• Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Herman Schönfeld Wichers, de schrijver Belcampo, leefde bijna de hele 20e eeuw en heeft het merendeel van die jaren verhalen geschreven. Met Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo is nu een welverdiende biografie over hem uitgegeven. Voor Herman Schönfeld Wichers was schrijven tot het eind toe een plezier. Van belangstelling voor zijn persoon was hij wars, hij wilde om die reden bijvoorbeeld geen herkenbare portretfoto op zijn werk. Biograaf Nico Keuning laat de lezer nu toch uitgebreid kennismaken met de schrijver én mens Belcampo/Schönfeld Wichers: de notariszoon, levensgenieter, zwerver, echtgenoot, vader, arts en pleitbezorger van een ‘ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde.’

    Een korte proloog nodigt direct uit tot doorlezen. Keuning neemt de lezer in een prettige, toegankelijke schrijfstijl bijna letterlijk mee in de trein naar Rijssen, waar Belcampo’s wortels liggen. In oktober 2021 ontmoet hij daar Belcampo’s inmiddels bejaarde dochter Maartje om te onderzoeken of hij haar vaders biograaf zal worden. ’s Avonds brengt een taxi hem terug naar het station. Hij neemt plaats op de achterbank met naast zich zijn rugzak. Symbolischer kan haast niet. De teerling is geworpen; Keuning wordt biograaf van de man die het liefst vanuit de rugzak leefde, de wereldwandelaar en schrijver Belcampo.

    Groots en onbekommerd leven en schrijven

    De biografie leest bij tijden als een spannende roman. Herman Pieter Schönfeld Wichers lijkt in eerste instantie in de wieg gelegd voor burgerman met een respectabel beroep. Het gezin vestigt zich als Herman vier jaar oud is in het stadje Rijssen in Overijssel waar vader een notarispraktijk overneemt. Herman en zijn broer Karel groeien daar op en gaan in vaders voetsporen beiden rechten studeren. Maar het zijn andere voetsporen van vader die Herman volgt. Vader Jaap geeft meer om vrije tijd dan om geld, hij is bijzonder sportief, actief en handig en leeft zijn zoons een ‘vrijbuitersleven’ voor. Al vóór Herman aan de studie rechten begint blijkt dat zijn prioriteit niet bij studeren en een maatschappelijke carrière ligt, maar bij reizen en daarover schrijven. Doordat hij als tiener tbc krijgt verblijft hij als middelbare scholier en in aanloop naar zijn universitaire studie jaren in sanatoria, eerst in 1919 in het dan vrij nieuwe sanatorium in Renkum, later vanaf 1920 in Davos. Daar kan hij steeds meer wandelen en in de oneindige zeeën van tijd die hij heeft brieven schrijven. Hij blijkt een open blik te hebben en een grote opmerkingsgave, vindt schrijven een ‘prettig tijdverdrijf’ en beschrijft in vele brieven uitgebreid wat hij ziet, meemaakt en beschouwt. In een tussenjaar waarin hij zich voorbereidt op zijn staatsexamens Grieks en Latijn trekt hij met zijn rugzak door Nederland, Zwitserland en Italië en schoolt hij zich autodidactisch in talen, tekenen kunst en literatuur. De studie rechten wordt langzaam maar zeker afgerond maar een laatste examen notarieel recht haalt hij keer op keer niet. Als zijn vader hem jaren later in 1933 min of meer de wacht aanzegt, breekt Herman. Hij wil niet ‘terug in het hok’. In het vrij rondreizen in een ‘zee van belevenissen’ leeft hij ‘groots en onbekommerd’ en dat is wat hij wil. Het enige wat hij mist, is de zegen van zijn vader. En die krijgt hij dan.

    Belcampo’s schrijverschap is in vele opzichten bijzonder. In de eerste plaats omdat hij naar eigen zeggen nooit de ambitie heeft gehad om schrijver te worden of daar geld mee te verdienen, sterker nog, dat is volgens hem zelfs onwenselijk want kan het schrijfplezier in de weg staan. Keuning laat in de biografie regelmatig zien hoe Belcampo’s ‘fantastische verhalen’ ontstaan, namelijk door wat hij als sensitieve reiziger opmerkt in de werkelijkheid om zich heen en hoe hij dat vervolgens vormgeeft in originele, creatieve, grappige, soms ver doorgevoerde bizarre en absurde verhalen. Deze door Keuning beschreven herkomst en achtergrond van sommige verhalen is interessant en verhelderend. Daarnaast is Belcampo’s werk een unieke, bijzondere eend in de bijt van het Nederlandse literaire landschap. Toenmalige recensenten als Vestdijk en Ter Braak typeren de verhalen onder andere als ‘komische grotesken’ en ‘sprookjesparodieën’. Zijn werk ‘raakt de sciencefiction’ en er worden wel overeenkomsten tussen het werk van Belcampo en de stijl en inhoud van Bordewijks Fantastische vertellingen genoemd of verwantschap met de fantasie in Maarten Biesheuvels verhalen. Keuning noemt een overeenkomst met de realistische beschrijvingen van een surrealistische werkelijkheid uit het werk van Rob van Essens ’absurdistische en geestige romans’. Dat Van Essen net als Belcampo uit Rijssen komt en in zijn werk soms naar hem en zijn werk verwijst, zoals met het geheimzinnige boshuisje in Ik kom hier nog op terug, is vermeldenswaard maar de veronderstelde verwantschap in het werk van beide schrijvers lijkt wat gezocht.

    Ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde

    Een heikel punt is de beschrijving van Belcampo’s privéleven als echtgenoot en vader. Na bijna twintig jaar huwelijk scheiden Belcampo en zijn vrouw Joke in 1959. Joke vertrekt met de twee zoons naar Amsterdam. Zij willen daarna alle drie geen contact meer met hun man en vader en ook niet met dochter en zus Maartje die zelfstandig in Amsterdam woont maar wel contact met haar vader blijft houden. ‘Man en vrouw zijn van nature ‘omnigaam’ ‘, zegt Belcampo in zijn De filosofie van het Belcampisme, ‘misschien moeten alle huwelijken na vijf jaar van rechtswege worden ontbonden.’ Hier spreekt de vrije jongen, die weer kan ‘doen en laten wat hij wil’ en enige tijd later een relatie aangaat met de meer dan dertig jaar jongere Doite. De biograaf doet zijn best zich in te leven in Joke. ‘Het thuisblijven eiste een zware tol’ en Joke ‘mist het enerverende leven in haar vertrouwde stad’, maar wat hij erover zegt blijft speculatief of alleen gebaseerd op de veronderstellingen van dochter Maartje en hemzelf. Dat de zoons niet mee wilden werken valt de biograaf niet euvel te duiden, maar de eenzijdige beschrijving wringt en maakt nieuwsgierig naar hun versie.

    Het grootste deel van zijn leven heeft Belcampo in de stad Groningen gewoond, namelijk van 1954 tot zijn dood in 1990. Hij vestigt zich daar met zijn gezin als parttime studentenarts, nadat hij op late leeftijd in twaalf jaar (!) tijd een geneeskundestudie heeft doorlopen. Het was een luizenbaantje, precies wat hij wilde, want ‘van werken wordt niemand heel gelukkig’. In deze jaren groeit zijn plezier in openbare optredens en blijkt ook meer en meer zijn maatschappelijke betrokkenheid. Volgens Keuning is deze al aanwezig in Belcampo’s eerste verhalen in een levensbeschouwing ‘tegen dogmatisch geloof en maatschappelijke dwang’. In 1923 zegt Belcampo te deserteren als hij het leger in zou moeten. Op jonge leeftijd heeft hij een abonnement op het communistische tijdschrift De Tribune (‘zedelijk vergif voor een jongmens’ volgens zijn moeder) en ook in Groningen blijkt zijn engagement. Het is mede dankzij Belcampo’s publieke inzet in de jaren ‘70 dat de negentiende-eeuwse Groninger stadsschouwburg behouden blijft. Belcampo en buren voeren (tevergeefs) actie tegen een groot casino bij hen om de hoek en hij strijdt eind jaren ’70 tegen de beoogde locatie van het nieuwe Groninger Museum tegenover het hoofdstation, een strijd die hij – met de kennis van nu – gelukkig verloor. In 1985 verschijnt een stuk tegen de plaatsing van kruisraketten in de Volkskrant ondertekend door H. Schönfeld Wichers en zijn vriend Arend Rutgers.

    Groningen is voor velen ver weg. Het is wellicht daardoor dat er enkele foutjes in het Groningse deel van de biografie geslopen zijn, zoals de vermelding van café De Kale Jonker (gestart 1982) in de jaren ’50 en het feit dat NoordWoord (sic) de jaarlijkse Belcampolezing ter stede organiseert (dat doet de plaatselijke Rotaryclub JA). Een kniesoor die hierop let. Keuning heeft met Groots en onbekommerd een boeiende biografie geschreven over de ‘gulzige genieter’ Belcampo.

     

     

  • Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Belcampo revisited

    Belcampo revisited

    Etgar Keret is een internationaal veelgeprezen Israëlische verhalenschrijver van wie een aantal titels in het Nederlands is vertaald (bv. Superlijm en Zeven vette jaren).
    Uitgeverij Podium heeft nu een heruitgave uitgebracht van de verhalenbundel Verrassing uit 2011, aangevuld met een aantal nieuwe verhalen, wellicht om deze schrijver weer eens onder de aandacht van de Nederlandse lezer te brengen. Keret is immers wereldberoemd, waarom dan niet in Nederland?

    Keret staat bekend om zijn absurdistische verhalen, waarin hij de werkelijkheid elke keer weer naar zijn hand weet te zetten. Een meisje ontdekt een rits in de mond van haar vriend. Een man verdwaalt letterlijk in zijn leugens. Een man wordt ontvoerd, krijgt zijn kinderkleren aan en wordt bij zijn moeder afgeleverd die hem als een schooljongen behandelt. En zo verder. De verhalen hebben geen duidelijke pointe, ze lijken geschreven te zijn op het effect van onverwachte en absurdistische feiten.
    Wat is de boodschap van deze verhalen? Dat je het leven naar je hand kunt zetten? Dat je de regie van je leven moet pakken en houden? Dat absurd hetzelfde is als humoristisch?

    Deze verhalen doen in een aantal opzichten denken aan die van Belcampo, een bijna vergeten (Nederlandse!) schrijver die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw talloze verhalen schreef waarin ook zulke absurdistische zaken een rol speelden. Bijvoorbeeld het verhaal De dingen de baas, waarin letterlijk gebeurt wat de titel zegt. Overigens: Belcampo schreef een verhaal dat De surprise heet.
    De verhalen van Belcampo zijn, ondanks het feit dat ze in de jaren vijftig en zestig zijn geschreven, nog heel goed leesbaar.  De verhalen van Keret wringen: namen en plaatsen zijn voor ons als Nederlandse lezers nietszeggend, onderlinge verhoudingen tussen de personages anders dan wij kennen, de couleur locale is afwijkend van die van ons. En dat maakt deze verhalen lastiger leesbaar dan die van Belcampo.

    Maar het is ook zeker zijn gevoel voor humor dat de lezer dwarszit. De verhalen zijn weliswaar absurd, maar ook erg gezocht: de absurditeit is tot doel verheven en is geen middel om een boodschap over te brengen, tenzij de boodschap juist de absurditeit is. Want dat is wat je kunt bedenken: het leven is absurd en niets is merkwaardig. Positief is dat zijn dialogen levendig en boeiend zijn: ad rem, bevlogen.

    Keret staat bekend als een schrijver die in het dagelijks leven geen blad voor de mond neemt over de politiek. In een recent interview laat hij zich ontvallen dat de literatuur een belangrijke rol speelt in het Joods-Palestijnse vraagstuk. Opvallend dus dat hij in deze bundel daar weinig woorden aan besteedt, nergens neemt hij een standpunt in over links of rechts in de politiek, over de keuzes die het land maakt in de omgang met Palestijnen. Nergens zijn deze verhalen maatschappijkritisch. Natuurlijk: het is zijn goed recht om een ander soort verhalen te schrijven en geen maatschappelijk belangrijke onderwerpen te behandelen. Keret is echter wel erg uitgesproken over zijn wereldbeeld op allerlei fronten, waarom dan niet in deze bundel?

    In 2004 publiceerde Keret samen met de Palestijnse schrijver Samir El-Youssef de verhalenbundel Gaza Blues. Dat was ten tijde van de Tweede Intifada een statement dat er niet om loog: in een boek konden een Israëli en een Palestijn vreedzaam samenleven. Merkwaardig dus dat er in deze bundel nauwelijks een standpunt is te destilleren over deze kwestie.

    Verrassing bevat leuke verhalen, maar ook niet meer dan dat. Ze lezen gemakkelijk weg, maar de inhoud beklijft niet.