• ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’

    Afgelopen weekend vond de 40ste Nacht van de Poëzie plaats in TivoliVredenburg te Utrecht. Zaterdagavond stipt acht uur werd de avond afgetrapt en ruim zeven uur later, in de vroege zondagochtend half vier, wensten de vertrouwde presentatoren Piet Piryns en Esther Naomi Perquin de bezoekers na alle poëzie en spektakel een wel thuis en een goede nacht. Tussen die twee tijdstippen in trok een parade langs van dichters en dichteressen uit Nederland en Vlaanderen. Onder hen nieuwkomers als Mahat Arab en Joke Van Caesbroeck, evenals oudgedienden Jean Pierre Rawie en Judith Herzberg. Waarbij die laatste de kwaliteit van de nacht muntte met haar zinsnede, ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’.

    Voor de bezoekers van dit uitverkochte huis was er zoals altijd meer te zien en te doen dan een mens aan kan. Om te beginnen alle dichters en entr’acts natuurlijk. Omdat tradities er blijkbaar toch zijn om te worden gebroken was de eersteling van deze 40ste editie NIET degene met wie vorig jaar de 39ste Nacht van de Poëzie werd afgesloten. Het spits werd afgebeten door Bart Chabot. Bij zijn introductie werd nog wel even verwezen naar zijn leven als BN’er en naar zijn gezin met wie hij het Boekenweekgeschenk 2024 schrijft. Maar Chabot zelf hield het bij de poëzie, die hij nog altijd overtuigend de zaal in kan slingeren.


    Enthousiaste performances

    Hoogtepunt was wel het optreden van Gerda Lenten-Havertong, die op indringende wijze poëzie voorlas in het Sranantongo van Michaël Slory en Robin Ravales (‘Dobru’) en in het Nederlands voorlas. Toewijding en enthousiasme spatten van Havertongs performance af  – en ze had zich mooier gekleed dan welke andere deelnemer ook. Het publiek sloot Gerda hartstochtelijk in het hart. Ook Elmar Kuipers gedichten waren er trouwens in twee talen: hij las ze in het Fries, en achter hem op een groot scherm waren Nederlandse vertalingen te lezen. Het leverde een poëzie-ervaring op die gelaagd en geslaagd was.

    ‘Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen’, aldus Remco Campert. Buddingh’ is al jaren dood, Campert inmiddels ook. Of het waar is of niet – gelachen werd er zeker, en sommige publiekslievelingen speelden daar ook duidelijk op in. Hans Dorrestijn noemt zich welbewust cabaretier, en Joost Oomen liet zien en horen dat een welhaast bezeten-gejaagd en geestig optreden heel goed met poëtische zeggingskracht kan worden uitgevoerd.


    Dansen en dichten

    De entr’acts waren alle van een muzikale opzwependheid, ter afwisseling met intrinsieke sereniteit die poëzie toch nog altijd nog aankleeft. Zangeres Naaz wist in het Koerdisch een dramatische urgentie over te brengen op haar publiek van hetgeen zij zong. Merkwaardig was het optreden van Hollywoodster Michael C. Hall en zijn band. De enigszins dreunend-dreigend monotone muziek kon kennelijk niet alle bezoekers bekoren. Toen het later werd en stilaan meer en meer bezoekers huiswaarts keerden en alleen de diehards overbleven, werden de beats van de optredens feller en veranderde de grote zaal van Vredenburg in een goed gebruikte dansvloer: bij de flitsende show van de band Kuzko rond half drie ’s nachts bleef vrijwel niemand stil zitten of -staan. Als vervolgens weer een dichter aantrad was de aandacht optimaal ververst.

    Dichterskwartet

    In de wandelgangen waren verschillende activiteiten. Er was poëzie te koop in antiquarische uitgaven en nieuwe publicaties. Er waren gedichten te beluisteren via een poëzietelefoon en wie wilde kon de live opname van een podcast bijwonen. Wat een buitenkans bleek, want wanneer ben je nou getuige van een gesprek over poëzie tussen Ingmar Heytze, Jean Pierre Rawie en John Jansen van Galen? En omdat de Nacht inmiddels al veertig jaar bestaat en daar veel beeldmateriaal van beschikbaar is, werd er tussen alle bedrijven door genoten worden van foto’s, video’s en geluidsfragmenten van dichters die lang geleden optraden.

    Bovendien werd er ter gelegenheid van de 40ste nacht een dichterskwartet uitgegeven door ILFU die de ‘Nacht’ organiseert. Om thuis nog eens mee te spelen. Dus ja, het was zeker een goede nacht. Volgend jaar weer!

     

     

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Groundhog Day

    Groundhog Day

    Je keek ervan op dat je zondagmiddag, terwijl je in de keuken dadels tot pulp vermaalde, bloem, amandelmeel afwoog, naar baksoda zocht, rabarber afsneed in de tuin, die waste onder de kraan, plots (met een gevoel van verheugen) dacht, ‘Hé, vanavond ‘Eus’ Boekenclub’. Je voegde de droge ingrediënten bij elkaar, klutste eivervanger en olie door elkaar en riep naar man in de tuin dat het vanavond boekenclubavond was. Een programma over boeken is altijd goed, wie het ook presenteert, hoe het ook aangevlogen wordt. Toch? Gek was wel dat je uitkeek naar een programma waarop je zoveel commentaar leverde tijdens het kijken, dat het geen genoegen was naast je op de bank te zitten. Man verdacht je ervan dat jouw verheugen te maken had met leedvermaak. Maar weet, je bent vergevingsgezind, je vindt dat een boekenprogramma alle credits moet hebben. Toch wende het niet dat de presentator elke uitzending in dezelfde groef stapte.

    De  presentator zei voor de zoveelste keer: ‘We vieren nog steeds de liefde voor het lezen.’ Let op dat ‘nog steeds’, alsof ook hij begreep dat er in herhalingen gesproken werd. Je keek weg, vergaf het de presentator, dacht meer richting redactie. Die zijn presentator over de naam van zijn alter ego dragende rubriek laat zeggen, ‘Maar eerst gaan we naar Eus’ Minibieb, dat begint inmiddels een begrip te worden…’. Wat je natuurlijk aan anderen moet overlaten, of iets een begrip is of niet. Elke rubriek krijgt exact dezelfde inleiding als in alle voorgaande afleveringen. Je stak je vingers in je oren om het niet te hoeven horen. Je vermoedde dat de presentator bang was dat zijn publiek geen actieve herinneringen over hield aan dit programma. Dat het steeds weer uitgelegd moest krijgen wat elk programmaonderdeel inhield. Alsof we figuranten waren in de film Groundhog Day, wat een metafoor is voor een saaie of nare situatie die zich steeds maar weer herhaalt.

    In de ‘ongepubliceerde schrijver’ wordt er iemand uitgenodigd om zijn manuscript te promoten in de hoop dat een uitgever geïnteresseerd raakt. Deze schrijver bleek al een uitgever te hebben. Dat was vreemd, het klopte allemaal net niet; die missie om mensen aan het lezen te krijgen, schrijvers op zolderkamertjes aan de uitgever te brengen. Je was al gewend aan versprekingen door gasten en presentator. Door het heen en weer geloop van binnen naar buiten, en weer naar binnen, blijft de ruimte om correct te formuleren beperkt. Wat deze week tot lachwekkende gevolgen leidde.

    Bart Chabot vond, toen hem na afloop werd gevraagd, ‘Hoe vond je het?’ (solliciteren naar een compliment) dat hij het getroffen had met ‘Stef Blok …’, waar hij Stef Bos bedoelde, die overigens ‘tot tranen toe beroerd’ was. Waarbij je je oprecht afvroeg of hij tijdens het lezen misselijk was geworden, of dat hij zich onbetamelijk betast voelde. Die uitspraak van Stef Bos vond de uitgever van Chabot weer een mooie quote voor een advertentie in de landelijke dagbladen, wat je het Eus’ Boekencub effect zou kunnen noemen.
    Wat blijft is de verdeeldheid van twee soorten kijkers, zij die niet lezen en groot fan van de presentator zijn, en zij die lezen, die niets tegen de presentator hebben maar verlangen naar een programma waarin minder ‘ondertiteling’ wordt gegeven en meer inhoudelijke gesprekken (show don’t tell). Wat het wel losmaakt, is dat sinds Sonja Barend op tv was er niet zoveel gezamenlijke betrokkenheid onder de medemens over een tv programma ontstond. Als stonden we allen op maandagochtend weer bij de koffiemachine, de voors en tegens van ‘Eus’ Boekenclub’ nog eens door te nemen. En dat is ook wat waard.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft op bij een goed verhaal.

  • De zomerboeken van Evert Woutersen

    De zomerboeken van Evert Woutersen

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Evert Woutersen gaat deze zomer de volgende vijf boeken lezen:
    Bart Chabot, Mijn vaders hand, en Hartritme van Chabot
    Kazuo Ishiguro, Klara en de zon
    Tamsin Calidas, Ik ben een eiland
    Esther Verhoef, De nachtdienst

    ‘Bart Chabot schrijft aan een driedelige roman-biografie, over zijn jeugd en een vader met losse handen. Chabot zei daarover: ‘Mijn vader was een carrièreman en hij kreeg een zoon die niet wilde deugen en zich tegen conventies verzette. Met
    terugwerkende kracht heb ik wel bewondering gekregen voor dat kind, dat het allemaal overleefde.’ Hartritme gaat over de
    vriendschap met Herman Brood, Jules Deelder en Martin Bril. ‘Vriendschappen met drie mannen zorgden voor inspiratie en aanmoediging.’ Zijn ouders en vrienden leven niet meer, ik ben benieuwd hoe hij hen tot leven brengt in deze romans. Klara en de zon wil ik lezen omdat ik nooit iets van deze Nobelprijswinnaar heb gelezen. Tamsin Calidas schrijft over het roer omgooien. Ze verhuist van London naar een boerderij op een Schots eiland. Zelf droom je daar wel eens van, maar zet nooit door. Benieuwd hoe het haar vergaat, of ze zich daar gaat thuisvoelen. In een interview zei ze: ‘Het leven is een primitief touwtrekken tussen erbij horen en ontworteld raken.’ Tot slot de nieuwe Esther Verhoef, (‘Een mysterieuze patiënt verstoort je nachtdienst.’), zij stelt nooit teleur, en een spannend boek tijdens de vakantie is altijd fijn!’

     

    Lees hier meer over Evert Woutersen.

     

  • De Nacht was weergaloos

    Het hing gewoon in de lucht en  samen met de ruim tweeduizend bezoekers, die overigens niet allen om poëtische redenen de 32e Nacht van de Poëzie bezochten maar er wel door werden gestrikt, zouden wij beleven hoe de 32e Nacht van de Poëzie een fantastisch succes werd.

    Er was een groot aantal bezoekers, (gezien de leegte van de zaal na zijn optreden) die voor Rufus Wainwright waren gekomen. “Is er geen programma?”, zoemde vele malen rond. Wij wisten wel beter, Bij de Nacht van de Poëzie is het: Wie A zegt moet ook B zeggen, en lieten ons opnemen in de geluiden van ritselende papieren, geklap van zaaldeuren, vrolijke kreten, klinkende glazen, stapelende boeken en dichterlijke begroetingen. En in de grote zaal van TivoliVredenburg steeds weer een aandachtige stilte bij elk optreden. Zoals Els Moors later zal opmerken: “Mensen horen luisteren is een onvoorstelbaar geluid”, waarbij wij, als publiek onze rol bevestigd zagen.

    Dansen op de bodem van de nacht

    De achthoekige zaal was door een groot doek tot een zeshoekige vorm teruggebracht. Wanneer je rondkeek, was het gelijk een reusachtige bibliotheek met mahonie houten schappen. De kleurige kleding van het publiek kon doorgaan voor de boekruggen. Het was een goed gevulde boekenkast.
    Op het podium werd het optreden van Maarten Heijmans, Ramsey Shaffy vertolker, voorbereid. En ik vroeg me af, de zaal rondkijkend naar al die mensen die een avond poëzie voorgeschoteld gaan krijgen, beklijft poëzie? Dit met een opmerking van Menno Wigman in mijn hoofd tijdens een radio interview. Hij zei dat we de kans niet meer krijgen dichtregels uit ons hoofd  te leren, zoals vroeger Mei, van Gorter door iedereen die school ging, gekend werd. Nog steeds wordt er school gegaan maar leeft poezie nog maar op enkele scholen. Maar tijdens deze Nacht kon je niet anders dan geloven dat poëzie beklijft. En je wenst je net zo voor te kunnen dragen als Erik Jan Harmsen. Die zijn afgebeten zinnen ritmisch het publiek in blaft met een fantastisch effect. “Mijn mond is al open / nu moet ik nog woorden verzinnen (…) kijken hoe ze vallen.” In het beste geval wordt je er dichterlijk van en op zijn minst  wil je een bundel aanschaffen.

    Van woordperformer en dichter Maud Vanhauwaert bijvoorbeeld, om de wonderlijke wereld die zij in haar gedichten beschrijft er nog eens op na te lezen: ‘Maak je geen zorgen’ fluistert iemand achter mij / Ze legt haar kin op mijn schouder / ‘Je werd verdienstelijk zesde’  / ‘In welke wedstrijd?’ vraag ik en nu pas merk ik: / ik sta in een rij / Ze slaat haar armen om me heen. Haar adem / ruikt naar een kleedlokaal.
    Horen is op schrift willen hebben, zo blijkt tijdens De Nacht. Daarvoor zijn er de boekenstands. Om aan te schaffen van wat je in de zaal gehoord hebt. Maar dat was later.

    Eerst zingt Maarten Heijmans met zijn band op geheel eigen, maar prachtige wijze liederen van Ramses Shaffy. En de poëtische zinnen van Shaffy beklijven nog steeds: “Ik hou van schamel en van duur.” Er waren er die zacht meezongen. “Want wie me lief is blijft me lief”. Met een daverend applaus verlaat de band het podium en kondigt Piet Piryns de volgende dichter aan. Nog voor hij uitgesproken is beweegt Remco Campert zich schuifelend op helblauwe suède schoenen naar de katheter. Het publiek juicht verrukt en de blijheid om zijn komst is oprecht. Waarna een stilte invalt waarin de zware ademhaling van de dichter hoorbaar is. Het publiek hangt aan zijn lippen. Hier wordt voor een avond  ongegeneerd geëerd en verafgood. Nederland houdt van poëzie. Ongewild is Campert het hoogtepunt van De Nacht en steekt zelfs Rufus, (die dan nog moet komen) naar de kroon. De laatste der vijftigers opent met een aubade aan de onlangs overleden dichter Gerrit Kouwenaar door een aan hem zelf opgedragen gedicht “Kijk het heeft gewaaid”, voor te dragen. “Het was zoals het altijd geweest was” En van Campert zelf een persoonlijk resumé over poëzie: “Poëzie is een daad van bevestiging. / Poëzie is mijn adem, beweegt mijn voeten / De dood is een ontroering.” Op zijn moeizame ademhaling bracht Campert woorden vol levenskracht. Het publiek gaat  uit hun dak. Onder gejuich en luid applaus verlaat hij met bedachtzame stappen het podium. Jean Pierre Rawie moet zich eerst door de roes van Campert heen werken, voor hij het publiek in volheid bereiken kan met mooie gedichten over bejaardenhuis en gestorven vrienden.

    Bezijden de Nacht zijn er ontmoetingen. Het koffiemeisje vraagt benieuwd of we al ‘mooie dingen’ hebben gezien. Zeg dat al de dichters die we tot nu toe gehoord hebben, fantastisch waren. Maar dat Remco Campert natuurlijk weergaloos was. Zij kent hem niet. Hoe naïef  van mij ervan uit te gaan dat hij niet, gelijk de koning door iedere Nederlander gekend wordt. Rufus Wainwright kent ze ook niet. Voor ik het weet laat ik me ontvallen: “Ken je Shrek?” Ja, die film heeft ze gezien. Het daarin gezongen Halleluja? “Ah, die!” Op de koffie maakt ze een kunstwerkje met melkschuim. Daar weet ze alles van.

    Campert zit even verderop achter een tafeltje te signeren. Een uur lang bedient hij zijn fans. Dan word hem ingefluisterd dat hij af kan sluiten als hij wil want zolang hij daar zit blijft het publiek komen voor een handtekening. Onderweg naar de uitgang loopt hij nog een omhelzing van Chabot op, waarna hij verdwijnt in de nacht. Een Nacht die zeker de geschiedenis in zal gaan als de legendarische Nacht dat de laatste van de vijftigers, met zijn helblauwe suède schoenen zich nog eenmaal had laten verleiden het podium op te gaan.

    Als De Nacht de bodem bijna heeft bereikt, komt er een man naast me zitten, berookt en bedronken. Hij kijkt op zijn mobiel. Ik kijk verholen mee, lees: ‘Wonderlijk mooi Marlies! Was het, is het.’ Dat doet De Nacht met je. Je wordt er zomaar poëtisch van, de wereld weer aan kan.

    Foto: Anna van Kooij

    Vorige Literair Nederland was erbij