• Wat staat mij als dichter te doen

    Wat staat mij als dichter te doen

    Schrijver en muzikant Bart Koubaa is een politiek-maatschappelijk betrokken dichter die zich in zijn woonplaats Gent al langer bezighoudt met het lot en leven van emigranten en vluchtelingen. Zijn ervaringen en inzichten heeft hij daarover vastgelegd in zijn essaybundel Dansen in tijden van droogte (2021). Koubaa debuteerde in 1988 met de bundel In de wolken. Dit is zijn tweede poëziebundel. Ook schreef hij enkele romans, waaronder het opzienbarende De leraar (2009).

    De verliefde engel
    bestaat uit drie afdelingen met vrije verzen. Elke epische afdeling van elf strofen eindigt met een lyrisch slotgedicht. Het getal elf wijst op een toekomstig gewenste verandering. De alwetende hij-verteller beweegt zich voortdurend tussen de hij en de dichter. De verhaallijn kent concrete, magische en religieuze momenten, met de engel als meest expliciete vertegenwoordiger. Op beslissende ogenblikken kiert de autobiografie van de dichter door de verzen heen. De nieuwe bundel vormt een aaneenschakeling van verrassende metaforen, spiritueel-mythische scènes met als ‘vurige’ scheppingsbron ‘de blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan. ‘De blauwe steen’ als metafoor manifesteert in New York en Gent zijn dwingende aanwezigheid met transcenderende uitwerking op het doen en denken van de hij en de dichter. 

    Bewustwordingsmoment

    In de eerste afdeling, ‘Manhattan of de ontdekking van de werkelijkheid, zomer’, weet de hij zich gedreven door de liefde die hem in staat stelt zichzelf te overstijgen. ‘De blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan, hem bij toeval in handen gekomen, vuurt hem aan het zekere pad te verlaten. Op aanraden van zijn Tunesische vrouw Laïla Koubaa opent de dichter met een scheppingsproces als ooit in het Afghaanse hooggebergte. Daar is in een ver verleden, ‘de ondoorzichtige lapis lazuli, / bezongen en bejubeld / om zijn oogverblindende schoonheid / en zijn vermogen diepe vrede / en heldere inzichten /met zich mee te brengen’. 

    Toen de gravers hem zagen, keken ze onder de grond ‘naar de hemel’. In de steen stond ‘hun toekomst’ geschreven. Het lijkt wel alsof, ‘God of de duivel / een flitsend geschenk  / voor [de] voeten [van de dichter] had laten vallen: / een blauwe meteoriet / die sindsdien deel uitmaakte / van zijn bestaan

    Voortaan was de steen de ‘magische toetssteen’ ‘die de zin / van de onzin’ zou scheiden. De dichter voert ons met deze vondst een heden vol transcendente momenten binnen. Zoals de dichter zijn pen opneemt, zo zit eenieder die de steen opneemt voor de rest van zijn leven aan zijn werking vast. Eenmaal in New York leest de hij op de reclameborden zijn levensopdracht: ‘Discover reality’.

    De directe aanleiding voor het bezoek aan New York in juni 2022 is het aanbod van een jeugdvriend van zijn vrouw, vice-ambassadeur van België bij de VN, om achter het spreekgestoelte van de Algemene Vergadering te staan. De hij laat zich met de blauwe steen op zak in gedachten meedrijven boven Harlem in een vrijheid ‘die elke dichter dichter / bij zijn doel’ brengt. Hij weet zich teruggeblazen naar Afghanistan, ‘dansend op de vleugels / boven reusachtige bergketens’. De vraag die zich daarboven aan hem ontvouwt, is of het nodig is mensen te doden, zoals de taliban en de Amerikanen in Afghanistan hebben gedaan, om rechtvaardigheid te bewerkstelligen. 

    Na de regen van bankbiljetten uit de grijsgroene wolk boven het Riverside Park vraagt de hij zich af wat er met al die armoede in de wereld moet gebeuren, naast de overdadige rijkdom in de stad: ‘Het goede kun je niet in steen schrijven, / het is vloeibaar als het sap van de papaver.’ Terwijl hij achter het spreekgestoelte staat, herinnert de hij zich het verhaal van de Afghaanse Mir Nazit, die bankroet raakte en een beslissing moest nemen: ‘Ik heb ten einde raad mijn jongste dochter, / Sofia, aan mijn oom verkocht, voor net geen 300 dollar.’ Een zelfverwijt klinkt daaruit op: we zijn helaas ‘teruggeworpen op het eigen overleven’.

    Verlangen naar samenzijn

    De titel van de tweede afdeling ‘Gent of de ontdekking van het hinkelspel, herfst’ herinnert aan het grillige lot uit de roman Een hinkelspel van Julio Cortázar. Het motto van Joseph Brodsky wijst op het verlangen van ieder mens naar niets anders dan samenzijn. In New York had hij ervaren dat het ‘denkbeeld van vrijheid’ omvergeworpen was. Er trokken ‘Afghaanse rillingen’ over zijn lijf, denkend aan wat haar was overkomen. ‘Het gezicht van een kleine engel’ verscheen boven zijn stad Gent. In de oranjevlammenzee keek ze hem aan. Zijn kernvraag is: ‘Wat [is] het belangrijkste vraagstuk / van de filosofie?’ Hij weet het antwoord daarop eigenlijk niet, maar hij voelt zich te veel mens ‘om onbewogen te blijven / bij de prijs op haar hoofd.’ In zijn Gentse onderkomen reikt een engel hem het voorlopige antwoord aan: Safia vraagt om sereniteit. 

    Starend in het vuur bezon de hij zich op manieren om haar te kunnen teruggeven aan haar ouders. Hij beseft dat niet religie of traditie haar rechten schonden, maar de Afghaanse oorlogen. In zijn slaap ‘vliegt’ hij met haar over de oceaan van Afghanistan naar de VN en, ‘neuriëde zachtjes voor Safia Nazir / een slaapliedje waaruit alle poëzie / en vuur was ontstaan’.

    Hij vraagt zich af of hij zich niet vergist heeft. Maar fladderen vergissingen ‘niet altijd rond de waarheid / als engelen rond een licht?’ Een meisje, dat niet Safia heette, wijst hem op het hinkelpad. Het is aan de dichter om met woorden naar de toekomst te hinkelen.

    Schrijven over morele kwesties

    In de derde afdeling ‘Takoe-takoe-taan of de ontdekking van de dichter, winter’ geeft Koubaa aan hoe moeilijk het is een gedicht te schrijven over een morele kwestie: ‘Het is niet de taak van de dichter / om de ziel van Safia Nazir te redden, / maar om haar ziel / de moeite van het redden / waard te maken.’ Het blijft ambivalent om in het breugeliaans winterlandschap een gedicht voor Safia te schrijven: ‘Hoe dichter hij het absurde naderde, / hoe intenser het onmogelijke zich liet zien’. Even verkeert de hij in de waan om naar ‘het paradijs! – op te stijgen’, maar met een doffe klap belandt hij weer op het ijs en raakt zijn blauwe steen kwijt. Deze dichter, ‘Salvator Mundi’,  raakt het spoor bijster. 

    We raken verzeild in een vergelijkbaar sneeuwlandschap als in De sneeuwkoningin van Andersen, waar de kleine Kay de glassplinters in woorden legt. De hij vreest dat het gedicht in verkeerde handen terechtkomt. Daarom selecteert hij denkbeeldig een regenbui met geld boven Afghanistan, om zodoende met die dollars de ‘schulden af te lossen’, opdat de meisjes naar school kunnen. Misschien zou het goed zijn de werken van Voltaire boven Afghanistan af te werpen, opdat het land zou seculariseren. Maar ‘Discover reality’: we denken wel als de verlichte Voltaire, maar ‘doen als idioten’. De inheemse Amerikanen die Frankrijk bezochten, wezen er al op dat het geld de bron van alle kwaad is. In zijn slaap zocht de hij op de oceaan de ziel van Safia Nazir. Uit de zee steeg het koor op: ‘Ik ben Afghanistan waarvan ik verdreven ben, hier ben ik, morgen word ik geboren.’ De hij weet dat hij ‘parels voor de zwijnen / heeft gegooid, / [om] oprecht een ziel de moeite / van het redden waard [..] [te] maken.’

    Enkel in de stilte gebeuren echter de grootste wonderen. De dichter heeft geen keuze in wat in hem opkomt. Gelukkig of niet: ‘elk gedicht was uiteindelijk / de puinhoop van een volmaakt / een voortreffelijk idee’. Daarna pakte hij ‘de blauwe steen’ en gooide hem in de hoek waar de winter voorbijsnelde. Een peper-en-zoutvlinder bevrijdde zich uit een voeg en kondigde een eerst bloesem in zijn kroon van de bottende tak de lente aan. 

    In de laatste afdeling ‘De dichter spreekt de Verenigde Naties toe, lente’ beseft de hij de kracht van het transpersoonlijk bewustzijn dat werkzaam is in het leven. Dat laatste vindt zijn uitdrukking in het bemiddelend optreden van ‘de blauwe steen’ én de engel bij zijn dichterlijke werk. We worden omringd, en naast ons waakbewustzijn, mede gestuurd door een energie die ons verstand te boven gaat. Dit dichterlijk besef maakt deze bundel tot een bijzonder gelaagde leeservaring. In de transcendente liefdesverbinding tussen het meisje, de engel en de dichter ligt de zin van het dichterschap besloten: ‘een meisje, een verliefde engel // met een ziel, de moeite van het redden waard’.



     

  • Koubaa’s visuele taal werkt als een steady camera

    Koubaa’s visuele taal werkt als een steady camera

    Nederland veroverde in 1630 een stuk van Brazilië op Portugal. En vanaf dat jaar tot 1654 dreef de West-Indische compagnie onder leiding van Prins Maurits daar handel, vooral in suiker die op de eigen plantages werd geoogst. In 1654 lukten het de Portugezen het gebied terug te winnen en was het afgelopen met de Nederlandse aanwezigheid. Het Nederlandse bewind verschilde nogal van dat van de Portugezen, met name in de veel coulanter houding tegenover joden. Het gevolg was dat nogal wat Nederlandse joden zich in de 17e eeuw vestigden in Recife, Brazilië, om er suiker te verhandelen.

    Weggestuurd op een zware reis

    Bart Koubaa schreef een roman over één van die joden, Het leven en de dood van Jacob Querido. Jacob Querido wordt door zijn vader, een rijke Amsterdamse koopman, in 1630 naar Brazilië gestuurd om zijn oom te helpen op diens suikerplantage. Hij is zeventien jaar en verliefd op het meisje Judith, waar de familie bezwaren tegen heeft. Door Jacob weg te sturen, slaat vader Querido twee vliegen in één klap. Het wordt voor Jacob een lange tocht over zee en Koubaa slaagt er goed in om duidelijk te maken hoe zwaar de zeelieden, maar ook de passagiers het hadden tijdens zo’n reis van bijna vijf maanden met geregeld windstilte waardoor men niet verder kon.

    ‘De hitte, de stank en het ongedierte hadden het schip in hun greep, en het gebrek aan water, dat de bottelier noodgedwongen met zeewater had gemengd, begon zijn tol te eisen en het water moest met de tanden stevig op elkaar gedronken worden om alle vuiligheid eruit te filteren en dan uit te spuwen. Een paar soldaten hadden van pure ellende hun kroes met hun eigen urine gevuld. Maar ook de scheepsbeschuiten krioelden van de rode kevertjes, en de vis, de groenten en het fruit, die ze op Kaapverdië hadden ingeslagen, begonnen te rotten, en de weinige Edammer kazen die nog aan boord waren zaten helemaal onder de schimmel.’

    Het dieptepunt van de reis is het tot de dood toe kielhalen van een oude Jood die een paar varkens – eigendom van de kapitein – als onrein in de zee had gegooid. Hij was Jacob’s hutgenoot, werd door hem beschouwd als zijn leidsman en komt ook na zijn dood geregeld in zijn dromen terug.

    Hollander en Jood

    In Brazilië is het leven totaal anders was dan wat hij in Amsterdam was gewend. Portugezen en Hollanders zijn permanent met elkaar in oorlog, maar drijven tussendoor toch ook handel met elkaar. De suikerplantage van Pedro Manuel Querido, Jacobs oom, ligt in het Portugese gebied en dat vergt diplomatie. ‘”Hier op de Vier Palmen ben je Portugees en katholiek (…) in Olinda, Antonio Vaz en Recife ben je Hollander en gereformeerd,” zei zijn oom, “en in de synagoge ben je Jood.”’
    Op de plantage werken uit Afrika aangevoerde slaven en Jacob wordt verliefd op de slavin Musoke. ‘Elke vrijdagavond zinderde zijn lijf bij de gedachte aan de zoete geur van haar donkere lichaam onder de sjofele witte jurk die ter hoogte van haar rijpe borsten openviel, en voelde hij met gesloten ogen haar warme schoot waarop zijn hoofd rustte terwijl ze zacht wiegend Afrikaanse liederen zong.’

    Afbrokkelende neergang

    Al vrij snel acclimatiseert Jacob en leert hij – als zijn oom overlijdt – de plantage te besturen. Hij heeft een aangenaam bestaan, geholpen door het geregeld snuiven van Kitshaara poeder, dat in de beschrijving van Koubaa het effect van cocaïne heeft. Maar dan wordt Musoke bevrijd door haar broers die het slavenbestaan ontvlucht zijn en een bende leiden. Geleidelijk aan brokkelt Jacobs leven af, vooral als hij besluit de slaven vrij te laten en daarmee een totale chaos schept. Op verzoek van zijn vader, wiens Amsterdamse handel slecht loopt, vaart hij terug naar Holland, waar het meisje Judith is overleden bij het baren van Jacob’s zoon Samuel. Helaas sterft Jacob onderweg, waarmee de roman eindigt.

    Over Jacobs gedachtenwereld en gevoelsleven vertelt Bart Koubaa weinig, maar we volgen hem wel stap voor stap. Het bijzondere van deze roman is de schrijfstijl. Koubaa hanteert hier wat in de filmwereld de ‘steady camera’ wordt genoemd: de filmer volgt de hoofdpersoon van dichtbij in al zijn bewegingen. Koubaa’s taal is zo visueel dat het de plaats van de camera kan innemen.
    Het leven en de dood van Jacob Querido is een boeiend verhaal over een weinig bekende periode in de Nederlandse geschiedenis.

     

  • Oogst week 19 – 2018

    Materiaalmoeheid

    Materiaalmoeheid van Marek Šindelka had zomaar de zoveelste roman over vluchtelingenproblematiek kunnen zijn. Twee broers ontvluchten een oorlog. Aan elkaar hebben ze al snel niets meer, want ze worden afzonderlijk vervoerd. Šindelka legt de nadruk in zijn roman niet op de politieke context, maar op wat fysiek en mentaal betekent om op de vlucht te zijn. Het relaas van de ene broer doet niet onder voor dat van de andere.

    Marek Šindelka beschrijft het allemaal heel precies en zintuiglijk: de omgeving, de omstandigheden, hun twijfel en frustraties. De schrijver slaat gade en kijkt door de ogen van. Het vertelperspectief beweegt soepel mee.

    Materiaalmoeheid
    Auteur: Marek Sindelka
    Uitgeverij: Uitgeverij Das Mag (2018)

    Ninja Nero

    Het is een schijnbaar onschuldig vlammetje waardoor het leven van Jona Van Rein en dat van zijn vader ingrijpend verandert. Maar Jona speelde niet zomaar met vuur. De prijs die hij betaalt, is echter hoog. Zijn gezicht raakt verminkt, hij zal zijn hele leven een masker moeten dragen. Toch lijkt Jona door zijn handicap ook bevrijd.

    Lijkt, want ook al leidt Jona Van Rein op het eerste gezicht een vol en vervuld leven – hij bestudeert teksten en loopt zo hard dat hij zich plaatst voor de Olympische Spelen, er blijft iets schuren.
    Wat er werkelijk in hem omgaat en of het leven betekenis heeft, geeft Bart Koubaa in Ninja Nero niet prijs. Maar het duurt even voor de lezer daar erg in heeft.

    Ninja Nero
    Auteur: Bart Koubaa
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Musch

    Jean-Marc van Tol is bekend als tekenaar en co-auteur van Fokke en Sukke. Dat hij historische letterkunde studeerde, en op dat terrein ook actief is, hangt hij niet aan de grote klok. Zijn debuutroman Musch schreef hij in het verlengde van zijn bijdrage aan onderzoek naar de correspondentie van raadspensionaris Johan de Witt. De Musch uit de titel is de corrupte griffier van de Staten-Generaal Cornelis Musch die de jonge prins Willem II het advies gaf een staatsgreep te plegen. Johan de Witt en zijn vader behoren tot het andere kamp. Ook voor hen is 1650 een cruciaal jaar.

    Jean-Marc van Tol maakte voor zijn historische roman gebruik van egodocumenten als memoires en brieven van de hoofdpersonen in Musch, dat het eerste deel is van zijn Johan de Witt trilogie.

    Het eerste exemplaar van Musch wordt op 26 mei in ontvangst genomen door Herman Pleij tijdens het festival Letteren op Loevestein.

    Musch
    Auteur: Jean-Marc van Tol
    Uitgeverij: Uitgeverij Catullus (2018)
  • Afscheid van een vriend

    Afscheid van een vriend

    De vertaler is verbonden aan het Instituut voor Oosterse Talen en Culturen van de Universiteit van Gent. Hij legt de laatste hand aan een nieuwe vertaling van Ali Baba en de veertig rovers. We kennen het verhaal sinds Antoine Gallands achttiende eeuwse interpretatie, maar onlangs is onder het puin van een bombardement in Irak een onbekend manuscript vandaan gehaald. Zal dit uitsluitsel geven over de aard van het verhaal waarover zoveel te doen is geweest in vakkringen, is het inderdaad van oorsprong Arabisch, zoals velen denken? In de roman Een goede vriend van de Vlaamse auteur Bart Koubaa, staat de vertaler centraal. Hij is naar Portugal vertrokken voor een laatste revisie van zijn werk, voordat het naar de drukker kan. Hij heeft tijd genoeg om zijn aandacht te verdelen en dat heeft hij nodig want hij gebruikt zijn reis om in het reine te komen met een overleden vriend. Het verband tussen de thema’s van de vertaling en de vriendschap heeft de vertaler in Arabische letters ‘als een telefoonnummer’ op zijn arm gekalligrafeerd: een goede vriend. 

    Fotolijstje
    De vertaler huurt een appartement in Lissabon, maar de huiseigenaar heeft de ruimte zelf nodig en brengt hem onder in de populaire badplaats Sesimbra, veertig minuten verderop. Zijn vriend gaat mee als ‘zelfportret’ in een lijstje en overal waar de vertaler komt, zet hij het lijstje neer om er een foto van te maken. Alsof ze samen vakantie vieren. Ondertussen voeren ze gesprekken waaruit blijkt, of in ieder geval wordt gesuggereerd, dat ze wel eens eerder in deze contreien zijn geweest. Wie aan het woord is en waarom, is zelden duidelijk, en ook de aard van de vriendschap laat veel te raden over. De communicatie is kennelijk bedoeld voor de goede verstaander: Maar ik zit hier omdat jij aan de Blaarmeersen een vis met een man en een gesluierde vrouw erop in de wolken hebt gezien. Ho, mon ami, jij zit hier omdat je een appelsien hebt gezien, een burtugal, je moet de dingen niet omdraaien. Maar die vis… Was je liever thuisgebleven misschien? Nee, maar ik heb die vis ook gezien. Ja, en dan? Jij zei dat ik hem moest zoeken, dat het mijn missie was die vliegende vis te vinden. 

    Uitbundigheid troef
    Zo terughoudend Koubaa is over het dramatische verloop van de gebeurtenissen–we krijgen geen uitsluitsel over zijn vriendschap, maar ook niet over de betekenis en achtergronden van de vertaling waar hij aan werkt–zo uitbundig beschrijft hij de omgeving waarin hij verkeert en zijn dagelijkse routine van opstaan, boodschappen doen, koffie drinken, koken, zwemmen, rondkijken, wassen, slapen. Ik had het laatste zakje oploskoffie gebruikt–oploskoffie is niet meer dan oploskoffie–en de bol kaas was ook zo goed als op; ik moest boodschappen doen. Het was druk en volop zomer in de stad. De naar kokosnootcrème geurende promenade wemelde van overladen strandgangers en joelende kinderen, wandelaars met kranten, stokken en honden en trage toeristen met goedkope rieten hoeden en zonnebrillen op. De overdaad aan details doet vermoeden dat Koubaa de vakantiefoto’s voor zich heeft uitgestald en alles vermeldt wat daarop te zien is. Ieder winkeltje, trappetje, huisje, stalletje krijgt afzonderlijk aandacht, Sesimbra heeft na lezing van Een goede vriend geen geheimen meer.

    Geconsumeerde kopjes koffie met pasteitjes, alle afzonderlijke boodschappen op de markt, plus het bereiden van vismaaltijden, het krijgt allemaal een plaats–als ontvangsten en uitgaven in een kasboek. Daarbij legt de schrijver een opmerkelijke fascinatie aan de dag voor opschriften op t-shirts: I ALWAYS WEAR MY INVISIBLE CROWN; STOP FOLLOWING ME; IS IT FRIDAY YET?; DON’T PANIC; BAD COP NO DONUT; BERLIN; EAT NAAN WITH CURRY ON. Lezers zouden misschien geneigd zijn daar een speciale betekenis achter te zoeken, maar de schrijver weet zijn bedoelingen zorgvuldig verborgen te houden, misschien wel door zijn exuberante beeldspraak. De zee is Picasso-roze, middagblauw, gerimpeld zwart, koffie, loodblauw en dat alles onder een fel zomermiddaglaurierlicht met blauwroze flamingowolken. Zwaluwen vliegen als boemerangs door de lucht en meeuwen lachen zich een ongeluk als ze niet aan het vergaderen zijn. Literatuur met een hoofdletter!

    Rust
    Op een nacht zit de vertaler samen met het zelfportret van zijn goede vriend op een rots naar de zee te kijken, maar door een windstoot verdwijnt het zelfportret in de golven. De vertaler duikt het als een aalscholver achterna, maar kan het niet meer vinden. Een paar dagen later dobbert hij in een bootje op zee. Op zijn rug liggend tuurt hij omhoog. Ik lag te kijken naar wat ik zag zonder verbanden te leggen tussen sterren en hemel of de zwakke maan ertussen. En voor het eerst leek ik te zien wat ik zag, in de volste en ruimste zin en zonder betekenis, woordspeling of allusie (…) ik was er en dat was voldoende. We hebben het geheim van Ali Baba nog niet weten te achterhalen, maar dit was hoogstwaarschijnlijk het geheim van de goede vriend.

     

     

  • Als stripheld kan het wel

    Als stripheld kan het wel

    De Brooklynclub van de Vlaamse auteur Bart Koubaa biedt een vertekende werkelijkheid. De plot in dit boek is zo onwaarschijnlijk, zo duidelijk geen deel van de realiteit, zo ‘over the top’ dat het haast komisch is. Tot op zekere hoogte in ieder geval.

    In zijn terugblik gaat de ik-figuur, een Amerikaan die in zijn leven diverse onaanzienlijke baantjes vervulde, in op de moord die hij, als een late wraakneming, pleegde en waar hij van had gehoopt dat hij er mee weg zou komen. Maar het toeval, vreemd genoeg verpersoonlijkt door een eekhoorn, beslist anders.

    De ik-figuur probeert een kennis uit Groenland, een zekere Paaluk, een louche figuur die in het boek wel degelijk een misdaad begaat, maar geen moord pleegt, voor de moord op te laten draaien. Dit lukt bijna. Maar uiteindelijk wordt de ik-persoon toch in Groenland gearresteerd en naar een Amerikaanse gevangenis gebracht. Daarmee verraad ik niets, dat wordt aan het begin van het boek al weggeven.

    Echt meeleven met het hoofdpersonage is door de auteur moeilijk gemaakt, want de ik-persoon is weinig innemend. Hij is racistisch en gelooft in complottheorieën. Toch wil je wel doorlezen, doordat de verteller een eigen stem heeft.

    Het verhaal gaat onder meer over een ‘fight club’-achtige organisatie van New Yorkse mannen die elkaar in de ring bekampen met roedenbundels, de zogenaamde Brooklyn club uit de titel. Wanneer de vastgoedmakelaar Mayer zijn intrede doet in de club, verwordt de organisatie al snel. Mayer verkracht de vriendin van de ik-figuur voor diens ogen en die van andere clubleden. Pas veertig jaar later krijgt de ik-persoon de mogelijkheid om wraak te nemen. Hij vermoordt Mayer op brute wijze. Met een waanzinnig plan hoopt hij uit de handen van het gerecht te blijven.

    In dat plan speelt het motief van de dubbelganger een rol, bekend uit diverse klassieke werken uit de wereldliteratuur. De ik-figuur lijkt namelijk sprekend op zijn doelwit, Mayer. Dit gegeven gebruikt hij in zijn moordplan. Dit boek haalt het echter niet bij De Donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans of de novelle The secret sharer van Joseph Conrad, waarin dubbelgangers ook een rol spelen. Het boek is niet beklemmend, eerder apart. Daarvoor zorgt de absurde plot, die in het begin fascinerend is, maar op den duur enige thematische leegte lijkt te moeten verhullen.

    In zijn bekentenis springt de ik-figuur door de tijd, zodat je pas op het einde de hele clou min of meer snapt. De verhaallijntjes komen bij elkaar, maar helemaal bevredigend is het niet. Dat wil je in al zijn onwaarschijnlijkheid best accepteren, maar als lezer hoop je op meer. Je kunt de ik-figuur niet altijd volgen in zijn gedachtenspinsels. Zo zegt hij: ‘Op de vraag waarom ik zo lang gewacht heb om Mayer te vernietigen kan ik in de huidige omstandigheden met wat ik nu weet alleen maar antwoorden dat ik met de beste wil van de wereld geen mens zou kunnen doden. Om Mayer te kunnen vernietigen moest hij in tegenstelling tot Superman, een stripheld worden, een eend in Duck Hunt die je met plezier dood schiet…’ (126)  Deze passage laat tegelijkertijd de sterkte en zwakte van het boek zien. Koubaa heeft stilistisch wat in zijn mars, maar geloofwaardige personages met dito levenskeuzes schept hij, althans in dit boek, niet.
    De ik-figuur is de enige persoon die enigszins wordt uitgewerkt. De andere figuren maken deel uit van diens vervormde wereld. Jammer is bijvoorbeeld dat een potentieel interessant personage als de ontsporende psychiater dr. Neumann, niet verder wordt uitgewerkt.

    Het boek stipt kort gebeurtenissen uit de Amerikaanse geschiedenis van de laatste decennia aan, van de ontploffing van het ruimteveer Challenger en de oliecrisis tot de aanslagen van 11 september. Zo kan De Brooklynclub ook als tijdsdocument gezien worden. Koubaa gaat verder in op de Amerikaanse populaire cultuur, van honkbalwedstrijden tot de strips over Superman en de tekenfilms over Tom en Jerry. Deze verschijnselen vormen de achtergrond voor het handelen van de hoofdpersoon. Dit inkijkje in de Amerikaanse geschiedenis en de populaire cultuur vormt het meest aansprekende deel van dit boek, dat ook qua stijl en compositie wel het een en ander te bieden heeft.

    Bart Koubaa (1968) schreef  eerder onder meer De leraar en Maria van Barcelona.