Sommige boeken maken een onuitwisbare indruk wanneer je ze leest als tiener of jongvolwassene. Klassiek werk van schrijvers als Dostojevski, Tolstoj, Kafka en Camus. Later wordt het lezen van een boek dat een blijvend stempel drukt op je literaire ervaring zeldzamer. Het is dan ook extra bijzonder om nog eens zo’n boek te ontdekken dat een onuitwisbare induk op me maakte, zoals De jaren van Virginia Woolf, recent opnieuw in het Nederlands vertaald. De lezer volgt de Engelse familie Pargiter vanaf het einde van de negentiende eeuw tot in het interbellum, maar een traditionele familiehistorie is dit niet. Elk hoofdstuk speelt zich af in een ander jaar en beslaat slechts één of enkele dagen terwijl ondertussen de geschiedenis op de achtergrond verstrijkt en de meeste mijlpalen uit het leven van de personage resoluut overgeslagen worden. In het verglijdende perspectief en de weergave van de inwendige belevingswereld van de karakters toont de auteur haar absolute meesterschap. Ze maakt zo de zoektocht van de telgen Pargiter in het doolhof van hun eigen bewustzijn op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk. Sommige scènes zijn hartverscheurend mooi, bijvoorbeeld in het slotdeel. Woolf slaagt er in het gerijpte De jaren optimaal in om het menselijke en het experimentele van haar proza tot een eenheid te smeden, waarmee ze zich bewijst als een van de grootste romanschrijvers van alle tijden.
Auteur: Virginia Woolf
Uitgeverij: Athenaeum – Polak & van Gennep
Wij houden van Tsjernobyl
Door de populaire HBO-serie Chernobyl die op dit moment speelt, neemt het toerisme in de streek die door het rampzaligste kernongeluk uit de geschiedenis werd getroffen sterk toe, maar Aleksijevitsj drijft er al de spot mee in haar schitterende boek Wij houden van Tsjernobyl, dat in een eerste versie verscheen in 1997. Later volgde uitbreiding van het materiaal. Balancerend op het snijvlak tussen geschiedschrijving, journalistiek en literatuur, laat Svetlana Aleksijevitsj een stoet van ooggetuigen aan het woord komen. Dit levert een veelstemmig document op dat de huiveringwekkende reikwijdte laat zien van de Tsjernobyl-ramp. Het boek geeft niet alleen inzicht maar eert tegelijkertijd de rampenbestrijders en hun nabestaanden: elk levensverhaal is een novelle bij deze Nobelprijswinnaar. Je weet niet wat je leest.
Auteur: Svetlana Alexijevitsj
Uitgeverij: De Bezige Bij
Pereira verklaart
Na het zware literaire geschut tot slot een fijnzinnige roman gesitueerd in het Portugal onder dictator Salazar, opvallend genoeg geschreven door een Italiaan. Protagonist Pereira, apolitiek redacteur van de literatuurbijlage in de krant, leidt een onopvallend bestaat totdat hij in contact komt met een mysterieuze student die rebelleert tegen het regime. Om hem van enig werk te voorzien laat Pereira de jongeman necrologieën schrijven van nog levende schrijvers, die stuk voor stuk onbruikbaar blijken door hun sterk politieke toon (maar daarin wel heel grappig zijn). Geleidelijk dringt de vraag zich op hoelang hij zich nog afzijdig kan houden van het leven zoals dat zich onder zijn neus afspeelt. Tabucchi brengt een fraaie samenhang aan in deze compacte roman door een handvol motieven en stijlelementen, waaronder die van de opzet als ‘verklaring’. Una testimonianza, is de ondertitel dan ook. Een parel van een boek, veel beter kom je ze in een leesjaar doorgaans niet tegen.
Ruim een jaar na het verschijnen van de vertaling van De jaren van Virginia Woolf, verschijnt nu voor het eerst in het Nederlands de vertaling van The Voyage Out met als titel De uitreis. De uitreis was het eerste boek van Virginia Woolf, het verscheen in 1915. Het gaat over Rachel Vinrace die op reis gaat naar Zuid-Amerika, ‘een reis vol ontdekkingen (over zichzelf, anderen en het leven) die tragisch ten einde komt.’
Opvallend duidelijk is op het omslag vermeld dat het boek is vertaald door Barbara de Lange. Waarom gebeurt dat niet vaker? De naam van de vertaler op de voorkant van een boek?
Literair Nederland sprak eerder met Barbara de Lange over haar vertaling van De jaren: ‘bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden.’
Het gezin, een huwelijk, eenzame ouders en kinderen; het zijn allemaal elementen en hoofdrolspelers in de korte verhalen van Edina Szvoren. Szvoren speelt graag met het aburde, haar hoofdpersonen en antihelden zitten vast in hun dagelijks bestaan, maar toch zijn haar verhalen humorvol.
Edina Szvoren (Boedapest, 1974) is muzikant, zij studeerde af aan het Béla Bartók-conservatorium en geeft daar nu zelf les. Drie dagen geeft ze les, de overige vier dagen schrijft ze. Met De hondenschool won ze in 2015 de EU-Literatuurprijs. Deze prijs betekende haar internationale doorbraak. Aan ten minste 10 Europese uitgeverijen zijn de vertaalrechten verkocht. Frans van Nes tekende voor de Nederlandse vertaling.
Auteur: Edina Szvoren
Uitgeverij: De Geus
Hier
Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) presenteert zich op haar eigen website als auteur, illustrator en performer. Met zowel haar kinderboeken als die voor volwassenen is zij veelvuldig in de prijzen gevallen, ook als illustrator.
Haar nieuwste roman Hier gaat over Stamvader.
[…] ‘Tegen de veertig is Stamvader, en hij staat nog op zijn benen als hij wordt tewerkgesteld als beëdigd controleur der grensovergangen van de staat en naar een omgeving moet verhuizen waarmee hij geen enkele band heeft, want te veel bekenden in de buurt zal er volgens zijn meerderen toe kunnen leiden dat hij weleens een oogje dichtknijpt, al heeft hij zelf niet de minste behoefte om dat te doen, integendeel, maar het zijn nu eenmaal de regels.’ […]
Wanneer hij hulpbehoevend wordt, volgt zijn zoon Bardo hem op en zorgt diens vrouw Mara voor haar eigenwijze schoonvader, terwijl ze op betere tijden blijft hopen. Licht en warmte komen van Kleine, hun dochtertje, dat de barrières leert kennen, maar speels en onbevooroordeeld tussen iedereen door vlindert.
Zij wel. Denk ik als ik in De uitreis van Virginia Woolf (vertaling: Barbara de Lange) lees dat Clarissa Dalloway in Lissabon het graf van Henry Fielding bezocht (en er een heldendaad verricht):
‘Ze had onder meer een foto van het graf van Fielding genomen en een vogeltje bevrijd dat door een of andere schurk was gevangen, “want er kan geen denken aan zijn dat er iets in een kooi zit waar Engelsen zijn begraven”, stond er in het dagboek.’
Zelf kwam ik niet verder dan het hek dat uitzicht bood op het bordje dat naar het graf van Fielding wijst.
Tegen de tijd dat ik het om de hoek gelegen Casa Fernando Pessoa verliet, was de Cemitério Inglês gesloten.
Ik wilde het aanvankelijk laten bij die foto van dat bordje, maar vroeg me ondertussen toch af of die zin in haar debuutroman ergens op gebaseerd is. Een kleine biografische exercitie in mijn boekenkast leverde het nodige op.
Het was Virginia Woolf zelf – al heette ze toen nog Virginia Stephen – die het vogeltje bevrijdde. Ze maakte er op 7 april 1905 melding van in haar dagboek:
‘In the afternoon we went to the English Cemetry, on a hill – by the gardens. This is a most lovely place, sweet with flowers, & so hot & shady & green that we stayed there a long time. We let loose a caged bird that was singing by Fieldings tomb – pious act!’
In een brief aan Violet Dickinson, gedateerd 10 april 1905, noemt Virginia Woolf het bezoek dat ze samen met haar broer Adrian bracht aan de tombe van Fielding ook. Van een bevrijd vogeltje is in die brief geen sprake:
‘We went up to the English Cemetry and saw [Henry] Fieldings tomb!’
Biograaf James King vindt in Virginia Woolf vooral het vogeltje het vermelden waard:
‘At Lisbon they let loose a caged bird that was singing by Fielding’s tomb.’
Dat Mrs. Dalloway ook in het door Louise DeSalvo gereconstrueerde Melymbrosia – een ‘oerversie’ van The Voyage Out – op de Engelse begraafplaats in Lissabon belandt:
‘She photographed Fielding’s grave, and let loose a small bird, which some ruffian had trapped, “because one hated to think of any thing in a cage, where English people lie buried.”’
heeft in het kader van mijn biografische exercitie geen toegevoegde waarde.
Goed, die zin in De uitreis is dus letterlijk uit het leven van Virginia Woolf gegrepen. Dat is leuk om te weten en nog leuker om aan te tonen, maar van grote literaire waarde is deze constatering natuurlijk niet. In het grote geheel is het een minor detail. Zoals ook het feit dat Virginia in 1905 een (boot)reis met haar broer Adrian maakte van ondergeschikt belang is, hoewel dat haar ongetwijfeld geholpen heeft bij het schrijven.
Dat The Voyage Out tot op het bot autobiografisch is – maar op een andere, en voor Virginia Woolf minder beschadigende, manier dan Melymbrosia – blijkt niet uit dit sprokkelwerk. Om die conclusie te kunnen trekken, is diepgravend onderzoek nodig. Onderzoek dat jammer genoeg al door een ander gedaan is.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
Dat de tijd verstrijkt, is in The Years (1937) van Virginia Woolf essentieel en wordt door de hoofdstuktitels – 1880, 1891, 1907, 1908, 1910, 1911, 1913, 1914, 1917, Present Day – onderstreept. Dat met het verstrijken van de tijd zeden en gewoonten veranderen, ligt voor de hand. Dat niet iedereen in dezelfde mate kon profiteren van de verworvenheden van die voortschrijdende tijd was Virginia Woolf een doorn in het oog, maar in The Years laat ze dat alleen tussen de regels door blijken. Hoe uitgesproken Virginia Woolf ook was, in The Years kaart zij kwesties – ‘sex, education, life &c’- heel subtiel aan. De seizoenen komen en gaan; het regent in verschillende gradaties (of niet) en ondertussen nemen de levens van de leden van de familie Pargiter hun loop. Sommigen kunnen kiezen, anderen ondergaan hun lot.
Tachtig jaar heeft The Years op een Nederlandse vertaling moeten wachten. Professionele lezers verklaarden vervolgens dat De jaren nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Liefhebbers van Virginia Woolf laafden zich aan de vertaling van Barbara de Lange. Wie niet stond te popelen, werd door Schwob verleid tot het lezen van een ‘herontdekking’. Degenen die een stok achter de deur nodig hebben, konden er voor kiezen het boek in groepsverband te lezen en te ontleden.
Ik las De jaren op eigen kracht, en vond het vervolgens nogal wat om er na zoveel jaar publiekelijk iets van te vinden. Er is inmiddels zoveel gezegd en geschreven over The Years en het verwante essay Three Guineas (1938), dat al in 1980 in vertaling verscheen – samen hadden ze een novel-essay moeten worden: The Pargiters, maar Virginia Woolf slaagde niet in haar opzet – dat doen alsof dit een net verschenen boek betreft en er vervolgens ‘gewoon’ een recensie over schrijven eigenlijk geen optie is.
In mijn omzwervingen op zoek naar een antwoord op de vraag ‘in welke vorm dan wel?’ bezocht ik vorige week een bijeenkomst van De leesclub van alles. Daar werd nog maar weer eens benadrukt dat het leven en het werk van een schrijver twee verschillende dingen zijn. Dat je een roman dus eigenlijk volkomen los moet zien van dat leven en je ook niets van de schrijversintentie aan moet trekken (ondanks alles wat Tim Parks in De roman als overlevingsstrategie: een nieuwe kijk op de relatie tussen schrijver, tekst en lezer beweert).
Terwijl er die avond ook met grote stelligheid beweerd werd dat kennis de waardering voor een roman beïnvloedt. Wat volgens de moderator van dienst absoluut geweten moet worden om ten volle van De jaren te kunnen genieten: de structuur van de roman; de manier van denken en schrijven van Virginia Woolf en de wordingsgeschiedenis van De jaren.
Stel dat je dat allemaal niet weet. Dat je nog nooit van Virginia Woolf gehoord hebt – ik geef toe, dat lijkt me stug – en De jaren cadeau hebt gekregen omdat je van dikke boeken houdt. Wat voor roman lees je dan? En wat vind je daar dan van?
Zo blanco zou je De jaren moeten kunnen lezen.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
Haar naam was voor velen bekend door de vermelding daarvan in het toneelstuk Who’s Afraid of Virginga Woolf? – dat noch over haar gaat noch door haar geschreven is. Als schrijver werd Virginia Woolf (1882-1941) bij een wat breder publiek pas bekend na de verfilming van haar roman Orlando (1992) en later The Hours (2002), naar het boek van Michael Cunningham. Een film die zich in verschillende tijden afspeelt en waarin naast andere levens ook het schrijversleven van Virginia Woolf – vertolkt door Nicole Kidman – verfilmd werd. The Hours was gebaseerd op Woolfs roman Mrs. Dalloway.
Virginia Woolfs boeken werden doorgaans als te experimenteel weggezet en enkel door een select groepje liefhebbers gelezen. Dat De jaren in 1937 groots ontvangen werd in Amerika en de bestsellerslijst van ‘The New York Times’ haalde, was een grote verrassing. Opmerkelijk hierbij is dat De jaren in verschillende landen vertaald werd maar in Nederland, tot vorig jaar, niet.
Iets groots
Virginia Woolf had al langer de ambitie een groot werk te willen schrijven zoals Tolstois Ana Karenina. Toen ze De verloren tijd van Proust had gelezen versterkte dat haar verlangen, maar nam ook de twijfel toe of ze ooit zoiets groots zou kunnen schrijven. Nadat ze Mrs Dalloway voltooid had zich daarbij afvragend of ze daarmee wellicht al iets groots had verricht, schreef ze op 8 april 1925 in haar dagboek dat het nog niets vergeleken was bij wat Proust – die haar toen geheel in zijn ban had – geschreven had:
‘Waar het bij Proust om gaat is het samengaan van uiterste gevoeligheid met uiterste hardnekkigheid. (…) Ik neem aan dat hij me zo sterk zal beïnvloeden dat geen enkele zin die ik schrijf in mijn ogen nog genade zal kunnen vinden.‘
De wind schraapte
Gedurende zes jaar heeft ze met ongekend plezier – zoals ze schreef in haar dagboek – aan De jaren gewerkt, toch sloeg vlak voor de voltooiing van de roman de verslagenheid toe. Ze was er opeens van overtuigd dat het niks kon zijn. Ze gaf het manuscript aan haar man, Leonard Woolf te lezen waarna hij het – wat haar betrof – mocht vernietigen. Gelukkig had Leonard Woolf een neus voor goede literatuur en vond het haar beste werk ooit.
De jaren is een roman in fragmenten, opgedeeld in tien korte of langere hoofdstukken met elk een jaartal als titel; van ‘1880’ tot het ‘Heden’. Elk hoofdstuk begint met het beschrijven van het weer: ‘Het was maart en het waaide. Maar de wind ‘waaide’ niet. De wind schraapte, schuurde, hij was zo wreed. Zo onflatteus.’
Verwevenheid van gebeurtenissen De roman is opgebouwd rondom de familie Pargiter – vader en zeven kinderen – uit de middenklasse van Londen en opent met het sterfbed van de moeder. De kolonel en zijn kinderen verwachten al lange tijd dat ze zal inslapen: ‘(…) maar ze stierf niet. Vandaag ging het iets beter; morgen zou het weer slechter gaan; er kwam een nieuwe verpleegster; en zo ging het maar door.’
Het heeft wel het meest weg van een schets van hoe de mens in het dagelijkse leven zich gedraagt met daar doorheen de historische gebeurtenissen zoals de Eerste Wereldoorlog, de suffragettebeweging (vrouwenrechten), Engels kolonialisme, de eerste auto’s, omnibussen, de benzinemotor en het elektrisch licht. Ontwikkelingen die niet op de voorgrond staan, ze worden er in mee genomen in een stroom van gedachten, handelingen en waarnemingen. Zo heeft de familie Pargiter niet de hoofdrol in de roman; ze worden opgenomen in het geheel; het geheel dat ‘leven’ (in welke tijd dan ook) heet.
Herhalingen
Personen, huizen, straten en weersomstandigheden worden kort beschreven in fijnzinnige schetsen die soms gerust drie keer herhaald worden binnen twee pagina’s. Waardoor sommige stukken zich als een refrein voordoen en zo de betekenis van die passages benadrukken. ‘Ze liepen door Fleetstreet. Het was onmogelijk een gesprek te voeren. Het trottoir was zo smal dat hij er telkens af moest stappen om naast haar te kunnen blijven.’
Zo wordt tijdens een wandeling door Londen van neef Martin met nicht Sara, drie keer benadrukt dat het ‘onmogelijk was een gesprek te voeren’ omdat; ze niet naast elkaar konden lopen door de smalle stoep; door de drukte van winkelend publiek; door het verkeerslawaai. Drie keer wordt de onmogelijkheid een gesprek te voeren benadrukt waardoor de behoefte aan een gesprek zich des te meer laat gelden.
Gedachtenstromen
Het lezen van De jaren is als een laven aan de tijd waarin levenslijnen in overzichtelijke stukken zichtbaar worden maar evengoed weer plaatsmaken voor andere lijnen in de geschiedenis. De dingen en personen zijn met compassie beschreven. Het kan oprecht een liefdevol geschreven boek worden genoemd, dat het gevoel teweeg brengt dat geschiedenis niet enkel dient om te weten hoe het was, maar ook een vorm van beschutting geeft. Zoals Woolf het Engeland van 188o tot 1937 beschrijft, zo moet geschiedenis zijn; als een serieuze voorbereiding op de tijd waarin we nu leven. Een bijzondere gewaarwording is ook dat de personages uit De jaren, zeer dichtbij komen; alsof je, door de ‘stream of conciousness’ van waaruit Virginia Woolf schrijft en waarin gedachten over elkaar buitelen, associaties en afgebroken gedachtestromen door elkaar spelen, er in opgenomen wordt.
Steeds iets nieuws
In De jaren zijn de dingen zo beeldend beschreven als was het een schilderij waarop met penseelstreken de omgeving, personages, hun handelingen en zelfs hun gemoedsstemmingen zijn aangebracht. Een schilderij waar je lange tijd naar kunt kijken en steeds iets nieuws op ontdekt. Of het nu een straat in de mist is, een schrijftafel in de hoek van een kamer, het onbehagen van een woedebui of een gebeeldhouwde trapleuning; de schetsen zijn liefdevol gemaakt en nemen de lezer geheel voor zich in, 500 bladzijden lang. Met grote dank aan de vertaler, Barbara de Lange die ontdekte dat The Years een in Nederland vergeten roman was die hoognodig een vertaling verdiende, die zij werkelijk prachtig bezorgd heeft.
Net als bij geliefden kan de liefde tussen een ouder en kind pijnlijk zijn. Onbeschrijfelijk pijnlijk, alhoewel dat dan wel weer de mooiste verhalen kan opleveren. Zoals bij graaf Ugolino, wiens kinderen zo van hem hielden dat ze hun eigen lichaam als voedsel aan hun vader aanboden toen hij tot de hongerdood was veroordeeld. Een verhaal dat Jean-Baptiste Carpeaux tot een prachtige witmarmeren beeldengroep inspireerde. Zijn uitbeelding van een vertwijfelde Ugolino met vier zonen aan zijn voeten is te bewonderen in het Metropolitan Museum of Art in New York en speelt een belangrijke rol Elizabeth Strout’s roman Ik heet Lucy Barton. Een boek waarin de pijnlijke liefde tussen de hoofdpersoon Lucy Barton en haar ouders centraal staat. Liefde die vergezeld gaat van onbegrip en pijn, maar die er zeker is. Zo ziet Lucy in als ze na vele keren achteloos langs Ugolino gelopen te zijn de beeldengroep een keer goed bekijkt en beseft dat kinderen altijd alles zullen doen om de nood van hun ouders te ledigen. Alles. Zoals ook zijzelf uiteindelijk had gedaan.
Lucy was altijd een buitenbeentje geweest. Ze was anders dan haar ouders en haar oudere broer en zus en anders dan alle andere mensen in het boerendorp Amgash in Illinois. Haar familie was een van de armste uit het dorp en haar jeugd niet echt een gelukkige. Ze bracht haar dagen vaak in eenzaamheid en koude door, die ze ontvluchtte door na de lessen langer op school te blijven, waar de kachel brandde en het warm was. Ze deed er haar huiswerk, las er boeken en haalde door al dat werken louter tienen. Het bracht haar een studiebeurs en een nieuw leven in Chicago en uiteindelijk New York.
De keerzijde van haar succes en vertrek uit Amgash was dat er geen verbondenheid meer was tussen Lucy en haar ouders, broer en zus. Haar leven was een ander leven, en ook als ze even terug is in Amgash blijkt steeds weer snel dat er voor haar eigenlijk geen plaats meer is. Haar leven is te onbekend, te verwarrend en misschien ook wel te pijnlijk voor haar ouders. Lucie weet dat ze haar eigen leven op moet bouwen en familiebanden verwateren langzaam. Lucie ziet haar ouders, broer en zus niet meer, totdat ze herstellende is van een eenvoudige operatie en haar moeder haar vijf dagen in New York komt opzoeken. Vijf dagen waarin haar moeder niet van haar zijde wijkt en ze in haar verhalen over dorpsgenoten Lucy weer deelgenoot maakt van het leven in Amgash. Verhalen die moeder en dochter helpen hun broze relatie onder de loep te nemen, waarbij steeds pijn opsteekt en liefde onbespreekbaar blijft. Moeder en dochter spelen zo een vijf dagen lang een kat en muis spel dat door Strout treffend wordt beschreven. Soms met harde woorden: ‘Grote genade, Lucy Barton. Ik ben niet helemaal hierheen gekomen met het vliegtuig om me door jou te laten vertellen dat wij uitschot zijn.’ Om later plaats te maken voor broze woorden van de onzekerheid: “‘Mam! Hou je van me, hou je van me, hou je van me?’”. Als haar moeder weigert te antwoorden sluit Lucy haar ogen. “‘Hou je van mij als ik mijn ogen dicht heb?” “Als je je ogen dicht hebt,” antwoordde ze. Toen stopte we met dit spelletje, maar ik was zo gelukkig…’
Vooral de gedachten van Lucy zijn door Strout mooi verwoord en vatten de verbondenheid én kwetsbaarheid van haar en haar geboortegrond samen: ‘Ik heb heel wat mensen gekend, ook uit het Middenwesten, die tegen me zeggen dat je maïs niet kunt horen groeien, maar ze hebben het mis. Je kunt mijn hart niet horen breken – ik weet dat dit gedeelte klopt – maar voor mij zijn die geluiden onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat van groeiende maïs en dat van mijn hart dat breekt.’
In dergelijke passages toont Elizabeth Strout zich een ware literaire Carpeaux. Haar taal heeft hier en daar dezelfde zachtheid en doorschijnendheid als de witmarmeren beelden van Carpeaux, maar ze vertelt er een even pijnlijk verhaal mee als de beeldhouwer in zijn Ugolino-groep. En ze doet dat op een vergelijkbaar hoog niveau. Ook al lijkt de roman door de toegankelijkheid een niemendalletje, waar je als je niet oppast snel en achteloos doorheen leest. Maar er komt een moment dat je het, net zoals Lucy bij Ugolini was overkomen, opnieuw een keer leest en tot het besef komt dat je door dit boek wat meer begrijpt van het leven.
Barbara de Lange is fulltime vertaler en geeft les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Sinds 1985 vertaalde ze onder meer werk van Margaret Atwood, George Steiner, John Irving, Simon Schama, Colin Thubron, Donna Tartt, D.H. Lawrence en Michael Ondaatje. Vorig jaar werkte ze tien maanden aan de vertaling van De jaren. We ontmoetten elkaar voor dit interview Barbara bij Grand café Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal. We praten over het vertalen van het werk van Virginia Woolf, over vertalen in het algemeen. En waarom iedereen – die iets van de wereldliteratuur wil meekrijgen – de kans moet grijpen om Virginia Woolfs De jaren te gaan lezen.
Deze niet eerder vertaalde roman van Virginia Woolf (1882-1941) verscheen begin januari bij uitgeverij Athenaeum. De jaren is – naast dat het haar omvangrijkste werk is – met Mrs. Dalloway ook haar toegankelijkste werk. Over De jaren schreef Virginia Woolf in haar dagboek (Schrijversdagboek 2 Privé-domein): ‘Aan niet één boek heb ik ooit zo hard gewerkt.’ Op 30 september 1934 schreef ze het slot van een roman waarvoor ze nog geen juiste titel had gevonden. Twee jaar werkte ze eraan onder de titel The Pargiters. Toen het boek zijn voltooiing naderde, overwoog ze het Here and Now te noemen of Sons and Daughters. Tijdens het herschrijven kwam de titel Ordinary People voorbij tot het boek ineens op 11 januari 1935 The Caravan heette. Door het uittypen van het manuscript en het (herhaaldelijk) herschrijven van hele stukken, constateert ze dat het boek een ‘samengaan is van het uiterlijke en het innerlijke’. Ruim een jaar voor de drukproeven op 31 december 1936 de deur uitgaan, dient zich op 5 september 1935 de titel The Years aan, en de The Years blijft het.
Waarom liet de vertaling van The Years zo lang op zich wachten?
‘Het is vreemd dat dit boek zo lang is blijven liggen. Ik denk dat het door de oorlog kwam. Het boek is in 1938 uitgekomen. Daarna werd het meteen in het Frans vertaald, in het Hongaars en Zweeds. Het werd haar best verkochte boek. In Nederland verscheen in 1948 Mrs. Dalloway bij Van Oorschot en toen tien jaar niets meer van haar.
Ik ontdekte dat The Years nog niet was vertaald en wilde het heel graag doen. Ik ben ermee naar uitgeverij Athenaeum gegaan omdat zij onlangs ook Mrs. Dalloway hadden uitgegeven in een nieuwe vertaling. Ze waren direct bereid het uit te geven. De jaren is een van de toegankelijkste boeken van haar. Wie bang is voor het werk van Virginia Woolf kan heel goed met De jaren beginnen. In Het Parool stond dit weekend een lovende recensie van Arie Storm die onder andere ook zei dat het zo’n toegankelijk boek is. Ik vond het heel leuk om te doen, het was een vertaling om me in vast te bijten. Virginia Woolf is een modernist en schrijvers uit die overgangsperiode hebben mijn voorkeur.’
Was het ooit een keuze te gaan vertalen?
‘Het was meer iets wat ik gewoon ging doen. Ik was klaar met mijn studie filosofie en samen met een vriendin zeiden we, we gaan vertalen. Ik heb geen Engels gestudeerd. Na enkele jaren non fictie te hebben vertaald, kwam pas de literaire kant. Omdat ik de opleiding niet had, vond ik het spannend. Heel lang heb ik gezegd als mensen vroegen wat ik doe: ik vertaal. Pas later werd dit: ik ben vertaler.’
Alsof – als je iets uit passie doet, het leuk vindt – het een dingetje is wat geen naam mag hebben. Haar eerste literaire vertaling was een roman van Margaret Atwood en werd haar aangeboden. Ze deed het met veel plezier en, nadat ze de eerste tijd nog parttime bij een bibliotheek werkte, kon ze al gauw als fulltime vertaler aan het werk.
Kun je, als vertaler, ervan meegenieten als een boek een succes wordt?
‘Ik kreeg het aanbod het eerste boek van Donna Tartt De verborgen geschiedenis te vertalen. Er was in die tijd (jaren negentig) waarschijnlijk meer geld bij de uitgevers want de schrijfster werd voor een week naar Nederland gehaald. Na de etentjes en de presentaties zat de schrijfster maar in haar hotel in Amsterdam. Ze was heel jong nog. Toen ben ik ook een avond met haar op stap geweest. Dat zijn hele leuke dingen om te doen. Soms denken mensen nog dat het boek er zo maar ‘is’, alsof de auteur op een of andere magische wijze het boek in het Nederlands geschreven heeft. Zelfs sommige recensenten negeren het feit dat het om een vertaling gaat.’
Toch is er tegenwoordig meer aandacht voor vertalers, al blijven de betalingen achter op de prestatie die geleverd wordt en is vertalen zonder een bijdrage van het Nederlands Letterenfonds niet mogelijk. De erkenning is er steeds meer en vertalen wint aan status want; zonder vertalers geen toegang tot de wereldliteratuur.
Hoe los je problemen tijdens het vertalen op. Neem je contact op met de auteur en is elke auteur ook bereid mee te denken.
‘Ik spaar de lastige, de problematische dingen altijd op en als ik er op geen enkele manier achter kan komen wat het is, neem ik contact op met de auteur. Bijvoorbeeld over een bepaald woord en hoe het gebruikt wordt. In het laatste boek van Anne Tyler dat ik vertaalde, lag er iets onder de struiken in de tuin, iets dat op ‘a diploma’ leek, een diploma dus. Het stuk ging over een waterpomp die in een kelder stond en uitkwam op de tuin en dan opeens ligt daar een diploma onder een struik. Ik begreep er niets van. Vreemd was dat, en ik vroeg me af of dat erbij hoorde want binnen de context van het verhaal paste het niet echt. Maar haar reactie was, ‘Ja, hoor, daar leek het op, een diploma met een lintje erom, gewoon. Vaak kunnen auteurs zich niet helemaal voorstellen waar het probleem zit. Vroeger maakte ik bij woordgrappen wel eens een provisorische oplossing maar dan is het lastig om daar los van te komen en een betere oplossing te vinden. Tegenwoordig laat ik het open en houd het in mijn achterhoofd om er later nog eens rustig naar te kijken.’
Hoe werkt dat bij een overleden auteur, zoals van De jaren.
‘Ik leg wel eens een fragment voor aan een collega om te zien hoe deze het interpreteert. En verder is het ook een kwestie van zoeken. Virginia Woolf gebruikte vaak woorden in een oude betekenis, die niet meer zo bekend is, ook niet in haar eigen tijd. Als een woord in meerdere betekenissen voorkomt of in het Engels andere associaties heeft, moet je kiezen en kun je het alleen maar benaderen. Wat ik ook doe is veel lezen over de auteur, haar achtergrond. Ze las Frans maar heeft jarenlang Proust niet durven lezen hoewel haar hele omgeving er weg van was. Ze was er een beetje bang voor, en toen ze hem uiteindelijk las vroeg ze zich ook af wat er voor haar nog te doen viel: hij had voor haar gevoel precies gedaan wat zij ook wilde. In De jaren zie je ook de invloed van Proust, of misschien beter: dezelfde affiniteit met herinnering en tijd als Proust had. Een andere invloed of affiniteit zie je bij Tolstoj. Woolf had Russisch geleerd en meegewerkt aan vertalingen van Tolstoj en Dostojevski. Het oorspronkelijke idee voor dit boek – met essays tussen de hoofdstukken door – komt van Tolstoj’s Oorlog en vrede. Dat vind ik dan erg interessant maar ik heb er verder niet zo veel aan. Ik kan er niets van gebruiken, wel draagt het bij aan een algemeen inzicht, het werkt als een soort bedding voor het vertalen. Ik heb ook altijd iemand die meeleest. Die dingen ziet die ik over het hoofd zie. En ik begin elke dag met de tekst terug te lezen van de vorig dag.’
Is vertalen het opnieuw vertellen van het verhaal en hoe vrij ben je in het vertalen.
‘Opnieuw vertellen wordt algauw parafraseren. Maar dat verschilt per taal waaruit vertaald wordt. Als je een taal hebt waarbij de zinsbouw totaal anders is dan wordt het meer een hervertellen. De Engelse taal staat veel dichter bij het Nederlands dan bijvoorbeeld Chinees. Het zou heel interessant zijn te weten wat de fundamentele verschillen zijn tussen het vertalen uit verschillende talen. Ook bij het Italiaans, (wat ze in het begin ook heeft gedaan Iv/dG), is het noodzakelijk de zinsopbouw los te laten. Bij het Engels ook wel, maar minder. En bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden. In een drukproef zie ik meestal pas waar het teveel of te geforceerd is en waar het er uit kan.’ Hoewel een vertaler niet het verhaal opnieuw hoeft te vertellen, blijven er dingen in het hoofd van de vertaler spelen gelijk als bij een auteur. Het zoeken naar de vertaling van een uitdrukking kan blijven doorspelen tot er zich de best vorm aandient, dat kan zijn als bij ingeving, zoals ook een auteur zijn tekst wikt en weegt.
Het schijnbaar hoogste wat je kunt bereiken als vertaler (schreef een recensent over de vertaling door Erwin Mortier van Between the Acts van Virginia Woolf) is als de Nederlandse lezer vrijwel hetzelfde leest als de Engelse lezer.
‘Eigenlijk is dit onmogelijk, zegt De Lange. De beleving van een woord is in iedere taal verschillend. Het effect op een lezer in de jaren dertig is sowieso anders dan op die van nu, ook bij Engelse lezers. Ik begrijp dat die recensent de vertaler een compliment wilde maken maar het klopt niet. Natuurlijk streef je er wel naar om een boek in vertaling dezelfde waarde mee te geven, en de zinnen moeten natuurlijk lezen alsof ze in het Nederlands zijn geschreven. Maar als het boek exact hetzelfde effect op de Nederlandse lezer moet hebben als op de Engelse dan zou je wat ze noemen een Hema-vertaling moeten maken en alles vernederlandsen. De plaats- en straatnamen krijgen dan Nederlandse namen en een muffin wordt een bitterkoekje.
Een voorbeeld: onlangs was er tijdens de Swchob-Leesclub van De jaren onder leiding van Elsbeth Etty een jongeman die bepaalde dingen miste in het boek. Hij had in het laatste hoofdstuk (dat in de jaren dertig speelt) wel meer willen weten over de oorlogsdreiging. Maar ik denk dat die er voor de lezers destijds, die er middenin zaten, duidelijk in aanwezig was, terwijl die dreiging voor de jonge lezer van nu (ook de Engelse) minder duidelijk is.’
Als het boek vertaald is hoe dicht ben je dan het verhaal en de schrijver genaderd?
‘Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken. Dan is het consistent. Het voelt heel eigen en bij een boek als dit, waarin de auteur echt het hele boek lang met één stem spreekt, in een heel bewust gekozen stijl, zou ik ook niet met iemand kunnen samenwerken.’
Na het afronden van een vertaling volgt het afstand nemen en komt er weer ruimte voor nieuwe projecten. Barbara de Lange kan zich erop verheugen in de toekomst nog meer modernisten te vertalen, en noemt Henry Green. Ook het her(ver)talen van Jacob’s Room en To the Lighthouse van Virginia Woolf staan op haar lijstje.
Op 18 oktober is het weer zover: de uitreiking van de Man Booker Prize 2011. Vorig jaar was Howard Jacobson de verrassende winnaar met zijn roman The Finkler Question. De Britse Jacobson is een bekende persoonlijkheid in zijn eigen land: hij heeft 11 romans gepubliceerd, schrijft een wekelijkse column in The Independent, en is geregeld op televisie te zien als presentator van zijn documentaires. Al twee keer behaalde hij de longlist van de Booker Prize, maar pas na het daadwerkelijk winnen van de prestigieuze prijs kreeg hij internationaal bekendheid. The Finkler Question is zijn eerste en tot nu toe enige roman die in het Nederlands is vertaald.
Hoofdpersoon is de 49-jarige Julian Treslove, een eenzame, ongelukkige, angstige en vooral zoekende man. Een man ‘zonder zelf’. Zijn leven ziet hij als een groot ongeluk: zijn geboorte (‘niet gepland, maar een leuke verrassing’, aldus zijn ouders), zijn studie (een loshangende verzameling modules), zijn voormalige onsuccesvolle baan bij de BBC (productie van nachtelijke kunstprogramma’s voor de radio), de – ook weer ongelukkige – vrouwen van wie hij had gehouden en zijn zonen (‘bij zijn weten onbedoeld twee’).
Na een reeks van baantjes is Treslove nu te huur als dubbelganger van beroemdheden voor feesten en bedrijfsevenementen. Hij is breed inzetbaar: van Brad Pitt tot Colin Firth. Zelfs als dubbelganger heeft hij geen eigen identiteit.
Op een avond wordt hij beroofd door een vrouw. Een vernederende gebeurtenis, maar hij ligt vooral wakker van de woorden die hij haar meende te hebben horen zeggen. Zei ze ‘Yo, je schatten’ of ‘Joe, je schatten’? Uiteindelijk is Treslove er heilig van overtuigd dat haar woorden waren: ‘Jij, jood!’.
Deze interpretatie lijkt misschien niet voor de hand te liggen, maar wel in het universum van de niet-joodse Treslove die geobsedeerd is door alles wat joods is. Werd hij onterecht voor een jood aangezien? Of was er sprake van persoonsverwisseling? Treslove bespreekt het voorval met zijn twee joodse vrienden, Sam Finkler en Libor Sevcik, en komt tot de conclusie dat hij misschien joods is en in ieder geval joods wil worden.
Sam Finkler, oud-klasgenoot van Treslove, is filosoof en schrijver van bestsellers als De existentialist in de keuken en Het boekje voor alledaags stoïcisme. Hij is een jood die eigenlijk geen jood wil zijn, een anti-zionist, die zich aansluit bij de AS-joden (de Alle zich schamende joden). Libor Sevcik, tegen de negentig en oorspronkelijk Tsjechisch, is hun oude geschiedenisleraar. Hij spreekt over ‘Israël’ met een rollende r en staat wat betreft de politiek in het Midden-Oosten diametraal tegenover Finkler. De drie vrienden zien elkaar regelmatig, zeker nu Finkler en Libor onlangs allebei weduwnaar zijn geworden.
Deze drie personages zijn allemaal op hun eigen manier bezig met de vraag wat het betekent om vandaag de dag joods te zijn. En met behulp van allerlei ‘bijrollen’ (zoals de zoon van Finkler die als jood betrokken raakt bij een antisemitisch incident – niet als slachtoffer maar als dader) slaagt Jacobson erin om zo’n beetje ieder cliché over de joodse identiteit, religie en cultuur een plek te geven, net als iedere mogelijke mening over Israël, Palestina, zionisme en antisemitisme. Is het in het begin nog ongemakkelijk om de vele stereotyperingen te lezen, al snel werkt de gekozen opzet bevrijdend en taboedoorbrekend, vooral door de humor die Jacobson eraan toevoegt.
Het resultaat is een tragikomische roman. Niet alleen over de zoektocht naar een joodse identiteit, maar ook over vriendschap, verlies, rouw, trouw en rivaliteit. Een van de sterkste scènes in het boek is een gesprek tussen Libor en een rouwbegeleidster. Passages als ‘Hij had geen idee wat hij allemaal tegen haar zei.[..] Hij speelde de rol van nabestaande. Hij zei wat nabestaanden, meende hij, op dat soort momenten zeiden. Hij maakte zelfs de bijbehorende gebaren.’ worden afgewisseld met zinnen waarin Libor zich bezighoudt met de neusgaten van de rouwbegeleidster of haar zich naakt voorstelt. Op zulke momenten is Jacobson op zijn best: pijnlijk, ontroerend en grappig tegelijkertijd.
Geen enkel thema wordt in deze roman zachtzinnig behandeld. Vriendschap bestaat voor een groot gedeelte uit rivaliteit; Treslove is zelfs jaloers op het verdriet van zijn vrienden. Ook zijn uitoefening van het vaderschap is heel ontnuchterend: ‘Eerst had hij zijn zonen willen vragen, maar hij heeft zich bedacht. Hij mag zijn zonen niet.’ En als het over de vreugde gaat ‘die je voelt als je voor vader speelt bij andermans kinderen’ gaat het om de vreugde van de machtsovername.
Jacobson laat ons de minder mooie kanten van mensen zien. Treffend is bijvoorbeeld deze uitspraak over Finkler, als hij net in het openbaar een onderonsje heeft met een beroemde vrouw uit de academische wereld: ‘De wetenschap dat de anderen zich opvraten over dit vertrouwelijk moment van ingewijden onderling, gaf hem een gevoel van stille voldoening.’
‘Erg grappig, heel ingenieus, heel droevig en heel subtiel’ was het oordeel van de niet-unanieme jury van de Man Booker Prize. Deze omschrijving is op veel passages van toepassing, maar helaas niet op de roman in zijn geheel.
Een strenge redacteur wens je Jacobson toe, die een selectie maakt van de sterkste dialogen, die alleen de scherpste grappen laat staan en die overvloedige mijmeringen van Treslove in de vorm van retorische vragen durft te schrappen. Dit geldt eveneens voor de overbodige herhalingen van bijvoorbeeld grappige vergelijkingen. Het beeld van een vrouw in bed die ‘achter haar rug met zijn penis [frommelt] alsof ze worstelde met de haakjes van een lastige bh’ is niet meer grappig als diezelfde opmerking dertig bladzijden eerder ook al is gemaakt.
Jacobson speelt met taal en maakt op bijna iedere bladzijde wel een woordgrap. Een vertaling wordt daarmee bijna een onmogelijke opgave. Het is duidelijk te merken dat de vertaalster op alle mogelijke manieren naar een equivalent zoekt voor die taalspelletjes; zelfs de tweede naam van Treslove wordt bijvoorbeeld veranderd. Toch leveren die vertalingen vaak gekunsteld of te nadrukkelijk taalgebruik op. De zinnen ‘Het was de joligste seksnacht die Treslove ooit had gekend. Een verrassing voor hem, want hij hield niet van jolijt.’ klinken een stuk minder aantrekkelijk dan de woorden ’the jolliest night’ die worden vervolgd met ‘A surprise to him because he didn’t do jolly’, om maar een voorbeeld te noemen. Het zo nu en dan ‘vreemde taalgebruik’ is meestal begrijpelijk met de oorspronkelijke Engelse uitgave bij de hand.
‘More is more! is het credo van Jacobson. Met een overdosis aan grappen probeert hij de aandacht van de lezer vast te houden in een roman zonder spannend plot en een losse structuur. Met meer maat zouden de grappen vaker daadwerkelijk lachwekkend zijn en zouden de treffende omschrijvingen beter tot hun recht komen. En dat verdient The Finkler Question, een gedurfde roman die als ondertitel had kunnen hebben Everything you always wanted to know about jewishness (but were afraid to ask).