• Oogst week 23 – 2018

    Tussen Lenin en Lucebert

    Igor Cornelissen (1935) schreef als journalist voor Het Vrije Volk, Het Parool enVrij Nederland over onderwerpen als de sociale strijd, Oost-Europa, communisme, spionage en de Tweede Wereldoorlog.

    In Tussen Lenin en Lucebert schrijft hij over de opmerkelijke Nederlandse kunstcritica en communiste Mathilde Visser (1900 – 1985). Visser werd geboren in een welgesteld joods-liberaal milieu. Voor de oorlog woonde zij na een mislukt huwelijk een tijd alleen in Berlijn. Toen het haar daar te heet onder de voeten werd verhuisde ze naar Parijs waar ze de kunstenaars Pablo Picasso, Salvador Dali en Max Ernst leerde kennen. Die vriendenkring vormde haar verder en was de basis voor haar carrière als kunstcritica.

    Hoewel ze na de oorlog veel geld gaf aan de Communistische Partij van Nederland kostte het haar veel moeite om het lidmaatschap te verkrijgen. De partijleiding vertrouwde de rijke, in bontjas gehulde bourgeoisdame niet helemaal.
    Cornelissen reconstrueerde het levensverhaal van Mathilde Visser aan de hand van brieven, dagboeken en gesprekken met tijdgenoten.

     

    Tussen Lenin en Lucebert
    Auteur: Igor Cornelissen
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tokio mon amour

    In het eerste hoofdstuk van Tokio mon amour toont Ian Buruma zich nog onzeker:

    ‘…Mijn vlucht met Pakistan International Airlines was geboekt. Ik stond ingeschreven bij de filmacademie van de Nihon-universiteit in Tokio en had een studiebeurs toegekend gekregen van de Japanse overheid, waarmee ik de kosten voor mijn levensonderhoud kon betalen. Ik vond het spannend om voor een flink aantal jaren naar Tokio te verhuizen, maar ook een beetje eng. Zou ik geen heimwee krijgen en me zo eenzaam voelen dat ik de hele tijd brieven ging zitten schrijven aan mensen die zich op bijna tienduizend kilometer van Tokio bevonden? Zou ik binnen enkele maanden terug zijn, vernederd omdat ik een morele nederlaag had geleden? Ik had een Japanse vriendin, Sumie, die mee naar Japan zou verhuizen, maar toch.’ …

    Buruma kwam in 1975 aan in Tokio, en had geen idee wat hem te wachten stond. Hij was in Amsterdam en Parijs gefascineerd geraakt door Japanse films en theater en dus reisde hij naar de bron. In Tokio mon amour doet hij daar verslag van.

    Tokio mon amour
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Amsterdam

    Eva Cossee over haar boek:

    ‘Mijn Amsterdam is een stad van immigranten. Dat ik zo denk, is niet zo vreemd. Mijn voorvaderen Cossée waren Hugenoten en kwamen in de zeventiende eeuw vanuit het Loire gebied naar Amsterdam, waar op dat moment bijna 10% van de bevolking van Franse herkomst was. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht op handelaren en kunstenaars gehad. Nu is Amsterdam de meest multiculturele stad ter wereld met nog meer verschillende nationaliteiten dan New York.

    Amsterdam. Stad van aankomst schetst een beeld van de bevolkingsopbouw na 1945. En Amsterdam is ook altijd een rebelse stad geweest, met rookbommen en protesten, door Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden prachtig verwoord. De handel op het Waterlooplein wordt beschreven door Saskia Goldschmidt en de spreekwoordelijke vrije liefde in de hoofdstad door Cees Nooteboom, en het multiculturele straatbeeld door Robert Vuijsje. Tot slot krijgen ook de neushoorns en andere bewoners van de diergaarde Artis een stem.’

     

    Amsterdam
    Auteur: Eva Cossée
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2018)

    Waarom schrijven?

    De onlangs overleden Philip Roth heeft naast fictie ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in één band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels Lectuur van mijzelf en anderen en Over het vak, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika’s grootste schrijvers.

     

    Waarom schrijven?
    Auteur: Philip Roth
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2018)

    Tijdschrift Terras

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur dat gemaakt wordt door medewerkers verspreid over de hele wereld. Het veertiende nummer, Elders, onderzoekt de tegenstellingen van stad en platteland, centrum en periferie, en brengt plekken in kaart waar iets bijzonders aan de hand is en waar op een mooie manier over geschreven kan worden.
    Het nummer bevat nieuwe ontdekkingen, niet eerder in het Nederlands vertaalde proza-auteurs die worden ingeleid door Annelies Verbeke, dichters zoals de Spaanse Sandra Santana en essayisten. Van Jon Fosse, die in het Nederlands taalgebied al naam heeft als toneelschrijver, worden gedichten en een essay gebracht. Daarnaast is er een hommage aan de dichter Charles Simic die dit jaar 80 wordt, verzorgd door K. Michel en Wiljan van den Akker en zijn er bijdragen van onder meer Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Tomas Lieske, H.C. ten Berge en Joseph Zoderer. Menno Wigman figureert postuum in dit nummer als vertaler (naast Hélène Gelèns en Elma van Haren) van het Poettrio-project met Sean O’Brien, W.N. Herbert en Fiona Sampson.

     

     

  • Reactie op ‘Pleidooi voor een goede literaire (vertaal) kritiek’

    Reactie op ‘Pleidooi voor een goede literaire (vertaal) kritiek’

    Door Hans Vervoort

    Mijn ervaring met het schrijven van literaire kritieken dateert uit de jaren 70 en 80.
    Ik schreef ze eerst in Vrij Nederland maar bleek na een paar jaar qua opstelling toch teveel te verschillen van Carel Peeters, de hoofd-recensent van het blad.
    Hij beoordeelde proza vooral op ideeën-rijkdom, terwijl ik schrijfstijl en verhaal veel belangrijker vond. Mijn uitgangspunt was en is dat je voor goede ideeën, maatschappelijke visie en een dieper inzicht in de mens niet bij schrijvers moet zijn, maar bij wetenschappers en politici.
    Schrijvers weten of voelen echt niet meer dan de gemiddelde mens, ze kunnen het alleen beter opschrijven. In hun eigen bestaan zijn ze vaak sukkelaars, drinkebroers en onaangepaste persoonlijkheden, diepe denkers kom je bij auteurs zelden tegen.
    Na van Vrij Nederland afscheid genomen te hebben kwam ik bij NRC terecht waar de boekenafdeling toen onder leiding stond van Mr. K.L. Poll. Voor dat blad heb ik met veel genoegen nog jarenlang recensies geschreven.

    Noch bij Vrij Nederland noch bij NRC heeft iemand ooit geprobeerd mij te beïnvloeden in mijn meningsvorming en de door Bartho Kriek genoemde druk op een recensent om een boek te prijzen of juist de grond in te schrijven heb ik nooit meegemaakt.
    Dat ik als schrijver en recensent buiten de literaire kliekjes stond (ik had een drukke baan, geen tijd voor roddel en achterklap) kan daarbij een factor geweest zijn.

    Met de 5 voorwaarden die Kriek aan literaire kritiek stelt kan ik het geheel eens zijn.
    Met name in het door henzelf benadrukken van de subjectiviteit van de mening van de recensent schieten de huidige critici vaak te kort.
    Zowel vroeger als nu hebben recensenten de neiging zichzelf belangrijker te vinden dan het boek dat zij bespreken en de indruk te wekken dat hun oordeel zo doorslaggevend is dat daarmee het boek zijn definitieve plaats is aangewezen in de galerij van de literatuur.
    En dat is onzin.

    Zelf schrijver van 2 dozijn romans en verhalenbundels heb ik weinig negatieve kritieken gehad. Maar ik heb me vaak blind geërgerd aan de arrogantie en het onbegrip waarmee recensenten mijn werk beoordeelden. Ook bij positieve kritieken kan je als schrijver vaak zien dat de recensent geen snars begrepen heeft van wat je als schrijver wilde met het boek. En ook dat doet pijn.
    Aan de NRC-boekenredactie heb ik dan ook lang geleden eens voorgesteld schrijvers uit te nodigen een reactie te geven als een kritiek hen niet correct leek. Helaas waaide dat idee snel van tafel.

    Schrijf je een recensie voor lezers of voor de schrijver?
    Wat mij opviel in het stuk van Kriek is het feit dat hij literaire kritieken kennelijk vooral ziet als een reactie vanuit de literaire wereld op het voorliggende boek. Hij probeert aan te geven wanneer de schrijver zich van die kritiek wel of niet iets kan aantrekken en daar zijn de voorwaarden op gebaseerd die hij aan een goede kritiek stelt.
    Met die voorwaarden ben ik het eens, maar het doel van een recensie lijkt mij toch een andere dan het aan de auteur aangeven of hij een goed of slecht boek heeft afgeleverd.
    De functie van een recensie in een dagblad of magazine of op een website als Literair Nederland is m.i. een andere: de lezer zo goed mogelijk te informeren over de inhoud en de kwaliteit van het boek.
    De recensent moet zich naar mijn idee primair opstellen als proeflezer.
    Hij probeert aan te geven wat de schrijver met het boek beoogde, illustreert dat via treffende citaten die ook de schrijfstijl laten zien. En hij geeft aan het slot van de recensie aan op welke punten het boek hem beviel of niet beviel qua constructie, stijl of inhoud.
    Maar daarbij maakt hij uitdrukkelijk duidelijk een persoonlijk oordeel te formuleren, weliswaar gebaseerd op een grote leeservaring, maar toch: een subjectieve mening.
    Als het boek behoort tot een genre dat hij over het algemeen niet waardeert meldt de recensent-proeflezer dat natuurlijk.
    Bij een volgens dit recept geschreven recensie hoort de lezer aan het slot van het stuk het gevoel te hebben dat hij weet wat het boek hem te bieden heeft.
    En kan dan met wat meer zekerheid besluiten of hij het wil lezen of niet.
    Belangrijker dan dit is een recensie niet, naar mijn mening.
    Maar helaas, helaas, vinden de meeste recensenten dat hun functie gewichtiger is dan ik hier aangeef.

     

    www.hansvervoort.nl

    Hans Vervoort is recensent voor Literair Nederland

     

     

  • Pleidooi voor goede literaire (vertaal)kritiek

    Door Bartho Kriek

    ‘Ik heb mijn mottige paperback dicht gelaten en mij ondergedompeld in Faulkners Southern Gothic, herschreven in poldertaal. Na enkele pagina’s – ik was verbaasd dat ik niets van de roman had onthouden, zo direct ervoer ik de dwingende zinnen – viel een kartonnen kaart uit het boek. Het bleek een ‘leeshulp’, waarop puntsgewijs de chronologie van de ‘moeilijke’ eerste twee hoofdstukken wordt gegeven. Door de ‘leeshulp’ werd het boek opeens op afstand geplaatst, het leek alsof ik mij als lezer niet meer onbevangen in de tekst mocht wagen.’ Gustaaf Peek over Faulkner, Het geluid en de drift, NRC, 4 december 2010

    Mijn uit 2010 daterende vertaling van Faulkners ‘The Sound and the Fury’, of mijn persoon, mag hier dan enigszins het slachtoffer zijn, Peeks houding als criticus, die hijzelf hier treffend omschrijft, voldoet op pregnante wijze aan de eerste voorwaarde die je aan een criticus kunt stellen: dat hij zich voor het kunstwerk openstelt (1).

    Inleiding

    Dit stuk wil een bijdrage zijn aan de kwaliteit van de literaire kritiek, waartoe ik ook de literaire vertaalkritiek reken. Zo’n bijdrage lijkt hard nodig gezien het niveau van veel literaire kritiek. Wat betreft voorbeelden van hoe het níet moet heb ik me beperkt omdat dit stuk geen verdediging of aanklacht is. Daarentegen heb ik aangegeven hoe het dan wél moet. Nieuw is volgens mij verder het inzicht dat ook literaire vertalingen in de eerste plaats als kunstwerk dienen te worden benaderd.

    Wat er mis is

    Hoe komt het toch dat veel literaire kritiek zo ondermaats is? Beter gezegd: waar zit hem dat in? Er zijn goede literaire critici, en er verschijnen soms goed te noemen literaire kritieken in kranten en weekbladen, maar de meeste literaire kritieken kunnen zelf de toets van de kritiek niet doorstaan. Er wordt op zo grote schaal maar wat gedaan dat de indruk ontstaat dat we helemaal niet zoiets als een standaard hebben, of een literaire cultuur.

    De meeste literaire kritiek voldoet niet aan de meest fundamentele eisen die we eraan zouden moeten stellen. Literair auteurs en vertalers weten het maar al te goed: er wordt in literaire kritieken heel wat afgefantaseerd, -gelogen en -gepapegaaid (2). Dat dat straffeloos kan, komt onder andere natuurlijk doordat literaire werken, net als alle andere kunstwerken, kwetsbaar zijn, indirect en irrationeel, moeilijk verdedigbaar. De benadeelde partijen zijn niet alleen de literaire auteurs en vertalers maar ook de misleide lezer, én, als je het een ‘partij’ kunt noemen, die abstracte instantie die in elke zichzelf respecterende cultuur iets voorstelt: ‘de literaire kritiek’.

    De geschreven media spelen een almaar kleinere rol in het medialandschap, waar oppervlakkigheid voor als simpel verondersteld publiek min of meer de norm is. De slotsom zou kunnen luiden: beste auteurs en literair vertalers, keer je maar van de kritiek af. Het is beter de weinige goede literaire kritiek dan ook maar niet meer onder ogen te krijgen want de kritiek als geheel schaadt je scheppende dan wel herscheppende artistieke activiteiten. Maar wie dat doet, geeft zijn hele cultuur op.

    Literaire cultuur

    Mij bevreemdt het altijd weer als discussies over en kritieken op literaire werken, waaronder literaire vertalingen, in het rationele worden getrokken — zoals meestal gebeurt. Dat betekent dan dat het kunstwerk dat elk literair werk is, en dus ook elke literaire vertaling, niet als zodanig wordt erkend en benaderd.

    Dit wordt enigszins begrijpelijk, al mogen we er nooit begrip voor hebben, als je bedenkt dat al het rationele goed controleerbaar is en makkelijk kan worden uitgewisseld. Het bekritiseren, prijzen en analyseren van literaire werken (al of niet vertaald) gebeurt overwegend met rationele argumenten (3).

    Het kunstwerk wordt in kritieken en discussies vaak behandeld als maakwerk. De critici en discussianten lijken te willen zeggen: ‘Wij zouden dit werk, dat we door en door begrijpen, zelf ook hebben kunnen vervaardigen.’ Soms bekruipt mij de gedachte dat veel recensenten zo handelen omdat allerlei zaken in kunstwerken anders maar zouden blijven knagen: ze moeten stuk- en weggedacht worden voor de gemoedsrust van deze recensenten die, zelf middelmaat, alles als middelmaat behandelen in hun biotoop, het welbekende maaiveld.

    Maar een kunstwerk is juist zo superindividueel en superspecifiek dat alleen die ene persoon het kon creëren die zich er vanuit de diepte van zijn instinct toe gedreven voelde. Waarom? Omdat de zaken die ermee gecommuniceerd worden zich niet langs bewust-rationele wegen lieten communiceren, maar uitsluitend in de vorm van het door die persoon gecreëerde kunstwerk.

    De praktijk van de literaire kritiek

    ‘Ja, maar hoe gaat dat in de praktijk,’ reageerde een uitgever eens toen ik tegen hem mijn verbazing uitsprak over een literaire kritiek vol onjuistheden en bewijzen van slecht lezen. ‘Zo’n man heeft natuurlijk ooit van literatuur gehouden. Maar langzamerhand is de sleet gekomen in zijn enthousiasme over het stapeltje boeken dat wekelijks ter bespreking op zijn bureau belandt. Met andere woorden, het recenseren is een plicht geworden, en echt lezen daarmee onmogelijk.’ Opvallend vond ik dat deze uitgever niet zozeer zijn ergernis uitsprak als wel zijn mededogen. Hij had, zij het enigszins tandenknarsend, zowaar te doen met de verkantoriseerde recensent. Zijn uitspraak was een vaststelling: de literaire kritiek is niet zozeer een culturele zaak als wel een praktische.

    Ik weet niet in hoeverre critici tegenwoordig nog door redacties voorgeprogrammeerd worden, zoals in de jaren zeventig van de vorige eeuw wel gebeurde, met een opdracht in de trant van: dit boek moet geprezen worden, of, vaker, dit moet negatief worden beoordeeld, maar ik heb sterk de indruk dat veel literaire critici zich nog altijd laten leiden door wat redacties van hen verlangen. Het schrijven van een literaire kritiek lijkt voor velen nauwelijks te verschillen van welke andere vorm van verslaggeving ook.

    Als een meerderheid van de critici niet onafhankelijk opereert — en allicht speelt het feit dat het Nederlands taalgebied klein is hierbij een rol — dan zijn gesignaleerde euvels als willekeur, schijnobjectiviteit, en regelrechte onwaarheden, ofwel een algeheel gebrek aan niveau, niet meer dan logische gevolgen.

    Het gekke is dat de zaak bij de beeldende-kunstkritiek en de muziekkritiek anders ligt. Daar lijkt een bevlogener type critici aan het werk, een type critici dat vrijwel altijd respect toont voor het kunstwerk c.q. de uitvoering ervan en zich ervoor openstelt. Bij die critici gaat kennelijk goed wat bij veel ‘literaire’ critici zo jammerlijk fout gaat.

    Negatieve kritieken en positieve

    Soms zijn negatieve kritieken in de mode. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was dat zo en leek dat vooral te gebeuren doordat ze hielpen de oplagen van bladen bij de protestgeneratie te verhogen. Auteurs als Hermans en Komrij konden zo hun naamsbekendheid gebruiken om collega’s af te branden. Wat langer geleden deed Lodewijk van Deyssel dat met zijn scheldkritieken, waarin hij in het pre-mediatijdperk met superieure en hilarische spot zijn totaal onbewezen gelijk naar zich toe trok, wie weet uit nijd vanwege het trieste besef dat hijzelf niet tippen kon aan bijvoorbeeld een Flaubert. We kunnen in al deze gevallen spreken van het hellende vlak van de niet-integere literaire kritiek (waar mensen als Fens en Sötemann zich nooit aan bezondigd zullen hebben), maar beter is de vaststelling dat er een scala aan mogelijkheden is met als ene uiterste de integere literaire kritiek (die zich in elk geval aan de basale voorwaarden houdt die je aan literaire kritiek kunt stellen) en als andere uiterste het soort persoonlijke afrekeningen dat we eigenlijk spot-, smaad- of wraakschriften moeten noemen.

    Bij een negatieve kritiek, zoals ook bij een negatieve beoordeling, heeft de criticus of beoordelaar zich veelal niet voor het kunstwerk kunnen of willen openstellen en zich er dus niet door laten raken maar is vervolgens toch overgegaan tot het afkraken ervan (4). We zien maar weinig werkelijk goede critici die zich voor een werk echt hebben trachten open te stellen en toch, mede op grond van hun eigen kwaliteiten, tot een, meestal bescheiden en openlijk subjectief gebracht, negatief oordeel komen. We zien er veel meer die in hun stuk de suggestie wekken dat zij weten hoe het desbetreffende werk eigenlijk geschreven had moeten worden, door een betere schrijver, bijvoorbeeld door henzelf. Jammer genoeg zijn zij in veel gevallen mislukt schrijver, wat de afgunst en de boosheid misschien verklaart die soms doorklinkt in hun stukken, die de naam ‘literaire kritiek’ niet verdienen.

    Met positieve (lovende) literaire kritieken is overigens iets interessants aan de hand. Critici die een positieve literaire kritiek hebben geschreven, hebben vrijwel altijd voldaan aan de eerste en belangrijkste voorwaarde waaraan een literair criticus dient te voldoen: zij hebben zich voor het betreffende werk opengesteld, werden erdoor geraakt en kwamen vervolgens tot hun positieve oordeel. Een mooi voorbeeld van deze eerste, belangrijke stap naar goede literaire kritiek zien we maandelijks in het ‘boekenpanel’ van het tv-programma De Wereld Draait Door (5).

    Maar positieve kritieken zijn lang niet altijd goede kritieken. Want al heeft de criticus zich voor het kunstwerk opengesteld, en er dus affiniteit mee, er kan nog van alles aan de beargumentering mankeren. Er kan sprake zijn van gewichtigdoenerij, arrogantie enzovoort, maar wat we het meest zien is het fenomeen schijnobjectiviteit, alsof toch uitsluitend rationele factoren bepalen of een werk goed is of niet, terwijl het, nogmaals, bij een kunstwerk gaat om de artisticiteit, de werking. Veel critici bezitten kennelijk niet de durf om openlijk subjectief te zijn, of mogen dat niet van redacties (of denken het niet te mogen).

    Interessant is misschien nog te vermelden dat veel schrijvers en literair vertalers zich weliswaar veel minder gekwetst voelen bij een positieve kritiek-op-onterechte-gronden dan bij een negatieve, maar er meestal niet echt blij mee zijn (6).

    Voorwaarden voor literaire (vertaal)kritiek

    1. Een literair werk is een kunstwerk en dient als zodanig recht te worden gedaan
    2. De literair criticus dient affiniteit met het te bespreken werk te hebben
    3. De literair criticus mag geen schijnobjectiviteit plegen
    4. In een goede literaire kritiek wordt de tweedeling artistiek/ambachtelijk gehanteerd
    5. De literaire criticus dient integer te zijn

    De voorwaarden zijn nauw met elkaar verweven, 2 vloeit voort uit 1, en 1 omvat 3, maar voor de duidelijkheid licht ik ze hieronder afzonderlijk van elkaar toe. Een goed literair criticus zal altijd zijn uiterste best te doen een te bespreken boek als kunstwerk te beschouwen. Lukt dat onvoldoende of niet, dan zal hij zijn werk aan een recensie vanwege voorwaarde 2, affiniteit, staken, of overgaan op het geven van zijn persoonlijke mening (en zo 3, schijnobjectiviteit, vermijden). Toch zien we heel vaak dat de voorwaarden 1 t/m 3 door critici zomaar worden geschonden.

    Ad1. het werk recht doen als kunstwerk
    Het feit dat het vermelden van deze voorwaarde nodig is, zegt veel over de toestand van de literaire kritiek in Nederland. Elk literair werk is een kunstwerk tot het tegendeel is bewezen. Het mag en kan dus niet zomaar weggezet worden als niet-kunstwerk, tenzij in de vorm van een openlijk subjectieve, persoonlijke mening van de betreffende recensent. Het bezwaar dat iedereen dan elk vod wel als kunstwerk kan presenteren, mag geen reden zijn om alles maar ambachtelijk af te handelen, zoals nu vaak gebeurt. Naast subjectieve artistieke kritiek, is objectieve ambachtelijke kritiek overigens niet alleen mogelijk maar ook op zijn plaats. Er dient alleen meer respect te komen voor de artistieke of kunstkant van literaire werken, zoals we die zien bij de beeldende kunsten en de klassieke muziek, waarschijnlijk omdat die kunsten minder vatbaar zijn voor louter rationele en ambachtelijke benaderingen.

    Ad 2. affiniteit met het werk
    Als je geen affiniteit met een bepaald literair werk hebt, ben je er feitelijk blind voor. Hoe zou je het dan ooit kunnen beoordelen? Een goed literair criticus zal zich daarom altijd afvragen of hij wel voldoende affiniteit met een werk heeft om er überhaupt iets over te kunnen zeggen. Hij dient daartoe niet alleen onbevangen in het algemeen te zijn, maar ook ontvankelijk voor dat specifieke werk, die specifieke schrijver.

    Ad 3. geen schijnobjectiviteit plegen
    Een goed literair criticus vermijdt schijnobjectiviteit te allen tijde. Als hij het werk niet als kunstwerk recht kan doen omdat hij er te weinig affiniteit mee heeft, vermeldt hij dat in zijn stuk. Dit wordt daarmee natuurlijk nogal overbodig, maar kan dan om eerder genoemde praktische, redactionele redenen toch gepubliceerd worden.
    Een goed literair criticus moet dus de moed hebben openlijk subjectief te zijn. Ja, subjectiviteit (of intersubjectiviteit, bijvoorbeeld bij beoordelingen door het Nederlands Letterenfonds) is voor het goed beoordelen van literaire werken sine qua non.
    Schijnobjectiviteit zien we heel vaak als vanzelf in literaire kritieken sluipen, zowel in negatieve als in positieve.

    Ad 4. tweedeling artistiek/ambachtelijk
    Een goed criticus zal gezien het bovenstaande de tweedeling artistiek/ambachtelijk hanteren. Wat het artistieke betreft durft hij subjectief te zijn en zal hij die bescheiden open houding aannemen en zich à la Gustaaf Peek ‘onbevangen in de tekst wagen’. Wat de ambachtelijke kanten van een literair werk betreft (al of niet vertaald) zal hij veel objectiever en controleerbaarder kunnen zijn. Zijn voorbeelden zullen staan voor veel vergelijkbare andere in de tekst en geen eenmalige uitschieters zijn, waarmee hij de lezer zou misleiden.

    Ad 5. integriteit
    Deze vanzelfsprekende voorwaarde lijkt overbodig, want deze beschavingseis kan aan alles wat cultuur heet worden gesteld. Het punt ‘integriteit’ ligt bovendien in het verlengde van voorwaarde 3, geen schijnobjectiviteit bedrijven, en omvat de voorwaarden 1 t/m 3. Geregeld echter zien we critici nog verder gaan dan zich niet aan bovengenoemde voorwaarden houden: men doet bijvoorbeeld net of men het hele boek heeft gelezen terwijl dat (soms aantoonbaar) niet zo is; men drijft de spot met het werk om de lachers op zijn hand te krijgen; men neemt, bij literaire vertalingen, zelfvertaalde ‘citaten’ in zijn stuk op; of men doet net of men de vertaling heeft gelezen terwijl men in werkelijkheid het origineel heeft gelezen.

    Resumerend kunnen we stellen dat veel problemen waarschijnlijk zijn te voorkomen als critici onafhankelijk opereren, zonder invloed of wensen van redacties. Hoe dan ook, elke kritiek die niet aan bovenstaande voorwaarden voldoet, en dan vooral aan 1 t/m 3 en 5, is af te wijzen als onrechtmatig. Literair vertalers en schrijvers zouden ze gewoon naast zich neer kunnen en moeten leggen.

    De discipline literair vertalen

    De literaire vertaalkritiek verdient aparte aandacht omdat de ambachtelijke kant van het literair vertalen veel omvangrijker en controleerbaarder is dan de ambachtelijke kant van het schrijven. Bij literair vertalen komt namelijk meer aanleerbare kunde kijken dan bij schrijven.

    Dit is er vast mede oorzaak van dat in kritieken op literaire vertalingen doorgaans volledig wordt voorbijgegaan aan het artistieke (hoewel nog altijd belangrijkste) aspect van een literaire vertaling: dat het een herschepping dient te zijn van het origineel, vergelijkbaar met bijvoorbeeld het werk van een uitvoerend musicus. Zo’n herschepping kan uitsluitend gecreëerd worden door een literair kunstenaar-vertaler met extreem veel affiniteit met het origineel en de auteur ervan (7).

    Dit soort miskenning van het artistieke aspect van literaire vertalingen gebeurt veelal zelfs vanuit de onuitgesproken overtuiging dat elke professionele literair vertaler het betreffende werk had kunnen vertalen en dat critici en lezers gewoon ‘vakwerk’ mogen verwachten. Vertalen is in deze visie niet meer dan het volgen van het origineel, een soort zo goed mogelijk kopiëren naar de eigen taal.

    De literair vertalers zijn zelf mede debet aan deze situatie omdat ze lange tijd en masse het aantoonbaar onjuiste paradigma ‘literair vertalen is een vak/ambacht’ (8) hebben aangehangen, met soms een verbazingwekkende ontkenning van alle subtiliteit en indirectheid van echte literatuur, waarin het immers nooit om de woorden gaat maar altijd om wat ze suggereren. En nog altijd zijn er literair vertalers die, min of meer gesteund door het Nederlands Letterenfonds (dat begrijpelijkerwijs, dat wel, alles controleerbaar en beoordeelbaar wil houden) de ambacht-misvatting aanhangen, waardoor zij in feite blijven meewerken aan het kapotrationaliseren van herschapen kunstwerken, het omlaaghalen van de literaire vertaalkunst, de devaluatie ervan tot iets wat iedereen met een beetje aanleg en talent zou kunnen aanleren.

    En waar het artistieke aspect wordt genegeerd, houden we uiteraard alleen het ambachtelijke over. Vandaar in vertaalkritieken vaak de gratuite losse opmerkingen (’een wat stroeve vertaling’, ‘een soepele vertaling’, ‘een houterige vertaling’, ‘een vertaling met de nodige fouten’), of een subjectief oordeel gepresenteerd als objectief met verwijzing naar vertaalde woorden, uitdrukkingen of zinnen. Zelfs gebeurt het regelmatig dat vakbroeders en vakzusters elkaar op deze onjuiste en misleidende manier de maat nemen.

    Bij de beoordeling van een literaire vertaling zou de allerbelangrijkste vraag namelijk moeten zijn of, hoe en in welke mate het herschapen kunstwerk ‘werkt’. De goede literaire criticus die een vertaling bespreekt, dient zich dus allereerst voor dat kunstwerk open te stellen, en het, net als bij niet-vertaalde literaire werken, in alle bescheidenheid te ondergaan om überhaupt dingen over de kwaliteiten ervan te kunnen zeggen, en dat dient hij vervolgens op tweeledige wijze te doen, met in de eerste plaats aandacht voor het artistieke aspect en in de tweede plaats voor het ambachtelijke aspect, als hij daar tenminste verstand van heeft. Er is geen enkele reden waarom literaire critici literaire vertalingen fundamenteel anders zouden behandelen dan niet-vertaalde werken (9).

    Miskenning van het artistieke aspect van literaire vertalingen leidt tot literaire vertaalkritieken en vertaalanalyses die afplatten en misleiden. Natuurlijk kan een vertaler velerlei fouten maken en zal menige vertaling via ambachtelijke kritiek of analyse als niet-goed kunnen worden bestempeld. Maar een vertaling waarin het literaire, het ongrijpbare, het je-ne-sais-quoi van het origineel is herschapen, kun je met rationele middelen alleen nooit werkelijk recht doen. Ook ambachtelijk minder goede vertalingen kunnen als herschapen kunstwerk grote kwaliteiten hebben. De puur-ambachtelijke literaire criticus doet denken aan iemand die een grot tracht te bekijken met een penlight.

    Consequenties:

    Auteurs en vertalers zouden zich volledig bewust dienen te zijn van de artistieke of kunstkant van hun roeping, en dus niet moeten meegaan met puur-ambachtelijke benaderingen. Een schrijver die zijn roman gaat uitleggen, zegt in feite: mijn roman is uitlegbaar dus ik had in plaats ervan een verhandeling kunnen schrijven. En een literair vertaler die meedoet aan een puur-ambachtelijke behandeling van zijn werk, doet zichzelf en zijn beroepsgroep net zo goed tekort. Meer artistiek zelfrespect is hard nodig bij auteurs en vertalers.

    De critici zouden zich aan bovengenoemde ‘Voorwaarden’ dienen te houden. Zij zouden zich in principe moeten beperken tot werk dat zij als kunstwerk kunnen ondergaan, dus werk waarmee ze affiniteit hebben. En ze zouden in hun stukken openlijk subjectief moeten durven zijn.

    De redacties zouden wellicht meer oog dienen te hebben voor de kunstkant van literaire werken. Ze zouden critici vrij moeten laten te bespreken wat hun aanstaat, en de situatie dienen te vermijden dat een criticus een boek bespreekt waarmee hij geen affiniteit heeft.

    Het Nederlands Letterenfonds zou kunstwerken als zodanig dienen te behandelen, en dus de weg van de intersubjectiviteit dienen te gaan in plaats van door te gaan met het bedrijven van schijnobjectiviteit in zijn beoordelingen t.b.v. auteurs- en vertalersbeurzen. Voor beoordelingen vooraf zou de motivatie van de auteur of vertaler, hoe subjectief ook, zwaarder kunnen wegen bij beursaanvragen want bij literair vertalers zouden behalve talent ook affiniteit met de te vertalen auteur van doorslaggevend belang horen te zijn.

    Bij beoordelingen achteraf zou een tweedeling gehanteerd moeten worden in een artistieke component, waarover alleen maar subjectieve en intersubjectieve oordelen te vellen zijn, en een ambachtelijke component, die een redelijk waterdichte beoordeling toelaat.

    Nu hoor ik als ik dit opper steeds: ‘Maar dat mag het fonds niet van het ministerie’, of: ‘Het zal nog erger worden de komende jaren. Alles moet worden dichtgetimmerd.’ Als dat waar is zou het fonds daartegen in opstand dienen te komen, want als alles rationeel dichtgetimmerd wordt, glijdt het subsidiëren af naar de bevordering van een soort literatuur die een louter ambachtelijke prestatie behelst.

    Tot slot

    Een werkelijk onrechtmatige kritiek kan voor schrijvers en vertalers een diep grievende en fnuikende ervaring zijn, overigens ook voor veelgeprezen auteurs.
    Daarom een simpel advies voor auteurs en literair vertalers die het slachtoffer zijn geworden van zulke praktijken: als een criticus zichzelf met een ‘kritiek’ diskwalificeert (lees: zich niet aan voorwaarden 1 t/m 3 houdt), kun je zo’n stuk afdoen met een schouderophalen.
    Een goed idee is misschien een briefje aan de redactie met een korte uitleg waarom die arme recensent dwalende is (10).

    Biografische notitie

    Bartho Kriek is schrijver van de bij uitgeverij Atlas verschenen romans Het ijzeren heden en Hollandse fado en vertaler van onder meer Kurt Vonnegut, I.B. Singer, Philip Roth, Paul Auster, Kazuo Ishiguro en William Faulkner. In 2011 kreeg hij de Nederlands Letterenfondsprijs voor zijn gehele vertaaloeuvre.

     

    Reactie Hans Vervoort op ‘Pleidooi voor goede literaire (vertaal)kritiek’ 

    (1) In de 2e druk van Het geluid en de drift, die zomer 2016 verschijnt, is de leeshulp een uitknipbare strook achter in het boek geworden.
    (2) Ik heb zelf met mijn overal elders goed besproken roman Hollandse fado mogen ervaren wat het is om in het ‘gerenommeerde dagblad’ (NRC, 21-4-00) slecht besproken te worden als gevolg van de al te zeer beperkte interesse van de betreffende criticus én zijn oneerlijkheid (het stukje stond vol onjuistheden en de man deed het voorkomen dat hij het hele boek gelezen had, wat aantoonbaar niet zo was). Saillant was wel dat hij een heel boek vol broeierigheid wenste, en dat had ik hem niet gegeven. De gezinssituaties die in mijn roman op het broeierige begin volgden, in andere kritieken juist lovend besproken, konden hem, bevangen als hij was in zijn broeierigheid, niet boeien, en dat de oorzaak daarvan zijn eigen beperkte visie was, kwam misschien niet eens bij hem op. En het stuk moest vermoedelijk af en de nota ingediend. Hoewel het onrecht nog groter is doordat bladen in de provincie kranten als NRC in hun oordeel volgen, heb ik me er destijds niet tegen verdedigd omdat ik dat niet durfde, o.a. omdat ik redeneerde: ‘wie zich verdedigt, beschuldigt zich’. Maar er is zoals we zullen zien, een andere, minder defensieve oplossing.
    (3) In kritieken zie je vaak door almaar meer focus op bepaalde details een heel bouwwerk van rationele argumenten ontstaan dat het besproken werk feitelijk onrecht doet.
    (4) De criticus kan hebben geprobeerd zich open te stellen, maar zijn pogingen hebben schipbreuk geleden. Meestal wordt dat dan uitgelegd als de schuld niet van de criticus/beoordelaar in kwestie maar van het werk, of de auteur of literair vertaler.
    (5) Het is vanwege de ongeschreven mediawet dat alles snel, positief en oppervlakkig moet zijn dat de ‘kritieken’ in DWDD veel weghebben van een verkooppraatje.
    (6) Een mengeling van tegenstrijdige gevoelens bekroop mij toen mijn roman Hollandse fado, pure fictie, in een lovende bespreking werd vergeleken met het werk van Voskuil, welke schrijver naar eigen zeggen niets van welke vorm van fictie dan ook moest hebben. Sja, ik kon het extra positief uitleggen, maar er was door de gewaardeerde criticus wél een misverstand geschapen.
     (7) Wie hier meer over wil weten, leze mijn opstel Affiniteit!, http://wp.me/p351Ow-ha
     (8) Zie mijn opstel ‘Literair vertalen en het intellectuele misverstand’, http://wp.me/p351Ow-hq
    (9) En toch zie je vaak met rationalisme behepte critici, sommige best nog goedwillend maar de weg kwijt, een op het eerste gezicht indrukwekkende intellectuele exercitie volvoeren, waartegen weinig lijkt in te brengen valt, en tot een kritiek komen vol redeneringen over regels waaraan de vertaler zich al of niet heeft gehouden. Lezers en collega’s mogen dan vaak geïmponeerd zijn, het is en blijft een verregaande en onrechtmatige simplificatie van wat in de eerste plaats een kunstwerk is en dus die andere, ontvankelijke en subjectieve benadering vereist. In het beste rationele geval worden enkele grotere fragmenten uit een vertaling met origineel erbij weergegeven om dan, met gebruikmaking van een intellectuele blikvernauwing waar men ook nog trots op lijkt te zijn tot de rationeel voorgebakken conclusies te komen, negatief dan wel positief.
    (10) Toen ik ooit een aantoonbaar onrechtmatige kritiek op een vertaling van mij kreeg, volgde ik het (veelgehoorde) advies van een redacteur op: ‘Laat het ondersneeuwen’. Ik vind dat nu niet meer het beste idee – tenzij het een publicatie met een kleine oplage betreft of een podium voor reacties ontbreekt.

     

    Literair Nederland daagt u uit met ‘Pleidooi voor goede literaire (vertaal)kritiek’ van Bartho Kriek, schrijver van romans en winnaar van de Nederlands Letterenfondsprijs voor zijn gehele vertaaloeuvre.

    Literair Nederland – vooral veel literaire recensies – vindt de discussie over de literaire kritiek interessant. In oktober van dit jaar organiseren wij i.s.m. Het Literatuurhuis in Utrecht voor een aantal van onze recensenten een Masterclass Recenseren.

    Dit artikel vraagt om reactie. Wie durft?
    mail uw reactie naar redactie@literairnederland.nl

     

  • Faulkner lezen betekent lezen, lezen en blijven lezen. 

    Faulkner lezen betekent lezen, lezen en blijven lezen. 

    In 1956 werd William Faulkner de vraag gesteld wat hij te zeggen had tegen lezers die zijn werk zelfs na twee of drie keer lezen niet begrepen. ‘Lees het vier keer,’ antwoordde hij.

    Philip Roth noemde Faulkner (1879-1962) ooit de ruggengraat van de Amerikaanse literatuur en veel schrijvers, onder wie J.M. Coetzee en Maarten ’t Hart, werden diepgaand door hem beïnvloed. Toch is Faulkner in Europa nooit erg populair geweest en verschillend lezers hebben naar verklaringen gezocht voor dit onrecht. Het is niet moeilijk om een verklaring te bedenken. Want wie in Europa leest er graag romans die zich afspelen in het broeierige Zuiden van de Verenigde Staten, waar racisme de moraal bepaalt en waar het verlies van de burgeroorlog nog altijd doorzeurt?

    Maar het is niet alleen het decor van Faulkners romans dat veel lezers weerhoudt ze te gaan lezen. Faulkner kan het zijn lezers soms verdomd moeilijk maken. Dat geldt voornamelijk voor de twee romans The Sound and the Fury en Absolom Absolom!. Deze twee ‘real son-of-a-bitches’, zoals hij ze noemde, hielpen Faulkner weliswaar in 1949 aan de Nobelprijs voor literatuur, ze hebben ook de status van ondoorgrondelijk en moeilijk leesbaar. Beide romans zijn nu verkrijgbaar in een prachtige, nieuwe Nederlandse vertaling van de hand van Bartho Kriek. In 2010 verscheen Het geluid en de drift (The sound and the fury) en in augustus van dit jaar was het de beurt aan Absolom Absolom!

    Hoe lastig Faulkners werk zijn kan, bleek recent nog eens toen vertaler Kriek in een interview moest toegeven dat hij een eerste poging om Absolom Absolom! te lezen ergens halverwege had gestaakt. Het is illustratief voor hoe het een beginnende Faulkner-lezer kan vergaan; een boek niet uitlezen omdat het te moeilijk is, het vervolgens opnieuw proberen, je erin vastbijten, niet willen opgeven en uiteindelijk zo geraakt worden door de woorden dat je het moet en zal vertalen. Want wie eenmaal besloten heeft Faulkner te lezen zal dat niet gauw vergeten.

    Wat maakt Absolom, Absolom! zo ingewikkeld? Ten eerste zijn er de lange zinnen en het vreemde gebruik van interpunctie. Het duurt even voordat je daar aan gewend bent en het gaat waarderen. Ten tweede, Faulkner heeft de merkwaardige neiging om verhalen indirect te vertellen. Zelden of nooit is er een alwetende verteller aan het woord.  In plaats daarvan worden gebeurtenissen door personages verteld, vermengd met hun eigen gedachten, interpretaties, suggesties en gebreken. Faulkner leidt de lezer via omtrekkende bewegingen naar de personages toe. Pas na verloop van tijd komen we dichter en dichter bij ze, zo dicht dat je ze denkt te kunnen voelen.

    Die indirecte manier van vertellen is in Absolom Absolom! tot in het extreme doorgevoerd. Het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld, is het verslag van een oudere vrouw, Rosa Coldfield, dat zij vertelt aan de jonge Quentin. Het zijn haar emotionele herinneringen die een warrig en bovendien onvolledig beeld geven van wat er vroeger gebeurd is. Het slechtste wat je als lezer hier kunt doen, is proberen alles te begrijpen. De flarden van Rosa schetsen een onduidelijk beeld, waar langzaam orde in aangebracht zal worden. Dat hele proces is in de roman bijna net zo belangrijk als het verhaal dat verteld wordt.

    Ook bij het beschrijven van zijn personages gebruikt Faulkner een indirecte manier van vertellen. Let bijvoorbeeld eens op hoe de hoofdpersoon Thomas Sutpen wordt beschreven. Rosa Coldfield zet hem neer als een boeman, een ondoorgrondelijke man, zonder gevoel of vermogen tot medeleven, die doelbewust zijn eigen gezin te gronde heeft gericht. Dat afstandelijke, bijna duivelse beeld van Sutpen blijft in de roman heel lang in stand omdat we alleen de gekleurde verhalen horen van hen die hem niet of nauwelijks gekend hebben. Pas later komt er nuancering in dat beeld, wanneer een deel van Sutpens eigen verhaal, zij het via Quentins grootvader, verteld wordt. Op die manier stelt Faulkner het beeld dat iemand van zichzelf heeft tegenover het beeld dat anderen van hem hebben. De vraag hoe de persoon werkelijk is, is daarbij irrelevant geworden.

    Het duistere verhaal draait om de ondergang van het gezin Sutpen. Thomas Sutpen is een man van weinig woorden die vanuit het niets met ‘een groep wilde negers’ in het kleine stadje Jefferson aankomt en zich in korte tijd tot een rijke grondbezitter weet op te werken. Hij trouwt met de zus van Rosa, en ze krijgen twee kinderen: Judith en Henry. Door Rosa’s emotionele manier van vertellen weten we meteen al dat het gezin te gronde zal gaan, al begrijpen we nog niet goed hoe. Wanneer Henry gaat studeren maakt hij kennis met de jonge Charles Bon, voor wie hij een innige vriendschap opvat. Bon lijkt de ideale huwelijkskandidaat voor zijn zus Judith maar op het laatste moment maakt vader Thomas bezwaar. De zoon breekt met zijn vader, neemt samen met Charles dienst in het leger ten tijde van de Amerikaanse burgeroorlog en schiet uiteindelijk zijn beste vriend onder de ogen van zijn zus dood. Waarom?

    De dramatische antwoorden komen langzaam, maar niet met absolute zekerheid. Zoals gezegd, ze worden jaren later gereconstrueerd door Quentin en zijn studiegenoot. Die poging tot reconstructie geeft het boek een enorme zelfbewustheid, die je welhaast postmodern zou noemen als het boek niet zou zijn geschreven in een tijd dat er van postmodernisme nog helemaal geen sprake was. Bijna voortdurend is de lezer zich bewust dat hij een gereconstrueerd verhaal aan het lezen is. Tegelijkertijd staat dit het inleven in de personages en het opgaan in het verhaal niet in de weg.

    De kern van Absolom Absolom! heeft veel weg van een Grieks of Bijbels drama. De titel verwijst dan ook naar het verhaal van Absolom dat beschreven staat in het Oude Testament (Samuel 3). Amnon, zoon van koning David wordt verliefd op zijn zus Tamar, verkracht haar en wordt later gedood door zijn broer Absolom. Koning David kan niets anders uitroepen dan de klagende woorden Absolom, Absolom als hij te horen krijgt hoe zijn gezin te gronde is gegaan.

    Faulkner heeft het effect van het Bijbelse drama maximaal weten te benutten. Maar hij heeft er ook nog een aantal elementen aan toegevoegd. De sfeer van het boek is mysterieus, bij vlagen bijna griezelig in de zin van spookachtig, en lijkt erg op die van Engelse Gotische romans uit de negentiende eeuw. Ook het moderne Amerikaanse racisme, het onderscheid tussen zwart en blank, speelt een belangrijke, tragische rol in het verhaal.

    Absolom Absolom! wordt doorgaans geïnterpreteerd als een verhaal dat in de kern gaat over de ontwikkeling van de zuidelijke staten van de Verenigde Staten. Dat mag zo zijn, maar zoals Hamlet niet alleen maar over het koninkrijk Denemarken gaat, gaat dit boek niet alleen over het zuiden van de Verenigde Staten. Faulkner bezat een ongekend talent voor het verwoorden van menselijk drama en een groot gevoel voor medemenselijkheid. Dat maakt dat deze roman niet aan tijd en plaats gebonden is.

    Absolom Absolom! is één van de vele hoogtepunten in Faulkners oeuvre, maar ook het moeilijkste. Veel lezers zullen zich stuk lezen op de lange zinnen en de verwarrende manier van vertellen. Bij Faulkner is de beste weg dan ook die van de omtrekkende beweging. Een voorbeeld van een goed af te leggen weg begint bij As I lay dying en leidt via Light in August en The sound and the fury naar Absolom Absolom! Faulkner lezen betekent lezen, lezen en blijven lezen. Desnoods vier keer.