die zich in het begin lijkt te verzetten tegen Eva’s beslissing. In een gesprek met Jake noemt Bruce dit ‘een kostbare opwelling uit ongenoegen.’

    Net zoals de meeste discussies met Eva lopen de meeste zijverhalen met een sisser af. Alleen de zwarte Calvin die voor Eva kookt wordt heel even boos op haar, omdat zij zich luxeproblemen kan veroorloven. Voor de rest blijft het verhaal redelijk aan de oppervlakte, dingen worden onder het tapijt geveegd of uitgepraat en daarna is alles ogenschijnlijk goed. Tot een echte ruzie met de republikeinse buurman komt het ook niet, Bruce laat zelfs gezellig samen met hem de honden uit. De enige echt onaangepaste figuur is de ontslagen redacteur Aaron Weisenstein die ongegeneerd zijn meningen ventileert en het met Eva oneens durft te zijn. Hij loopt constant te schelden op andere schrijvers en vergalt de boel bij een boekpresentatie van Lydia Davis. In een gesprek daarover hekelt Aaron de progressieve mensen die schrijvers als Davis klakkeloos goed vinden omdat ze denken dat dat hoort. 

    Een groot deel van het boek bestaat uit dialogen, de humor is onderkoeld en subtiel. Dit maakt het niet een echte komedie, en het is net niet scherp genoeg voor een satire. Dat neemt niet weg dat er oprecht grappige scènes zijn en dat Leavitt soms scherp uit de hoek kan komen. Bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe de kinderen van de op Trump stemmende buurman om die reden geen contact meer met hem willen. De elementen voor een goed verhaal zijn aanwezig, maar het lijkt alsof Leavitt in de uitwerking een paar steken laat vallen. Het blijft allemaal net iets te luchtig en er zijn geen echte consequenties voor de karakters. Alleen Bruce maakt een betekenisvolle ontwikkeling door. 

    Stad van illusies

    De aankoop van het huis in Venetië kabbelt ondertussen op de achtergrond door als een soort running gag en wordt telkens gecompliceerder. Jake weigert in eerste instantie in te gaan op het aanbod van Eva om het huis in te richten, waar hij zo zijn redenen voor heeft. In een van de mooiste passages in het boek wijst Jake op het fundament van Venetië. Het is een stad van illusies zegt hij, men doet alsof ze altijd zal bestaan maar in de toekomst is het bijna zeker dat ze door de zee zal worden verzwolgen. Net als Eva’s hysterische vlucht rust het fundament van de stad op onzekerheid. Het verhaal van Jake, en zijn verleden in Venetië is een van de weinige keren dat Leavitt weet te ontroeren. 

    Leavitt zelf zegt het nog het beste: ‘”Dit gesprek brengt ons geen steek verder”, zegt Min. ”Integendeel, het brengt ons wel degelijk verder” zegt Bruce, ”alleen niet naar een plek waar we heen willen.”‘ Zo is dit verhaal ook niet wat het lijkt en komt het uiteindelijk uit op een hele andere plek dan verwacht. Tijdens een diner stelt iemand de aanwezigen de vraag wat thuis nu werkelijk voor hen betekent. Dit blijkt een nogal confronterende vraag en leidt tot een interessante discussie over privileges. Het soort privilege wat ertoe leidt dat Eva in Venetië lekker onbezorgd kan dineren. Calvin stelt daarover: ‘Alleen omdat jij je kunt veroorloven over dit soort dingen te filosoferen denk je dat iedereen dat kan. Terwijl de waarheid is dat de meeste mensen dat niet kunnen. Wij, de meeste mensen op deze planeet, voelen ons nooit veilig en we voelen ons nooit vrij. We voelen ons alleen maar bang.’

    Terwijl Eva obsessief met de inrichting van haar nieuwe huis bezig is ontgaat het haar dat er belangrijkere zaken zijn dan het meubilair. Iedereen, zelfs Bruce, lijkt dan ook opgelucht als ze eindelijk vertrokken is naar Venetië. Met haar afwezigheid komt er lucht voor nieuwe ideeën en lijkt ook Bruce zijn kans te grijpen. Het verhaal laat je uiteindelijk met een onbevredigend gevoel achter, al is het einde best verrassend. De politiek lijkt een ondergeschikt gegeven te zijn, wat gek is voor een verhaal dat door moet gaan voor een politieke satire. Ook helpt het niet dat bijna alle personages in het boek onsympathiek zijn of onbegrijpelijke motieven hebben, zoals Eva. Leavitt probeert grappig te zijn en politiek commentaar te leveren maar hij slaat helaas de plank mis.