• De zee is eeuwig doende om af te breken

    De zee is eeuwig doende om af te breken

    Op 10 augustus 1856 werd Last Island (l’Isle Dernière), een zandafzetting in de Golf van Mexico, getroffen door een orkaan die het eiland volledig verwoestte. Het was een populair vakantieoord voor inwoners van het iets noordelijker gelegen New Orleans. Op de dag van het noodweer hadden zo’n vierhonderd mensen bij de opkomende storm hun huisjes verlaten en het enige hotel opgezocht waar ze de dag muziek makend en dansend doorbrachten tot alles voorbij zou zijn. De orkaan bleek zo vernietigend dat het eiland met het hotel compleet werd weggevaagd.

    De Grieks-Ierse schrijver Lafkadio Hearn (1850-1904) was als journalist werkzaam in onder andere New Orleans toen hij bijna dertig jaar later, in 1883, een legende hoorde vertellen dat slechts één meisje van vier de orkaan had overleefd. Het kind was gevonden door een visser op een klein eiland en door hem en zijn vrouw opgevoed. Toen ze later door familie was teruggehaald naar Orleans zou ze niet aan de stad hebben kunnen wennen en was ze, zo wilde het verhaal, teruggekeerd naar haar adoptieouders om weer in de natuur te leven. Hearn was getroffen door het verhaal en bezocht in 1886 en 1887 wat van eiland over was en begon er aan zijn novelle Chita. Herinnering aan Last Island. Hij verscheen aanvankelijk als feuilleton en in 1889 als roman. Vorig jaar verscheen er een Nederlandse vertaling van.

    Natuur

    De titel Chita geeft de kern van Hearns eigen interpretatie van de gebeurtenissen uit 1856 niet goed weer. Natuurlijk is Chita (de naam van het meisje in de novelle) één van de belangrijkste personages, maar de ondertitel komt dichter bij wat de auteur wil doen. Niet voor niets duikt Chita pas op als we op de helft van de novelle zijn. Hearn beschrijft eigenlijk een ander thema: de onmetelijke grootheid van de natuur tegenover de hooghartigheid van de mens.

    Chita bestaat uit drie delen. Vooral in het eerste daarvan (‘De legende van l’Isle Dernière’) blijkt dat contrast in de uitbundige beschrijving van de kracht van de natuur in de uitloop van de Mississippi in de Golf van Mexico tegenover de vakantievierende toeristen op het eiland; die denken de orkaan die zich al enkele dagen aankondigt te kunnen weerstaan door de dag dansend in het hotel door te brengen. Maar: ‘de gele Mississippi is eeuwig bezig om op te bouwen; de zee is eeuwig doende om af te breken’. Het doet denken aan de ondergang van de Titanic terwijl het orkest doorspeelt – de ramp uit 1912 die Hearn dus nog niet kon kennen.

    Geologie

    Ook in ‘Uit de kracht van de zee’, het tweede deel, doet Hearn iets dergelijks. Hij plaatst in een geologische uitweiding het korte leven van de mens tegenover de ouderdom van de aarde. Pas daarna begint het verhaal van het meisje (ze blijkt een Creoolse dochter van een tot slaaf gemaakte) dat, eenmaal opgenomen in het gezin van visser Feliu Viosca en zijn vrouw Carmen, de naam Conchita (Chita) krijgt. Betekenisvol want concha betekent schelp, een verwijzing naar de titel van deel 2 én het feit dat Feliu haar uit de zee opviste.

    De verwikkelingen in het derde deel, ‘De schaduw van het tij’ kunnen hier moeilijk worden samengevat zonder een spoiler te geven. Laat hier volstaan dat blijkt hoe ondoorgrondelijk de lotgevallen van de mens zijn.

    Naadloos

    Chita is de eerste roman van Lafkadio Hearn in een Nederlandse vertaling door Barbara de Lange. Zij vertaalde in 2024 een Japanse verhalenbundel van dezelfde schrijver: Kwaidan. Japanse spookverhalen uit 1904.

    Hearn was de zoon van een Ierse vader en een Griekse moeder en werd geboren op het eiland Lefkas; zijn voornaam Lafkadio verwijst ernaar. Zijn ouders bekommerden zich nauwelijks om hem en stalden hem als kind al bij een tante in Ierland. Vandaar zocht hij jong zijn heil in de VS waar hij journalist werd. Toen hij in die functie eens in Japan verzeild raakte werd hij zo verliefd op dat land dat hij er trouwde met de samoeraidochter Koizumi Yakumo en haar familienaam aannam.

    De Nederlandse vertaling van Kwaidan gaat vergezeld van een nawoord door Jannie Regnerus. Zij woonde kort in Japan. Wie nu Chita leest valt op hoezeer Hearn in die novelle en in de spookverhalen van vijftien jaar later dezelfde auteur is. Regnerus heeft het over de antropomorfe benadering van de natuur in Kwaidan. Die is eveneens overtuigend aanwezig in Chita. En de wereld van spoken en geesten in de Japanse verhalen is ook in de novelle te herkennen waarin diverse keren geesten en ouders verschijnen in dromen. Regnerus stelt zelfs over wat Hearn in Japan doet: het ‘sluit naadloos aan op zijn voorgeschiedenis’.

    Dat kun je na lezing van Chita onderschrijven. Het lijkt immers niet gewaagd te veronderstellen dat de geschiedenis van het geredde meisje dat haar ouders verloor en door anderen werd opgevoed Hearn geraakt zal hebben vanwege zijn eigen problematische jeugd met ouders die hem aan zijn lot overlieten.

     

  • Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Uit de ondertitel van de verhalenbundel Kwaidan – Japanse spookverhalen van de Grieks-Ierse schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904) weten we dat het om spookverhalen gaat. Heel erg spookachtig zijn ze niet, eerder zijn het grimmige sprookjes. Japanse sprookjes en legendes die vaak al eeuwenoud zijn en mondeling overgeleverd werden. Het is dankzij Hearn, die ze in het Engels opschreef, dat ze een weg vonden buiten Japan. Na vele omzwervingen over de wereld kwam Hearn op zijn veertigste in Japan terecht, eerst als journalist, later werd hij leraar Engels. Hij voelde zich er thuis. Hij ontmoette zijn Japanse vrouw, een dochter van een vooraanstaande Japanse Samoerai-familie, en werd ineens een insider. Hearn raakte – inmiddels meer dan honderd jaar geleden – gefascineerd door de Japanse mythologie en folklore. Gemengd met zijn herinneringen aan zijn Griekse en Ierse jeugd schreef hij de verhalen in zijn eigen woorden op. Ze werden weer vertaald naar het Japans en worden nog steeds gezien als klassiekers.

    Zingen voor zielen

    Het openingsverhaal Mimi-nashi-Hôichi zet meteen de toon; zevenhonderd jaar geleden werd de laatste zeeslag geleverd tussen twee clans, de Heike en de Minamoto-clan. ‘De Heike kwamen daarbij jammerlijk om het leven, samen met hun vrouwen en kinderen en ook hun kindkeizer. (…) En al zevenhonderd jaar spookt het op die zee en aan die kust.’ Er zijn vreemde krabben te vinden, de zogenaamde Heike krabben, met een mensengezicht op hun rug, het zouden de geesten van de Heikekrijgers zijn. Er is ook een begraafplaats aangelegd op de kust met een gedenkteken van de verdronken keizer en zijn vazallen. Hôichi, een blinde bard, leefde een paar honderd jaar later. Hij was een begenadigd zanger en beroemd omdat hij de geschiedenis van de zeeslag zo voortreffelijk kon voordragen. Op leeftijd gekomen leefde hij in een klooster en werd beschermd door een priester. Op een dag werd hij opgehaald door een vreemdeling die hem meenam naar zijn hooggeplaatste meester. Die wilde Hôichi’s voordracht horen. Hôichi zong en speelde met zijn luit de sterren van de hemel. Om hem heen prevelden stemmen: ‘Wat een kunstenaar.’ ‘Nooit is er in onze provincie zulke geweldige muziek gehoord.’ En Hôichi speelde maar wist niet welke monsters hij voor zich had. Hij zat op de begraafplaats en speelde voor hun dolende geesten. Langzamerhand raakte hij uitgeput, de priester kwam hem redden, maar toen was het eigenlijk al te laat.

    Schuld en trouw

    Oshidori is ook zo’n prachtig betekenisvol verhaal. De jager Sonjô had honger en schoot het mannetje van een mandarijneendenpaartje dood. Volgens de noot, waar de verhalen rijkelijk van zijn voorzien, zijn mandarijneenden in het verre oosten van oudsher een symbool voor huwelijkse liefde. De vrouwtjeseend, verteerd door verdriet, bezocht Sonjô in zijn dromen en huilde zo smartelijk, dat hij het gevoel had dat zijn hart uit zijn lijf werd gerukt. De volgende dag zag hij de vrouwtjeseend weer en met haar doordringende blik op hem gericht deed ze zichzelf iets aan. Sonjô voelde zich zo schuldig dat hij monnik werd.

    Menselijke spookverschijningen

    De verhalen zijn kort en helder geschreven met veel poëtische vertalingen van Japanse gedichtjes en Haiku’s. Ze gaan over trouw en eer, religie en ronddwalende zielen als spookverschijningen, die zich voordoen als een mens, zoals de Heike krab met een mensengezicht op zijn pantser, of een ranke schoonheid die als ze zich omdraait een monster blijkt te zijn. Of een kersenboom die al honderden jaren bloeit op 16 januari. Hearn is gefascineerd door die verpersoonlijking van natuurverschijnselen.

    Zielen van overledenen zwerven graag rond in Hearns vertolkingen, zoals de overleden vrouw die iedere nacht iets kwam zoeken in haar oude huis en daarmee haar kinderen angst aanjoeg. Ook dromen, als uiting van het onderbewustzijn, spelen een rol. Een man beleefde drieëntwintig jaar een heerlijke droom, uiteindelijk bleek deze slechts een paar minuten te hebben geduurd, maar dan vindt hij een bewijs van iets dat in zijn droom plaatsvond. Al is het slechts het dode lichaam van een vrouwtjesmier.

    Een Samoerai met uitzonderlijke lichaamskracht wordt monnik – ‘een wolk en waterreiziger’. Om een gezin te behoeden voor het kwaad, hakt hij het hoofd af van een ‘rokuro-kubi’, een monster met een uitgerekte hals. Bij deze monsters kan het hoofd terugkeren naar het lichaam, zolang dat niet verplaatst wordt. Precies dat doet deze dappere monnik, het lichaam verplaatsen, maar dan bijt het hoofd met de angstaanjagende gelaatsuitdrukking zich aan hem vast en zit hij er voortaan mee opgescheept. Welgemoed neemt hij het hoofd mee op zijn reizen, tot hij er afstand van weet te doen. In die zin zijn de verhalen ook humoristisch.

    Insectenstudies

    De zeventien spookverhalen worden afgesloten met drie insectenstudies. De eerste gaat over vlinders. Veel symboliek over vlinders komt overigens uit China, zegt Hearn. ‘In de Japanse overlevering kan een vlinder echter zowel de ziel van een dood als van een levend iemand zijn. Zielen hebben zelfs de gewoonte een vlindervorm aan te nemen om aan te kondigen dat ze definitief het lichaam hebben verlaten; en daarom moet elke vlinder die een huis binnenkomt altijd vriendelijk tegemoet worden getreden.’
    Opgenomen zijn een prachtige Haiku en het gesprek met een vlinder, beide poëtisch door Hearn verwoord.

    In de tweede insectenstudie gaat Hearn in op ‘Muggen’, een hilarisch verhaal, want de muggen leggen hun eieren in zogenaamde ‘mizutanes’, langwerpige waterbakjes, en bloembakken waarvan er duizenden zijn te vinden op de boeddhistische begraafplaats achter Hearns huis. Met andere woorden, hij wordt geteisterd door de muggen en zint op een manier om van ze af te komen.

    Mieren is de derde studie en verreweg het interessantst. Het essay begint met een man die met een crème op zijn oren de gesprekken tussen mieren kan verstaan. Hearn bestudeert de Cambridge Natural History en beschrijft naar aanleiding daarvan de opmerkelijke verschijnselen in het leven van mieren. Mieren verstaan de kunst van het samenleven in maatschappijen in veel opzichten beter dan onze eigen soort en ‘zijn ons ver vooruit in de verwerving van bepaalde kundes en kunsten die sterk bevorderlijk zijn voor het maatschappelijk leven.’ Vervolgens schept hij de sociale maatschappij van een mierenvolk met: ‘Ontzagwekkend fatsoen, de vreselijke moraliteit van de mier. (…) Vergeleken bij de ethiek van de mier schieten onze aantrekkelijke gedragsidealen minstens miljoenen jaren tekort.’

    In het persoonlijke nawoord van kunstenares en schrijfster Jannie Regnerus, die in 2000 een jaar in een artist residence in Japan woonde, vertelt ze hoeveel ze heeft gehad aan Hearns gids, die haar met zijn heldere en poëtische beschrijvingen hielp de Japanse wereld betekenis en reliëf te geven. Dankzij de uitstekend lezende vertaling uit het Engels door Barbara de Lange zijn Hearns Japanse spookverhalen een luchtige leeservaring voor het slapengaan. Ze zijn ook interessant voor de beeldvorming van Japanse, en Chinese, oude cultuur.

     

  • Oogst week 44 – 2024

    Oogst week 44 – 2024

    Waarom het kind in de polenta kookt

    In Waarom het kind in de polenta kookt van de van oorsprong Roemeense Aglaja Veteranyi (1962–2002) komt de achtergrond van de schrijfster herkenbaar naar voren. Haar familie vluchtte tijdens het regime van Ceauşescu naar Zwitserland. Omdat haar ouders beide circusartiest waren, was de familie altijd onderweg en overal een buitenstaander, met alle problemen van dien. Ze bleven niet alleen in Zwitserland, maar reisden ook door Europa, Afrika en Zuid-Amerika. Hierdoor bleef Veteranyi lange tijd analfabeet. Toen ze weer terug was in Zwitserland leerde zij zichzelf Duits lezen en schrijven. Dat werd ook de taal waarin ze schreef.

    Waarom het kind in de polenta kookt uit 1999 is haar debuut. Het was meteen een groot succes. Het is een coming-of-age roman die gaat over twee zusjes in een Roemeense circusfamilie. Zij maken zich elke dag zorgen om hun moeder die elke avond in de trapeze hangt. Om die zorgen te vergeten, vertellen ze elkaar verhalen die soms erg gruwelijk worden.

    Aglaja Veteranyi pleegde in 2002 zelfmoord

     

     

    Waarom het kind in de polenta kookt
    Auteur: Aglaja Veteranyi
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers (2024)

    Ik wens mijn huis as 

    Darja Serenko (1993) is een Russische dichter, curator en politiek activist. Zij is medeoprichter van de Feminist Anti-War Resistance (FAS)-beweging die in februari 2022 opgericht werd als protest tegen de Russische invasie van Oekraïne. Al snel had de organisatie veel aanhangers. Nog geen jaar later wordt de FAS in Rusland als ‘buitenlands agent’ betiteld, maar krijgt daarna ook de Vredesprijs van Aken 2023.
    Vanwege een bericht op social media om steun te betuigen aan Alexsej Navalny krijgt Serenko 15 dagen celstraf. In die dagen begint ze aan Ik wens mijn huis as. Momenteel woont zij in Georgië.

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee afzonderlijke delen: Meisjes en instituties (2021), dat gebaseerd is op eigen ervaringen, en Ik wens mijn huis as (2023), waarin zij haar verblijf in de gevangenis centraal zet.

    Eva Hartog gaat op 1 november a.s. in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag met Serenko in gesprek. Hartog woonde en werkte jarenlang als correspondent in Rusland. In 2023 kreeg zij te horen dat ze dat land uit moest. Ze is als journalist verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer en Time Magazine.

    Ik wens mijn huis as 
    Auteur: Darja Serenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Kwaidan

    Kwaidan zijn Japanse spookverhalen en legendes. De schrijver van deze bundel Kwaidan werd in 1850 in Griekenland geboren als Patrick Lafcadio Hearn. Zijn vader was Iers, zijn moeder Grieks. Na zijn jeugd in Dublin emigreerde hij op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten, werd journalist en kwam uiteindelijk als correspondent terecht in Japan waar hij het staatsburgerschap kreeg en hij de rest van zijn leven zou blijven. Zijn Japanse naam is Koizumi Yakumo.

    Kwaidan bevat huiveringwekkende spookverhalen die gebaseerd zijn op Japanse folklore maar ook vol zitten met herinneringen aan de eigen spookachtige jeugd van de auteur in Ierland. Het wordt bevolkt door allerlei angstaanjagende en enge wezens.

    Het is een verzameling verhalen geworden die inmiddels tot de Japanse klassiekers behoort. Kwaidan is door Barbara de Lange vanuit het Engels vertaald, en is voorzien van een nawoord door Jannie Regnerus. Specifieke Japanse begrippen worden in noten onderaan de pagina toegelicht.

    Kwaidan
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)
  • Oogst week 51 – 2023

    Oogst week 51 – 2023

    Russisch familiealbum

    ‘Van mijn kennissen woont er niemand meer in het huis waar ze zijn opgegroeid of zelfs maar in de stad of het dorp waar ze hun kinderjaren hebben doorgebracht. De meesten van mijn vrienden leven gescheiden van hun ouders. Velen zijn in het ene land geboren en wonen nu in het andere. Anderen leven in ballingschap en geven hun gedachten gestalte in een tweede taal te midden van vreemden. Ik heb vrienden wier familieverleden uitgewist is in de concentratie-kampen. Zij zijn de weeskinderen van de geschiedenis.’

    Zo begint Russisch familiealbum van Michael Ignatieff. Het lijkt zo actueel, maar nieuw is dit boek zeker niet. Het is verschenen in 1987 en het is ook niet de eerste keer dat het in Nederland uitgebracht wordt. Het is een echte klassieker, en door de oorlog in Oekraïne zal het zeker weer op de belangstelling van veel lezers kunnen rekenen.
    In deze familiekroniek die o.a. de laatste jaren van het tsaristische Rusland beschrijft, gaat Ignatieff (zoon van een Russische graaf en een Canadese moeder) op zoek naar het verhaal van de familie van zijn vader. Zijn grootouders vluchtten tijdens de Russische Revolutie. Russisch familiealbum is op hun memoires gebaseerd. Ignatieff riep ook de hulp in van familieleden en maakte voor het boek in 1983 en 1986 twee studiereizen naar de Sovjet-Unie.

    Russisch familiealbum
    Auteur: Michael Ignatieff
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Puur geluk en andere verhalen

    De Engelse schrijfster Katherine Mansfield (1888 – 1923) wordt alom gewaardeerd om haar korte verhalen. Ze werd geboren in Nieuw-Zeeland. Voor haar studie vertrok ze naar Londen. Ze keerde daarna voor korte tijd terug naar haar geboorteland. Daar aarde ze niet meer en ze koos uiteindelijk definitief voor Europa, waar ze zich desondanks ook nooit helemaal thuis heeft gevoeld. Haar bekendste korte verhalen schreef ze met Nieuw-Zeeland als achtergrond. Een daarvan is Puur geluk.

    Mansfield was bevriend met o.a. de schrijvers Virginia Woolf en D.H. Lawrence en was een groot liefhebber van Tsjechov, door wie zij ook geïnspireerd werd. Zij schreef over mensen die vastzitten in situaties waarin ze permanent tegenover elkaar lijken te staan en pijnlijke schade veroorzaken door hun onvermogen om open en eerlijk te zijn. De veertien verhalen in Puur geluk gaan over dingen die meestal niet gebeuren en gevoelens die niet gedeeld kunnen worden.

    Barbara de Lange vertaalde Puur geluk. Zij vertaalde o.a. ook Virginia Woolf, D.H. Lawrence, Donna Tartt, Howard Jacobson en Margaret Atwood.
    In december 2023 ontving De Lange de Letterenfonds Vertaalprijs, een oeuvreprijs voor literair vertalers die zich onderscheiden door o.a. de hoge kwaliteit van hun vertaalwerk.
    In 2017 publiceerde Literair Nederland een interview met haar.

    Puur geluk en andere verhalen
    Auteur: Niek Hendriks en Theo Hendriks
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    En steeds is alles er

    Marjoleine de Vos is schrijver en dichter. Ze is daarnaast columnist en redacteur kunst bij NRC Handelsblad. Voor haar dichtbundel Zeehond werd ze in 2002 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2023 kreeg ze de Groenman-taalprijs, die elke twee jaar wordt uitgereikt aan een schrijver die zich onderscheidt door goed en creatief gebruik van de Nederlandse taal.
    Dat ze zich goed kan uitdrukken is – zeker over een onderwerp als de dood – van grote waarde, en meteen te ervaren in de beginpagina’s van En steeds is alles er waarin de auteur haar eerste verwondering beschrijft als ze het levenloze lichaam ziet van de man van wie ze gehouden heeft.
    ‘De laatste blik op het gezicht, zó graag had je die willen werpen, maar die is onmogelijk, omdat het gezicht het gezicht niet is. De wisseltruc van de dood, die je liefste meeneemt en je achterlaat met iets van Madame Tussauds. Iets wat al na korte tijd best weg kan.’

    Om even later verder te gaan: ‘En dan ligt het daar, netjes aangekleed in het mooie overhemd, het gezicht in een plooi die je er nog nooit op hebt gezien. De aanraking van die wasachtigheid, de streling die je bedoelde en die afketst van de koude wang. Het lichaam heeft de dierbare losgelaten. De scheiding tussen lichaam en geest is duidelijk zichtbaar en de geest is weg. Laat dat lichaam dan ook maar – néé! Laat me het lichaam houden! De tegenstrijdigheden.’
    Rake uitspraken en emoties. Voorstelbaar, en zo herkenbaar.

    En steeds is alles er
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Vertaalprijs 2023 voor Barbara de Lange

    Literair vertaler Engels-Nederlands Barbara de Lange ontvangt dit jaar de Vertaalprijs voor de hoge kwaliteit van haar vertaaloeuvre en haar inzet als literair ambassadeur. Dit jaar zit De Lange precies veertig jaar in het vak. Na haar studie filosofie begon ze non-fictie te vertalen. Na enkele jaren kreeg ze het aanbod een roman van Margaret Atwood te vertalen, het werd haar eerste literaire vertaling. Niet lang daarna werd ze fulltime vertaler. Ze vertaalde onder meer De verborgen geschiedenis, van Donna Tartt, werk van Virginia Woolf, D.H. Lawrence, Howard Jacobson, Yann Martel, Michael Ondaatje, George Steiner en Anne Tyler.

    De jury noemt De Lange ‘een zeer consciëntieus vertaalster die haar projecten met zorg uitkiest en initiatief heeft genomen door bijvoorbeeld het oeuvre van Virginia Woolf verder te ontsluiten’. Daarnaast geeft ze vanaf 2007  workshops literair vertalen Engels aan de VertalersVakschool te Amsterdam, en sinds 2017 is zij werkzaam als bestuurslid van het vertaaltijdschrift PLUK. Ze heeft zich altijd ingezet voor de status van de literair vertaler en de voorwaarden waaronder al haar collega’s – jong en oud – moeten werken. De jury vond dat het hoog tijd was om haar de erkenning te geven die zij verdient.

    Binnenkort verschijnt een nieuwe reeks vertalingen van haar hand: bij uitgeverij Athenaeum verhalen van Katherine Mansfield en de roman Drie van Ann Quin, te verschijnen bij uitgeverij Oevers. Quin is een avant-garde schrijfster uit de jaren zestig van de vorige eeuw. De Engelse tekst is poëtisch en schilderachtig in de beelden die worden opgeroepen. In een interview met Literair Nederland in 2017 zei Barbara de Lange, ‘Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken’.

    Over haar vertaling Beer van Marian Engel zegt de jury: “Met scherpe, beschouwende blik haalt Barbara de Lange in weerbarstige zinnen vanaf de bodem van de tekst de maximale lading aan betekenis naar boven. De lezer merkt er niets van dat ze daarnaar heeft moeten hengelen.” Andere door De Lange vertaalde auteurs zijn o.a.:

    Aan de prijs is een bedrag van 15.000 euro verbonden. De uitreiking vindt plaats op 8 december tijdens de Literaire Vertaaldagen in de Rode Hoed in Amsterdam.

    De Letterenfonds Vertaalprijs is een oeuvreprijs en wordt in de even jaren toegekend aan een literair vertaler uit het Nederlands, en in de oneven jaren aan een vertaler van literatuur in het Nederlands. Recent ging de prijs naar Janny Middelbeek-Oortgiesen (Zweeds-Nederlands), Goedele De Sterck (Nederlands-Spaans), Ran HaCohen (Nederlands-Hebreeuws) en Aai Prins (Russisch-Nederlands).

     

     

    Foto verkregen via Letterenfonds

  • Literaire poging om het leven stil te laten staan

    Literaire poging om het leven stil te laten staan

    Waarom zou iemand anno 2023 de nieuwe uitgave van de vijfennegentig jaar geleden verschenen roman To the Lighthouse van Virginia Woolf willen recenseren? Voor een antwoord daarop was een verdieping in de receptiegeschiedenis van deze roman in Nederland nodig. Naar de vuurtoren is betrekkelijk laat naar het Nederlands vertaald; in 1981 door Jo Fiedeldij Dop. Sinds dat jaar zijn er vier andere drukken van deze vertaling verschenen, de laatste in 2020. De vertaling door Barbara de Lange is dus de tweede transfer van de klassieker naar het Nederlands en als zodanig verdient Naar de vuurtoren zeker kritische aandacht. 

    De vertaling is van een hoog niveau gezien de uitdaging van de stijl waarin Woolf schreef. De lange meanderende zinnen, onderbroken door aanhalingstekens en streepjes om de gedachtegangen en oprispingen van het gevoel van de personages weer te geven, zullen het het vertaalproces bemoeilijkt hebben. De Lange is er echter in geslaagd om een vertaling te maken die prettig leest en de oriëntatie van de lezer in de vele lange zinnen niet belemmert. De vertaalster kan ook geprezen worden voor haar omgang met de voetnoten: deze verduidelijken de intertekstuele verwijzingen, gelegd in de mond van personages, een verzameling Engelse intellectuelen, die er hun redes mee doorspekken. De voetnoten komen echter weer niet zo vaak voor dat de leeservaring er door verstoord wordt. 

    Meditatief lezen

    De ‘stream of consciousness’ waarmee de gedachten en gevoelens van de familie Ramsay en hun gasten weergegeven worden, zorgt ervoor dat het boek om een specifiek soort aandacht vraagt. De lezer moet zich focussen om te kunnen volgen door wiens bewustzijn de beschreven indrukken gefilterd worden. Tegelijkertijd wordt de aandacht steeds verlegd, golft van het ene personage naar het andere, zoals de zee rondom het eiland Skye waar de roman zich afspeelt.  Het lezen van deze roman kan met meditatie vergeleken worden omdat dit ook de focus doet vernauwen. Naar de vuurtoren is dan ook geen roman die zich laat lezen in een rumoerige trein, of slaperig in bed. 

    De aandacht die de roman vraagt, wordt echter rijkelijk beloond. Het bijzondere aan de personages zoals mevrouw Ramsay, de moeder van acht kinderen, Lily Briscoe, de schilderes, of William Bankes, de wetenschapper, is dat ze ontvankelijk zijn voor de geheimzinnige en bijzondere dingen in de  routineuze en alledaagse aspecten van het leven, zoals de natuur om hen heen, hun ervaringen. Ze stellen zich verwonderde vragen over de aard van eigen waarnemingen. ‘Wie weet wat we zijn, wat we voelen?’ Of over interpersoonlijke relaties. ‘Wie kan zelfs op het moment van vertrouwelijkheid weten: dit is iemand kennen?’ Dit kan ertoe leiden dat de lezer tijdens het lezen zelf ook meer aandacht opbrengt voor zijn eigen waarnemingen en de verbazingwekkende kanten van de schijnbare vanzelfsprekendheid van het bestaan. 

    Mevrouw Ramsay het middelpunt

    Hoofdpersonage mevrouw Ramsay vormt het centrum waaromheen de structuur van de roman is gebouwd. Zij is de kern om wie alle andere personages draaien, die het thuisgevoel voor haar kinderen en man creëert. Door de ogen van het zesjarige zoontje James wordt de volgende scène van woordeloze communicatie tussen zijn moeder en vader verbeeld: ‘Hij moest de verzekering krijgen dat ook hij in het hart van het leven had geleefd; nodig was […]. Flitsend met haar naalden, zelfverzekerd, met rechte rug, schiep ze zitkamer en keuken, vulde ze alle met licht; nodigde hem uit om zich daar te ontspannen, in en uit te lopen, te genieten.’

    In het derde deel van de roman die zich tien jaar na het eerste deel afspeelt, vormt mevrouw Ramsay nog steeds het middelpunt, ook al is ze inmiddels overleden. De meeste personages uit deel een komen weer terug naar Skye en herleven betekenisvolle momenten van tien jaar geleden. De focus in het derde deel vloeit heen en weer tussen meneer Ramsay, zijn jongste kinderen op een boot op weg naar de vuurtoren, en Lily Briscoe die bij de zee schildert. De gedachten van Lily cirkelen rondom haar herinneringen aan mevrouw Ramsay, die voor haar de schakel vormt die alle aanwezige mensen in het huis met elkaar verbond. 

    ‘Wanneer ze aan haarzelf en Charles met die keilende steentjes dacht, en aan dat hele tafereel op het strand, leek het allemaal vaag afhankelijk van mevrouw Ramsay […] ze voegde dit en dat en nog wat samen, en vormde op die manier […] iets – dat tafereel op het strand bijvoorbeeld, dat moment van vriendschap en genegenheid – wat overeind bleef, na al die jaren intact.’

    Het monument dat Virginia Woolf met woorden heeft opgericht voor deze vrouw die in sommige opzichten op haar moeder en in andere op haarzelf lijkt, heeft na vijfennegentig jaar niets van haar betoverende kracht verloren. Deze poging om de eeuwige, universele vragen naar de betekenis van het leven vast te leggen, voelt vandaag nog steeds relevant. Het hoopvolle geloof in de kracht en het vermogen van kunst om dat te doen waarvan de roman doordrongen is, voelt als verfrissende tegenhanger voor de sceptici van vandaag. 

     

  • Ingehouden persoonlijke tragiek

    Ingehouden persoonlijke tragiek

    Lange tijd was de Amerikaanse auteur Bette Howland (1937-2017) vergeten, totdat haar debuut W-3 in 2013 werd herontdekt. Deze is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald als Paviljoen 3. In deze autobiografische roman beschrijft Howland de tragische lotgevallen van de bewoonsters van de psychiatrische afdeling van een universiteitsziekenhuis. De ik-verteller is een jonge vrouw met twee kleine kinderen die het in haar eentje moet zien te rooien: ‘Een smerig flatje, rottig baantje, eeuwige geldzorgen.’ De existentiële en economische onzekerheid waar ze alleen voor staat, leidt tot lichamelijke uitputting, langdurige depressie en een zelfmoordpoging waarna ze in het ziekenhuis en uiteindelijk op de psychiatrische afdeling terecht komt. Niet een erg opbeurende leeservaring, zoveel is zeker. Maar weet het boek de lezer ook te raken?

    Het verhaal speelt zich overwegend af in Paviljoen 3 en beschrijft een wereld met verschillende typen medepatiënten, verplegers, de verleende medische zorg en de heersende cultuur. Deze cultuur is sterk bepalend voor de patiënten. De bedoeling is dat de patiënten samen een maatschappij in het klein vormen, dat hun gemeenschap zelfsturend is en over bepaalde zaken beslist. Een voorbeeld van autonome patiëntbeslissingen is het uitdelen van pasjes voor privileges, zoals wandelingen. Er moet eindeloos vergaderd worden met mensen waarvan de ene helft zulke beslissingen niet wil of kan nemen en waarvan de andere helft geestelijk niet aanwezig is. De meeste patiënten krijgen namelijk kalmerende medicijnen voorgeschreven en zijn meestal afwezig en onverschillig.

    Momenten van medemenselijkheid

    Er zit weinig lijn in de therapieën op de afdeling, hetgeen soms leidt tot extreme situaties en reacties. Een voorbeeld vormt Cootie: zij weigert te spreken met of anderszins te reageren op haar omgeving. Mede-patiënte Simone wordt aan haar gekoppeld als maatje. Cootie geeft lange tijd het zwijgen niet op maar Simone houdt niet op met communiceren en aandacht aan haar besteden. Hun verhouding dreigt uit te lopen op een patstelling, maar uiteindelijk begint Cootie toch te praten. Snel daarna verlaat zij na twaalf dagen, ‘gezond en lachend’ het ziekenhuis. De verteller merkt over Simone het volgende op: ‘De trouwe aandacht waarmee ze Cootie omringde had […] iets oprechts en zorgzaams’. Dit heeft haar waarschijnlijk geholpen om beter te worden. Zo schemeren er door de wereldvreemdheid van de omgangsvormen, veroorzaakt door de mentale problemen van patiënten en hun medicatie in Paviljoen 3, toch momenten van (mede)menselijkheid. 

    De verteller beschrijft gebeurtenissen op een nauwkeurige, bijna wetenschappelijke, maar daardoor ook afstandelijke manier. De cultuur in Paviljoen 3 is gericht op uiterlijkheden en de vertellersstem beschrijft vooral het oppervlak: ‘We besteedden in Paviljoen 3 veel tijd aan ons uiterlijk […]. Dit alles omdat zorg voor je uiterlijk algemeen wordt opgevat als een blijk van geestelijke gezondheid, een van de levenstekenen.’ Feministisch redenerend kun je constateren dat het perspectief van de verteller  dat van de mannelijke blik is: ze bekijkt en beoordeelt vrouwen op basis van hun uiterlijk. Dit lijkt overeen te komen met de opvatting van de moeder van de verteller over wat het betekent om vrouw te zijn: ‘Je bent je ervan bewust dat er iets ontbreekt, iets nodig is; (…) je moet een medicijn zoeken voor het leven en je noemt die bedwelmde toestand “liefde”. Dat is het antwoord […] je hebt alleen een man nodig. […] Maar waar vind je die man? Wie is hij? En trouwens, wat heeft hij eraan?’ Het einde van dit citaat zou kunnen getuigen van een subtiel ironiserend feministisch bewustzijn bij de verteller dat de heersende genderrollen relativeert. Evengoed kan het echter een bevestiging zijn van de stelling dat de vrouwelijke ik-verteller het mannelijke perspectief op haar eigen sekse volledig heeft geïnternaliseerd.

    Nadruk op uiterlijkheden

    Tegelijkertijd is de nadruk op uiterlijkheden een onderscheidend aspect van de roman omdat de rake observaties van de kleinste details in het gedrag, uiterlijk en gewoontes van de medepatiënten af en toe amusant en doeltreffend zijn. Toch is het juist deze overwegende nadruk op het uiterlijke waar het boek een kans heeft laten liggen. Het verhaal was veel aangrijpender en ontroerender geweest als de verteller meer focuste op haar eigen positie en emoties. In dit opzicht is de roman niet zo gedurfd als de omslag beweert, omdat Howland van deze diepere tragische laag weinig gebruik maakt en het persoonlijke grotendeels uit het boek heeft gehouden. De meest aangrijpende scènes zijn degene waarin Howland haar rol van moeder en haar verhouding tot haar zoontjes beschrijft. Dat gebeurt echter maar twee keer door de roman heen.

    Uiteindelijk stelt de ik-verteller na afloop van haar verblijf in Paviljoen 3 zelf haar diagnose, namelijk dat ze een zenuwinzinking heeft gehad. Dat dit gedeeltelijk te wijten is aan het falen van het systeem (armoede, gebrek aan sociale contacten of netwerk, geen gezondheidsverzekering), blijft door de verteller onderbelicht. In dit verband dient zich de vraag aan of de roman als geheel opgevat kan worden als een aanklacht op de staat van de Amerikaanse psychiatrie. Het beschrijven van de steeds uitgestelde gesprekken met psychiaters, studenten-behandelaars die maar passanten zijn en de cultuur op de afdeling zouden op die manier gelezen kunnen worden. De roman heeft als geheel echter niet een geëngageerde, aanklagende toon.

    Aan het eind van het boek wordt de ik-verteller door een kennis opgepept om uit het pathologische wereldje van Paviljoen 3 te stappen, hetgeen zij snel doet. Haar leven lijkt verder te gaan, zij is genezen. Maar wat ze in Paviljoen 3 heeft geleerd of hoe ze zich verder ontwikkelt, blijft onduidelijk. Ondanks de tragiek en het autobiografisch element weet de roman niet echt te raken of te ontroeren omdat een diepere persoonlijke laag weinig aangeboord is.

     

     

  • Over William de ex-man van Lucy Barton

    Over William de ex-man van Lucy Barton

    De recent verschenen roman Het verhaal van William van Pulitzerprijswinnaar Elizabeth Strout begint een jaar na de dood van David, een mank lopende cellist en tweede echtgenoot van de ik-figuur, schrijfster Lucy Barton. Met zijn dood komen de herinneringen weer boven aan haar ex-man, William, een academicus. Over William gaat dit boek, vanuit het gezichtspunt van Lucy, vanaf het moment dat hij negenenzestig jaar is.

    Lucy Barton kent de doorgewinterde Strout lezer al van de boeken, Ik heet Lucy Barton en Niets is onmogelijk. Lucy heeft iets mysterieus over zich, waarbij het broeit onder de oppervlakte. Ze is onsentimenteel, onuitgesproken in haar behoeften. Strout verwijst in Het verhaal van William soms naar haar eerdere boeken: ‘Dat heb ik al eens gezegd’. Zo schept ze een band tussen haar boeken over Lucy en een eenheid in haar oeuvre. 

    Kleine en grote angsten

    William is half Duits, half Amerikaans. Hij is voor de derde keer getrouwd met Estelle. Zij hebben samen een dochter, Bridget. Uit het huwelijk van Lucy en William zijn er twee dochters: Chrissy en Becka. William lijdt ’s nachts aan angstaanvallen. Sommige daarvan hebben te maken met de oorlog. Zijn vader was een Duitser en had in de oorlog gevochten aan de kant van de nazi’s. Andere angsten zijn gerelateerd aan zijn moeder, Catherine. Lucy is ook niet vrij van bange gevoelens sinds haar moeder haar langs de kant van de weg liet staan en wegreed. Ze wil zich ‘onzichtbaar’ maken – een omschrijving die doet denken aan de essaybundel Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid van Rebecca Solnit. ‘Ze wil’, zo schrijft Solnit (Strout vult het niet in) ‘een zo klein mogelijk gebiedje dat niet opviel’ innemen om veilig te kunnen zijn.

    In vergelijking tot William zijn het ‘kou en kiezeltjes angst’ waar ze zelf last van heeft. Of is het zo dat William een man van het kinderachtige soort is, die van een beetje een boel maakt? Terwijl Lucy door periodes van depressie gaat, haalt hij zijn schouders daarover op. Ze laat William gaan, en denkt: ‘Ach, William’ – wat een adequatere vertaling van de Engelse titel Oh William was geweest. Ook William zegt het: ‘Ach, Lucy’. Op momenten dat ze elkaar nog steeds na staan, alsof er spiegelneuronen werkzaam zijn.

    Spiegelingen en harmonie

    Op een gegeven moment vraagt William aan Lucy of ze met hem op zoek wil gaan naar het kind dat zijn moeder voor hem had bij een andere man. En dan komt het: zijn moeder had het kind, een meisje dat Lois Trask heet, achtergelaten om met zijn vader te gaan leven. Dat hebben we eerder gelezen. Lucy’s moeder reed weg, Williams moeder wandelde zomaar de deur uit en liet haar dochtertje achter. Bovendien doet het denken aan de manier waarop Estelle, Williams derde vrouw, hem verliet en daarvoor hoe Lucy hem had verlaten om zijn buitenechtelijke relaties. 

    Het zijn die grote en kleine spiegelingen die Strout zo vernuftig door haar verhaal weeft. William droomt op een nacht van hun baby Beckya. Op Luzy’s vraag of hij wel goed had geslapen, antwoordt hij: ‘Als een baby’. Het spiegelt ook een beetje de manier waarop ze als vrienden met elkaar omgaan; ‘voor ons klopte het helemaal’ meent Lucy op een gegeven moment, zoals ze denkt dat Houlton, een stadje ‘al jaren in harmonie was met zichzelf’. En de halfzus Lois, wanneer ze is gevonden, in harmonie was met zichzelf is, ‘zoals iemand is, denk ik, wanneer allebei zijn ouders van hem hebben gehouden’. Dit harmonieus-zijn, wat voor Lucy een gemis betekent, is een centraal thema in Strouts boeken. We komen het ook tegen in Olive Kitteridge (2015), waar Denise en apotheker Henry’s wezen zich even gemakkelijk met elkaar verbonden, ‘als aspirine met het enzym COX-2’. 

    Determinisme en vrije keus

    Je kunt je afvragen, of het niet iets met determinisme te maken heeft, omdat William zich op een gegeven moment afvraagt: ‘Hoe vaak kiest iemand echt iets?’ Lucy had geen keus om haar gezin achter te laten, ze moest wel. William had naar eigen zeggen, geen  keus om vreemd te gaan. Bovendien – zo lezen we – leek het huwelijk tussen Lucy en David, haar overleden tweede man, ‘made in heaven’Je kunt je óók afvragen of dit ook voor de negatieve uitingen opgaat. Lucy’s schoonmoeder Catharine zegt bijvoorbeeld tegen haar: ‘Donder op!’ Haar dochter Chrissy (beide namen met een C) zegt tegen haar: ‘Ik kan je niet uitstaan’, zoals William opbiecht dat hij zijn moeder niet kon uitstaan. Inleven in elkaar lijkt niet de sterkste kant van de personages in Strouts roman. In die zin hebben ze allemaal een rafeltje, zijn ze allemaal gecompliceerde ‘round characters’.  

    Tot in detail vertelt Strout haar verhaal. Zo sabbelde William als kind op de kraag van zijn jas, en later op zijn snor. Een snor die hij op het eind afscheert. Je kunt als lezer lang op de betekenis hiervan kauwen. Valt wat je overkomt en wat je kiest niet gewoon soms samen, omdat het niet anders kan ? Zo is dit een boek dat je bijblijft, dat is een ding dat zeker is.

     

     

  • Die veel begeert, veel ontbeert

    Die veel begeert, veel ontbeert

    In zijn columnbundel De beste beesten brengt Midas Dekkers de mens onder in het dierenrijk. Hij schrijft over onze soort: ‘Snot, oorsmeer, uitwerpselen: elke uiting van uw centrale ik wordt stelselmatig door uw buitenwacht afgewezen. Kennelijk wilt u uzelf liever niet kennen. Stomme zak.’ De eigen dierlijkheid is de mens te weerzinwekkend om onder ogen te zien. Schamen wij ons ten diepste voor wie wij zijn? Eén landdier ontbreekt echter in de columns van Dekkers. Blijkbaar wilde hij zijn vingers niet branden aan het aaibare roofdier dat dankzij Beertje Paddington, Winnie de Poeh, Baloe en president Teddy van al zijn bloeddorstigheid beroofd is.

    Gelukkig heeft uitgeverij Koppernik het adembenemende boek Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel opnieuw gepubliceerd. Dit verhaal zindert van vrouwelijke seksualiteit en maatschappijkritiek, waar Engel tegelijk waarschuwt voor zelfgenoegzaamheid. Bibliothecaresse Lou wordt hopeloos verliefd op een beer die op het landgoed van een voormalige kolonist verblijft. In de veronderstelling verkerend dat ze de werkelijke beschaafdheid vindt in de onbedorven natuur, begaat Lou een doodzonde. 

    Masturberen

    Beer steekt alle erotische parels uit de literaire canon naar de kroon. Zo zuinig Engel met geslachtsdelen en seksuele handelingen strooit, zo doeltreffend creëert ze een sensuele ambiance met de échte aanjagers van seksueel verlangen: schaamte, geur en fantasie. Niet het expliciete, maar het impliciete prikkelt de zinnen. Lou reist af naar het desolate Noord-Ontario, waar ze een archief moet aanleggen voor een privébibliotheek van de overleden Colonel Cary. Bij binnenkomst van het koloniale, vervallen pand vechten walging en wellust om voorrang: ‘De geur van kachelolie. De geur van muizen. De geur van stof (…) Nog een geur, muskusachtig, ondefinieerbaar maar aangenaam.’ Ze ruikt de beer, die ze nog niet ontmoet heeft. Lucy Leroy, de native american die het beest verzorgde voor Cary, zegt dat Lou samen met de beer moet poepen, opdat ze elkaar leren kennen. ‘Beer leeft bij geur. Hij vindt jou aardig.’ Dit ritueel, dat Lou in haar zoektocht naar puurheid blindelings voltrekt, mist zijn uitwerking niet: ‘een muskuslucht zo scherp als de hoge zoete klank van een herdersfluit.’ Hoewel het archiveren van de bibliotheek voortvarend begint, raakt Lou verslingerd aan het wilde dier, dat in een hok achter het huis bivakkeert. 

    Seks met mannen is voor Lou een noodzakelijk kwaad: ‘Er was geen sprake van genegenheid. Het was iets geworden wat ze zichzelf aandeed.’ De directeur van het historisch instituut waar ze werkt, neemt haar in de lunchpauzes. De beheerder van Cary’s huis, Homer, verleidt haar met whisky en bedriegt zijn echtgenote. In de geborgenheid van Beers warme vacht ontdooit Lou, bevredigt zichzelf, maar heeft geen gemeenschap met het beest: ‘Hij likte tot haar tepels hard waren en schuierde haar navel. (…) Toen ze kwam, huilde ze zacht. En de beer likte haar tranen af.’ De ochtend erna overdenkt ze haar zonde: ‘Ze kneep in haar geweten om te achterhalen of ze zich een slecht mens voelde. Ze voelde zich geliefd.’ En ze houdt van hem. Het bestiale wordt het beste wat ze ooit gehad heeft, want ‘wat haar tegenstond in mannen was niet zozeer hun erotiek als wel de aanname dat die bij vrouwen ontbrak’. Volkomen blind voor het feit dat ze de beer voor haar eigen genot misbruikt, denkt ze haar onbedorvenheid te herwinnen. 

    Nobele wilde of de wil tot nobelheid

    Naarmate Lou langer met Beer optrekt – vrij snel geeft ze hem nota bene een naam – ontwaart ze menselijke trekjes in diens gedrag: na een plons in het naburige meer grijnst hij naar haar; hij schuifelt ongemakkelijk heen en weer in zijn onderkomen; moe en droevig wacht Beer tot Lou naar hem kijkt. Met deze antropomorfismen vervaagt Lou de grens tussen het menselijke en dierlijke. Zij ontkracht de overtuiging dat het menselijke, beschaafde enerzijds, en dierlijke, onbeschaafde anderzijds een tegenstelling vormen. Met andere woorden: ze waagt zich aan een gedachte-experiment om haar recent opgebloeide verlangen goed te praten. ‘Ze wilde weten wie en wat die Cary was. De beer. Er was een verband, een ondefinieerbare intimiteit tussen hen, een schakel tussen verlangen en begeerte en wat bereikbaar was. (…) Wat kreeg Cary terug voor het opofferen van de beschaving?’ Met dit achterhaalde motief van de nobele wilde, de noble savage, bekritiseert de hoofdpersoon de westerse beschaving om haar eigen geweten te zuiveren. 

    Volgens de idee van de nobele wilde is de primitieveling een betere, liefdevollere mens dan de geciviliseerde. Via de boeken uit Cary’s bibliotheek krijgen de Romantiek en de Verlichting, de grondleggers van dit motief, het nakijken. Romantici Keats en Lord Byron veroordeelt Lou, omdat de twee mannen over lijken gingen in hun pathetische streven naar ongereptheid: ze wilden, kortom, te graag nobele wilden zijn. Verlichte denkers Darwin en Linnaeus neemt ze juist kwalijk dat de wetenschappers het mysterie van de natuur verbraken in hun drang om alles te categoriseren: deze heren wilden in haar ogen te veel ‘beschaven’. Toch zweeft Lou geenszins boven de partijen en ontpopt zij zich ironisch genoeg tot niet-nobele wilde. Ze heeft meermaals seks met beheerder Homer en voelt zich er niet schuldig over dat ze overspel faciliteert. Hij is immers maar een doodvermoeiende zuurpruim die haar met zijn heldendichten over Europeanen en wilde indianen verveelt. Naderhand duwt de man – die niet voor niets naar Homerus vernoemd is – haar van zich af; ze stinkt naar beer. ‘s Avonds krijgt Lou van Beer niet de troostrijke omhelzing waar zij zo vurig naar verlangt: ‘Die avond rook hij mens aan haar en wilde niet bij haar komen.’ Mensen zijn weliswaar een soort dieren, dat maakt dieren echter nog niet tot een soort mensen.

    Zelfgenoegzaamheid

    Waar Lou een patriarchale, westerse maatschappij de maat neemt, is zij zelf geen haar beter. De keerzijden van de hierboven aangestipte periodes  – Romantiek, Verlichting en zelfs de Klassieke Oudheid – zijn eveneens in haar verankerd: haar naïeve, sentimentele queeste naar puurheid ontaardt in bestialiteit en haar rationele werk in de archieven vervreemdt haar van haar identiteit. Haar fantasie dat ze een Aphrodite is, wier vrouwelijke seksualiteit geëerbiedigd dient te worden, is slechts een excuus om de beer voor haar eigen gerief te exploiteren: ‘… ze wist dat ze uit water voort was gekomen. Ze sabbelde op haar tenen en haar vingers, spelend dat ze geboren werd. De golven bleven aan de kust sabbelen.’ 

    Marian Engel rekt in Beer de grenzen op van het maatschappelijk aanvaardbare en geeft de beer het imago dat hij verdient. In volle glorie ontbrandt Beers wildheid, als Lou het ondenkbare wenst: ‘er liep één lange rode geronnen striem van haar schouder naar haar bil.’ Wat Lou precies wil, geef ik niet prijs. Eén ding is zeker: Marian Engel vermorzelt het ‘beschaafde’ met begaafde pen.

     

  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

    Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

    Nacht en dag (1919), de tweede roman van Virginia Woolf, vertelt op het eerste gezicht het geijkte verhaal van een aantal mensen die door onhandige keuzes en ongelukkig toeval in een precaire situatie terechtkomen waaruit geen uitweg mogelijk lijkt. Maar ondanks dat particuliere verhaal is Nacht en dag vooral ook maatschappijkritisch van ondertoon. In de nieuwe vertaling van Barbara de Lange is de roman honderd jaar later nog even relevant. 

    Mary Datchet, een overtuigd feministe, valt voor een man die haar niet ziet staan, advocaat Ralph Denham. Ralph heeft sterke gevoelens voor een ander, de knappe maar ondoorgrondelijke Katherine Hilbery, die uit een gegoede intellectuele familie komt. Katherine verlooft zich op haar beurt met William Rodney, een pseudopoëet die nogal vol is van zichzelf, en William wordt nog tijdens hun verlovingsperiode hopeloos verliefd op Katherines nichtje, Cassandra Otway – met alle pijnlijke én komische gevolgen van dien. Klinkende porseleinen theekopjes, de grauwe straten en gehorige huizen van Londen en de typisch Britse omgangsvormen waarachter zoveel meer schuilgaat dan alleen beleefdheid, nuffigheid of ongemak maken Nacht en dag een karakterstudie en zedenschets ineen.

    Vals ideaalbeeld

    De onbegrepen liefdes, vileine grappen en talloze (thee)visites aan familie en kennissen doen denken aan Jane Austens Trots en vooroordeel, met als significant verschil dat daar, ondanks alle verwikkelingen, uiteindelijk toch het geluk zegeviert. Waar Elizabeth Bennet Fitzwilliam Darcy eerst veracht, moet ook Katherine Hilbery aanvankelijk niets van Ralph Denham weten. Keer op keer schatten ze de gevoelens van de ander verkeerd in. Maar als Katherine en Ralph elkaar uiteindelijk toch naderen, probeert Katherine de betovering tussen hen beiden te verbreken. Ralphs liefde is haars inziens een idee-fixe; geen echte verliefdheid, maar eerder het nastreven van een vals ideaalbeeld van de voor hem perfecte vrouw. Daardoor blijft er, ondanks het toch min of meer geruststellende einde, slechts een voorzichtig sprankje hoop op een goede afloop achter bij de lezer.

    Contrasten in personages

    Nacht en dag is uitgesponnen, maar nooit saai. Dat is onder meer te danken aan de diepte van Woolfs personages. Ze vertonen grote contrasten, zowel innerlijk als uiterlijk. Katherine Hilbery, met haar rationele, ongenaakbare uitstraling en rijzige schoonheid, verschilt als dag en nacht van haar nichtje Cassandra Otway (een speaking name), die lijkt op een frêle Française en haar aandacht nooit lang op één persoon, gesprek of hobby  kan vestigen. ‘De nichten leken samen een heel scala voortreffelijke eigenschappen te bezitten die nooit in één persoon verenigd en zelfs zelden in een handvol mensen bij elkaar wordt aangetroffen,’ schrijft Woolf, spottend haast. Ralph Denham is advocaat, schrijft zo nu en dan journalistieke stukken en draagt zorg voor zijn moeder, een weduwe, en zijn broers en zussen. Hij is het tegenbeeld van William Rodney, de onaantrekkelijke dichter met literaire ambities die Denham in de hitte van hun “strijd” om Katherines liefde bestempelt als een ‘veinzende, ijdele, bizarre fat’. Toch vervalt Woolf nergens in flat characters. Het scherpe contrast dient een doel, het serveert de lezer steeds een andere veronderstelde werkelijkheid, bezien en bevraagd door de afzonderlijke hoofdpersonages, en bewerkstelligt uiteindelijk compassie met hen die elk op hun eigen manier twijfelen over de zin van het bestaan.

    Karakterontwikkeling

    Woolf dwingt haar lezer zich onder te dompelen in hun psyche. Met scherpe blik en psychologische diepgang schetst ze de mechanismen die schuilgaan achter een handbeweging, het voorbereiden van de theebijeenkomst of de overdenkingen tijdens een namiddagwandeling. Elk gebaar, elke uitspraak is in het licht van hun eigenschappen volkomen geloofwaardig. Woolf kent haar personages als waren ze haar kinderen, maar spaart ze niet. Het uitgebreide onderzoek dat waarschijnlijk aan de karakteriseringen vooraf is gegaan legitimeert de soms wijdlopige stijl. De enige kanttekening is de dramatische ironie. Bij voorbaat wéét je dat er iets mis zal gaan, en dat gaat het dan ook. De uitgebreide innerlijke dialogen zijn dan eigenlijk overbodig. Als je als lezer al weet dat een handeling onherroepelijk ergens toe zal leiden is de gedachtestroom die daaraan voorafgaat minder boeiend. Maar omdat de karakterontwikkeling misschien wel een van de belangrijkste pijlers van het verhaal is, is dit niet iets om Nacht en dag op af te rekenen. De gemene deler is dan ook de verandering die zich voltrekt als personages hun eigen gedrag beginnen te ontleden. Katherine zou zich bijvoorbeeld liever op de wiskunde storten dan tegen wil en dank de literaire nalatenschap van haar opa, de beroemde dichter Richard Alardyce, te editeren. Ralph wil zijn toga aan de wilgen hangen en een knus huisje kopen, ver van zijn familie. Uiteindelijk komt de rode draad van Katherines rationaliteit langzaam maar gestaag los als ze tegenstrijdige gevoelens ervaart. Ralph beseft hoeveel zijn familie eigenlijk voor hem betekent en hoe moeilijk het is om zijn verantwoordelijkheid naast zich neer te leggen.

    Onderhuidse borreling

    Woolfs analyse van en kritiek op de overkoepelende culturele ideeën en mores maken Nacht en dag een roman van grote sociale en maatschappelijke urgentie. Opvallend zijn de strikte sociale regels en de onderkoelde maar uiterst beleefde wijze waarop iedereen met elkaar omgaat in het Londen van het begin van de twintigste eeuw. Nooit verheft iemand zijn stem, nooit bevecht iemand zijn lot op het scherp van de snede, maar onderhuids borrelt er van alles. Uit de relaties die de personages aangaan spreekt bovendien een zekere voorwaardelijkheid. Of, zoals Katherine in gesprek met Mary constateert: ‘Misschien zijn onze affecties wel de afschaduwing van een idee, Mary. Misschien bestaat er niet zoiets als affectie op zichzelf…’ De gegoede intellectuele kringen waarin vooral Katherine verkeert (en die tot op zekere hoogte parallellen vertonen met het milieu waarin Woolf opgroeide), worden op de hak genomen. De vooroordelen en hypocrisie die schuilgaan achter het perfecte beeld voor de buitenwacht brengt Woolf met haar stream of consciousness meesterlijk in beeld.
    Het is dan ook geen toeval dat Katherine Hilbery en Ralph Denham in een van de sleutelscènes juist in de Londense dierentuin vrijuit van gedachten kunnen wisselen: daar voelt Katherine zich geen ‘gekooid wild dier’, daar lijken hun vooroordelen voor het eerst echt weg te vallen. Maar ook de tijdens hun verloving opgebouwde spanning tussen Katherine en William leidt tot een explosie. Het is prachtig en pijnlijk tegelijk.

    Ook de uiteindelijke confrontatie tussen Katherine en haar vader is veelzeggend. In een felle discussie over de keuzes die ze maakt, laat ze haar emotie de vrije loop en weigert ze tegelijkertijd haar gevoelens tegenover hem te verantwoorden. Na hun ruzie stelt Trevor Hilbery voor samen Walter Scott te lezen. ‘Voordat zijn dochter kon protesteren of ontsnappen, werd ze al door tussenkomst van Walter Scott omgevormd tot een beschaafd mens.’ Die oplossing is illustratief voor hoe hij omgaat met problemen, en hoe alle generaties vóór hem deden: dek de onenigheid toe met de mantel der civilisatie, zorg voor remmingen en de zaak is gered. 

    Feminisme

    De feministische thematiek die Woolf in A Room of One’s Own (1929) zou uitwerken, schemert al door in Nacht en dag. Ze wordt niet alleen weerspiegeld in Katherines onwil zich te conformeren aan de gewoonten van haar familie, maar ook door Mary, die voor een suffragetteorganisatie werkt en thuis pamfletten schrijft om het onderwerp stemrecht voor vrouwen onder brede aandacht te brengen. Haar kamer wordt een broedplaats van verwachting, een symbool voor soevereiniteit: het in vrijheid nastreven van je idealen, zonder dat iemand over je schouder meekijkt. Vanuit de rollen die Katherine en Mary op zich nemen, toont Woolf genuanceerd verschillende vormen van feminisme. Katherine lijkt gevangen in haar familieomgeving en haar editeursrol, maar komt tegelijkertijd over als een onafhankelijke en ongenaakbare vrouw. Ze is in haar omgang met mannen rationeel en scherp, wat deze als bedreigend ervaren. Het traditionele huwelijk is eigenlijk niet aan haar besteed. Mary lijkt enerzijds star in haar overtuigingen, anderzijds minder streng voor zichzelf en haar vrienden, wordt hopeloos verliefd op Ralph en ontpopt zich vervolgens tot raadgever van alle ongelukkige geliefden. Uiteindelijk besluit ze toch haar eigen zakelijke plan te trekken en de prioriteit van een huwelijk te laten varen om de feministische zaak te dienen.

    Woolf laat zien wat er gebeurt als mensen een pasklaar referentiekader (werken, trouwen, een gezin stichten) over de grillige werkelijkheid plaatsen en op hun eigen onvolkomenheden en niet waargemaakte verwachtingen stuiten. Ze legt de lezer indirect universele vragen voor. Moet je trouwen om gelukkig te zijn, dien je in de voetsporen van je familie te treden of juist de status quo te doorbreken, en is het erg als je (nog) niet weet wat je doel in het leven is? Nacht en dag biedt een boodschap die resoneert, zeker in een tijd waarin identiteit en individuele beweegredenen expliciet worden bevraagd en herzien.

     

     

  • Kerstpudding en mistletoe

    Kerstpudding en mistletoe

    Iemand zegt: ‘Plum speech. Ik moet een Plum speech houden’. Ik word wakker, ben het zelf die dit murmelt. Het klinkt aannemelijk, speechen over pudding nu kerstmis nadert. Waarom ook niet. Er zijn veel dingen waarvan ik denk er iets mee te moeten doen. Zo moet er een sfeer van kerst in huis komen. Moet de kamer anders ingericht, moeten er meubels uit, er iets bij. Ik voel me als de vrouw in The sorrowful wife, van Nick Cave, ‘Who is shifting the furniture around’.
    Ik zie voor me een feestelijk gedekte tafel met damasten kleden in een eetkamer met krullerige versieringen, een kerstboom tot aan het plafond, honderden lichtjes, – man, wat een lichtjes. Kerstmis vieren zoals in films en op plaatjes. Compleet met een goudbruin gebraden kerstkalkoen op een bed van groen, flonkerende wijnglazen, pasteitjes en het dessert iets met sterretjes. Mistletoe in de deuropening, kerstsokken aan de schoorsteenmantel, rond de kerstboom een stoomtrein die af en toe fluit, stoom afblaast. De boom zelf onbereikbaar door pakjes in alle maten en vormen, berg van beloften. Van knuffels die knipogen, poppen die babyflesjes leegdrinken, boeken die zichzelf lezen.

    Dan komt de titel Een wereld van mooie plaatjes, van Simone de Beauvoir in mijn hoofd. Over het leven van een jonge vrouw in Parijs, door haar ouders gemodelleerd tot voorbeeldige vrouw, met enkel do’s and don’ts hoe te leven. Ze werkt in de reclamewereld, verleidt  mensen dingen te kopen die ze niet nodig hebben. Een wereld van valse schijn. Voor haar dochter wil ze het anders: ‘Een kind opvoeden, dat is niet er een mooi plaatje van te maken.’ Een veelzeggend boek, met innerlijke conflicten, nog steeds van deze tijd, (jongens lees dit boek!).

    De kamer staat op zijn kop en ik lees Nacht en dag van Virginia Woolf. Over verschillen in burgerlijke stand, met diners en theevisites, voortreffelijk geserveerde gerechten waarbij gasten zich volgens de regelen der conversatiekunst vermaken. En loop door de straten van Londen naar jongerenbijeenkomsten, waarbij toen al gezeten werd op matrassen op de grond. Maar ook hier is wat je ziet, de buitenkant – schijn. Een boek waarin de werkelijkheid, heimelijke gedachten betrapt, gedachten achter geënsceneerde plaatjes kijken.
    ‘Ineens kwam de gedachte bij Katharine boven dat iemand die op dat moment de deur opendeed waarschijnlijk zou denken dat ze zich vermaakten; hij zou denken: wat een heerlijk huis om in binnen te komen!, en ze moest vanzelf lachen en zei iets wat bijdroeg aan het rumoer – wat vermoedelijk vooral het huis tot eer strekte, want zijzelf was helemaal niet zo opgewekt.’
    Als iemand de deur naar mijn huiskamer zou openen, zou die hem gauw weer sluiten. En niet zien hoe ik me vermaak met deze geweldige roman van Virginia Woolf.

     

    Een wereld van mooie plaatjes / Simone de Beauvoir / vertaling Ernst van Altena / Agathon (1980)
    Nacht en dag / Virginia Woolf / vertaling Barbara de Lange / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.